Monthly Archives: mei 2015

Ad fundum! – over remonstranten, vrijheid en vogelsoorten

Het moet me van het hart, dat ik nogal moeite heb met de nieuwe ronde in de campagne van de remonstranten. Mijn probleem is niet ‘theologisch’ van aard. Zoals ik eerder al heb geschreven, heb ik geen bezwaar tegen de uitdrukking ‘mijn god’, zolang als deze ironisch en binnen de grenzen van een welomschreven taalspel wordt gebezigd – want anders is wel degelijk Lessings verzuchting “Wie behoort god toe? Wat is dat voor een god, die aan een mens toebehoort!?” van toepassing.

Er is echter iets anders aan de hand.

Mijn reden om remonstrants te zijn bestaat erin, dat de vrijheid in de Arminiaanse theologische traditie geen ‘kwestie’ is of een ‘probleem’ – althans niet op de eerste plaats – doch is verankerd en geworteld in het zelfverstaan, in de confessie. In de (midden-)orthodoxe en katholieke milieus – waarin ik ook verkeer – wordt weliswaar vaak lippendienst bewezen aan de vrijheid en wordt deze weliswaar erkend. De erkenning heeft echter steevast de bijsmaak van een concessie. “Vrijheid, omdat het moet”. De vrijheid wordt, zelfs in zogenaamde ‘progressieve’ kringen, dankbaar van de Verlichting aanvaard als een donororgaan – doch de moeizaam onderdrukte afstotingsverschijnselen zijn onmiskenbaar. Alleen bij de remonstranten is vrijheid inherent aan het geloof en wordt zij niet als een op te lossen probleem ervaren.

Daarbij teken ik meteen aan dat die vrijheid complex van aard is. De vrijheid gaat onlosmakelijk gepaard met de keerzijde van roeping en verantwoordelijkheid. Nog beter uitgedrukt (want mijn woordkeuze suggereert nog te zeer een uitwendig verband): roeping en verantwoordelijkheid vormen een constitutief en intrinsiek bestanddeel van de vrijheid. De vrijheid wordt geboren in en uit deze verantwoordelijkheid en kan zich ook alleen hierin ontplooien en uitdrukken. Als het geen vloek zou zijn in de Arminiaanse kerk zou ik zeggen: wij mensen zijn gepredestineerd tot vrijheid. In vrijheid gesteld worden en verantwoordelijk gesteld worden vallen samen.

(Deze Levinasiaanse opvatting behelst overigens iets anders dan het paternalistische katholieke cliché dat vrijheid altijd ‘geschonken vrijheid’ is. Dit is niet meer dan een variant van de genoemde concessie van schijnvrijheid. Het is een bevoogdend toekennen van een speelterrein, waarvan de perken door anderen namens god worden aangegeven.)

Welnu: het is juist de intrinsieke band van vrijheid en roeping, alsmede de ernst die er eigen aan is, die ik mis in de campagne van de remonstranten. Vrijheid heeft hier iets burgerlijk-vrijblijvends. Deze indruk hangt vooral samen met de culturele sfeer die er hangt rond de campagne-uitingen en die vooral appelleert aan de leefwereld van postmaterialisten die het goed getroffen hebben qua inkomen, vrije tijd en zichzelf. (Het beeld van god als paradijsvogel – vergeef me – doet bovendien een wel erg groot beroep op mijn taalspelvermogen en op de rekkelijkheid van mijn humor.)

Mede-remonstranten: over welke vrijheid hebben we het? En over welke god (en eventueel vogelsoorten) hebben we het in dit verband? Over god als een grote Knuffel-Pino? Een god die ons op een infantiliserende en betuttelende wijze laat spelen met de kaarten die het leven ons rijkelijk heeft toebedeeld? Of over een god die ons uitdaagt om de grenzen op te zoeken van de speelruimte van ons leven? Die ons roept om alle verantwoordelijkheid die in ons is en waarop van buiten af een beroep wordt gedaan, uit te putten tot op de bodem, tot en met het bitterzoete bezinksel?

Ad fundum, mede-remonstranten! Laten we niet blijven steken bij de postmoderne oppervlakte van de vrijheid. Onze god is geen dure bubbelwijn.

 

***

 

Naschrift over god als vogel

Als we dan toch bij de vogelmetafoor moeten blijven, dan zie ik ‘onze god’ toch bij voorkeur als Rilke in zijn Stundenbuch. In één van de gedichten in deze cyclus wordt indirect en onbedoeld een beeld gegeven van de inzet van de vrijzinnigheid.  Het begint aldus:

„Wenn ich gewachsen wäre irgendwo,
wo leichtere Tage sind und schlanke Stunden,
ich hätte dir ein großes Fest erfunden,
und meine Hände hielten dich nicht so,
wie sie dich manchmal halten, bang und hart.“

[„Als ik zou zijn (op-)gegroeid ergens, waar de dagen minder zwaar zijn en de uren slank, dan zou ik voor jou een groots feest hebben bedacht. Mijn handen zouden ze niet zo vasthouden, zoals ze je soms vasthouden: angstig en hard.”]

