Monthly Archives: september 2015

Zonder vorm geen inhoud

Met moeite had ik in Leipzig nog een exemplaar verworven van het nieuwste boek van Navid Kermani, de drager van de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2015. Met deze prooi onder mijn arm betrad ik deThomaskirche, om daar een diepe buiging te maken voor het graf van Johann Sebastiaan Bach. Er was juist een middagdienst gaande. Toen een sentimenteel hedendaags gezang werd aangeheven wisselden mijn reisgenoot en ik een blik van smartelijke verstandhouding. In deze heilige ruimte, waar ooit de even complexe als meeslepende werken van de Thomascantor in première gingen, klonken nu de eendimensionale en oppervlakkige gezangen uit de oecumenische hitparade. Ik voelde de grond onder mijn voeten trillen. Bach had zich omgedraaid.

Dat ik juist hier en nu Kermani’s boek bij me had, kon geen toeval zijn. Deze Duitser van Iranese afkomst, oriëntalist en kenner van de Duitse cultuur, belijdend moslim en open geest, romancier en essayist: deze allesweter kan lyrisch worden over christelijke kunst en is daardoor des te vatbaarder voor de pijnlijke confrontatie met het gebrek aan schoonheidszin bij sommige christenen. Hij is een pleitbezorger van de aandacht voor de vorm, die zijns inziens door katholieken en protestanten steeds meer stiefmoederlijk wordt behandeld.

In dat laatste moet ik hem helaas gelijk geven. In onze liturgie en inrichting van gebouwen bijvoorbeeld heeft het overbrengen van de boodschap de hoogste prioriteit en het ‘bereiken van de mensen’ de grootste urgentie. Om dit doel te bereiken zijn we bereid tot vergaande concessies als het gaat om de vorm. Die mag, ja: moet zich voegen naar datgene wat wij zien als de ‘inhoud’. In zichzelf is zij irrelevant. We nemen daarom veel amateurisme voor lief. We zijn ook bereid om teksten en rituelen uit de traditie – die volgens ons niet passen bij onze boodschap – te verminken. Zolang onze inhoud maar overkomt is alles geoorloofd.

Hoewel wij lang geleden het ‘platoonse’ dualisme tussen ziel en lichaam afzwoeren, spookt dit nog steeds rond in de gedaante van het frame dat vorm en inhoud tegenover en boven elkaar plaatst. Zoals eertijds de ziel tegenover en boven het lichaam werd geplaatst, zo plaatsen wij nu de inhoud boven de vorm. Zoals ooit het lichaam werd gekastijd en uitgeteerd omwille van de ziel, zo parasiteert de inhoud nu op de vorm. De inhoud is immers de kern, de vorm slechts verpakking. Dat ze innerlijk verweven zijn wordt miskend – en dus ook het gegeven dat hij die aan de vorm komt, ook aan de inhoud komt. Vertalers weten daar alles van.

In zekere zin echter – en dat is de paradox bij dit alles – laat de vorm ons niet koud, maar zijn we erdoor geobsedeerd, zij het op een negatieve manier. Krampachtig houden we haar in bedwang. Wij eisen dat zij zich volstrekt onderwerpt aan de boodschap, dat zij naadloos erop aansluit, zich ernaar voegt en zit als gegoten. Dat de vorm ook haar eigen rechten heeft en eisen stelt, willen we niet weten. Ze wordt gereduceerd tot een middel om uit te drukken wat wij vinden, voelen, denken. De vorm moet een spiegel zijn waarin wij – op collectief en individueel niveau – ons eigen beeld willen herkennen. En zo ontpopt het inhoud-vorm-dualisme zich als een uiting van narcisme.

Wat dit betreft zijn Navid Kermani’s beschouwingen over het theater leerzaam. Toneelspelers willen tegenwoordig helemaal samenvallen met hun rol en personage, zegt hij. Dit is anders in het voormoderne theater of in het passiespel van de Sjiitische traditie. Daarin zijn de acteurs de nederige dragers van hun rol. Ze geven in hun wijze van acteren voortdurend te kennen dat zij niet het personage zijn of ermee samenvallen, wiens tekst zij uitspreken, maar slechts een bescheiden tussenpersoon. Door die nederigheid komt de tekst en de ermee verweven inhoud tot zijn recht.

