Monthly Archives: april 2015

Religie kan niet zonder ironie.

Ter voorbereiding op een studiereis naar Wenen heb ik me afgelopen tijd een beetje verdiept in Friedrich (von) Schlegel. Aan hem wijdde ik de onderstaande column. Deze verschijnt dezer dagen op De Bezieling.

Om de paar generaties komt een opmerkelijk verschijnsel voor. Na een periode waarin kunstenaars en intellectuelen zich verwijderen van en afzetten tegen geloof en religie, zoekt een nieuwe generatie (of althans een deel ervan) weer toenadering tot deze twee. Geloof en religie worden niet meer gezien als iets primitiefs en vulgairs, doch juist als bronnen van glans en schoonheid en diepgang. Daardoor ontstaat een bekeringsgolf onder de elite.

Ook de romantiek (de tijd rond 1800) kende dit verschijnsel. Een bekend voorbeeld was Friedrich (von) Schlegel (1772-1829). Dit boegbeeld van de Duitse romantiek verbond wetenschap, wijsbegeerte en kunst met elkaar – waarbij hij op al die terreinen de state of the art kende en als multitalent het imago doorbrak van de romantici als weliswaar briljante, maar vooral stuurloze dromers en dwepers.

De rusteloze Schlegel zocht, zoals aangeduid, op het eind van zijn leven zijn heil bij het katholicisme. Tot op de dag van vandaag betreuren velen de bekering van Schlegel en zijn zendingsdrang. Zijn denken kreeg iets fanatieks, eendimensionaals en absoluuts, terwijl het tot dan toe gekenmerkt was geweest door veelkleurigheid en veelzijdigheid. Dat laatste hing samen met een begrip waarop Schlegel een groot stempel drukte: de romantische ironie.

Deze woordcombinatie zal verbazing oproepen. Met romantiek associëren wij dweepzieke, zwaar op de hand zijnde mannen die gezeten aan vijvertjes bij volle maan rijkelijk tranen plengen. Wat heeft romantiek dan in godsnaam te maken met ironie? Misschien heeft deze verbazing te maken met een bepaald beeld van de romantiek, want, zoals gezegd, de romantiek was meer dan een gedachteloos zwelgen in gevoelens.

Vooral onze moderne opvatting van ironie lijkt ons echter parten te spelen. Bij ironie denken we immers spontaan aan een vrijblijvende en geblaseerde houding, aan een scepsis die overal vraagtekens bij plaatst. Bij Schlegel is ironie eerder verwant met de positieve houding die Thomas Mann ‘welwillende twijfel’ noemde: een houding die zelfs aan het ongelofelijke het voordeel van de twijfel geeft. Zijn ironie lijkt op de ‘verwondering’ van Cornelis Verhoeven: op de bereidheid van het denken om zichzelf voortdurend te (laten) verrassen en te verbazen, op de bereidheid om ieder bereikt eindpunt van het denken te beschouwen als het beginpunt van nieuwe vragen, op het vermogen om alles steeds weer vanuit een andere gezichtshoek te bekijken en ten slotte op het nederige besef dat niemand de waarheid in pacht heeft.

Bij Schlegel is niets alleen maar wat het lijkt. Iets verwijst altijd naar het andere en vreemde, naar datgene wat erin schuilgaat of naar wat dit iets juist overstijgt. Daardoor komt er nooit een einde aan het denken en dichten. Daarom is denken en dichten ook een kwestie van dialoog, van het naast elkaar leggen van zienswijzen. Daarom ook zijn de verschillende, elkaar aanvullende manieren om de werkelijkheid te benaderen onontbeerlijk: de poëzie, het denken, de moraal, de religie. Een mens heeft meerdere lichtbronnen nodig. Om deze rijke en complexe opvatting van ironie als meerdimensionaliteit gaat het bij de romanticus.

