Monthly Archives: augustus 2015

Olifantenpaadjes, shortcuts en identiteit

“Was hilft’s dass man den Weg verkürzt!“

J.W. von Goethe, Faust I, 3840.

In de scene ‘Walpurgisnacht’ in Goethes Faust komt een kenmerkend verschil tussen Faust en Mephistopheles naar voren. Bij herhaling dringt Mephisto erop aan, om de weg over het Harzgebergte af te korten door middel van magische middelen (een vliegende bezemsteel, een magische sprong die de zwaartekracht buiten spel zet), terwijl Faust de voorkeur eraan geeft, om al slenterend de omgeving in zich op te nemen. Faust is, hoewel reeds reddeloos verloren, mentaal nog niet helemaal in de ban van zijn sinistere gids. Hij weet dat je shortcuts duur moet betalen-  hoezeer ook zijn tragische lot en dat van de door hem in het verderf gestorte Margarete te danken is aan zijn ongeduld als gefrustreerrde wetenschapper en gemankeerde womanizer. Faust wijst hier, zij het rijkelijk laat, shortcuts van de hand. Mephistopheles is er een meester in.

Nu zijn shortcuts niet per se verdacht en demonisch. Ze bestaan ook in de sympathieke, alledaagse vorm van zogenaamde ‘olifantenpaadjes’ (zie www.olifantenpaadjes.nl) . Iedereen kent wel zulke informeel tot stand gekomen onverharde paadjes door grasveldjes, braakliggende terreinen of weilanden, waarmee vroeger de weg naar school werd afgekort en tegenwoordig de weg naar de bushalte of de winkel.

Dergelijke olifantenpaadjes zijn een goede metafoor voor tal van verschijnselen uit het dagelijks leven. In een organisatie worden door werknemers complicerende regels of vertragende routines omzeild en zodoende nieuwe routines ontwikkeld die binnen de kortste keren inslijten. In de religie of de kunst creëren mensen nieuwe vormen en werkwijzen, die op gespannen voet staan met de door het gezag of het gilde uitgestippelde wegen en die nieuwe stromingen in het leven roepen. Deze figuurlijke olifantenpaadjes zijn een vorm van ‘demopraxie’, een verschijnsel dat op zichzelf een shortcut is: het ‘volk’ bewandelt geen formele wegen om alternatieven te bewerkstelligen (dat is democratie), maar creëert gewoon feiten, al doende, al praktiserende.

Los van het sympathieke karakter dat dergelijke anarchistische verschijnselen hebben, heeft het figuurlijke olifantenpaadje uiteraard ook keerzijden. Het kan, bij alle voordelen op korte termijn, op lange termijn schade aanrichten (dan is de shortcut een kortsluiting). Een minderheid kan door olifantenpaadjes zijn wil aan de meerderheid opleggen. Een organisatie kan zijn transparantie – voorwaarde voor rechtszekerheid en democratie – verliezen. Er zijn overigens letterlijke olifantenpaadjes die ronduit schadelijk zijn, bijvoorbeeld als het ‘volk’ een plantsoen tot een vuilstortplaats maakt – en ook dit kan een metafoor zijn voor destructieve praktijken in organisaties.

Alles heeft twee kanten, zo ook het olifantenpaadje of de shortcut: het kan vernieuwend en creatief zijn, maar ook ondermijnend en destructief.

***

Misschien zijn de ongeduldige, ambivalente shortcuts van onze samenleving wel bijverschijnselen van datgene wat de Duitse wijsgeer Ralf Konersmann aanduidt als de ‘onrust van deze wereld’. In zijn recente boek over dit thema probeert hij de wortels – of beter: de genese – van deze structurele ongedurigheid van onze cultuur op het spoor te komen. De onrust is een alles doordringende en bepalende mythe, die onlosmakelijk is verbonden met de mythe van de rust, waarvan zij de keerzijde is.

