Monthly Archives: december 2015

De ontmythologisering van de liefde

Als er iets in onze cultuur wordt geromantiseerd, dan is het wel de liefde. Of het nu de liefde is tussen partners, tussen ouders en kinderen, tussen vrienden en vriendinnen of tussen God en mens: we voorzien haar van een aureool, vervagen haar contouren met een verzachtend sfumato en overgieten haar met een roze schijn. De liefde wordt vereenzelvigd met een voortdurende extase, die zelfs uit het offer nog genot put en te midden van de grootste turbulentie nog een onverwoestbare innerlijke rust vindt.

Ogenschijnlijk is deze opvatting, die we vinden in de literatuur, de kunst en de religie, van alle tijden. Niettemin heeft ze haar hoogtepunt pas bereikt in de periode die we nu gemakshalve als romantiek aanduiden. De pasteltinten en omfloerste vormen waarmee we de liefde sindsdien steevast portretteren, hebben ons doen vergeten dat ze ook lust, eigenbelang en calculatie kent. Zelfs in de religieuze liefde speelt het berekenende aspect een rol. In de Bijbel bijvoorbeeld  is de liefde tussen God en mensen eerder een veeleisend bondgenootschap, dan de verrukte liefde die de latere spiritualiteit ervan heeft gemaakt.

Het sluiten van de liefde gaat, als we eerlijk zijn, niet zonder een afweging. Ook echter het in stand houden van de liefde kent een ontnuchterend mengsel van motieven. We hebben in de ander geïnvesteerd en de liefde heeft ons het nodige gekost. Of er is een gevoel van plicht in geslopen. Deze berekening en dit plichtsbesef werpen een ontnuchterend schril TL-licht op de liefde. Dat onder de romantische schijn deze wereld van belang en verplichting ligt, kunnen we nooit helemaal verdringen. Dat leidt vroeg of laat tot een gespleten gevoel en schaamte.

De liefde kent nog een andere ambivalentie. Vaak wordt ze overschaduwd door ergernis en verwijt over en weer. Ook daarvoor generen we ons. Vooral ouders geven deze gevoelens van bitterheid maar met moeite toe. Je kind heeft een inbreuk op je leven gemaakt – en doet dat nog steeds. Het heeft je lichamelijk uitgeput tijdens zwangerschap en geboorte en sindsdien niet zelden het bloed onder je nagels vandaan gehaald. Dat is niet altijd te verteren. Maar juist dat bittere gevoel zelf is op zijn beurt ook niet te verteren. Liefde moet totaal zijn en mag geen voorbehoud kennen.

In de kunstgeschiedenis bestaan veel motieven die de absolute en compromisloze liefde vertegenwoordigen – of waarin wij als postromantische mensen haar projecteren. Toen ik onlangs in Madrid door het Prado slenterde, viel mij een dergelijk motief weer eens op: de zogende Maria oftewel de virgo lactans. Veelal wordt deze voorstelling nogal idyllisch uitgewerkt. Uit de naar binnen gekeerde blik van Onze Lieve Vrouw spreekt overgave  en geluk. De op haar schoot gezeten Jezus kijkt haar dankbaar en verzaligd aan – soms ook wat triomfantelijk, maar dat vergeven we een door aandacht verwend, alleswetend nieuwe-tijdskind graag in onze cultuur.

Reymerswaele-Virgo-Lactans-web-groot

Gelukkig zijn er ook schilders als Van Reymerswaele (ca. 1490-1550). Hij geeft moeder en kind uiterst realistisch weer. Zo zit Jezus, zoals het een echte zuigeling betaamt, nog te ruim in zijn geplooide vel en is hij, met zijn op oneindig gerichte blik, één en al honger. Maria vertoont op haar beurt sporen van slijtage. De toegewijde wijze waarop ze haar zoon voedt, laat vermoeidheid doorschemeren over het gevecht dat de bevalling moet zijn geweest. Haar handen verraden een leven van zwoegen, waarin een pasgeboren kind niet alleen maar een geschenk uit de hemel is.

Staande voor dit schilderijtje uit de eerste helft van de zestiende eeuw, sla je een zucht van verlichting over zoveel eerlijkheid en over de ontmythologisering van de liefde tussen een moeder en haar pas geboren kind. Je kunt je zomaar voorstellen, dat Maria haar huilende zuigeling ook wel eens achter het belang heeft willen plakken. Dat is een hele opluchting. En misschien is dit schilderijtje ook wel een icoon van de ware liefde: de liefde die moeite kost en die zich niet schaamt voor haar alledaagse verschijning.