Dan geeft de dichter een beschrijving van dat ‘grote feest’, om daarna een contrast te tekenen. In deze contrast-scene worden de rollen tussen god en mens omgedraaid. God is het uit zijn nest gevallen vogeltje dat een wanhopig beroep doet op onze zorgzaamheid. Vergeefs?

„oder

es kann auch sein: ich fand
dich einmal…
Meine Freunde sind weit,
ich höre kaum noch ihr Lachen schallen;
und du: du bist aus dem Nest gefallen,
bist ein junger Vogel mit gelben Krallen
und großen Augen und tust mir leid.
(Meine Hand ist dir viel zu breit.)
Und ich heb mit dem Finger vom Quell einen Tropfen
und lausche, ob du ihn lechzend langst,
und ich fühle dein Herz und meines klopfen
und beide aus Angst.“

 [„of het kan ook zo zijn: ik vond je een keer… Mijn vrienden zijn ver weg. Ik hoor nauwelijks nog de galm van hun lachen. En jij: jij bent uit je nest gevallen. Je bent een jonge vogel met gele klauwtjes en grote ogen. Je wekt mijn medelijden op. (Mijn hand is voor jou veel te breed.) En ik til met mijn vinger uit de bron een druppel en luister of je hem snakkend kunt opslurpen … en ik voel jouw hart en het mijne kloppen en beide uit angst.”]

 De volledige versie van het gedicht vind je hier: Gedicht Rilke.

De huid van Wenen

Inmiddels ben ik weer een week terug uit Wenen. Geleidelijk vervagen de beelden in mijn hoofd, die ik tijdens een reis altijd onbewust opsla om me te kunnen oriënteren in de vreemde omgeving en die na het vertrek hun nut verliezen – en daarom ook zo snel vervluchtigen. Inmiddels zakt ook het ambigue mengsel van spijt en opluchting, waarmee ik iedere keer de terugreis aanvaard. Er is spijt omdat ik weer zo veel bezienswaardigheden en events links moest laten liggen. Er is opluchting omdat ik niet meer voortdurend waakzaam hoef te zijn om niet te verdwalen en om de stortvloed aan indrukken te verwerken. Reizen is blijkbaar frustrerend en vermoeiend.

Er is, telkens als ik Wenen verlaat, ook iets wat op verdriet lijkt, een soort heimwee. Het is echter eerlijker om te zeggen dat ik, uit het oogpunt van romantische correctheid, aan Wenen dit heimwee verschuldigd meen te zijn. Ik acht het mijn toeristische plicht, dat ik bij het vertrek en op de terugreis wegsmelt in weemoed en in een bij elke kilometer van verwijdering aanzwellend heimwee, met een brok in mijn keel Wien, Wien, nur du allein neuriënd. Daarom tracht ik plichtmatig dit bitterzoete sentiment bij mezelf op te wekken. Het is vergeefs – en na verloop van tijd verdwijnt deze aandrang dan ook.

Wat blijft is een bezonken en nuchter enthousiasme over deze stad, die ertoe leidt dat ik honderduit erover vertel aan wie het maar wil horen en dat ik twee meter boeken over Wenen in de kast heb staan. Men zou mij een fan kunnen noemen. Ik bezig deze platte formulering bij gebrek aan beter – want ik ben terughoudend om mij van uitdrukkingen te bedienen als ‘houden van’.

***

Wat kan de ‘liefde’ voor een stad immers betekenen? Ik vind het een te antropomorfe en personalistische categorie, zeker als daarbij nog eens wordt gesproken over de ‘ziel’ van een stad. Als stedenbezoeker ben ik een ietsist. Steden zijn voor mij niet iets om ‘u’ tegen te zingen – tenzij in een romantiserende stemming of in een vlaag van projectiedrang – doch min of meer samenhangende verzamelingen van menselijke artefacten zonder zoiets als een ‘ziel’.

Uiteraard kun je bij het bezoek aan een stad in een gemoedsgesteldheid raken die bedrieglijk dicht in de buurt komt van ‘liefde’ en die erop lijkt te duiden dat er wel degelijk zoiets bestaat als een ‘ziel’, waardoor een stad je voor zich inneemt en charmeert.

Zo kun je bijvoorbeeld opgaan in de ‘sfeer’ van een stad en je daarin thuis voelen. Dat lukt vooral bij steden die een eigenheid hebben ontwikkeld en behouden, zonder dat ze die krampachtig conserveren, ensceneren en musealiseren – hetgeen een hele prestatie op het gebied van evenwichtskunst is. Amsterdam, Gent en Rome beheersen deze kunst bijvoorbeeld – voorbeelden van de onbalans kent iedereen (Venetië, Brugge, Florence).

