Monthly Archives: juni 2015

Rechtop geloven

Op De Bezieling verscheen deze maand de onderstaande column van mijn hand. Ik ondervond steun en tegenspraak. Voor bijval buig ik bescheiden. Tegenover de kritiek ga ik me niet verdedigen of verontschuldigen. Misschien heeft men gelijk. Hooguit wil ik het volgende kwijt. Ik hoop dat ik niet onder een vlag word geplaatst, waarin ik me niet herken. Het stukje is niet geschreven vanuit een neo-bevrijdingstheologisch moralisme. Evenmin is het een neo-orthodoxe reflex. Het komt, zoals zoveel wat ik schrijf, recht uit het vrijzinnige hart van iemand die streeft naar geloven in volwassenheid, naar ‘rechtop’ geloven, geloven met rechte rug en opgeheven hoofd . EC.

De reclameslogans van de remonstranten (u weet wel: die zinnen die beginnen met ‘Mijn God…’) suggereren een soort intimiteit met het opperwezen die velen aanmatigend of pretentieus in de oren klinkt. Het is alsof iemand zegt: ‘Ik heb het er met mijn God over gehad en hij vindt ook dat…’ Dat mensen op vertrouwelijke voet met God verkeren is echter niet helemaal nieuw. Ikzelf ben opgegroeid in de tijd dat katholieken God nog aanspraken met ‘Onze Lieve Heer’ – of zelfs ‘Onze Lieve Heertje’. De klank van het Limburgse dialect voegde er nog een extra dimensie van tederheid aan toe. En voor Brabanders – gewend aan ‘ons pap’, ‘ons mam’ etc. – moet het ‘onze’ al helemaal familiaal hebben geklonken.

Bij deze aanspreekvormen hoorden ook bepaalde beelden. Het beeld van Gods zoon als herder bijvoorbeeld. Zo werd hij geportretteerd op een prent boven het dressoir in de huiskamer van mijn oma. Of hij was een knapperd die zijn armen wijd opende en een van liefde brandend hart liet zien, waarin plaats was voor ons allemaal. God was één en al liefde. Het was wel een bepaald soort liefde: meegaand en begripvol, troostend en bevestigend. God had uiteraard ook een veeleisende kant. Als je echter door zijn strenge toetsen héén kwam, wachtte je het paradijs van de eindeloze omarming.

Deze gevoelslading is natuurlijk niet bedoeld in de slogans van de remonstranten. Het neemt niet weg dat het beeld van God als grote kosmische knuffelbeer tot op heden een taai leven heeft – ook en juist in progressieve kring. Het leeft voort in het pastorale en spirituele aanbod van kerkelijke gemeenschappen, bezinningscentra en uitgeverijen. Dit aanbod heeft steeds meer het karakter van een houtenspeelgoedwinkel. Men levert ons een God waaraan je je niet stoot en een geloof waaraan je je geen buil valt.

Tekenend is de selectieve Bijbellezing. Passages die gaan over conflict, confrontatie en keuzes worden overgeslagen. Teksten worden zo gelezen dat het beeld van God als grote lieverd overblijft. Opmerkelijk bijvoorbeeld is de populariteit van Psalm 139 – althans een bepaalde interpretatie ervan. De inmiddels gebruikelijke uitleg laat het voorkomen alsof God voor ons een warm bad heeft laten vollopen waarin wij ons kunnen laten glijden. Deze uitleg ziet over het hoofd dat God hier ook wordt afgeschilderd als een stalker, die mensen op de hielen zit en hen hinderlijk herinnert aan hun opdracht – zoals bij Jona.

Ook de mystieke traditie valt aan dit opportunisme ten prooi. We projecteren naar hartenlust onze hedendaagse affectiviteitscultus op deze traditie alsmede de modieuze verachting van de rede. Ons postmoderne ‘gevoel’ is echter niets meer dan een gedaante van ons onverzadigbare ego. Niets staat verder af van de mystiek dan dit claimende ‘ik’ dat greep wil krijgen op de Ander, die Ander in zijn ban wil trekken en aan zich dienstbaar wil maken. Wat dit betreft is het ‘gevoel’ geen haar beter dan de zo verfoeide ratio.

De kerken worden in dit opzicht overigens nog overtroefd door het esoterische circuit. Hier is God een kneedbare Barbapappa, die op verzoek wordt wat wij willen en die ons van dienst is als de uitbater van een spirituele suikerspinnenkraam. Het ietsisme destilleert bovendien het laatste restje niet-vrijblijvendheid weg uit de religie, door God ‘onpersoonlijk’ (en dus monddood) te maken.