Tegen deze achtergrond roept het feit, dat Schlegel op het einde van zijn loopbaan zo verbeten katholiek werd, inderdaad ontzetting op. Waar was de ironicus gebleven? Schijn bedriegt. De ‘late Schlegel’ was geen eendimensionale fanaticus. Juist in zijn katholieke fase schreef hij brandend actuele zinnen als: “Zonder poëzie wordt de religie duister en vals en boosaardig. Zonder filosofie wordt zij losbandig en keert zij zich tegen zichzelf.” “In een religie zonder moraal komen kwade krachten in de mens naar boven.” Met andere woorden: de religie is niet iets absoluuts. Ook zij heeft het ironische samenspel nodig met andere krachten. Alleen als zij zichzelf niet voor vol aanziet, is de religie serieus te nemen.

Beter dan niets

Mijn werk en mijn levenswijze brengen regelmatig een reisje met zich mee. Nu behelzen de reizen in kwestie veelal slechts een bescheiden verplaatsing binnen de weinig spectaculaire Rijn-Maas-Scheldedelta, waarbij het grootste avontuur bestaat in het overschrijden van zegge en schrijve één taalgrens en twee waterscheidingen. Ook binnen deze beperkte radius bestaat echter voldoende cultureel en historisch erfgoed om wakker te liggen van de snode plannen van de aanhangers van IS – met hun IQ vergelijkbaar met dat van een anencefaliete boomkikker – om de sloophamer te zetten in alles wat (normale) mensen dierbaar is. Een paar staaltjes van deze deltacultuur mocht ik de afgelopen weken bekijken. In dit luchtige (het was weer eens tijd, nietwaar?) logje maak ik u graag deelgenoot daarvan.

Zo bracht ik met mijn bestuur in de Goede Week enkele bezinningsdagen door in een pareltje van middeleeuwse bouwkunst: het voormalige kruisherenkloostertje Ehrenstein in Neustadt Wied (D). Beschut gelegen in een bocht van een snel stromend riviertje, is dit kleine doch kloeke bouwwerkje nauwelijks gespaard gebleven voor vandalisme, maar als geheel toch intact gebleven. (De burcht ernaast viel een droever lot den deel.) De dikke muren laten geen normale telefoonverbinding door. Gelukkig heeft men echter sinds kort Wifi ingevoerd – iets waarvoor de op het gebied van privacy (begrijpelijk) paranoïde Duitsers zichzelf nog altijd moeten overwinnen. Hoe dan ook: onder de gotische gewelfjes was het goed vergaderen – behalve voor die ene deelnemer die op dat moment door een voorbijgaande oorontsteking slechthorend was en van de galm niet echt gediend was.

Kloster Ehrenstein (Neustadt Wied, D)

Kloster Ehrenstein (Neustadt Wied, D)

Met Pasen was ik thuis in het cultureel niet echt rijk bedeelde Oost-Brabant. Gelukkig is vanuit Eindhoven het moerassige, respectievelijk zanderige landschap van Kempen en Peel goed te bereiken – en dus ook het door Vincent van Gogh zo bewonderde ingetogen boerenland rond Nuenen. Dit plaatsje weet zich te verheugen in het frequente bezoek van Aziaten, boekenclubdames en andere exoten die graag even op de foto willen met de nazaten van de aardappeleters. Als je goed kijkt herken je in de houdoe-roepende cafébezoekers en –bedienden inderdaad nog de knokige fysiognomie van de familie De Groot, die model stond voor het wereldberoemde schilderij van de Brabantse zetmeelgourmetters.

Bij de Collse Watermolen op de grens van Eindhoven en Nuenen

Bij de Collse Watermolen op de grens van Eindhoven en Nuenen

Tot mijn grote vreugde mocht ik in de week na Pasen de grote rivieren oversteken om te genieten van de opbloeiende en opbeurende lente in Delft, waar ik een goede vriendin en collega bezocht. Wat is mooier dan de prille bloesem in de Choorstraat van deze plaats, waar het hart van iedere oprechte Nederland sneller klopt – al is het maar ter compensatie van de eeuwig zwijgende harten van de Oranje’s in de crypte van de Nieuwe Kerk? Antonpieckeriger kan het niet – behalve bij een witte kerst uiteraard.