De mythe heeft vele gezichten. Soms wordt de onrust ervaren als een vloek en is zij het gedreven terugverlangen naar de verloren rust van het paradijs. Soms wordt zij ervaren als een zegen, juist omdat zij ons aandrijft om te werken aan het herstel van dat paradijs. Soms echter lijkt zij een doel in zichzelf te zijn. Haar keerzijde, de rust is in dat geval een gevaarlijke verleiding – zoals bij Goethes Faust, die gezworen heeft nooit op zijn lauweren te gaan rusten. Het lijkt erop dat juist onze rationele en zelfreflexieve cultuur wordt gedreven door de mythe van de ‘Unruh’ (in het Duits ook de aanduiding voor de veer in een uurwerk).

***

Bij die ‘onrust’ hoort ook de onhandigheid waarmee we als enkelingen en groepen omgaan met het verschijnsel ‘identiteit’. Aan de ene kant drijft ons ongeduld ons tot de shortcut-redenering, dat we het als persoon, groep of natie niet kunnen stellen zonder een heldere en eenduidige identiteit en dat we die desnoods op een geforceerde manier moeten proclameren – ook als er geen grondslag voor bestaat. Dit leidt tot conformisme en uniformisme in organisaties, opvoeding en overheidsbeleid. Aan de andere kant zijn wij als postmodernen, vanuit een soort gemakzucht, geneigd om identiteit te zien als een illusie: alles is vloeibaar en in beweging en wij mensen zijn onbeperkt kneedbaar.

Beide uitersten wijst Konersmann af. Identiteit hebben we nodig, juist om stabiel en betrouwbaar te blijven in de onrust van onze wereld. Identiteit is een rol in een serieus spel. Ze is relatief, maar van levensbelang. Ze regelt ons verkeer en maakt ons toe medemensen op wie men kan rekenen. Ze is echter wel iets wat voortdurend op het spel staat, iets wat steeds opnieuw moet worden gecreëerd, provisorisch en hypothetisch. Dit vraagt inspanning en relativeringsvermogen. Dit is iets anders dan een berekenende, absolutistische identiteitskramp, waarmee op drift geraakte organisaties, ongeruste opvoeders en paniekerige politici zich van bepaalde zaken af willen maken.

Konersmann, Ralf: Die Unruhe der Welt. Fischer Verlag 2015.

Het bovenstaande verscheen eerder op De Leunstoel.

Geloven is geen troosteten.

Op mijn column over de Kosmische Knuffelbeer kwam, behalve veel uitingen van bijval, kritiek en verbazing, ook menige uitdagende vraag. Een van die vragen was, of ik helemaal uitsluit dat geloven ook een bron van troost kan zijn? Is er alleen maar sprake van aanstoot en confrontatie? En als dat zo is: wat betekent dit dan voor pastoraat? Kan de zielzorger alleen maar een boeman zijn? En wie zit er dan nog op haar of hem de wachten? Deze vraagstelling mondt soms zelfs uit in een gewetensvraag. Wat breng ik zelf dan te berde in het vertrouwelijke gesprek of op de kansel? Zit er dan geen woord van bemoediging in?

Om maar meteen met dat laatste te beginnen: eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat bij mij theorie en praktijk op gespannen voet staan met elkaar.

Als theoloog kan ik god niet anders zien dan een zwerfkei, waarop de ploeg van ons verstand en ons gevoel stukbreekt en waaraan wij schaafwonden en kneuzingen oplopen. Onze vragen en behoeften ketsen op hem af – laat staan dat we kunnen hopen op antwoord of vervulling. Geloven is geen verwen-arrangement en bidden geen troosteten. Het gaat bij het geloof niet om ons geluk, maar om zijn heerschappij en heerlijkheid. (Nee, ik ga hier nu eens géén aanhalingstekens plaatsen en ga eens niet de woordkeuze nuanceren of in verzachtend perspectief plaatsen uit ‘horror voor het concrete’, om het met Barth te zeggen.)

Aan de andere kant ben ik op gezette tijden gesprekspartner of predikant voor mensen met – vergeef me de technische term, want meer is het niet – zogenaamde ‘zinvragen’. Dan ontkom ik er niet aan, om me te verplaatsen en in te leven in degene die tegenover me zit met dat gapende gat in haar of zijn ziel. Ik stel me dan wel degelijk tot doel die ander te bemoedigen en te troosten. Ik zie niets liever dan mensen die na een gesprek of een preek fluitend hun leven hervatten. Wie ben ik om haar of hem moedwillig te desillusioneren? Dan ‘geef’ ik mensen liever hun ‘zin’.