Ik zou graag geloven in de Grote Lieverd… maar als dit Godsbeeld de kern zou zijn geweest van de boodschap van Mozes, de Profeten en Jezus: dan zouden de oudtestamentische tirannen en de Romeinen zich niet zo hebben opgewonden over hen. Ze zouden zich kostelijk hebben geamuseerd met die malle verkopers van zoete broodjes. In feite echter werden ze geconfronteerd met een onaangename boodschap: een boodschap over een nieuwe orde die de oude overhoop haalde. Als het bij Jezus en zijn voorgangers al over liefde ging, dan ging het over een liefde die vóórtrok en uitverkoos, meesleurde en opeiste, die niet bevestigde doch losmaakte en iets nieuws wilde vestigen.

Mijn God bevestigt me niet, doch haalt me onderuit en trek me weg uit de warme kussens van mijn goed gevoel. Tenminste… dat denk ik. Voor de zekerheid houd ik er toch maar rekening mee, dat hij op een dag aanklopt en toch blijkt te lijken op die goede herder op de prent boven mijn grootmoeders dressoir. Hij moet immers zelf weten hoe hij zich kenbaar maakt.

God blijft gelukkig onberekenbaar. Daar vertrouw ik op.

De woede van machteloosheid

Er is een populaire vorm van wetenschapskritiek in omloop. De kern daarvan is dat de wetenschap te rationeel en te technisch is. Zij reduceert de werkelijkheid en de mens tot een geheel van oorzakelijke verbanden, die met een beetje mechanisch inzicht kunnen worden bespeeld. De realiteit is toch rijker en complexer? – aldus de criticasters.

Een populair mikpunt van kritiek is de geneeskunde. Ze heeft geen oog voor de aspecten van de mens die niet meetbaar en maakbaar zijn. Het wezenlijke ontgaat haar en is ze blind voor de echte oorzaken van ziektes. Ook maatschappijwetenschappen moeten het ontgelden. Sociologen en economen – en politici die zich door hen laten leiden – krijgen het verwijt ‘technocratisch’ te zijn en te weinig gevoel te hebben voor de psyche van de massa. Zelfs theologen ontkomen niet aan dit soort ongenoegen. Brengen zij het geloof niet terug tot een cerebraal spel met dogma’s en ideeën? Kortom: wetenschap simplificeert de werkelijkheid, verarmt haar aldus en heeft daardoor geen antwoord op de echte vragen.

Als je doorvraagt bij de critici, stuit je op een merkwaardige paradox. Dan ontdek je dat de irritatie niet zo zeer te maken heeft met de reductie of de vereenvoudiging, waaraan de wetenschap zich schuldig zou maken, doch juist met het tegendeel. De frustratie wordt eerder veroorzaakt door het feit dat de wetenschap de zaken ingewikkeld maakt. Wetenschap brengt nuances en grijstinten aan, wijst op complexe wisselwerkingen en op onopgehelderde oorzaken. Zij kan vandaag nog geen antwoorden geven op alle vragen. Ja: er zijn misschien vragen die nooit zullen worden beantwoord en problemen die nooit zullen worden opgelost. Wetenschap vraagt om geduld.

Juist dat is voor veel mensen te veel gevraagd. Het is onverdraaglijk dat een ziekte vandaag, morgen, overmorgen niet is te genezen – of misschien wel nooit. En dus is de arts als boodschapper van het teleurstellende nieuws de boosdoener – en wendt men zich tot de kwakzalver. Het is onverteerbaar dat bepaalde vormen van onveiligheid, overlast en ongelijkheid in onze samenleving blijven bestaan. En dus is de socioloog of econoom, die zegt dat hij of zij het ook niet weet, de vijand van het volk – en wendt men zich tot de populist. Het is onacceptabel dat we geen handzame antwoorden krijgen op onze geloofsvragen en dat bijbelwetenschappers meer twijfel zaaien dan harten onder riemen steken. En dus is de theoloog een spelbederver, die ons hindert om onbekommerd ‘alleluja’ of ‘ohm’ te roepen – en wendt men zich tot de charismatische of esoterische dominee of priester.

Men wil dus niet minder meetbaarheid en maakbaarheid, doch juist meer. De kritiek op de wetenschap komt voort uit machteloosheid, uit woede over het feit dat de realiteit ingewikkelder is en bepaalde problemen niet oplosbaar. Dit wekt ongeduld en onverdraagzaamheid.

Uit deze woede is ook een bekend modern verschijnsel geboren: het verschijnsel van de organisatiegoeroe en de coach. Hij is voor de werkorganisatie en de werkende mens wat de kwakzalver, populist en charismaticus zijn voor de patiënt, de burger en de gelovige. Hij laat je geloven dat je alle problemen in je organisatie en in je werkende leven de baast kunt worden aan de hand van vuistregels die passen op de achterkant van een postzegel.

Als personeelsadviseur en pastor heb ik zelf vaak een coachende rol. Daarin benadruk ik steevast dat er geen eenvoudige problemen zijn en geen gemakkelijke oplossingen. Je kunt de werkelijkheid niet de baas worden en als Mozes bevelen geven aan de zee. Je kunt wel leren zeilen op de onvoorspelbare oceaan van het bestaan. Je kunt wel leren om vriendschap te sluiten met je machteloosheid. Succes en geluk zijn niet te koop.

