Monthly Archives: maart 2017

Je suis Menno ter Braak

De tegenstelling tussen volk en elite is zo oud als de wereld. We leven echter in een tijd, waarin deze tweedeling (weer) een gevaarlijke politieke lading krijgt. Het is een suggestief frame dat ons ontslaat van serieus onderzoek en discussie. Op het moment dat wordt vastgesteld, dat we een apocalyptische strijd meemaken tussen de boosaardige elite enerzijds en de massa, die zo onschuldig is als een lam anderzijds (of andersom) zijn de kaarten al geschud. Het is dan zaak om zo snel mogelijk kleur te bekennen en de goede kant te kiezen. Verlammend en funest is deze ‘Zugzwang’, die we momenteel weer beleven.

Op het gevaar af in paradoxen te belanden, ben ik van mening dat er op dit moment eigenlijk vooral één urgente tweedeling bestaat: de tweedeling tussen enerzijds hen die de kwesties waarvoor we staan voorstellen als simpele keuzesituaties en anderzijds hen die durven leven met de onoplosbaarheid van vragen en de voorlopigheid van de antwoorden, hen die, om met Jacques de Kadt (1897-1988) te spreken, durven leven in het raadsel. En als dat ‘durven’ te aanmatigend en te heroïsch klinkt, laten we het dan zo formuleren: hen die niet anders kunnen dan berusten in deze raadselachtigheid, die haar gelaten maar beslist het hoofd bieden.

Als er al een ‘elite’ bestaat, dan is het die laatst genoemde ‘soort’: de categorie mensen, die moedig capituleert, die berustend in beweging komt en blijft, die stoutmoedig gematigd handelt, die vermetel realistisch de wereld inkijkt. Het is de ‘democratische aristocratie’, zoals De Kadt haar muntte. Het is de ‘schipperende’ elite van Menno ter Braak, die noch à la Rob Riemen terugverlangt naar de gouden, ‘humanistische’ tijden van weleer, noch zich, uit een soort romantische verheerlijking van het brute, masochistisch uitlevert aan de modieuze ‘ploertigheid’ en ‘poenigheid’. Zij ziet niet neer op de begriploze massa vanuit de pretentie zelf wel de toekomst in hoge woorden te kunnen ‘bannen’, maar maakt zich evenmin tot tolk van de oprispingen van onvrede van die massa – een onvrede die overigens veelal een romantische projectie is van de snob, die de ‘gewone mensen’ als nobele wilden op het voetstuk plaatst en hen zodoende tegelijk temt. De ‘schipperende elite’ kent juist de ‘werkelijke ontevredenheid die inherent is aan het leven in het raadsel, de ontevredenheid met elk antwoord op de open vraag’ (De Kadt), de ontevredenheid met alles wat pretendeert een einde te maken aan voorlopigheid.

De elite in deze zin wil ik echter niet zien als een sociologische, statische groep. Het is geheel in de geest van Ter Braak om haar eerder te zien als een ideaaltype, een model dat ons een dynamiek, een streven en een ‘onrust’ voorhoudt, die we ons allemaal eigen zouden moeten en kunnen maken. Een ideaaltype dat ons een slecht geweten bezorgt als we de oorzaken eenduidig lokaliseren en de oplossingen met overmoedig gemak aandragen – als we bijvoorbeeld spreken over de ‘falende overheid’ als bron van alle kwalen en als we onszelf voorspiegelen dat een overheid die iets ‘anders’ of die ‘meer’ doet, garandeert dat het beter wordt – met als gevaar dat we met onze mond vol standen staan als dat ‘andere’ en ‘betere’ straks op zijn beurt faalt, als bijvoorbeeld ondanks potdichte grenzen toch een aanslag plaatsvindt en we ons moeten aanvragen wat er dan ‘nóg beter en anders’ moet. (We kunnen daar maar beter aan denken.)

In een tweet vroeg onlangs een bekend liberaal historicus, die ooit een zeer korte parlementaire carrière had, wie de Menno ter Braak van deze tijd zou zijn. Ik denk dat het antwoord kort kan zijn. Er was maar één Menno ter Braak. Zelf waarschuwde de schrijver er overigens voor, om al te makkelijke vergelijkingen te trekken tussen verleden en heden. Wel kunnen we, schreef hij, onze denkbeelden aan de geschiedenis toetsen. Alvorens straks te gaan stemmen kunnen we dus misschien gewoon het beste de tijddiagnoses van Ter Braak (en De Kadt natuurlijk) lezen of herlezen. Het is niemand onder ons verboden om te zeggen: Je suis Ter Braak.

Bronnen:
Menno ter Braak, De nieuwe elite. 1939.
Jacques de Kadt, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. 1939.

Deze column verscheen eerder op De Leunstoel.

