Monthly Archives: juli 2015

Wilde vroomheid

Met de Italiaanse Reis op zak vertrok ik op 1 juli naar Sicilië. Evenals de zevenendertigjarige Goethe – die destijds, wachtend op de gunst van de wind, meerdere dagen bij Napels voor anker lag voor hij kon oversteken naar het eiland – moest ik een geduldproef doorstaan, i.c. mij onderwerpen aan de streng gehandhaafde inchecktijden, wachttijden en controles. De aanblik van een onbeweeglijke waterspiegel moet voor de Duitse schrijver even kwellend zijn geweest als de georganiseerde verveling van de luchthaven voor de huidige reiziger, Goethes zucht van verlichting bij het hijsen van de zeilen even bevrijdend als mijn opluchting bij het boarden.

Bij alle verschillen tussen 1787 en 2015 zou ik tijdens de reis meer van dergelijke vergelijkingspunten ontdekken. Ik noem er enkele. Ondanks of juist dankzij de moderne verkeersmiddelen, is rondtrekken op het eiland nog steeds een riskante en stroperige onderneming. En sommige hotels zorgen, in navolging van de sobere herbergen in 1787, voor onaangename verrassingen zoals stroomuitval of bizar geënsceneerde maaltijden. Tenslotte legden mijn reisgezel en ik toevallig in grote lijnen dezelfde route af als de schrijver.

Onze voorkeuren, observaties en belevingen bleken echter volstrekt verschillend van de zijne. Dat is meer dan een kwestie van historische context: het hangt ook samen met Goethes (soms moedwillig lijkende) eigenzinnige smaak. Met de hedendaagse toerist deelt hij de fascinatie voor antieke tempels. Aan de opmerkelijke kruisbestuivingsarchitectuur van de middeleeuwse kerken maakt de classicist echter merkwaardig genoeg nauwelijks woorden vuil in zijn reisverslag. Wel weidt hij  tot vervelens toe uit over steentjes en plantjes. Op pedante wijze etaleert hij zijn ‘oog voor detail’ ten overstaan van een vaas of een muntstuk – terwijl je snakt naar zijn visie op de mozaïeken in de gewelven en de kapitelen in kloostergangen.

***

Als het gaat om christelijke tradities is Goethe op zijn zachtst gezegd ambivalent. In zijn Siciliaanse ontboezemingen wisselen spotlust en neerbuigende welwillendheid dienaangaande elkaar dan ook af. Jammer genoeg maakte hij niet de opening van de feestweek voor de heilige Calogero in Agrigento mee, zoals mijn reisgezel en ik. We raakten onverhoeds verzeild in de religieuze volkswoede rondom het door de steile stegen van de stad voortgedragen, manshoge en massieve beeld van deze oude kluizenaar.

We waren getuige van een wilde vroomheid, waarbij de plaatselijke politie en clerus machteloos, lijdzaam en berustend toekeek (zie afbeelding) en waarbij de wellust van devotie gepaard ging aan baltsende waaghalzerij. Mensen haalden halsbrekende toeren uit om de kuise kluizenaar in effigie innig te zoenen, waarna snoetenpoetsers hun werk deden en de gebruikte doekjes als relieken een tweede leven konden beginnen. Timing en regie van de processie waren toevertrouwd aan een wanhopig gesticulerende ‘coördinator’, maar lag feitelijk in handen van een niet duidelijk te lokaliserende feeling van de menigte. Deze zorgde ervoor dat de honderd dragers telkens op het goede moment, aangevuurd door huilende blaasmuziek, de schouders eronder zetten en met stierenvechtersstoerheid het loodzware beeld voort torsten. Een en ander maakte de processie van Calogero tot een meeslepende, carnavaleske ervaring.

Verbluft was ik en ontroerd. Het was allemaal erg oprecht. Met oprechtheid bedoel ik dan niet het zelfingenomen vertoon van gevoelens, dat wij authenticiteit zijn gaan noemen; niet de met een grafgezicht geëtaleerde ernst van onze maar al te luidruchtige stille tochten; niet het ostentatieve vertoon van spirituele ‘ingetogenheid’ in de media gedurende de passietijd. In tegendeel: de toewijding was hier geheel gericht op het in goede banen leiden van de moeizame tocht van het loodzware beeld door de smalle straatjes van Agrigento. Er was wel sprake van ernst, doch deze uitte zich in de geconcentreerde en bezwete gezichten en ging op aan torsen en tillen, duwen en trekken, manoeuvreren en sturen. Dit gezwoeg liet geen ruimte en energie over voor gekoketteer met religieuze emoties. Een vette kus recht op de raap van het heiligenbeeld: daarmee moest de religie het doen. Er gebeurden geen wonderen; er vonden geen genezingen en bekeringen plaats; Calogero vertrok geen spier. Een houten beeld en zwetende, zwoegende mensen dansten samen door de straten: dat was het. Ernst met een zichzelf relativerend knipoog.

Wilde vroomheid troffen we ook even verderop aan: in het heiligdom van Onze Lieve Vrouw der Tranen in Siracusa. Aan deze devotie is een foeilelijk betonnen complex gewijd, dat door vormeloosheid, buitenproportionele omvang en de veelheid van zijkapellen eerder het karakter heeft van een religieuze meubelboulevard. Het begon allemaal in 1953, toen een afbeelding van Maria spontaan tranen met tuiten begon te wenen. Soms schijnt de beeltenis nog een huilbui te krijgen en de devotiebeweging aldus in leven te houden – een beweging die de clerus overigens, evenals in Agrigento, moeizaam probeert te kanaliseren door er een keurig, rationeel pastoraal programma aan te koppelen.

***

Aan de beide onverwachte bezoeken hield ik zeer verschillende indrukken en nasmaken over. Waarom kon ik de wenende Madonna van Siracusa gevoelsmatig en verstandelijk niet serieus nemen – en de volksheld Calogero van Agrigento wel? Waarom was ik in Agrigento onder de indruk en ontroerd, terwijl ik in Siracusa slechts onoprechtheid meende te proeven?

Misschien komt het doordat in de laatstgenoemde plaats de dramatiek een grens van smaak, letterlijkheid en uitdrukkelijkheid overschrijdt – een grens waarvoor de Calogero-vereerders discreet halt houden. Misschien komt het doordat de op zich nog sympathieke gekkigheid van de Agrigentijnen in Siracusa wegglijdt in en verwordt tot waanzin. Misschien komt het doordat hier de wildheid ontaardt in hysterie.

Na deze verwarrende ervaringen begrijp ik wel, dat in 1787 een gedistantieerde reiziger uit het noorden meer oog had voor de Dorische zuilen dan voor katholieke monumenten en gebruiken – al vraag ik me tevens af wat zich 2500 jaar geleden wel aan grensoverschrijdend, dionysisch gedrag moet hebben afgespeeld tussen deze zuilen.

Een toeziend oog I

Toeristen en plaatselijke clerus zien lijdzaam toe hoe Calogero door de straten van Agrigento wordt gesleurd.

Een toeziend oog II

De politie heeft ook het toe- en nakijken.

20150706_105113

Het kerkgebouw voor O.LV. der Tranen in Siracusa