 

***

De bovenstaande tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Als kritiek een karikatuur van zichzelf wordt

Het religieuze beeldverbod heeft in de geschiedenis altijd voor trammelant gezorgd. Discussies en ongenoegens liepen geregeld hoog op en ontlaadden zich in iconoclasmes, beeldenstormen en culturele revoluties (lees: terreur) tegen de makers van beelden. Helaas is het drama rond Charlie Hebdo slechts één van de vele voorbeelden van deze duistere geschiedenis. Het beeldverbod kennen we onder ander uit de zogenaamde tien geboden (Exodus 20). En hiermee is het gecompliceerd gesteld.

Op de eerste plaats wordt er een stokje gestoken tegen het in beeld brengen van de Verborgene zelf. Dit behelst meer dan een verbod op het maken van plaatjes. Niet alleen het letterlijk uitbeelden is ongeoorloofd, maar ook het vastleggen van ideeën, opvattingen en dogma’s over de Levende wordt op zijn zachtst gezegd sterk gerelativeerd. God mag en kan niet worden vereenvoudigd en grijpbaar worden gemaakt, door welke betekenaars dan ook: of het nu beelden zijn of woorden, gedachten of gevoelens. In die zin is het beeldverbod het begin van de zelfkritiek van de religie en is het een voortdurende angel in het vlees van de grote theologen en mystici geweest.

Het beeldverbod betreft tevens het maken van wezens om ons heen. Afhankelijk van de traditie waarin men staat, wordt hiermee strikter of ontspannener omgegaan. Ook voor dit aspect van het verbod geldt, dat het verder gaat dan het visuele beeld. Het is ook een oproep om de werkelijkheid om ons heen – de andere mens voorop – niet te reduceren tot stereotypen. Het is het verbod op framing: die verlammende en dodelijke manier om mensen gevangen te houden in onze verwachtingen. In die zin roept het vragen op bij karikaturale clichés over bijvoorbeeld de Koran of het Oude Testament als gewelddadige boeken en over de lezers ervan als achterlijke mensen.

Het beeldverbod heeft nog een implicatie, die vroeg of laat moet opdagen in het hoofd van een modern mens. Als het framen van God en de medemens ongeoorloofd is, dan raakt dit ook het beeld dat we van onszelf creëren en in stand houden. We stileren in ons sociale verkeer voortdurend onszelf – bijvoorbeeld  als hoogstaand en verfijnd, als ontwikkeld en beschaafd, als nuchter en pragmatisch, als rationeel en zakelijk, als authentiek en direct etc. In woord en gebaar, door gedrag en kleding delen we onszelf in bij onze favoriete categorie. Omdat we dat doen om onszelf af te zetten tegen de ander, zetten we onze kenmerken dik aan. Zo creëren we een cliché, waaraan we onszelf voortdurend ijken en worden we geleidelijk een karikatuur van onszelf.

Ik heb met enige verbazing het optreden van Dimitri Verhulst in de media gevolgd. De aanleiding was zijn nieuwe publicatie Bloedboek. De passie, ja het fanatisme waarmee hij de veronderstelde achterlijkheid van de eerste boeken uit het Oude Testament bestrijdt valt me tegen – te meer daar ik een bewonderaar ben van Verhulsts pezige en vlezige stijl. Verhulst doet geen recht aan het feit dat er een lange traditie van Bijbeluitleg bestaat, die de aan de kaak gestelde teksten heeft gematigd. Hij doet geen recht aan het feit dat de Tora met haar beeldverbod juist de zelfkritiek in het leven heeft geroepen en de bakermat is van humaniteit. Door zijn uitlatingen schept hij een karikatuur van een boek, een godsdienst en een groep. Hij kan nog zo hard roepen, dat hij geen antisemiet is: ik zie in zijn uitlatingen geen verschil met het tekenen van gebochelde mannetjes met een kromme neus.

Wat echter het ergste en meest verontrustende is: Verhulst schept vooral een karikatuur van zichzelf en van de groep waartoe hij zich blijkbaar rekent. Hij maakt de religiekritiek belachelijk en draagt eraan bij dat zij niet serieus genomen wordt. Zijn humorloosheid maakt dat laatste nog moeilijker. (Wat dit betreft had hij veel kunnen leren van de inlevende en sympathiserende kritiek van Thomas Manns ‘Jozefromans’.) Er waren en zijn meer volwassen en diepzinnige vormen van bijbelkritiek – te beginnen bij de zelfkritiek in de bijbel en de traditie. En de kern daarvan is even eenvoudig als ongemakkelijk: Gij zult geen karikatuur maken: noch van God, noch van uw naaste, noch van uzelf. Daarmee doe je iedereen tekort.

