Monthly Archives: januari 2016

Vergeten geluk – naar aanleiding van Marcia Luytens nieuwste boek

Ik ben opgegroeid in een kleine, beschutte wereld. Die wereld heette Zuid-Limburg. Om precies te zijn groeide ik op in Heerlen. Mijn ouders kwamen uit Maastricht. Ons gezin was slecht geassimileerd. Het vormde op zijn beurt een nog kleinere wereld binnen de microkosmos van de Mijnstreek, een schulp binnen een schulp, een cocon binnen een cocon. Dit coconkarakter of – om met Midas Dekkers te spreken – de ‘thigmofiele’ neiging van Zuid-Limburg uit zich op een complexe manier.

De Zuid-Limburger ziet zichzelf als verliezer of slachtoffer van historische en maatschappelijke processen. Hij ziet zichzelf als een hardnekkig dubbeltje dat nooit een kwartje kan worden en legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij het noodlot, God of hogere machten in de samenleving. Dit levensbesef stemt hem niet militant, doch eerder bitter en melancholiek (ook in de letterlijke betekenis ‘zwartgallig’). Tevens geeft hij aan die melancholie een positieve draai door te schuilen in invented traditions, volksvroomheid, folklore, dialectcultuur,  kleine en grote verhalen van dapperheid en vroomheid etc. Deze nostalgische fenomenen vormen een warme schuilplaats en een innerlijke burcht en vestigen en bevestigen een identiteit.

Tegenstrijdigheden dringen zich echter op. Zuid-Limburg behoort tot de streken in Nederland waar modernisering, industrialisering en secularisering als eerste toesloegen. Al vroeg raakte Zuid-Limburg los van God en de voorouders. Gezongen en vertelde verhalen die een idyllische sfeer bezweren van bronsgroen eikenhout, kneuterige kapelletjes en door bossen en beemden slingerende beekjes en rivieren, zijn vaak eerder compensatie dan een weergave van de feitelijkheid. Dat zelfde geldt voor het romantiseren van het verleden van boeren en arbeiders en voor de heroïsering van de mijnwerkers. Uiteraard staat tegenover de romantiek ook een sociaal-realistische traditie in de literatuur, de popmuziek en de geschiedschrijving. Dit realisme schiet soms door in negatieve mythevorming en demonisering – zoals bijvoorbeeld rond de persoon van keramiekkoning Petrus Regout.

Het nieuwe boek van Marcia Luyten, Het Geluk van Limburg, is in dit opzicht verhelderend. Luyten laat in vogelvlucht de geschiedenis van de mijnstreek zien, waarbij ze inhoudelijk weinig toevoegt aan datgene wat er bekend was, maar dit gekende knap verbindt met het perspectief van één persoon en diens levensverhaal: dat van de Kerkraadse kleinkunstenaar Jack Vinders (1949). Het boek presenteert zichzelf niet als biografie – pas al lezende kom je erachter dat Vinders de hoofdrolspeler is. Dit procedé benadrukt dat het gaat om geschiedenis en niet om een levensverhaal van een buitenbeentje. Heel Bijbels: het verhaal van de enkeling is een hologram waarin de grote geschiedenis zich afspiegelt.

Aan de hand van Vinders’ levensverhaal dringen zich de genoemde tegenstrijdigheden op. Zo was er enerzijds in de mijnstreek een ‘van bovenaf’ gestimuleerde  en ‘van onderaf’ gekoesterde heldencultus rond de ondergrondse werker. Anderzijds werd het vooruitzicht om levenslang de diepte in te moeten door veel jongens ervaren als een vloek. Vinders slaagde er door geluk en volharding in, om aan dit lot te ontkomen. Luyten beschrijft deze ‘ontworsteling’. Des te wonderlijker is het dat Vinders de laatste jaren is gaan horen tot de vertolkers van het genre van nostalgische dialectballads. De liedjes uit dit genre vertellen niet alleen verhalen van strijd en victorie over het noodlot, maar ook van weemoed en het treuren over verloren gegaan of misgelopen klein geluk.

Als ik nu door Heerlen loop, word ik bij mezelf een mengsel van gevoelens gewaar. Ik het gehavende verleden onder ogen, maar treur niet over mijn jeugd, die zich afspeelde in de door crisis geteisterde regio. Ik ben ook dankbaar over kleine plukjes geluk. En ik betreur dat ik jaren lang geen oog heb gehad voor de schoonheid waarop mijn kleinburgerlijke milieu zo schamper reageerde: de schitterende architectuur van Peutz. Zijn sinds tien jaar in oude glorie herstelde ‘Glaspaleis’ of ‘Schunckgebouw’, is in zijn transparantie hopelijk een metafoor voor een Zuid-Limburg dat zich weer opent voor vergezichten en frisse winden en dat zijn geborgenheid zoekt in openheid.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Herinneringen aan mijn geheugen – Week van de Poëzie 2016

 

 

 

 

 

Camera Obscura

Mijn geheugen was een schat. Het bracht
me feilloos naar mijn school en loodste mij
langs in plantsoenen en verkeer zich schuil
houdende gevaren, als een engel.

Mijn geheugen was een vat, een on-
begrensde opbergplaats: voor tafeltjes,
grammaticale regels, liedjes, flarden
Mozart, grappen van Toon Hermans en
gedichten die ik voordroeg voor mezelf.

Feilloos fluisterde het in mijn oor
‘t verlossend antwoord bij examens of de
smoes die ik soms nodig had: een redder
in de nood, een trouwe bondgenoot.

Het was destijds ontvankelijk, gevoelig
als een camera, zo jeugdig als
de schoonheid die het stiekem portretteerde:
Onbeschreven blad, de onschuld zelf.
Maar ook gewiekst en lenig kon het zijn,
de feiten te slim af, een boeienkoning.

Levenslang was mijn geheugen partner
in crime. Soms vrees ik echter dat ook ik
zijn doelwit ben en dat het vleiend beeld,
dat ik hier schets, slechts zijn boosaardig werk is,
en dat het mij zijn waar gezicht onthoudt.

Inmiddels is het oud als ik: zo star,
hardleers, weerspannig, dor. De rek en ruimte
zijn er uit. – Ik heb er vrede mee,
zolang het maar de bergplaats blijft voor
één herinnering: die aan zijn eigen
jeugdigheid, al is die ook een leugen.

 

***

Geschreven naar aanleiding van de Week van de Poëzie 2016 met het thema ‘herinnering’.