Monthly Archives: juni 2016

Van Rome naar Amsterdam

Toen ik onlangs terugkeerde van een korte reis naar Rome, werd mij gevraagd ‘als wat’ of ‘waarvoor’ ik ginds was geweest. Deze vraag wordt niet zo snel gesteld na andere stedentrips. Rome echter doet als geen andere stad een beroep op uiteenlopende identiteiten. Je vertoeft er als pelgrim of als toerist, als kunstliefhebber of als oudheidkundig geïnteresseerde. Je verblijft er voor studie of bezinning, zonaanbidding of werk – of voor een combinatie van één en ander. Zelfs als je je beperkt tot één dimensie, bijvoorbeeld de kunst, heb je daarbinnen nog de keuze uit uiteenlopende focussen. Rome is bij uitstek een veelstemmige stad, die zich laat lezen als een partituur met vele lagen, vanaf de oudheid tot en met de moderniteit. Je komt in aanraking met haarscherpe antieke mozaïeken; met vrolijke en vriendelijke vroegchristelijke kerken, zo onovertroffen op menselijke maat gebouwd; met de bescheiden pasteltinten van renaissancefresco’s; met intimiderend-uitbundige barok; met 19e-eeuwse serieproductie en ten slotte met hedendaags-rechtlijnige architectuur en zijn zorg om de leefbaarheid van de ruimte.

Ik ben niet vaak in Rome. En als ik er ben is het meestal kort. Ik moet dan dus keuzes maken, hetgeen niet meevalt als je zelf even veelstemmig van identiteit bent als de oneindig gelaagde stad. Er is echter één kunstenaar die ik nooit links zal laten liggen en dat is Caravaggio, met zijn onmiskenbare clair-obscur. Omdat Caravaggio’s schilderijen over de hele stad verspreid hangen, kun je er ook nauwelijks omheen. Dit keer kon ik de Roeping van Mattëus (1600) in de kerk van S. Luigi dei Francesi bekijken – en bewonderen, want licht- en lijnenspel versterken in dit werk de dramatiek in de opstelling van de figuren.

carravaggio roeping

Merkwaardig genoeg brengt Caravaggio mij in gedachten altijd terug naar Nederland en naar de Hollandse meesters in het spelen met licht en schaduw, Rembrandt voorop. De Roeping van Matteüs riep dit keer echter associaties op met een kunstwerk dat in het Amsterdamse Rijksmuseum in de schaduw van Rembrandt hangt en dat ik pas afgelopen voorjaar ‘ontdekte’. Het was een openbaring. Kan van de 17e-eeuwer Rembrandt nog worden gezegd, dat hij in de traditie van Caravaggio staat en deze verfijnt: voor De Roeping van Johannes tijdens de Bruiloft van Kana van J. C. Vermeijen geldt dit niet. Het schilderij stamt uit 1530. Des te frappanter is het doeltreffende gebruik van het toen nog volstrekt ongebruikelijke clair-obscur.

Anders dan bij Caravaggio en de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw, wordt de toeschouwer hier overigens niet in de gelegenheid gesteld om het tafereel ongezien te bespioneren. Het tweedimensionale vlak wordt als het ware naar voren uitgeklapt. De kijker is daardoor geen voyeur, maar staat zelf in de denkbeeldige ruimte die het werk oproept. De getuige wordt zelf betrapt, zij het op een vriendelijke manier, en betrokken in de ongeruste zoektocht naar de wijn.

vermeijen-web

Waarvan zijn we echter precies getuige? Volgens commentaren ligt aan dit werk de legende ten grondslag, dat op de bruiloft van Kana het huwelijk werd gevierd tussen Johannes de Evangelist en Maria Magdalena. Door het befaamde wonder zagen beide personen echter af van hun relationele voornemens. Zoals water in wijn veranderde, zo kreeg ook hun levensbestemming een nieuwe richting: die van de navolging. Anders dan bij Caravaggio’s weergave van Matteüs’ ommekeer, komt de roeping van het bruidspaar niet tot stand door een dwingend handgebaar, doch door de onbekommerde en terloopse wonderhandeling van Jezus. Een handeling die begint – en dat is wel de grootste verrassing van dit schilderij – met de hulpeloos opgehouden, lege handen van Jezus.

