Monthly Archives: maart 2016

Inspiratie als stoplap

Gij zult u laten inspireren. Dit is het nieuwste gebod van de marketinggoeroes – als ik tenminste moet afgaan op de reclame-uitingen over tentoonstellingen, voorstellingen en nieuwe boeken. In één op de twee advertenties of spotjes over zo’n cultureel product komt het woord inspiratie of een afgeleide daarvan voor. Volgens de marketeers kan en moet de museumbezoeker of toeschouwer, de lezer of luisteraar zich door de kunst laten inspireren. Mijn ziel reageert enigszins kregel op het tomeloze gebruik van dit begrip. Misschien omdat het de verdenking oproept, dat inspiratie een gemakzuchtige en vage kreet is geworden, die zo ongeveer elke aangename sensatie lijkt te betekenen. Het is zo iets als ‘mieters’ of ‘heftig’ of ‘gewoon lekker’ – in elk geval weinig specifiek.

Er is echter meer aan de hand. Dit gebruik van het woord inspiratie is nogal verwarrend. Nog niet zo lang geleden immers zeiden we dat kunstwerken waren geïnspireerd – of beter nog: de kunstenaars. Inspiratie was iets wat de kunstenaar in het atelier of het podium overkwam – uiteraard altijd na een fase van toewijding, toeleg en discipline. De gewone sterveling stond, vervuld van ontzag en dankbaarheid, bewondering en verbazing, toe te kijken en te luisteren terwijl de kunstenaar (kwistig of kwellend gedoseerd) uitdeelde wat hij of zij dankzij de moeizaam veroverde muzenkus had geschapen. De inspiratie zelf echter bleef een geheim. De lezer, luisteraar of toeschouwer ving hooguit nog een laatste zuchtje op van de inspiratie – dat heette kippenvel – maar had verder het nakijken. Inspiratie: dat was iets van de ander en in het ander. Iets waarover je met fluisterzacht respect sprak.

Hoe komt het dat de betekenis nu 180 graden is omgekeerd? Dat ‘wij’ als kunstgenieters de geïnspireerden (moeten) zijn? Vermoedelijk hangt het samen met wat Lipovetsky en Serroy de ‘esthetisering van de wereld’ noemen. Bij elke stap die wij moderne westerlingen zetten in het maatschappelijke, economische en culturele verkeer vragen wij ons af of onze zintuiglijkheid voldoende aan haar trekken komt. Deze esthetisering is totaal en totalitair. Elke fase van het consumptieproces dient de zinnen te prikkelen en ons te amuseren: de reclame-uiting op zich is een kunstwerkje; het verrichten van de aankoop of transactie dient ‘fun’ te zijn (‘shoppen’); het product is zowel qua inhoud als qua vormgeving en verpakking een bron van verrukking; tenslotte krijgen we een ‘kick’ als we kunnen uitdragen dat we de trotse bezitters van dit product zijn. Het bezit van de zaak is slechts een deel van het vermaak.

Bij een ambitieuze thematentoonstelling – zoals enkele jaren geleden de Rothko-expositie in Den Haag – is dit patroon goed te zien. Rond de expositie wordt via marketing en vrije publiciteit (met als hoogtepunt het TV-programma De Wereld Draait Door) een sfeer van collectief genot en vermaak gecreëerd. Het bezoek van de tentoonstelling zelf, inclusief het veel te dure museumrestaurant, is een sensatie en de merchandise in de museumwinkel – variërend van hondenjasjes tot koelkastmagneetjes – staat garant voor zintuiglijke nazorg. Kunst moet in deze ‘zintuiglijkheidscultuur’ ‘iets met ons doen’, ons strelen en sterken.

Als deze diagnose enigszins klopt, werpt dat ook een verhelderend licht op de omkering van het begrip ‘inspiratie’. Het concept van de ‘geësthetiseerde’ cultuur lijkt in elk geval te verklaren, waarom wij de inspiratie naar ons toebuigen. Wij laten ons niet in de ban brengen en in onze baan houden door de ster van het kunstwerk met zijn eigen zwaartekracht: we staan zelf in het middelpunt. We genieten niet van de inspiratie van de kunstenaar als de ander, maar zuigen hem leeg. We luisteren en kijken niet ademloos naar kunst, maar snuiven haar op. We zetten onze ziel niet op het spel in de overgave aan het kunstwerk, doch onttrekken energie aan dat laatste voor ons gulzige ik. We willen geen extase, doch bevrediging; geen verrukking doch vervulling. We willen niet buiten adem raken in het gevecht met de overmacht van het schone, doch worden beademd. Kortom: we willen worden geïnspireerd.  Kunst als inspiratie: het is de voortdurend brommende luchtpomp voor ons naar adem happende, poreuze ik.