Bloesem in de Delftse Choorstraat

Bloesem in de Delftse Choorstraat

Niet lang daarna bezocht ik Oosterhout, één van die weinige Brabantse plaatsen waar middeleeuwse architectuur nog overeind is gebleven  – zij het dan dat de roomse betweter Cuypers heeft gemeend de kerk op te leuken met gebruikmaking van die grauwe arbeiderswijkenbaksteen waarmee het stedelijk landschap in Nederland rond 1900 werd vergeven. (Intussen hoort ook de neogotische schandvlek tot ons wat mij betreft in beginsel onaantastbare erfgoed, maar als ik zou moeten kiezen zou ik bereidwillig het merendeel van deze pseudo-historische oppimperij opofferen, als ik daarmee het aan de IS-debielen ten prooi vallende Assyrische cultuurgoed zou kunnen redden.)  Overigens heeft de plaatselijke cleresie een omslachtige wijze van formuleren om kerkgangers de toegang tot de sacristie te ontzeggen…

Sint-Jansbasiliek in Oosterhout (NB, NL)

Sint-Jansbasiliek in Oosterhout (NB, NL)

Welkomstgroet aan de sacristiedeur in Udenhout

Welkomstgroet aan de sacristiedeur in Oosterhout

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het was op deze dag dat ik ook genoot van de magnolia’s, die overal rillerig stonden te bloeien, zoals in Udenhout. Hier stuitte ik tijdens een koffiestop ook op een bronzen sculptuur, die onmiskenbaar stamde uit een vroege periode van het oeuvre van mijn zwager Niko de Wit en die door de degelijke Brabantse dorpskernbestuurders zo zorgvuldig aan het oog wordt onttrokken door heesters en hagen, bankjes en vlaggenmasten. Dat laatste lukt in elk geval niet met het rooms-stalinistische bouwwerk van Vincentius in Udenhout, een staaltje van bizarre folly-architectuur, dat hopelijk voor de vele generaties bewoners niet alleen beladen herinneringen bergt en oproept. Liefhebbers van de Amsterdamse school kunnen er in elk geval hun hart ophalen.

Magnolia's in de historische kern van Udenhout (NB/NL)

Magnolia’s in de historische kern van Udenhout (NB/NL)

Werk van Niko de Wit naast het voormalige raadhuis in Udenhout (NB/NL)

Werk van Niko de Wit naast het voormalige raadhuis in Udenhout (NB/NL)

Het gebouw van Vincentius in Udenhout (NB/NL)

Het gebouw van Vincentius in Udenhout (NB/NL)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nee, ik behoor niet tot de gelukkigen die dagelijks getuige (kunnen) zijn van schijnbare gewichtloze architectuur en zondoorschenen fresco’s. Mijn deel van de wereld is geen Toscane. Gelukkig echter zijn er wat schamele kruimels van de rijke disk van de tafel der beschaving gevallen, die ons, noordelijke deltabewoners, herinneren aan de verheven bestemming van de menselijke soort. Dat is beter dan niets. Het stemt mij dankbaar en hoopvol.

En het motiveert bij het maken van vakantieplannen.

Wij zijn zelf de geschiedenis.

Nadat hij met toenemende zichtbare tegenzin het laatste seizoen van Pauw & Witteman had uitgediend en hij tot zijn eigen en ons aller opluchting was gestopt met dit onwennige televisiehuwelijk, keerde Paul Witteman onlangs terug met Podium Witteman. Het is een verademing. In dit programma is Witteman merkbaar meer in zijn element. Hij geniet – en wij met hem. De knorrepot is opgeknapt en de stemming in huis daardoor verbeterd.

Met zijn nieuwe programma lijkt Witteman aan te willen tonen, dat je met een voorkeur voor klassieke muziek best oud kunt worden – of beter nog: dat je als jongere niet hoeft te vrezen dat de liefde voor klassieke muziek je kansen op de arbeids- of huwelijksmarkt verkleint. Klassiek is sexy, zo luidt de boodschap van Wittemans nieuwe zondagavondborrelprogramma, een boodschap die ook wordt uitgedragen door producties als Maestro en De Tiende Van Tijl.