Wat een Hollander in Rome niet allemaal kan ontdekken aan rijkdommen in zijn eigen land.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Onverschilligheid als remedie tegen de oververhitting

Het zal ooit wel een evolutionair voordeel hebben gehad: anders dan andere dieren winden wij ons op over het geestesleven van onze soortgenoten. Wij benaderen medemensen niet alleen als potentiële vijanden en rivalen, maar zijn ook als de dood voor hun dwalingen –  of die nu liggen op het gebied van het ware, het goede of het schone. Dat hun gedachten en gevoelens niet sporen met de onze, vinden wij onverteerbaar. In elk geval vergaat het mij zo. Ik kan me opvreten over – wat ik zie als – gedweep met musicals, blinde volgzaamheid jegens esoterische charlatans of overspannen polemiek in de zogenaamde zwartepietdiscussie.

Deze ergernis is natuurlijk onredelijk, maar ook ongezond. Het komt onze bloeddruk niet ten goede en onze sociale contacten evenmin. Zodra deze irritatie overslaan op het publieke debat, zijn de gevolgen nog groter. Ze leidt tot polarisatie, virtueel geweld, bedreigingen en soms reëel geweld. Dankzij de social media wordt één en ander extra opgeblazen en explosief. Waarom laat ik me hierin zo meeslepen, bijvoorbeeld bij de zwartepietdiscussie, vraag ik me dan af? Waarom erger ik me aan de argumenten van beide kanten? Waarom vind ik dat ik iets moet vinden van wat men vindt, hoe overtrokken en gezocht die mening ook mag zijn?

Het moge zo zijn dat de tegenpolen in de genoemde discussie de kwestie opblazen, door er onnodig van alles bij te halen en door een onnozel, op zichzelf staand fenomeen (“verklede man speelt mal typetje”) te voorzien van een bomgordel van ideologische context (enerzijds het met ons VOC-verleden verweven, alom tegenwoordig geachte racisme, anderzijds ons identiteitsbepalende, culturele erfgoed). De vraag blijft, waarom ik me toch zo veel aantrek van de discussie over iets, wat in mijn ogen een non-issue is. Ervaar ik – evolutietheoretisch uitgedrukt – de gedachten van anderen, als ze niet sporen met de mijne, als indringers? Is ons geestesleven inderdaad een soort territorium? Vechten we vijandschap en stammentwisten uit op mentaal vlak? Of is het juist omgekeerd zo, dat we anderen juist zo veel mogelijk willen beschouwen als onze familie en dat ze ons daarom meer schelen dan ons lief is? Zijn we van huis uit ‘verschilliger’ dan we denken?

Waar onze ergernis ook vandaan komt: we moeten volwassen ermee kunnen omgaan en er bóven kunnen staan. We moeten bereid zijn en blijven tot zindelijke discussies, tot gesprekken waarin we openstaan voor diverse gezichtspunten en degelijke argumenten inbrengen – en in elk geval in staat zijn om tot tien te tellen. De behoefte echter om iets te vinden van de ander, om de ander over te halen naar mijn kant of anders maar te verjagen van mijn mentale voortuin: deze aandrang zal altijd blijven smeulen – en soms oplaaien tot een onredelijke discussie.

Misschien kunnen we daar ook iets aan doen, door gewoon niet meer zo veel te willen vinden met en van elkaar. We zouden in elk geval bij irrelevante of – zoals de Duitsers zo mooi zeggen – ‘gegenstandslose’ kwesties (zoals Zwarte Piet) of bij kwesties van smaak (zoals de interne gebruiken van de Islam of welke religie dan ook) een schouderophalende tolerantie moeten ontwikkelen t.o.v. andermans geestelijke interieur. (Het zou uiteraard veel oefening vergen, want er zijn altijd mensen die ons chanteren door hun eigen issues hyper-relevant te verklaren.) We zouden op dit punt terug moeten keren naar een koel, verlicht liberalisme en zowel het vóórmoderne stammendenken als de ‘verschillige’ mens- en maatschappijvisies van de ‘zachtere’ maatschappelijke en politieke stromingen achter ons moeten laten.

Met andere woorden: Wat zou er tegen zijn als we, omwille van een vreedzaam samenleven en onze eigen gemoedsrust, gewoon wat meer onverschillig zouden zijn? Het maatschappelijk klimaat zou aangenaam afkoelen.

Muziek viert zichzelf.

Het is een staaltje van deftige, Nederlandse folklore.