 

***

 

De bovenstaande tekst verscheen eerder deze maand in Ad Rem, remonstrants maandblad.

De mens is als een afgrond.

  • De mens is als een afgrond: je wordt duizelig als je erin kijkt.

G. Büchner (1813-1837)

Eerder heb ik geschreven over het fenomeen ‘guilty pleasure’. Dit woord drukt op een ingewikkelde wijze uit, dat je heimelijk geniet van een cultuuruiting die je beneden je stand vindt, te kitscherig of te oppervlakkig. Door er ruiterlijk voor uit te komen – waardoor het genot uiteraard elke heimelijkheid verliest – haal je eventuele critici de wind uit de zeilen. Door er bovendien aan toe te voegen dat je geniet met een slecht geweten, beperk je je gezichtsverlies. Immers: terwijl de helft van je persoonlijkheid geniet, handhaaft de andere helft de hoge norm.

Het is aan te bevelen om niet zo krampachtig en snobistisch te doen over je voorkeuren. Je oogst meer sympathie als je zonder dit chique voorbehoud toegeeft dat er verschillende esthetische zielen in je borst wonen, waarvan de één niet beter is dan de ander. Het kan van ridderlijkheid getuigen, dat je blijkbaar open staat voor een vorm van vermaak die niet in jouw deftige laantje past. Daar is niets ‘schuldigs’ aan.

Een gebrek aan openheid zou eerder in aanmerking komen voor schuldgevoelens. Men zou zich eerder moeten generen voor de neiging om bepaalde kunstuitingen als onrein te beschouwen. Hieraan heb ik me nogal eens hebt bezondigd. Zo ben ik in de kunstgeschiedenis lang met een grote boog om de romantiek héén gelopen. Mijn muzikale smaak hield op in het sterfjaar van Beethoven en begon weer in de jaren vanaf 1910: de periode waarin in Parijs en Wenen de grote vernieuwers doorbraken. In musea sloeg ik de schilderijen uit het tussenliggende tijdvak met dezelfde kordaatheid over.

Gelukkig hebben de schikgodinnen mij voldoende levenstijd gegund om tot inkeer te komen. Ik ontdekte achter de – voordien door mij als sentimenteel afgedane – romantische werken een universeel levensgevoel. De Duitse romantische muziek en literatuur bleken niet alleen te gaan over slapeloze jongemannen die bij volle maan onder het raam van hun onbereikbare geliefde wegkwijnen of op het graf van een te vroeg gestorven kameraad met dauw besprenkelde bloemen leggen. Ze gingen ook en vooral over de mens die staat voor de afgrond van zijn of haar eigen bestaan. Juist daardoor is bijvoorbeeld Schuberts liedcyclus Die Winterreise zo geliefd bij iedere generatie.

Het zelfde gebeurde met de kunstenaars die ik gedurende lange tijd links liet liggen in musea, zoals in het Obere Belvedere in Wenen. Op zoek naar Schiele en Klimt beende ik altijd onverschillig door de zalen van de Biedermeier, de romantiek en het historisme heen, totdat ik bij een recent bezoek – dankzij een mij onverhoeds door de muzen geschonken welwillende ontvankelijkheid – werd getroffen door juist kunstenaars uit deze perioden.

Onder hen was uiteraard Caspar David Friedrich (1774-1840), die de meeste mensen wel kennen van de ruggelings afgebeelde jongelieden die halsbrekende toeren uithalen op een bergtop of de rand van een ravijn – over ‘guilty pleasures’ gesproken! – en uitkijkend over een grimmig berglandschap hun eigen nietigheid ervaren. Een regelrechte ontdekking was voor mij echter Anton Romako (1832-1889). Altijd had ik geleerd dat ‘jonge wilden’ als Klimt en Schiele zich tegen de stroming afzetten waartoe Romako behoorde. Zijn Appelplukster (afb.) en zijn versie van keizerin ‘Sisi’ (afb.) lijken in hun ruigheid echter eerder een voorbode van de vernieuwing. Overigens had Romako eveneens een voorkeur voor acrobatiek in de vrije natuur (afb.).

Zelfs een op het oog sereen schilderij van Moritz von Schwind (1804-1871) (afb.) doet ons huiveren en duizelen. Knielt hier een mens voor de schoonheid van een berglandschap bij avondlicht? Zo burgerlijk zou je het kunnen duiden. Betreft het ontzag echter niet eerder de afgrond in zichzelf, die blijkbaar verwijst naar de grondeloosheid van de Eeuwige?

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Romako  - Appelplukster Anton Romaka - Keizerin ElisabethAnton Romako - Am Wasserfall Moritz von Schwind  - Kaiser Maximilian in der Martinswand