Monthly Archives: maart 2015

Liefdesverdriet

De laatste weken was ze stil geweest en onbenaderbaar. Thuis gekomen van school maakte ze niet meer de omweg door de keuken, waar hij zijn krant zat te lezen, om met aandoenlijke theatraliteit haar hart te luchten over de dagelijkse ups en downs. Ze beende nu rechtstreeks de trap op, naar haar eigen kamer. Ze sloot de deur dan vervolgens met een dergelijke nadrukkelijkheid, dat er een onzichtbaar pantser vóór hing. Hij hoedde zich ervoor, dat te willen doorbreken. Ook als ze ’s avonds aan tafel zat, leek er van haar zielsverlaten ogen een stilzwijgend, stellig verbod uit te gaan: het verbod om haar aan te spreken op andere dan alledaagse zaken zoals de was en de dienstregeling van de bus.

Diagnose: liefdesverdriet. Zijn hart kromp ineen – maar hij vermande zich. Sinds Sonja veertien was, had hij min of meer gewacht op dit fenomeen. Het hoorde erbij, hield hij zichzelf met krampachtige luchtigheid voor. In zijn puberteit was ook hij vaak gekweld door kansloze verliefdheden. Daar moest zij op haar beurt nu doorheen – en het zou haar lukken. Niettemin had hij haar zo graag ervoor behoed. Het liefst nog had hij de anonieme jongen die schuldig was aan zoveel ontreddering eigenhandig de oren van het hoofd getrokken.

***

Enkele dagen voor de reis was ze opeens uit haar schulp gekropen en was haar stemming als bij toverslag omgeslagen in euforie. De schimmige boosdoener op de achtergrond van haar drama kreeg nu ook een naam en een gezicht. Thomas, zo heette hij, zag haar sinds kort helemaal zitten. Tot overmaat van geluk zou hij ook meegaan naar Barcelona. De uitwisselingsreis zou een wittebroodsweek worden. Ze was de koninginnen van alle goed aflopende sprookjes te rijk.

Als vader probeerde hij haar geluk te delen, maar dat kon hij slechts knarsetandend opbrengen . Zijn gevoel van opluchting en vreugde was halfslachtig. Hij bleef zijn hart vasthouden. Als er ook maar één krasje op haar ziel kwam, zou Thomas daarvoor branden in de hel, beloofde hij zichzelf in het melodrama van zijn innerlijke dialogen.

Hij hoopte dat hij deze waarschuwing duidelijk genoeg neerlegde in de handdruk die hij de jongen gaf bij het afscheid op Düsseldorf – nadat hij tijdens de omarming van zijn dochter had gemerkt dat hij voortaan een andere Sonja zou omhelzen, een Sonja die niet meer van hem alleen was.

***

Toen op maandag 23 maart, op de avond voor haar terugreis, dat wanhopige telefoontje kwam uit Barcelona en hij uit haar eerste snikken al opmaakte dat Thomas haar ziel aan diggelen had geslagen, betrapte hij zichzelf beschaamd op een triomfantelijk gevoel. Triomfantelijk was misschien het juiste woord niet. Het was eerder het bitterzoete geluksgevoel over het feit dat zijn rol van vaderlijke vriend niet was uitgespeeld. Dit verdrong de woede, waartoe hij zich een dikke week geleden nog in staat had geacht.

Hij probeerde haar te troosten met het vooruitzicht van een middagje shoppen in Düsseldorf, na de landing , en met andere hartverwarmend bedoelde beloftes. Deze ketsten echter af op de granieten muur van haar wanhopige verdriet. De clichés, waarvan vaders zich nu eenmaal bedienen bij het liefdesverdriet van hun kinderen, smaakten in zijn eigen mond bedorven. ‘De wereld vergaat niet, meisje!’ hoorde hij zichzelf bijvoorbeeld opdreunen, bij gebrek aan betere woorden.

***

‘De wereld vergaat niet, meisje.’ Hij herhaalde het meermalen in het denkbeeldig gesprek dat hij met haar voerde, toen hij op dinsdag 24 maart achter het stuur zat van zijn auto, op weg naar het vliegveld om haar op te halen. ‘De wereld vergaat niet. Echt niet.’ Zo repeteerde hij, alsof hij in haar plaats zichzelf moed in sprak.

Toen klonk uit zijn autoradio dat bericht. Zijn inwendige dialoog kwam abrupt tot stilstand – niet met een schok, maar zo banaal en geruisloos als een radioverbinding die uitvalt. De rijdende auto leek stil te staan in een wereld die onverschillig aan hem voorbij raasde. Het geluid van de  automotor leek van ver te komen, als het geronk van een vliegtuig. Op de automatische piloot van zijn kleine hersenen wist hij de auto aan de kant van de weg te zetten.