Of zou het begrip ‘inspiratie’ gewoon wat onhandig worden gebruikt door de marktkooplui? En betekent het nu juist, dat we nog steeds ontzag kunnen en willen opbrengen voor datgene wat ons boven het schedeldak gaat? Het is immers zo’n transcendent-erig woord. Ter geruststelling denk ik maar aan al die mensen die op Palmzondag weer vier uur lang hun zitvlees tuchtigen voor de Mattheuspassie. Dat zegt veel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: en Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: een Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Om te huilen

“Denk ich an Deutschland in der Nacht…” H. Heine

 

 

 

Eén van de ideeën waarmee de knuffelsociaaldemocraat Thijs Wöltgens (1943-2008) ooit mijn hart stal, was de gedachte om Nederland als deelstaat te laten toetreden tot de Duitse Bondsrepubliek. Los van het onrealistische karakter ervan, vind ik de achtergrond van dit gedachte-experiment nogsteeds overtuigend. Niet als partner, bondgenoot of tegenspeler van een macht, doch alleen als deel ervan kun je als kleine natie gewicht in de schaal leggen. Niet als een ‘wij’ dat bij een ‘zij’ in het gevlei wil komen, doch als een klein ‘wij’ dat opgaat in een groter ‘wij’, kun je aanzien, respect en invloed krijgen. Daarvoor moet je wel bereid zijn om de schijnsoevereiniteit van een minilandje op te geven en onderdeel te worden van de reële soevereiniteit van een groot land.

Inmiddels is er echter nog minder draagvlak voor deze redenering dan destijds – zo maakt de ‘Europadiscussie’ duidelijk. We koesteren liever de troostprijs van een door ons gekozen, maar machteloze en tandeloze regering, die in internationaal verband met de pet moet rondgaan, dan dat we ook maar willen nadenken over het vormen van een Europese federatie met vergaande bevoegdheden, die op het wereldtoneel respect zou afdwingen en die ons in staat zou stellen een serieus te nemen regering te kiezen. (Alleen al het opschrijven van deze zinnen voelt inmiddels aan als een sneu achterhoedevechtpartijtje. We lijken de kans op het vormen van een respectabele federale Europese staat voorgoed te hebben verspeeld. De regie ligt de komende jaren bij mensen als Poetin en (huiver!) Trump – en bij terroristen die steeds meer hun agenda zullen bepalen.)

Culturele superioriteit

Ik had en heb ook om andere redenen sympathie voor Wöltgens’ idee. Niet alleen op geopolitiek en economisch vlak, maar ook op cultureel vlak ben ik Duitsland steeds meer als de meerdere gaan zien. Juist op dat vlak is Duitsland een land om jaloers op te zijn, een land waar je bij wilt horen. Daarbij doel ik niet op het al dan niet beschikken over een rijker cultureel erfgoed. Ik denk dat er op dat vlak al snel sprake is van gelijk spel. Als we tegen elkaar opbieden of onze bezittingen tegen elkaar wegstrepen, eindigt de strijd ongetwijfeld onbeslist. De Duitsers hebben een taal en een literatuur van internationale allure, maar wij hebben onovertroffen schilders. De Duitsers hebben talloze operahuizen, maar wij hebben het beste symfonieorkest ter wereld, om nog maar te zwijgen van andere ensembles (voor zover ze nog niet zijn wegbezuinigd onder druk van politieke partijen die zich als beschermers van ons erfgoed opwerpen). De Duitsers bakken beter brood, wij maken betere sigaren en jenever. Zo kun je wel doorgaan met het tegenover elkaar plaatsen van onze ‘canones’.

Met culturele superioriteit bedoel ik echter niet het beschikken over een voortreffelijke canon. Waarin zij m.i. bestaat kan ik het beste aanduiden aan de hand van een voorbeeld of een incarnatie van deze superioriteit. Het is de intellectueel en schrijver Navid Kermani. Als ik moet uitleggen wie hij is, wat hij vertegenwoordigt en betekent, zoek ik vergeefs naar Nederlandse equivalent. Ik ken tenminste geen Nederlander van enig kaliber met een vergelijkbare doorleefde eruditie van zowel oosterse als westerse cultuur. Ik ken geen landgenoot die zich, zoals Kermani, zonder krampachtige correctheid of gekunstelde distantie verdiept in zowel de Islam (die Kermani belijdt) als het christendom (waarmee hij sympathiseert) als het literaire en wijsgerige humanisme  – en die daarvan in het publiek getuigt en zo bruggen bouwt.

