Monthly Archives: februari 2015

Onze erfvijand: de vergankelijkheid

Er zijn drie ervaringen die erg veel op elkaar lijken: het bezichtigen van een middeleeuwse kathedraal, het wandelen door een herfstbos en jezelf aankijken in de spiegel als je de dertig bent gepasseerd. De kathedraal, het herfstbos en de aftakeling in ons gelaat: ze tonen ons alle drie een stoer standhouden in een uiteindelijk niet te vertragen proces van verval. Ze zijn getuigenissen van een even dappere als vergeefse standvastigheid in de strijd tegen de vergankelijkheid. Bij het betasten van de zwaartillende, verweerde zuilen, bij het opkijken naar de kalende, rijzige bomen en bij het waarnemen van de vonk van levenskracht in onze vermoeide ogen ondergaan we daarom een mengsel van ontzag, weemoed en onderdrukte angst voor de dood.

Ik sluit niet uit dat het als derde genoemde bestanddeel van deze melange – de angst voor de dood – hiervan de kern vormt. De andere twee gemoedsgesteldheden zijn vooral bedoeld om dit beklemmende gevoel draaglijk te maken. Ontzag en weemoed zijn immers paradoxale compromisgevoelens. Wie ontzag voelt, ondergaat op één en hetzelfde moment de eigen kleinheid en breekbaarheid (weerspiegeld in de patina van de ouderdom, de vallende bladeren en de verslappende huid) en het verlof om deel te nemen aan het grotere en sterkere (de pilaren, de boomstammen, de glans van levenskracht in onze ogen). En weemoed heeft de spreekwoordelijke bitterzoete smaak van het aanvaarde verlies. Met deze paradoxen van ontzag en weemoed menen we, zo vermoed ik, de angst voor de dood te slim af te zijn. We kapselen deze in. Ze mag er zijn, ja: we erkennen haar onweerlegbare recht van spreken – maar we dempen haar.

Esthetiek van de vergankelijkheid

Op deze manier is de esthetiek van de vergankelijkheid ontstaan. De ouderdom van het kerkgebouw heeft adel; de aftakeling van het herfstbos levert een gouden gloed op; de rimpels in ons gezicht bergen herinneringen en spreken boekdelen van wijsheid. Ook oude glorie is glorie – zo roepen we tegen de tegenwind uit het noorden in.

Dit is ten diepste preken voor eigen parochie. Naarmate we ouder worden en de dood om ons huis horen sluipen, zeggen we steeds vaker en harder tegen onszelf (en tegen degenen die met ons ouder worden) hoeveel schoonheid er schuilgaat in ons verschralende gelaat. Levenskunstgoeroes doen bovendien goede zaken met boekjes, spreukenkalenders en cursusprogramma’s die ons leren om in schoonheid oud te worden.

Intussen knaagt de vergankelijkheid onmerkbaar maar zeker aan onze levensdraad. Soms wordt de realiteit ons te machtig. In de eenzaamheid van slapeloze nachten – als we verkeren in de meedogenloos fel verlichte kale kelder van ons mens zijn – denken we aan de dood en zien we onder ogen, hoe hij ons stukje bij beetje berooft van onze krachten en vermogens, onze tijd en onze kansen, onze geliefden en onze helden. Daar is niets glorieus aan.

Onze erfvijand

Laten we eerlijk zijn: de vergankelijkheid is onze erfvijand. Sinds wij mensen op twee benen zijn gaan lopen, sinds het vuur van het zelfbewustzijn in ons is ontstoken, staan we op voet van oorlog met de sterfelijkheid. Wetenschap, moraal en kunst, het werken aan het ware, goede en schone, kortom de cultuur: het is niets anders dan het inpolderen van ons bestaan, dan het strijden tegen het telkens weer wassende water van de dood. Ook de religie is niet meer dan een laatste troef in dit gevecht.