Onlangs had Witteman het echter moeilijk. Hij had de klassieke-muziek-nerd bij uitstek te gast: Ed Spanjaard. De aanleiding bestond in het feit de componist en dirigent Pierre Boulez dit jaar zijn negentigste verjaardag viert. En Spanjaard is een trouwe en ingewijde vertolker van het werk van Boulez in het bijzonder en een compromisloze pleitbezorger van de muzikale stroming waarvan Boulez het boegbeeld is, in het algemeen. Vergeleken bij Spanjaards door en door ernstige en academische aura is de shagrollende Reinbert de Leeuw, die steeds minder dogmatisch wordt in zijn muzikale voorkeuren, een muzikale losbol en een toonbeeld van frivoliteit.

De deftige dirigent liet zich dan ook niet van de wijs brengen door Witteman, toen deze durfde te opperen dat de Boulez bekendheid op den duur wellicht toch beperkt blijft tot een handvol ingewijden. Onbewogen legde Spanjaard deze onheilsprofetie naast zich neer en zei hij dat mensen gewoon beter moeten luisteren. Het klonk beslist niet hautain of neerbuigend. Spanjaard bracht het eerder met de argeloosheid en onbevangenheid van iemand die reeds in het zwembad is gesprongen en ons, die aan de kant staan, toeroept dat het water best lekker is als je er eenmaal in ronddobbert.

Wat bij Spanjaard, met zijn uitstraling van verstrooide professor, nog sympathiek overkomt, dat kan wel degelijk irriteren bij de grote muziekvernieuwers van de 20e eeuw, van wie Boulez er één is. Boulez staat in de traditie van Schönberg en Adorno. Hij hoort tot een muzikale stroming die meent te weten wat ‘De Geschiedenis’ wil met de muziek. Componisten en musicologen van deze beweging hebben altijd wat neergekeken op – of in elk geval opgekeken van – collega’s die de geschiedenis maar niet wilden begrijpen en die anders dan zij trouw bleven aan de overgeleverde klank- en vormentaal. De muziek van de voorvaderen: je kunt ervan leren en je kunt die zelfs blijven uitvoeren (hetgeen Boulez ook deed en doet). Maar hun taal blijven spreken: dat is passé. Zo lijkt het credo te zijn.

Hoe boeiend en – jazeker! – mooi ik de muziek van Schönberg, Berg en andere Boulez-idolen ook vind: het gaat er bij mij niet in, dat met hun Nieuwe Testament het Oude heeft afgedaan. De muziek van het Oude Testament mag wat mij betreft niet alleen nog steeds worden uitgevoerd, maar bovendien ook worden nagevolgd. Ook Sibelius, Prokofjev of de late Henze horen bij het ‘levensgevoel’ van hun tijd – en bij wijlen zelfs de politieke schuinsmarcheerder Richard Strauss of de dramaqueen Sjostakovitsj.

Zoals ik moeite heb met theologische, kerkelijke en spirituele vernieuwers die ons toeroepen dat door hen, met hen en in hen een niet te overtreffen tijdperk is aangebroken: zo heb ik moeite met de evangelisten van het Nieuwe Verbond in de kunst. Wij hoeven in geloof noch kunst angstvallig en kruiperig te luisteren naar wat De Geschiedenis hier en nu tot en door ons wil zeggen – om ons dan tot spreekbuis daarvan te maken. Wij zijn – om vrijmoedig Augustinus aan te halen – zelf de tijden. En wat wij zeggen en zingen, is wat de tijd zegt en zingt, met al de veelstemmigheid van dien.

***

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

De afbeelding is een detail van Anton Schönbergs Zelfportret in bruin.

 

God gaat kapot aan mensen.

Ondanks het triomfantelijke ‘hoera-we-mogen-weer-onbekommerd-geloven’-positivisme dat momenteel de kerken en de christelijke media doordrenkt, blijf ik een verstokt negatief theoloog van de oude stempel. Ik word het zelfs steeds meer, omdat ik vrees dat we ermee doorgaan god levend te begraven, hem te bedelven onder een stortvloed van woorden en beelden waaronder hij een zekere verstikkingsdood sterft.

Ik doel nu eens niet op die retrograde rechtzinnigen of verkalkte kardinalen over wie wij, onszelf weldenkend achtende vooruitstrevers, zo licht de staf breken. Natuurlijk hebben we als vrijzinnigen gelijk, voor zover we bij de hardleerse behoudzuchtigen het onvermogen aan de kaak stellen om te twijfelen en als we daar tegenover het besef levend houden dat niemand de waarheid in pacht heeft. Dit gelijk duurt echter slechts zolang we niet berusten in dit besef, doch blijven zoeken tegen beter weten in.