‘Sfeer’ is echter iets anders dan een ‘ziel’ en het opgaan in die ‘sfeer’ zou ik echter niet als ‘liefde’ willen kwalificeren. Het is te zeer een gênant soort genieten van andermans nestgeur, een legitiem maar toch wat pervers genot

Je kunt je ook laten imponeren door de historische, culturele en monumentale rijkdom van een stad, die tastbaar en voelbaar aanwezig is – of anders op zijn minst in verhalen is opgeslagen en door vertellers wordt bezworen. Dit kan leiden tot een bovengemiddelde interesse, tot fascinatie.

Is een levend archief echter een ‘ziel’? En zijn fascinatie en gepassioneerde belangstelling hetzelfde als liefde? Er lijkt eerder sprake te zijn van een soort intellectuele veroveringsdrang, een zintuiglijke weetgierigheid, een onkuise kunstmin, een platoons vermomde hebzucht, waarvoor je bovendien veel moet betalen – letterlijk in de vorm van entreegelden en in overdrachtelijke zin door de hierboven al genoemde frustratie en vermoeidheid die het resultaat zijn van de overweldigende overvloed.

***

Wat betreft Wenen en mijzelf kan ik in elk geval niet zeggen dat er sprake is van ‘liefde’ en van de daardoor veronderstelde ‘ziel’. Uiteraard ervaar ik ‘couleur locale’ in overvloed en spreekt de stad boekdelen aan verhalen. (Dat laatste doet zij overigens alleen op voorwaarde dat je je tevoren in haar geschiedenis verdiept. Uit zichzelf geeft zij zich immers niet zo eenvoudig prijs. Ze is daarvoor te kuis gekleed, met de Ringstrasse als kuisheidsgordel waaraan meerdere generaties van kunstenaars en intellectuelen probeerden te ontsnappen. Juist deze preutsheid ten aanzien van haar identiteit lijkt haar eigenheid uit te maken!) In overdrachtelijke zin waart er bovendien zeker een genius loci door kerken, kelders en koffiehuizen. Dit alles intrigeert me – doch van een ‘ziel’ zou ik niet willen spreken (al betrapte u mij zojuist op enkele wel zeer antropomorfe metaforen) en evenmin van liefde mijnerzijds – laat staan wederzijds.

Misschien is de zoektocht naar de ‘ziel’ – los van het feit dat ze, op steden toegepast, een projectie en categoriefout is – bij uitstek in relatie tot Wenen niet de juiste manier om de stad te benaderen. Je moet bij Wenen misschien juist niet te diep graven, doch haar precies in haar oppervlakkigheid serieus nemen. Je moet een schaamteloze, microscopische belangstelling voor haar huid opbrengen. Juist op die huid vind je dan de sporen die, in hun ongelijksoortigheid en tegenstrijdigheid, tegenstribbelend een samenhang vormen en als zodanig Wenen maken tot wat zij is. Uit de duizenden details bouwt zich iets op wat je de identiteit van de stad zou kunnen noemen. En deze oefent, in haar ambivalentie, op mij wel degelijk een charmante, magische werking uit.

Nee, ik houd niet van Wenen. De stad betovert mij echter wel degelijk.

 

***

 

Hieronder een willekeurige greep uit de amateurfoto’s van Wenens huid, die ik afgelopen week nam. 1. Het wandreliëf in het metrostationsgebouw à la Otto Wagner aan de Kettenbrückengasse. 2. De hemel boven Wenen, gezien vanuit één van de vele binnenplaatsjes, hier achter het Grillparzerhaus aan de Johannesgasse. 3. Het plafond van Otto Wagners Kirche am Steinhof. 4. Een trappenhuis in het voormalige Ursulinenklooster, nu studentenhuisvesting, aan de Johannesgasse. 5. De alomtegenwoordigheid van het rookgenot, waarmee de horeca nog steeds soepel omgaat. 6. Een onhandig aangebracht affiche over de Schielecollectie in het Leopoldmuseum. 7. De Spittelberggasse: een nog maar ten dele door toeristen ontdekte stedelijke oase. 8. De brutaal-provocerende blik van een kruisdragende Jezus uit de Gemäldegalerie in het Kunsthistorische Museum. 9. Een verbluffend vooruitstrevend portret van ‘Sisi’ door de Ringstrassenstijlschilder Anton Romako.

weblog 2015 mei de huid van wenenweblog 2015 mei hemelweblog 2015 mei kirche am steinhofweblog 2015 mei trappenhuisweblog 2015 mei roken magweblog 2015 mei schiele doorkijkjeweblog 2015 mei spittelbergweblog 2015 mei stoere jezusAnton_Romako_004