Natuurlijk: deze strijd is tragisch. En ze heeft uitwassen, zoals de verheerlijking van het eeuwige jong zijn in de popcultuur en de massamedia. De romantisering of domesticatie van de vergankelijkheid is echter evenzeer sneu en meelijwekkend in haar masochisme. De genoemde levenskunstindustrie produceert evenveel kitsch als de glamour-cult rond de onvergankelijke jeugd. Uiteindelijk zouden we allemaal willen geloven in de Fontein van de Eeuwige Jeugd – en vervloeken we het afbrokkelen van de stenen in onze kathedralen, de schimmels in het herfstbos en de schilfers en wratjes op ons ouder wordende gezicht.

Hoogmoed of haast? Over Faust bij Goethe en Lessing

Doordat ik de verleiding niet kon weerstaan, ga ik dit voorjaar beginnen met een leescursus over de Faust van J.W. von Goethe. Nu heb ik met Goethe een haat-liefde-verhouding. Dat heeft vooral te maken met zijn bijwijlen opgeklopte tuttig-esoterische levensleer. De perfecte taalbeheersing wint het echter toch telkenmale. (Diepgang zit bij kunstenaars wel vaker meer in de vorm dan in de inhoud.) Wie de Faust gaat lezen, zal dan ook vanzelf worden gedragen en meegenomen door  de muzikaliteit van de taal. De tijd zal voorbij vliegen.

Anderzijds zal de lezeres of lezer veel geduld en zitvlees moeten mee- en opbrengen. Dat begint al met de drie poëtische inleidingen waar de lezer doorheen moet, vooraleer hij of zij bij ‘des Pudels Kern’ terecht komt. Het zijn als het ware drie kerkportalen die je voorbereiden op de verwarrend gewijd-profane sfeer en de kleurrijke pracht van het totaalkunstwerk.

Spijt van een jeugdzonde?

De inleidende bespiegelingen hebben ook de functie van een verantwoording. Toen Goethe op rijpe leeftijd begon te werken aan datgene wat we nu kennen als de Fausttragedie (in twee delen), hernam hij namelijk een jeugdwerk: de ongeslepen diamant van de Urfaust, geschreven in zijn wilde ‘Sturm-und-Drang’-jaren’. In zijn inleidende woorden zinspeelt de auteur op deze omstandigheid.

In één van drie inleidingen – het Voorspel op het theater – pleit de daar ten tonele gevoerde ‘dichter’ er bijvoorbeeld voor, dat kunstwerken soms een tijdje moeten rijpen vooraleer zij definitief het daglicht zien. De dichter geeft immers de voorkeur aan ‘lieflijk dwalen’ in plaats van het trekken van sprintjes – zoals de ‘nar’ zal beamen. Had Goethe spijt van de jeugdige ‘turboversie’ van zijn Faust en legde hij daarom deze woorden in de mond van de dichter?  Of herkende hij zich toch meer in de ‘theaterdirecteur’ die het publiek bij de lurven wil pakken en daarbij niet terugschrikt voor special effects en gehaaide commerciële timing?

Waarschijnlijk woonden beide zielen in Goethes borst. Hij was immers zowel vrije kunstenaar als gebonden lid van de bestuurlijke elite – en een man met kunst-economisch instinct. Wie weet heeft van deze spanning, leest het ‘voorspel’ als een interessante dialoog over het wat modieus geworden thema van de ‘kairos’, de ‘juiste tijd’. Alles draait hier om geduld en timing.

Hoogmoed of haast?

Ook G.E. Lessing, een oudere tijdgenoot van Goethe, heeft zich beziggehouden met de Faustthematiek. Uit de schamele fragmenten die zijn overgebleven van dit onvoltooide werk blijkt, dat Lessing in zijn versie de ‘tijd’ als centraal onderwerp aan de orde wilde stellen – en niet bijvoorbeeld de hoogmoed van de jacht naar kennis. De misstap die Faust beging, bestond er volgens Lessing in dat hij op zijn zoektocht naar de kennis (een oogmerk waarover de verlichtingsdenker Lessing op zichzelf alleen maar lof kon hebben) de snelste en kortste weg wilde bewandelen. Hij riep namelijk die demon aan, die een kampioen was in snelheid. Fausts ‘zonde’ was dat hij de hulp van ‘snelle jongens’ inschakelde en van de wijsheid een plofkip maakte. Niet de hoogmoed, doch de haast was zijn valkuil.