Ben ik nu een gespleten persoonlijkheid of – erger nog – een opportunist? Misschien wel… Misschien ben ik echter gewoon te eigenwijs om koste wat kost te proberen om een ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Niet alleen houd ik van onbehaaglijkheid in de theologie zelf. Ik cultiveer ook het ongemak dat is gelegen in de spanning tussen die theologie enerzijds en het dagelijks leven anderzijds. Ik wil god niet domesticeren omwille van de mensen, zoals ik mensen niet op de pijnbank wil leggen omwille van mijn theologie. God is god en mensen zijn mensen. (Jezus kon het blijkbaar tegelijk zijn, althans volgens het concilie van Chalcedon – maar niemand heeft hem dat nog nagedaan.)

***

Nu we toch zo ontboezemend bij elkaar zijn, geef ik toe dat er intussen in mijn brein wel degelijk druk wordt  geschakeld en gekoppeld om de disharmonie enigermate op te lossen. Kunnen de theoloog en de ‘zingever’ in mij elkaar ergens vinden? Een wapenstilstand lijkt me inderdaad wel haalbaar. Hieronder leest u de condities. Ze vragen om verdere uitwerking.

Ik blijf van mening dat god zelf niet een bron van troost is en dat we hem niet moeten instrumentaliseren als zodanig. Bronnen van troost zijn er al te over: in de liefde en de vriendschap, in de kunst en de wetenschap, in goed eten en drinken, in alles wat ons lichamelijk en mentaal deugd doet. Het getuigt wel erg van een verwend karakter, als we de gever willen verslinden omdat we de gaven beneden onze stand achten. Zelfs of bij uitstek de mystiek zegt dat god er niet is om van te genieten of opdat wij worden vervuld, maar dat het erom gaat om ons te ontledigen en plaats te maken voor hem of om door hem te worden verslonden.

Hetgeen niet wegneemt dat elke haar op ons hoofd is geteld en de dagelijkse levensbehoefte aan troost god niet ontgaat – naar verluidt. En zoals we in het klassieke daglonersgebed iedere dag weer onze hand ophouden en vragen om ons ‘dagelijks brood’, zo kunnen we ook die behoefte aan troost steeds weer aan hem voorleggen, als behoefte. Het zou wel eens kunnen dat dit niet aan dovemansoren is gericht en dat ons, als bijproduct en onderpand van gods rijk, een dagrantsoen aan troost wordt toegeworpen. God is niet onze troost, maar wil het ons wellicht wel geven. Als die gedachte op zijn beurt een bron van troost is: soit.

En wat het belangrijkste is: we kunnen die troost ook mogelijk maken voor elkaar. Troost is vooral een genot als we het geven. Troost hebben we zelf in de hand.

Tijdmachines

Als er tijdmachines zouden bestaan en het mogelijk zou zijn, om terug te reizen in de tijd, zou ik daar wel een keer gebruik van maken. Ik zou dan bijvoorbeeld teruggaan naar 1910 of 1960. Niet uit nostalgie naar de jaren waarin ‘geluk heel gewoon was’, niet uit nieuwsgierigheid naar het leven van mijn voorouders, doch omdat ik eens deelgenoot zou willen zijn van een bepaald levensgevoel. Ik zou zo graag eens getuige zijn van revolutionaire ontdekkingen of uitvindingen: in kunst en wetenschap, in architectuur en economie, in politiek en religie. Ik zou zo graag eens de avontuurlijke sensatie hebben dat alles nog nieuw en veelbelovend is, wat nu gemeengoed is. Het gevoel dat alles glanst, wat nu flets is geworden en vanzelfsprekend. Het gevoel dat het vuur nog jong is in de idealen die inmiddels zijn achterhaald door betere inzichten of ingehaald door de altijd sterkere stroperigheid van de realiteit.

[…] Lees voor de volledige versie verder op De Bezieling.