Monthly Archives: april 2017

Hebben we genoeg aan empathie?

Op 6 april verscheen in De Groene Amsterdammer een essay van Joost de Vries waarin deze vraagtekens plaatst bij de vanzelfsprekendheid waarmee empathie als een middel tegen alle kwalen wordt voorgesteld. Empathie heeft grenzen en heeft zelfs iets ambivalents. Kort daarvoor schreef ik voor De Bezieling het onderstaande relativerende stuk over een vergelijkbaar onderwerp. EC

Wat gaat er verloren als we de religie of het geloof verliezen? Een gelovige hoeft niet lang na te denken over het antwoord. “Het geloof verloren. Rampspoed geboren.” Maar ook voor ongelovigen staat veel op het spel. Je hoeft geen aanhanger van een religie te zijn om te erkennen dat de religie de mensheid en de civilisatie heeft verrijkt. Ze leverde grote denkers en kunstenaars op. En wat het belangrijkste is: ze hield altijd de ethiek in de lucht. Niet dat gelovige of religieuze mensen betere mensen zijn: ze hebben wel sneller een knagend geweten. Religie houdt het besef levend dat we deel zijn van een groter geheel en verbindt ons met andere mensen, andere levende wezens en met de generaties voor ons en na ons.

Vanuit het oogpunt van de menselijkheid en de beschaving lijkt het geloof dus een onmisbare schat. Daarom breken zelfs fijnbesnaarde agnosten en atheïsten een lans voor de religie als hoedster van ons erfgoed en met name van de ethiek. Niettemin zijn er ook altijd opinieleiders geweest die, met het oog op de niet te stuiten secularisatie, het zekere voor het onzekere namen. Ze gingen op zoek naar opvolgers of plaatsbekleders voor de religie als hoedster en kweekster van het geweten. Was er een ethiek mogelijk zonder religie, een moraal die bestand was tegen de secularisatie? Talrijke kandidaten hebben zich inmiddels met minder of meer succes gekwalificeerd als garant voor de ethiek: het zuivere denken, de evolutie, de geest van de geschiedenis, het instinct van de revolutionaire massa, het welbegrepen eigenbelang enz.

Met name sinds de romantiek wordt echter steevast de kunst – en daarbinnen met name de literatuur – naar voren geschoven als de kweekplaats van het menselijk geweten. De literatuur wakkert immers de verbeeldingskracht aan, die op haar beurt de motor is van het goede handelen. Door de verbeelding verplaatst de mens zich in de ander en vereenzelvigt hij of zij zich met die ander – en dat leidt onweerstaanbaar tot compassie en liefde.

“Het grote geheim van de moraal is liefde, ofwel het verlaten van onszelf en ons vereenzelvigen met datgene wat niet van ons is. Het grote instrument van het goede is de verbeelding en de poëzie dient ons dit middel toe,” (aldus P.B. Shelley in 1821).

De literatuur is dus, minstens in potentie, de nieuwe transcendentie, de waardige opvolger van de religie als geestverruimend middel, als datgene wat ons bevrijdt uit de beknellende band met ons zelf. Ze wekt en onderhoudt ons inlevingsvermogen en onze empathie, door ons in close-up en slow-motion een inkijk te geven in de belevingswereld van de personages. Voor die fictie hoeven we overigens niet meer alleen te rade te gaan bij de grote literatuur. Er is inmiddels een ruim en laagdrempelig aanbod aan fictie, van de vuistdikke roman en de art-house-film tot de soapserie, de musical en de Hollywood-kaskrakers. Al deze genres hebben gemeen dat ze authentieke gevoelens van compassie kunnen aanwakkeren en vormen.

Natuurlijk loopt de compassie altijd het risico dat ze ontaardt in sentimentaliteit, een emotioneel geraakt worden dat aan de oppervlakte blijft en niet tot commitment leidt. Het is verleidelijk om te denken dat deze sentimentaliteit alleen voorkomt bij de meer commerciële vormen van fictie. We weten echter inmiddels dat het risico van oppervlakkigheid bestaat bij de lezers en kijkers van alle graden en niveaus, van alle rangen en standen. De lezers van Tolstoi en Mann zijn niet per definitie serieuzere mensen in moreel opzicht. De kijkers naar Goede Tijden hebben niet per se een oppervlakkig geweten.

En dit alles doet toch weer de vraag rijzen: Heeft de ethiek dan echt wel genoeg aan de literaire verbeelding? Is er echt niet nog iets anders nodig, dat de vrijblijvendheid van de fictie overstijgt?

Ik ben niet iemand anders.

