Monthly Archives: oktober 2015

Onbevangen ontmoetingen

De architectuur levert vaak metaforen, waarmee het abstracte en zachte vakgebied van de theologie zich verstaanbaar kan maken. Zo maak ik graag gebruik van Van Reeths beeld van de ‘intelligente ruïne’, als ik probeer onderscheid te maken tussen duurzame en vergankelijke tradities. Een ander beeld is op de theologische markt gebracht door de Vlaamse theoloog Bert Roebben: de narthex. De narthex is dat gedeelte van het kerkgebouw, waarin de overgang wordt gemaakt van het profane naar het sacrale, van de wereld naar het geloof – en andersom. Het is een soort ‘voorgeborchte’, dat je in de stemming brengt voor het betreden van het domein van het allerheiligste of – in omgekeerde richting – waarin je weer kunt wennen aan het licht en de lucht van de buitenwereld.

Als beeld duidt de narthex op het overgangsgebied tussen leven en geloof, het gebied van levensvragen en vermoedens van het heilige. Het is verleidelijk om dit dan te zien als een antichambre, waarin we ons voorbereiden op het heilige hart van het geloof en waarin de geesten rijp worden gemaakt voor de verkondiging. Het overgangsgebied of de denkbeeldige tussenruimte krijgt echter steeds meer waarde en betekenis in zich, aldus Roebben. De narthex in overdrachtelijke zin wordt belangrijker, naarmate we minder duidelijkheid hebben over wat het ‘wezenlijke’ van het geloof nu eigenlijk is. Het zicht op het heiligdom is steeds minder eenduidig, zodat het voorportaal van het geloof een centralere betekenis krijgt. Hier zoeken mensen met hun verschillen elkaar op, proberen ze nieuwe combinaties uit. Zo komen ze tot innovatie van het geloof en innerlijke vernieuwing.

Het portaal werd overigens reeds in 1966 al gebruikt als beeldspraak en wel door Anton van Duinkerken in zijn Festoenen voor een kerkportaal. De ‘sluis van het gemoed’- zo karakteriseerde hij het portaal – is een metafoor voor het overlapgebied tussen kunst en religie, voor de ‘overgangsruimte tussen dichterlijke ontroering en godvruchtige vervoering’. In deze tussenruimte of dit overgangsgebied behouden beide sferen hun eigen aard en recht. Ze gaan elkaar echter ook niet uit de weg en laten zich iets aan elkaar gelegen liggen. Zonder in elkaar op te gaan, hebben de twee sferen een boodschap aan elkaar en verrijken ze elkaar. Zolang ze elkaar echter uit de weg gaan, verschralen ze: ‘Ongevoeligheid voor het magische element in de dichtkunst en voor het musische bestanddeel van de kerkdienst, verschraalt het gemoed’.

Van Duinkerken past hier de beeldspraak specifiek toe op de ontmoeting van de wereldse sfeer van de kunst met de religieuze sfeer. Het doet enigszins gedateerd aan. De autonomie van deze twee sferen lijkt – althans in Nederland – de overhand te hebben genomen. De eigenheid wordt over en weer angstvallig en krampachtig bewaakt. Als een bewonderaar van Bachs passies en cantates te gast is op Radio Vier of bij Podium Witteman, lijkt het protocol voor te schrijven dat hij er bij vertelt dat hij ‘niet gelovig is, hoor!’. En omgekeerd verontschuldigen al die prozaïsche christenen zich zodra ze zich met kunst bezig houden – omdat dit zo elitair en snobistisch is. ‘Doe maar gewoon’ is het elfde gebod. Een fijnbesnaarde gelovige, zoals bijvoorbeeld Bodar, is al snel een zonderling.