In een praatprogramma op de televisie komt een BN-er vertellen, dat hij of zij een bewonderaar is van Bach. Dit gebeurt veelal in de tijd rond Pasen. Meestal zijn in het hetzelfde programma nog andere, nog beroemdere Bachminnende BN-ers aanwezig – Paul Witteman bijvoorbeeld – om als éénoog-in-het-land-der-blinden hun duit in het zakje te doen. Ook komt het wel voor dat de betreffende BN-er op Radio Vier in de gelegenheid wordt gesteld, om iets over zijn of haar ‘passie’ voor Bach te vertellen in het kader van een ultrakorte ‘rubriek’ waarvan hij of zij heel even de gastpresentator mag zijn.

Belangrijk voor het slagen van dit mediale optreden is, is dat ‘je het van deze persoon nooit zou hebben verwacht’. Hij of zij moet een stil water zijn, waarin nu plotseling diepe muzikale gronden zichtbaar worden, of juist een luidruchtige ruwe bolster, waarin deze blanke pit der Bachliefde schuilgaat.

De typisch Nederlandse folklore bestaat er nu in, dat de genoemde Bachminnaar, voordat hij of zij van wal steekt, de kijkers of luisteraars op het hart drukt dat hij weliswaar van Bach houdt, ‘maar zeker niet gelovig is’. Dat moet er met nadruk bij worden gezegd, omdat de tophits van de Thomascantor uit Leipzig vrijwel altijd afkomstig zijn uit een passie, een cantate of mis. En je kunt dan wel in vervoering raken door de muziek: de tekst eronder krijg je natuurlijk als BN-er niet over de lippen. Dat voorbehoud moet dan uitdrukkelijk op de mondelinge bijsluiter worden vermeld.

Hoewel ik verzot ben op rituelen als ‘nobele verveling’, is het hierboven beschreven ritueel mij gaan tegenstaan. Het informatieve gehalte van de bezwering is gering. In elk geval is het geen antwoord op een vraag die bij mij leeft, zodra de BN-er in beeld komt of haar stem verheft. Ik vind het ook nogal irrelevant. Als iemand zichzelf ‘out’ als liefhebber van Couperus of Reve, ben ik ook niet geneigd me af te vragen of hij latente homoseksuele gevoelens koestert. Mij interesseren kwesties als smaak, stilistische voorkeuren en muzikale inzichten. In dit geval echter word ik lastig gevallen met too much information. Ik heb niet gevraagd naar de gelovige identiteit van de spreker – en heb daar ook niets mee te maken, zomin als ik dat heb met iemands seksuele voorkeur.

Ik vind het bovendien jammer dat mensen zich ongevraagd menen te moeten verontschuldigen, zodra ze in het openbaar in verband worden gebracht met cultuuruitingen die zijn ontstaan in een religieus milieu, of – erger nog – dat Bach zelf indirect moet worden verontschuldigd voor het feit dat hij religieus was. Gelovigheid lijkt een verdenking, waarvan je je moet vrijwaren. Als je gelovig bent is dat blijkbaar zo abject of barbaars, dat het niet eens in aanmerking komt als een guilty pleasure – tenzij voor dat handjevol BN-ers die van de weeromstuit het geloof ‘herontdekken’ als iets chics, als een statusverhogend retro-object. Waarom maken we er niet gewoon een kwestie van smaak van? Dat hebben we toch inmiddels ook gedaan met seksuele voorkeuren, om dezelfde vergelijking nog eens te maken?

Uiteraard is Bach een gelovig componist. Nog nauwkeuriger gezegd: zijn muziek is gelovige muziek. De beroepsdistantieerders hebben echter eventueel gelijk, als ze met hun voorbehoud bedoelen dat Bach geen exclusief eigendom is van een bepaalde gezindte. Als ik het heb over gelovige muziek, bedoel ik ook iets anders dan het religieuze geloof dat door de vaak drakerige lutherse teksten wordt gearticuleerd, die Bach gebruikte. Bachs muziek gaat niet over die teksten, maar over zichzelf. Zij gelooft niet in een of andere belijdenisinhoud, maar in zichzelf. Zij verwijst naar zichzelf als iets wat onze realiteit verrijkt en verheft, overstijgt en opent. Zij is haar eigen transcendentie en raakt in vervoering daarvan. Bachs muziek – zoals iedere goede muziek – viert zichzelf. En zo wekt zij ons geloof – in haarzelf.