Van traptreden naar hellend vlak? Over zogenaamde hoge en lage cultuur

In de cultuurgeschiedenis is de tweedeling tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur een rode draad. Aan de ene kant stond bijvoorbeeld altijd de complexe en doorwrochte letterkunde of de muziek, bedoeld voor de geletterde fijnproevers en rijk bedeelden in hun salons of zalen. Aan de andere kant was er de parallelle wereld van de orale, geïmproviseerde vertelkunst en muziek, met als podium de straat of andere ontmoetingsplaatsen van het volk. In de 20e eeuw is deze tegenstelling op de spits gedreven. Dit had een specifieke oorzaak, namelijk het feit dat door de moderne techniek en media kunstuitingen oneindig reproduceerbaar werden – zoals Walter Benjamin (1892-1940) heeft beschreven.

Dit was voor de ‘hoge cultuur’ uiteraard een zegen. Via de radio en de platenindustrie verliet de klassieke muziek de concertzaal. Door goedkope druktechnieken vond de wereldliteratuur de weg naar de massa. Door diezelfde techniek was het genot van beroemde schilderijen niet meer voorbehouden aan degenen die zich konden veroorloven om te reizen of kunst aan te schaffen. Tegelijk echter moest de zogenaamde ‘hoge cultuur’ nu direct de concurrentie aangaan met de massacultuur, waarvoor de nieuwe media evenzeer een ideaal voertuig waren. De muur viel weg tussen de parallelle werelden. Dat zette kunstminnaars er toe aan, via de massamedia een verheffingsoffensief in te zetten. De ‘hoge’ kunst moest onder de mensen worden gebracht. Het was echter een ongelijke strijd. Met de concurrentie kwam de commercialisering. Wat de klant vroeg werd gedraaid.

Daar kwam nog iets bij. De vermenigvuldigingstechniek maakte nieuwe vormen van kunst mogelijk – zoals het beeldverhaal, de in de studio gemixte en opgenomen muziek, de film, het bewegend beeld en mengvormen van één en ander, zoals de videoclip. Deze ontwikkeling gaat nog steeds door en komt door de digitalisering weer in een nieuwe fase. De genoemde kunstvormen zijn geboren in en dankzij de massamediacultuur – en zijn daardoor uit hun aard eendimensionaal en commercieel. Ze zijn beter aangepast aan de moderne cultuur en daardoor vitaler. Het ingeblikte beeld en geluid lijken het einde van het geschreven boek in te luiden en de concertzalen worden nog slechter bezocht dan kerken.

De Platonische tegenstelling blijkt echter niet vol te houden. De verhouding tussen ‘hoog’ en ‘laag’ is bij nader inzien complexer. Zo wordt binnen de officiële kunst menige strijd geleverd tussen een moeilijk toegankelijke avant-garde enerzijds en kunstenaars die benaderbaar zijn anderzijds, tussen abstract en figuratief, tussen atonaal en tonaal, tussen raadselachtig en begrijpelijk, tussen conceptueel en beeldend etc. En om het nog ingewikkelder te maken zijn er popmusici en -liefhebbers die vanuit de ivoren toren van meer artistieke rockmuziek neerkijken op de commerciële allemansmuziek.

Het is misschien aan die verwarring te danken, dat velen de strijd opgeven tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Dat begon al in de jaren zestig. Het zet nu meer dan ooit door. Uitvoerders van klassieke muziek zoeken contact met popmusici en maken zogenaamde ‘crossovers’. Cultuurprogramma’s op TV stimuleren museumbezoek en het lezen van boeken. Fado- en jazzliefhebbers ontdekken de Schlager en het Jordaanlied als de blues van de gewone man. De grenzen vervagen of worden in elk geval gretig overschreden. De traptreden worden een hellend vlak…

Is het toeval dat ik de laatste jaren iets vergelijkbaars zie gebeuren op de markt van zingeving en religie? Theologische en pastorale vernieuwers hebben het Volk Gods vanaf het midden van de 20e eeuw proberen te verheffen en te verfijnen. De volksreligiositeit werd afgedaan als primitief. Toch is ze als onderstroom springlevend gebleven. Zij wordt sinds kort weer volop serieus genomen door godgeleerden en zielzorgers. Vooral onder de nieuwe gedaante van de esoterie wordt zij meer en meer salonfähig. Dat de religie niet meer onderhevig is aan het alleenvertoningsrecht van instituten met hun ‘elites’ draagt hier zeker aan bij. Net als de cultuur is religie, dankzij het onbegrensde netwerk van de media, het eigendom geworden van iedereen. Zij is democratisch geworden of liever ‘demo-praktisch’: mensen brengen religie op hun manier en ongehinderd in praktijk. Daardoor vervallen grensindelingen en indelingen in hoog en laag. Of je dat nu leuk vindt, of niet.

Ik bijvoorbeeld vind dat niet leuk. Maar gelukkig ga ik er ook niet over.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.