Religiositeit en musische interesse kunnen niet worden afgedwongen. Hopelijk komt er wel een keer een einde aan de krampachtigheid waarmee we ons van elkaars levenssfeer distantiëren. Positieve tekenen zijn er. De sacraliteit van de kunst – al is het dan niet per se sacraliteit in christelijke zin – vindt steeds meer belangstelling en erkenning. Denken we maar aan de Rothko-tentoonstelling in Den Haag afgelopen winter – al was die wellicht wat over the top. En wie weet kunnen we iets leren van de onbevangenheid van de Duitse denker en schrijver Navid Kermani, die een even ontspannen als doorwrocht boek schreef met ‘ongelovige’ beschouwingen over christelijke kunst. Het is een bestseller.

Nu wij nog.

Het bovenstaande verscheen onlangs op De Bezieling.

Frames

Ik ben erg beïnvloedbaar. Beeldvorming en framing kunnen makkelijker greep krijgen op mijn gedachten, dan mij lief is – of liever: op mijn reflexen en drijfveren. Zo betrap ik me er wel eens op, dat donkere gekleurde mensen bij mij een onberedeneerde achterdocht oproepen – en dat terwijl ik donateur ben van zo’n beetje alles wat antiracistisch is. Via één of andere paplepel is die reflex bij mij naar binnen geslopen. Nu kan ik dit nog enigszins goedpraten. Tegen datgene wat je in je jongste jaren tot je neemt, ben je niet weerbaar. En onbeheersbare gevoelens maken je nog niet tot racist: het gaat erom, of en hoe je je gedrag erdoor laat bepalen.

Het wordt echter verontrustender als ik vaststel, dat het gekrakeel in de media en de waan van de dag als sluipwespen bij mij als volwassene binnendringen. Achter mijn fel verlichte, politiek correcte etalage ligt een winkel die grossiert in vooroordelen en aversies. Tegen allochtonen, bijvoorbeeld, die wel heel erg assertief zijn en best wel eens een toontje lager mogen zingen. Tegen vluchtelingen die onbehouwen staan te rammelen aan de hekken van Europa, in plaats van netjes aan te bellen. Tegen die gelukzoekers met hun telefoontjes, hun eisenpakketten en hun intimiderende gescandeer.

De framing van de vluchteling als parasiet doet goed haar werk in de kronkels van mijn ziel, hoewel ik mezelf zo beschaafd vind. Die beschaving zit blijkbaar vooral in de buitenste laagjes van mijn hersenschors. Diep daarbinnen hebben mededogen en inlevingsvermogen geen plaats. Zelfs de foto van het Jongetje-Op-Het-Strand raakte me niet op gevoelsniveau, doch bracht slechts moreel onberispelijke gedachtenreeksen bij me op gang. Mijn gevoelens werden te zeer bepaald door de afkeer van volwassen mannen met gebalde vuisten.

Dat deze framing zo snel vat op me heeft, hangt misschien toch weer samen met opvoeding. Iets in me vindt dat mensen geen eisen mogen stellen, alles netjes moeten vragen en hun beurt moeten afwachten. Dat leerde mijn moeder mij immers. Datzelfde iets vindt, dat mensen mededogen moeten verdíenen. Er ontstaat bij mij een spanning – psychologen noemen dat cognitieve dissonantie – zodra een noodlijdende met de vuist op tafel slaat. Door een vergelijkbare reflex is het voor mij als filosemiet moeilijk om te accepteren dat er onder Joden ook vervelende en nare persoonlijkheden rondlopen. De mensen met wie ik me solidariseer en met wie ik sympathiseer, moeten bescheiden en onberispelijk zijn – en als ze dat niet zijn, bekoelen ofwel mijn gevoelens ofwel sluit ik mijn ogen voor hun feilen.

Als ‘mijn god’ me opdraagt om ‘mijn naaste’ – de noodlijdende voorop – ‘lief te hebben als mezelf’, is dat misschien wel een oproep om de spanning vol te houden en niet op te lossen door één van de spanningspolen los te laten. De berooide mens die een appèl op me doet, hoeft geen schatje te zijn. Dat zij of hij nood lijdt, moet voldoende zijn om mijn geweten wakker te schudden. Zelf ben ik immers ook niet gemaakt uit één stuk.

 

***

 

Deze column verscheen eerder op de website van de remonstranten.