En hier gaat iets mis.

De reden om vrijzinnig en progressief te zijn bestaat er voor mij namelijk in, dat ik de open wond van het niet kunnen weten en vatten pijnlijk open wil laten, dat ik mij uit mijn slaap laat houden door de ongeneeslijkheid van mijn waarheidsdrang, dat ik mezelf de Sisyphus-arbeid wil aandoen om te blijven zoeken naar datgene wat me steeds zal ontglippen. Wij vrijzinnigen en progressieven hebben gelijk, voor zover we iedereen (onszelf incluis) in het ongelijk stellen omdat er geen vergelijk mogelijk is met het ijkpunt dat in het oneindige ligt en voor zover we tegelijk het gelijk en de begeerlijkheid erkennen van diegene die dat ijkpunt is.

Het pijnlijke en gênante is nu, dat wij vooruitstrevers vaak halverwege ophouden met ons vooruitgestreef. Moedeloos geworden door het uitzicht op de eindeloze weg die voor ons ligt, proberen we die weg af te snijden. We slaan dan bijvoorbeeld het idyllische pad van de esoterie in, om ons te vermeien in een Anton-Pieck-achtig religieus sprookjesbos.

Of we koesteren de illusie dat we de traditie zolang kunnen afpellen tot we terechtkomen bij de een vermeend oergegeven, een oorspronkelijke kern – of die nu bestaat in een zogenaamd van dogmatische sluiers ontdane Jezus of in het inzicht dat hij een constructie was. – Dat de traditie eerder lijkt op de spreekwoordelijke ui, waarbij je laag na laag afpelt totdat je uitkomt bij … het niets: dat besef gaat er bij ons dan niet in.

Of we kiezen – als laatste rouwtherapeutisch redmiddel – voor een stoïcijnse pose, een zelfgenoegzaam ‘weet-ik-veel ‘– dat we uitgeven als heroïsch agnosticisme. Als al zoiets bestaat als waarheid, heeft ieder zijn of haar eigen waarheid – aldus de theologische vakkenvuller die uitgaat van het devies “Elck wat wils”.

Het is natuurlijk menselijk: die behoefte om voortijdig tot een vergelijk te komen met het oneindig ver verwijderde doel van onze zoektocht; de neiging om dit doel door middel van luchtspiegelingen binnen de heksenkring van onze menselijke horizon en binnen ons handbereik te willen brengen; de verleiding om het heilige te willen bezweren – of juist verongelijkt af te zweren. Het uit zich echter echter allemaal in tenenkrommend theologisch geklungel en armetierig ritueel geknutsel – waarbij vergeleken de starre dogma’s en riten van de voorvaderen een toonbeeld van intellectuele en esthetische zindelijkheid zijn. Het is in zijn vergeefsheid en zelfbedrog te aandoenlijk en te meelijkwekkend om er het grote woord heiligschennis op toe te passen: het Heilige laat zich niet zo makkelijk schenden. Maar met onze goed bedoelde creativiteit bedelven we het eerder dan dat we toegankelijk en bereikbaar maken.

In die zin vind ik het een verademing dat er in het kerkelijk jaar een nulpunt bestaat, een herstelpunt waarop we, als we ervoor open staan, worden uitgenodigd om op onze religieuze neus te kijken: Goede Vrijdag. Op deze dag laat god zich doelbewust wegcijferen en uitsluiten. Het experiment van een menselijke god blijkt een doodlopend spoor. God gaat kapot aan de mensen. Hun geknoei met geloof en religie heeft onherstelbare gevolgen. God verlaat de mensen en trekt zich terug in zijn oneindige verschiet. Zelfs het graf van goed bedoelde mooie woorden laat hij desolaat achter.

God verdwijnt – en geeft ons de tijd als zijn plaatsvervanger. Die tijd is gevuld met zijn geduld en vergt van ons geduld: een geduld dat de zelfgenoegzame rechtzinnige en de gemakzuchtige vrijzinnige in ons slechts met de grootste moeite kan opbrengen.