Tot een activistische voorhoede heb ik nooit gehoord. Ik behoorde echter wel altijd tot het soort mensen, dat dacht dat de wereld wel wat beter kon. Beter, dat wilde zeggen: vrijer, rechtvaardiger, vreedzamer. Enerzijds werd me dit ingegeven via de paplepel van een katholiek milieu, dat me leerde om de naaste lief te hebben. Anderzijds werd ik beïnvloed door het maatschappelijke klimaat van de jaren zeventig. Door dit laatste kreeg de naastenliefde, die in mijn milieu een mild en verteerbaar karakter had, een scherp politiek smaakje en een soms wat bittere afdronk. Vanaf de dag dat ik mondig was en mijn eigen geld begon te verdienen – dat was vanaf 1982 – werd ik lid van diverse actiegroepen en solidariteitsbewegingen.

Wat de katholieke naastenliefde en het solidaire activisme met elkaar verbond, was de gerichtheid op de ander. Het was niet netjes, maar ook helemaal niet nodig om voor jezelf op te komen. Je zette je in voor de ander. Dat deed je vanuit het besef dat je het zelf goed had en een schuld had in te lossen, maar tevens vanuit het vertrouwen dat anderen wel voor jou zouden opkomen als je zelf ooit in moeilijkheden zou komen.

Dit ethos om je zelf op de tweede plaats te stellen gold ook voor het collectief. Solidariteit richtte zich op de ander áls ander – en niet op soortgenoten en geestverwanten. Naar je eigen groep was je eerder kritisch – te meer daar deze groep bevoorrecht was of zelfs historische boter op zijn hoofd had. Concreet betekende dit, dat je je vooral inzette voor mensen op andere continenten en met andere huidskleur, mensen in andere leefomstandigheden en met andere religies etc. Hoe vreemder hoe liever.

Op deze gefixeerde focus op de ander en de vreemde is natuurlijk het één en ander aan te merken. Het eenzijdige altruïsme heeft iets hautains en neerbuigends, voor zover de ander wel erg als zwakkeling wordt neergezet. Aan de andere kant kan het verworden tot ongezonde en (paradoxaal gesproken) zelfs narcistische vorm van zelfverwaarlozing, zelfverwijt en zelfhaat. Niettemin lijkt me de gerichtheid op de ander áls ander per saldo een grote morele verworvenheid van onze tradities. Ze is geen overbodige luxe, gezien de voortdurende neiging van groepen en individuen in onze cultuur, om vooral met zichzelf bezig te zijn en voortdurend de eigen schaafwondjes te likken.

Bij mij is dit altruïsme in elk geval diep geworteld – als ideaal en norm dan, niet als dagelijkse praktijk. Daarom kan het er bij mij ook moeilijk in, als activisten zich voornamelijk met hun eigen groep bezighouden en hun solidariteit vooral investeren in mensen die het meest op hen lijken. Of als onderdrukking en geweld bijvoorbeeld steevast worden geplaatst in het vooraf gegeven kader van ‘wij’ tegenover ‘hun’. Ik denk hier aan christenen die vooral in het geweer komen als medegelovigen het slachtoffer zijn van een aanslag – en dan zelfs van christenvervolging spreken, alsof zij als groep het slachtoffer zijn – of aan moslims van de categorie Abou Jahjah of Tunahan Kuzu, die zich obsessief en exclusief solidariseren met andere moslims – en vanuit dat frame bijvoorbeeld de hele Midden-oostenproblematiek zien, tot en met het demoniseren van Israël.

Als een mens slachtoffer is van geweld en onrecht, is dit een voldoende en noodzakelijke voorwaarde om mijn solidariteit te mobiliseren – ongeacht of hij of zij mij vreemd is of vertrouwd. Nog sterker gezegd: het slachtofferschap máákt hem tot de vreemde en ander, die als zodanig (en niet als soortgenoot) aanspraak maakt op mijn solidariteit. Het brengt een niveauverschil aan en geeft de ander gezag. Ik kom op dit moment bijvoorbeeld op voor de Koptische christenen omdat ze mikpunt zijn van nihilistisch geweld. Het feit dat zij getroffen zijn, brengt hen in de positie een dwingend appel op mij te doen. Ze worden voor mij niet tot een slachtoffer – laat staan tot een geprivilegieerd slachtoffer – doordat ze toevallig een zelfde geloof aanhangen.

Je suis niet iemand anders. Ik ben de geschonden ander niet. Het slachtofferschap trekt een grens tussen die ander en mij en brengt niveauverschil aan. Het breekt door het kader van vertrouwdheid heen. En juist vanuit de zo ontstane, onoverbrugbare vreemdheid klinkt het beroep op mijn solidariteit pijnlijk scherp in mijn oren.

Stofwisseling

weerzien met mijn moederstad

Maastricht, 4 april 2017

***

Ouder dan Socrates
tjokt door haar bedding
de maas.
Bedrieglijk lijkt ze
op eerdere gedaanten.
Toch parasiteert slechts
haar huidige zelf
op vroegere huiden.

Eeuwig jonge,
kindse moeder,
met wie ik herinneringen
niet kan delen.
We zijn elkaar vreemd.

De brug overstekend
vernieuw ik mezelf
met huid, hart en haar.