Dit kunnen wij progressieve gelovigen moeiteloos toepassen op de liturgie en andere vormen van zielzorg. Als we onszelf slechts als bemiddelaars zien van teksten, beelden en gebaren, hoeven we niet wakker te liggen van de gedachte, dat we ons daarmee niet kunnen identificeren en dat ze niet uitdrukken hoe wij ons voelen en wat wij denken. Zolang we echter denken dat wij boven de vormen staan, staan we de echte inhoud, die onlosmakelijk is verweven met de overgeleverde vormen, alleen maar in de weg.

Navid Kermani, Zwischen Koran und Kafka. West-östliche Erkundungen. Hanser, München 2014 enUngläubiges Staunen. Über das Christentum, Beck, München 2015.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

 

 

Ook voorstanders zijn burgers.

De grootste vijand van de democratie is de democratie. Daarover kunnen hele naties meepraten. In een democratie kan een meerderheid een minderheid het leven onmogelijk maken. De democratie kan zelfs zichzelf afschaffen. Allemaal langs democratische weg. Daarom is het zo belangrijk dat een democratie altijd is ingebed in rechtsstatelijke structuren – zoals te onzent anno 2015. Deze waarborgen dat ze zich niet tegen zichzelf keert en dat mensenrechten ongeschonden blijven. Daarmee lijkt dit gevaar in ons werelddeel tot het verleden te behoren.

Tegenwoordig ligt het gevaar echter elders. Een democratie is namelijk ook kwetsbaar voor het misbruik van haar eigen begrippen. Er bestaat een democratische retoriek, die de echte democratie verlamt en ondermijnt. Dat gebeurt als een minderheid, zodra ze aanvoelt dat ze aan het kortste politieke eind gaat trekken, moord en brand schreeuwt over gebrek aan ‘draagvlak’ of over het ontbreken van inspraak van de ‘basis’. Vooral bij ingrijpende veranderingsprocessen is de boze minderheid erg luidruchtig. Ze bestaat vrijwel altijd uit mensen die tegen verandering zijn en legt de democratische bewijslast bij de bestuurders die nieuwe plannen willen realiseren.

De conservatieve, op democratisch denken parasiterende retoriek kennen we allemaal van moeizaam verlopende processen in verenigingen en gemeenschappen. Helaas betrap ik zelfs ‘weldenkende’ groeperingen wel eens op een vleugje hiervan als het gaat om ingrijpende veranderingen. Misschien is het niet eens verwonderlijk dat ook en juist zij er zo vatbaar voor zijn, want democratie is bij deze categorie (terecht) een heilig huisje en een gevoelige snaar geworden. En vaak domineert in de genoemde groeperingen een oudere generatie die zich kwetsbaarder voelt bij onrust en turbulentie.

Op nationaal en politiek niveau wordt de retoriek gehanteerd door populisten. Hoewel deze slechts een (soit: flinke) minderheid vertegenwoordigen, beweren ze dat zij spreken namens ‘de burgers’ en eisen ze stampvoetend dat er ‘eindelijk’ eens naar die burgers moet worden geluisterd. Ze roepen soms op tot referenda. Die zijn vooral bedoeld om iets tegen te houden en vrijwel nooit om steun te krijgen voor een fris idee. Zodoende maken de door zichzelf benoemde volkstribunen van de democratie een karikatuur.

Door op het quasi-democratische sentiment te spelen, zetten de populisten de echt democratische bestuurders – die een meerderheid vertegenwoordigen – op achterstand in de discussie. Deze bestuurders staan dan met hun mond vol tanden, mompelen iets beteuterds en doen allerlei concessies. Misschien wordt het tijd dat de meerderheid, die haar vertrouwen heeft gegeven aan de bestuurders, ook eens wat duidelijker het woord neemt en zegt: ‘Wij zijn het draagvlak en ook wij zijn burgers!’

De boze minderheid hoeft in onze rechtstaat echt niet te vrezen dat ze van haar rechten wordt beroofd. Ze krijgt gewoon niet altijd haar zin. Zo werkt democratie nu eenmaal.

Geloven ad interim

Stug en uitbundig: als zodanig heb ik afgelopen zomer het eiland Sicilië leren kennen. Aan de ene kant is er de ontoegankelijkheid van het landschap, dat zich lijkt af te spiegelen in de kort aangebonden omgangsvormen van de Sicilianen in het dagelijks verkeer. Aan de andere kant zijn er de her en der onverwacht opduikende spilzieke uitingen van schoonheid en levenslust in de natuur, de monumenten en de religie. Tussen deze uitersten bracht ik mijn vakantie door.