 

***

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Het terrorisme en de tovenaars

Politieke voorkeur is ook altijd een kwestie van smaak en temperament. Daarom is mijn standpunt, zoals dat van ieder ander, in veel kwesties voorspelbaar, zij het met een zekere bandbreedte. Dat geldt ook voor mijn reactie op het terrorisme in onze Europese steden. Ik hoor tot de politiek correcte stam in dezen. Als u verder leest, bent u een gewaarschuwd mens.

Nu ik dit schrijf realiseer ik me, hoe vreemd het is dat dit thema wordt gepolitiseerd. Terrorisme is immers een volstrekt nihilistisch fenomeen. Het is de meest zuivere, ingedikte, gecondenseerde vorm van zinloos en redeloos geweld. Wat valt daarover of daarvan te ‘vinden’?  Dat doen we bij stormen of overstromingen immers ook niet… hoewel, toegegeven, daarover juist de door en door gepolitiseerde klimaatdiscussie gaat.

Het nihilisme-argument helpt je echter blijkbaar niet om de politieke discussie uit de weg te gaan. Beweren dat terrorisme een vorm van nihilisme is, wordt als zodanig al snel opgevat als een politiek standpunt. Wie de nihilisme-stelling aanhangt, wordt al spoedig bestempeld tot een ‘wegkijker’ die niet de perverse rationaliteit van de boosdoeners onder ogen wil zien.

Er is natuurlijk wel degelijk sprake van een bepaald soort rationaliteit bij zinloos geweld – en daar zit de crux. De daders mogen gespeend zijn van alles wat maar in de buurt komt van betekenisgeving: op een elementair (psychologisch) niveau is er wel degelijk sprake van oorzaken en gevolgen, van blinde motieven en reflexen, van in principe doorgrondbare mechanismen. Op basis van een analyse daarvan kunnen we aan preventie doen. Kortom: we kunnen gewoon ouderwets ons sociologisch huiswerk maken. Uiteraard kunnen daarmee niets garanderen, maar de problematiek wel voor een groot deel indammen. Toveren kunnen we niet.

Dat laatste verklaart wellicht de woede van ‘rechts’ tegen de ‘zachte’ aanpak van hen die de wijken, de moskeeën en de scholen in willen gaan en die de voor jihadisme vatbare jongeren willen behoeden voor het afdwalen naar dit fatale verschijnsel. Je kunt nog zoveel maatschappelijk werkers, buurtcoaches of gematigde geestelijken op deze kinderen afsturen: voor honderd procent garanderen kun je het succes niet. Dat weten de ‘zachten’ goed en dat steken ze niet onder stoelen of banken.

Het punt is echter dat de harde aanpak ook niets kan garanderen. Je kunt de Koran verbieden en alle moskeeën sluiten. Je kunt grenzen dichtgooien en vluchtelingen onder verdenking plaatsen en de toegang tot ons land weigeren. Durven de bepleiters van deze aanpak echter hun hand ervoor in het vuur te steken, dat dit wel werkt? Staan zij ervoor in, dat we op deze manier gevrijwaard blijven voor het demonische geweld?

Stel – bij wijze van gedachte-experiment – dat een rechtse meerderheid dit soort maatregelen (bedoeld als preventie of als sanctie) kan doorvoeren. We kunnen er zeker van zijn, dat er iemand door de mazen van het net glipt en alsnog zijn kans ziet om dood en verderf te zaaien. Ja: het afschrikwekkende beleid zal hem misschien zelfs prikkelen en provoceren. Wat is dan de volgende stap? Ik wil dit eigenlijk niet weten.

Nee, dit is geen retoriek. Nee, ik zeg niet dat Wilders of verwante geesten het terrorisme sterker maken, laat staan veroorzaken. Ik zeg wel dat zij met hun spierballen evenmin kunnen toveren, als de softe politiek correcte elite. Ik zeg wel dat de door hen voorgestane repressie zichzelf in de voet schiet. Ik zeg wel dat de echte wegkijkers diegenen zijn, die niet bereid zijn om samenhangen te analyseren en dus eerlijke preventie (die nooit een restloze risicoreductie is) in de weg staan. Deze kermismagiërs zouden er beter aan doen, om mee te denken over oplossingen. Zolang ze dat niet doen, doen ze bij voorbaat aan kiezersbedrog.