Zijn wereld was vergaan. Om 10.40 uur, in de Franse Alpen.

Taboes, principes en levende lichamen

“Durft iemand serieus te betwijfelen dat zij, die hun eigen lichaam in het verderf storten, zichzelf verduisteren? Dat zij die de levenden schenden even slecht zijn als zij die de doden schenden? En dat het lichaam evenveel betekent als de ziel? En als dat lichaam niet zelf de ziel zou zijn: wat is dan überhaupt die ziel?”

Walt Whitman, ‘I sing the body electric’

 

Kunst maakt en breekt. Kunst bouwt op en breekt af. Kunst heelt en krenkt. Kunst troost en kwelt.

Het krenkende karakter van kunst vormde eeuwenlang de aanleiding om haar onder bewaking te plaatsen. Dit moedigde op zijn beurt de kunstenaars aan, om nog verder te gaan in hun provocaties. Uiteindelijk ging de provocerende rol zelfs horen tot de kern van het kunstenaarschap. De kunstenaar verstond zichzelf als pestkop. Baldadigheid werd heroïek.

In de rol van treiteraar is kunst cruciaal voor de mentale volksgezondheid. Ze stelt onze verdraagzaamheid op de proef en versterkt de weerstand tegen zogenaamde beledigingen. Zo ontwikkelen we een tegengif tegen het syndroom van de gekwetstheid. Niettemin zijn er altijd mensen bij wie dit niet werkt. Ze verdedigen hun gevoelige plekken, tere zeden en heilige huisjes tegen wat zij beschouwen als artistieke agressie. Ze nemen het zelfs plaatsvervangend op voor hun god. Alsof die niet tegen een stootje kan. Die neemt het heus wel voor zichzelf op.

Als de verdedigers van goden en gevoeligheden, van zeden en goede smaak in het geweer komen – met middelen die variëren van censuur tot geweld – mobiliseert dat op zijn beurt een andere militie: de strijders voor de vrijheid. In hun ogen is de vrijheid van meningsuiting het doelwit geworden van een aanval. Ze moet daarom met hand en tand worden verdedigd. Mensenrechten en principes van humaniteit moeten worden beschermd tegen degenen die namens hun god naar de wapens grijpen.

Bij deze voorvechters van de vrijheid ligt mijn hart, zeker als de zich aan god opdringende vriendjes gewelddadig worden – zoals bij de aanslagen in Parijs en Kopenhagen. Er is immers sprake van een ongelijke strijd. Godenrechten zijn veerkrachtig en weerbaar. Religie is onuitroeibaar. Mensenrechten daarentegen staan altijd op het spel en zijn breekbaar en broos. Bovendien zijn Gods struikrovers onkwetsbaar. Ze zijn immers bereid hun leven te geven. Er is geen rem op en geen grens aan het geweld dat ze bereid zijn om in te zetten. Mensenrechtenvrienden zijn echter ridderlijk en beschikken over een gezonde zucht naar zelfbehoud en een heilzame dosis voorzichtigheid.

Toch mis ik in de retoriek van de vrijheidsstrijders anno 2015 iets wezenlijks. Voor wie toekijkt vanaf een afstand lijkt het alsof hier twee abstracte zaken tegenover elkaar staan: enerzijds de religieuze taboes en anderzijds de humane principes. Ten overvloede: als mij het mes op de keel wordt gezet en als mij wordt gevraagd om kleur te bekennen, zal ik mij scharen onder de humanisten. Desnoods zwaai ik met een potlood (als ik dat nog ergens kan vinden) en trek ik een lange neus naar kruisen en maansikkels. Maar gaat het daar ten diepste om?

In de strijd met gods fanatieke messentrekkers staat voor mij ten diepste iets anders op het spel. Datgene wat in de eerste plaats is aangevallen, is niet een principe, niet de vrijheid van meningsuiting of wat dan ook. Wat in de eerste plaats is aangevallen, is het recht van mensen om te leven. Nauwkeuriger: het leven zelf, in zijn lichamelijke concreetheid is het mikpunt. Het doelwit van gods eigen maffiosi, die hun eigen lichaam veil hebben met het oog op het heil van hun ziel – dat doelwit is geen recht of een beginsel. Het zijn de levende lichamen van andere mensen.

Heiliger dan alle religieuze taboes en humane principes zijn mij deze bezielde lichamen, waarop de alleshaters het hebben gemunt: deze levende lichamen die de ziel zijn. Deze lichamen van vlees en bloed die zich niet laten symboliseren – niet door potloden en niet door religieuze symbolen – maar die hun eigen symbool zijn.

Over de aanval op deze lichamen dient de verontwaardiging te gaan.

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.