De stugheid en ontoegankelijkheid uitte zich onder andere in het soms maanachtige landschap, in het ondoorgrondelijke gewoonterecht in het verkeer en in de labyrintische infrastructuur die je als reiziger soms doet wanhopen. Die hindernissen overwonnen hebbende en de oester moeizaam opengetrokken hebbende, stuit je echter op kleine en grote parels van kunst en natuurschoon.

De spilzieke uitbundigheid uit zich in de rijke vegetatie op de hellingen van de Etna, de barokke architectuur in sommige steden, de opeenstapeling van kunstperiodes in opgravingen en kerken en in losbandige religieuze gebruiken. Wat dat laatste betreft was ik de getuige van de processie met het beeld van de heilige Calogero door de stegen van Agrigento. Met veel masculien musculair vertoon werd dit loodzware beeld door de smalle straatjes getorst. Tijdens de onderbrekingen van deze tocht werd het innig omhelsd gezoend door jonge en oude mensen, die uit dit fysieke contact met de heilige hoop leken te putten voor hun tijdelijke en eeuwige heil. Het was een orgie van vroomheid.

Een van de genoemde pareltjes, die ik opdook, lag diep verborgen in de door een verkeerschaos omgeven binnenstad van Palermo. Het is de Annunciatie van Antonello da Messina uit 1476. De aard van dit bijna onooglijke paneeltje, in bezit van een vervallen museum, staat in groot contrast tot de beschreven wilde vroomheid, die ook aan andere religieuze gebruiken op Sicilië eigen lijkt te zijn. Het lijkt alsof de stugge ontoegankelijkheid van het eiland zich hier nog eens laat gelden, maar op een milde manier, in de vorm van een ingetogen en raadselachtige zwijgzaamheid.

Hier zien we niet de sprookjesachtige taferelen die we kennen van de Vlaamse primitieven of van de fresco’s in Florence, laat staan de appelflauwte van de overweldigde moeder Gods van de barok of de romantiek. Hier zien we een vrouw die…. ja wat zien we? Door de titel weten we dat het gaat om de aankondiging van Jezus’ geboorte aan Maria van Nazareth. Maar op welk moment is zij betrapt door de schilder? Op het moment dat ze achter zich een ongenode de kamer hoort binnenkomen? In het ogenblik dat de indringer met zijn grootspraak haar stoort bij de Bijbellezing of het gebed? Zien we haar hier in gedachten verzonken nadat zij de boodschap heeft gehoord en de engel haar in verwarring heeft achtergelaten? Maant zij ons tot stilte, opdat zij het gehoorde kan ontwarren, ordenen en doorgronden?

De kunstenaar laat alles in het midden: door de manier waarop hij Maria portretteert, door de concentratie op haar starende ogen en haar afwerende vingers, door de ingetogenheid en de soberheid van kleuren- en lijnenspel. Hij lijkt bewust te kiezen voor onrechtstreeksheid, zodat wij als kijkers eeuwig zullen gissen waarvan wij hier eigenlijk ooggetuigen zijn. De mantel van discrete liefde bedekt datgene waaraan ons verlangen naar eenduidigheid zich zou kunnen vastklampen. Zo houdt kunst ons alert en autonoom.

Zelfs als we zeker zouden weten dat we Maria hier aantreffen tijdens het moment suprême van de annunciatie: haar ogen en gebaren tonen haar in een secundaire, reagerende rol; niet in versmelting met het moment, doch in een na-denken erover of in een zich gereedmaken voor wat er nog meer komt. Het schilderij van deze meester laat zien dat geloof niet samenvalt met datgene wat of waarin wordt geloofd, maar altijd secundair is. Geloof is het luisteren naar een echo, een antwoord op een wegstervende roep, een zich schrap zetten voor wat komt. We geloven ad interim. God zelf is immers ook niet zo direct.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Postscriptum

In het KSI in Bad Honnef trof ik onlangs het onderstaande werk aan van Ewald Mataré (1887-1965), de leraar van Josef Beuys. Zijn weergave van Jozefs droom vertoont parallellen met het hierboven besproken werk.

Mataré Josef