Kermani vertegewoordigt als persoon iets wat wij, voor zover ik weet, niet kennen (tenzij Aboutaleb in het geheim een wijsgerige roman van 1000 bladzijden aan het schrijven is). Daardoor kon hij in oktober 2015, toen hij in Frankfurt de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels in ontvangst nam, ook een bewonderenswaardige daad stellen. Ik heb zijn dankrede twee maal gelezen en werd beide malen tot tranen geroerd. In deze toespraak verbindt Kermani namelijk, tegen de achtergrond van de crisis in het Midden-Oosten, islamitische en westerse zelfkritiek met bewondering voor een priester die in Syrië zo lang mogelijk trouw bleef aan zijn gemeenschap en aan de dialoog met moslims – totdat IS hem zijn project (en bijna zijn leven) onmogelijk maakte. Het hoogtepunt van de rede is het slot, als Kermani afziet van strijdvaardige taal maar oproept tot gebed voor de door IS ontvoerde christenen – waarbij hij de niet-gelovigen in de zaal vraagt, om in elk geval met hun wensen en gedachten bij de slachtoffers te zijn.

Verdachte tranen

Hoe authentiek waren mijn tranen? Was ik in de retorische val van Kermani getrapt en had ik me laten meeslepen door sentimentaliteit? Ik betwijfel het, al hebben cynici als ik een neiging tot compenserende sentimentaliteit. In elk geval was er meer aan de hand. Ik huilde ook tranen van jaloezie: jaloezie op een geseculariseerd buurland waar een spreker een publiek, samengesteld uit de intellectuele bloem der natie, zonder blikken of blozen uitnodigt tot gebed. Kunt u zich een literaire prijsuitreiking in Nederland voorstellen, waar zo onbekommerd bruggen worden geslagen, in woorden en daden, in gedachten en rituelen?

Natuurlijk heeft Kermani’s rede ook discussie en verontwaardiging opgeroepen. Hem werd verweten religie te instrumentaliseren en zich andere tradities toe te eigenen. Hem werd verweten niet-gelovigen in een gelovige val te lokken en in de publieke ruimte de grens tussen religie en seculiere maatschappij te schenden etc. Ondanks alle kanttekeningen bleef het ontzag echter overeind voor deze culturele vredestichter.

In commentaren werden bovendien vraagtekens geplaatst bij de euforie van christenen die (innerlijk) juichend opsprongen bij Kermani’s redevoering, omdat hij in het hol van de seculiere leeuw het christendom zo’n opsteker gaf. Deze kritiek geeft mij te denken en maakt me alsnog argwanend jegens mijn tranen. Is mijn ontroering misschien gewoon een uiting van deze ordinaire euforie? Voel ik alleen maar in mijn christelijke chauvinisme bevestigd, zonder dat ik het wil toegeven, of opgelucht omdat hier door een maatschappelijke autoriteit de secularisatie een halt wordt toegeroepen?

Zonder me zelf beter voor te doen dan anderen, meen ik toch dat dit niet het geval is. Bij ongelovige vertegenwoordigers van de culturele elite, die onverwacht toenadering zoeken tot het christendom (zoals postuum Joost Zwagerman), voel ik namelijk meestal eerder onbehagen. Na aanvankelijke euforie en dankbaarheid, onderga ik in tweede instantie verwarring en irritatie. Het lijkt alsof iemand aan de haal gaat met iets wat niet van hem is en goede sier maakt met andermans (i.c. mijn) veren. Als ik Kermani’s rede zou hebben ervaren als een adhesiebetuiging voor ‘mijn’ religie, zou de vreugde daarover van korte duur zijn geweest.

In een scherpe analyse wijst de voortreffelijke theologische website Feinschwarz.net er overigens op, dat de hier geschetste ontreddering misschien wel het beste is wat christenen kan overkomen. Het is namelijk een fikse streep door de rekening van hen die de exploitatie het geloof monopoliseren. Het draagt bij aan de zo broodnodige ‘kenosis’ van het christendom, als het zijn alleenvertoningsrecht verliest. Komt mijn ontroering dan misschien voort uit euforie over het feit dat Kermani mij helpt bij het doorstaan van dit onthechtingsproces? Nee. Ik ben niet zo masochistisch om Kermani juist hiervoor te bedanken – al is het maar omdat hij intiem is bevriend met de ultrakatholiek Martin Mosebach.

Ik houd het er maar op dat ik ben geraakt doordat Kermani in en met zijn rede een onorthodoxe en dappere daad heeft gesteld: een daad waarin hij tegenstellingen en verschillen overbrugde zonder een politiek correcte roze bril op te zetten. Hij deed hier iets wat hij in zijn hele (jammer genoeg niet altijd even toegankelijke) werk en zijn hele leven heeft gedaan. Waarom kan dit in Duitsland – en hier niet? Dat is toch om te huilen?

***

Kermani, Navid – Friedenspreis des Deutschen Buchhandels. Ansprachen aus Anlass der Verleihung. – Frankfurt am Main 2015.

(Deze uitgave bevat de Duitse teksten met Engelse vertaling, mitsgaders een volledige lijst van Kerman’s werken.)

 

Aanraken alstublieft!

Er zijn twee soorten kunstenaars: de onaanraakbaren en degenen die zich laten aanraken.

Tot de onaanraakbaren horen natuurlijk de eerbiedwaardige oude meesters, die terecht met veiligheidsmaatregelen worden omgeven. Voorts zijn er de levende kunstenaars die over hun broze en kwetsbare producten zorgvuldig laten waken door conservatoren. De materiaalkeuze speelt daarbij som een rol: een pindakaasvloer, een zijden plastiek of een zandtapijt is natuurlijk erg kwetsbaar. Maar zelfs kloeke stalen kubussen worden soms behoed als een zuigeling.

De onaanraakbaren vinden we ook veel in de uitvoerende kunsten. Tot deze groep hoort de musicus of acteur die van de wijs raakt door hoesters, de dirigent die van slag is als er ‘tussen de delen’ wordt geklapt of de barokmusicus die paniekerig op de vlucht slaat als een fuga van Bach niet ‘authentiek’ wordt uitgevoerd. Dan zijn er ook nog de schrijvers en toondichters die in elk citaat plagiaat zien en architecten die naar de rechter stappen als een jaloezietje de uitgebalanceerde vlakverdeling in hun gevel verstoort.

Tegenover deze kruidje-roer-me-niets staan degenen die het allemaal niet zo nauw nemen, de raak-me-aans. Ze nodigen het publiek uit om hun werk te betasten of erover heen te lopen – met als bekend voorbeeld Jean Dubuffet met zijn Jardin d’émail in de beeldenruin van het Kröller-Müller-Museum. De podiumartiesten onder hen juichen het toe als het publiek zijn enthousiasme uit door voortijdig applaus. De schrijvers zien het als een eer en een uitnodiging tot gesprek, als hun woorden worden geciteerd en als anderen op hun werk variëren en voortborduren.

Al is de eerste categorie wellicht al te angstvallig of te krampachtig en kan de tweede categorie misschien wat slordig of gemakzuchtig overkomen: beide groepen hebben ergens gelijk. Dit heeft te maken met een fundamentele paradox die eigen is aan kunst – en die de kunst gemeen heeft met symbolen, rituelen en religieuze teksten. Een kunstwerk verwijst naar een mysterie: het mysterie van het object dat wordt verbeeld en van het subject dat zich erin uitdrukt. Dit mysterie is volstrekt aangewezen op dat kunstwerk. Zonder vorm vervliegt de inhoud. In het broze vat van de vorm schuilt het kostbare goed van de inhoud, die niet los verkrijgbaar is. Daarom omgeven we het vat met zorg. Aan de andere kant is het kunstwerk is ook relatief. Het valt niet samen met het mysterie waarnaar het verwijst. Het verwijst er ‘slechts’ naar, het is ‘slechts’ een vat, een vorm. De inhoud trekt zich terug zodra het zich vertoont, het verhult zich du moment dat het zich onthult. Daarom is het kunstwerk als zodanig niet heilig en kan het zichzelf niet al te serieus nemen.

De onaanraakbaren en aanraakbaren hebben beide een aandeel in deze paradoxale waarheid. De onaanraakbaren nemen de kunst serieus, voor zover ze serieus moet worden genomen. Ze wapenen ons tegen relativisme en tegen het trivialiseren van de vorm die zo innig is verstrengeld met de inhoud. Uiteraard lopen ze het gevaar om werken en hun makers onnodig heilig te verklaren. De raakbaren op hun beurt zien kunst daarom terecht in perspectief en relativeren haar. Ze genezen ons van contactvrees en laten ons ondervinden dat er niets kan gebeuren als we kunst aanraken. Dit heeft overigens ook te maken met het besef dat goede kunst wel tegen een stootje kan. De raakbare kunstenaar stelt zich niet ‘kwetsbaar’ op, zoals het cliché zegt, maar juist zelfbewust.

We zullen uiteraard ons erfgoed moeten blijven beschermen tegen de slordigheid van het publiek – en zeker tegen cultuurbarbaren. Los daarvan ga ik echter, in deze narcistische en opvliegerige tijd, steeds meer sympathiseren met de raakbaren. Ze sluiten zich niet op in hun ivoren toren, nemen zichzelf niet al te serieus – en het publiek daarentegen des te meer. Dit dwingt meer respect af dan het zichzelf omgeven met de bomgordel van taboes.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.