Faust had, met andere woorden, niet de les geleerd, die ligt vervat in Lessings eigen werkje De opvoeding van het menselijk geslacht. Faust ontbeerde het besef dat kennis en wijsheid tot stand komen langs de vele omzwervingen van het collectief en de enkeling – en dus tijd nodig heeft, zo nodig eeuwen. Wie kennis en wijsheid wil forceren en in zijn eigen richting wil opjagen maakt zich schuldig aan ‘dweepzucht’ – wij zouden zeggen: fanatisme.

Haast u langzaam

Dichters en denkers hebben makkelijk praten. Diplomaten en politici, ondernemers en professionals, opvoeders en vrienden: zij staan geregeld voor keuzesituaties die om een snel antwoord vragen. ‘Lieflijk dwalen’ is dan een luxe die men zich niet kan veroorloven. Toch zou het goed zijn als men vaker zou beseffen dat dadendrang geen doel in zichzelf is. Hopelijk zijn degenen, in wier handen op dit moment het lot van Europa’s de economische en politieke stabiliteit ligt (om maar een voorbeeld te noemen), in staat en bereid om van zichzelf tijd te kopen en kunnen zij de paradox opbrengen van ‘bedachtzame vaart’ – om het te formuleren in de verzoenende woorden van de ‘nar’ in het Voorspel.

Taal is geen uitdrukkingsmiddel doch een permanente indruk van buitenaf.

 

 

 

 

“Ik leefde in betovering, gekerkerd in een lichaam

en in de deemoed van een ziel.

Ik leerde de wake en de slaap en de droom kennen,

de onwetendheid, het vlees,

de logge labyrinten van de rede,

de vriendschap tussen mensen,

de raadselachtige liefde van de hond.

Ik zag met eigen ogen wat ik nooit eerder zag:

de nacht en al zijn sterren.”

 

J.L. Borges, Johannes 1,14

 ***

 Toen we in de kerk onlangs zo’n kleurrijk bijbels lied zongen, werd het aangekondigd op een nadrukkelijk verontschuldigende toon. De zure appel werd aangereikt door een bezorgd ogende mevrouw die ons op ons gemak stelde: “Het is misschien nogal ongewone en vreemde taal, maar laten we het maar proberen!” Na enkele ferme orgelakkoorden schalde de menigte het uit. Als de stugge woorden al zeer hadden gedaan, dan blijkbaar toch maar heel even. De omzichtigheid bleek achteraf overbodig te zijn geweest. Toch wordt deze geruststellende en bagatelliserende aanpak vaak gezien als de kern van een ‘pastorale’ benadering – alsof de zielzorger een soort uitvaartbegeleider of kinderarts is. De weerspannige taal van de bijbel wordt schroomvallig aan de man gebracht: alsof de blijde boodschap een oneervol voorstel is.

Wat is er echter zo vreemd aan het feit dat bijbelse taal zo vervreemdend is? Is de taal in het algemeen – en de literaire en de bijbelse taal in het bijzonder – niet juist bedoeld om ons uit ons doen te brengen en om onze gewoontes en aanwensels te ontwrichten? Is taal niet van nature datgene wat ons boven onszelf verheft en buiten ons zelf brengt? In die zin is taal als zodanig ‘metafoor’: datgene wat ons wegvoert. Al bij het aanleren van de eerste woordjes leert een peuter de werkelijkheid ruimer te zien en leert een kind dat de wereld meer is dan een grote couveuse waar alles draait op hemzelf. Het leert dat er anderen zijn (‘mama’, ‘papa’) met hun eigen aanspraken. Het leert dat er ‘mijn en dijn’ is en dat er soms ook ‘nee’ gezegd wordt door het leven. Je zou kunnen zeggen dat de geboorte van de taal samenvalt met het ontstaan van realiteitszin en het ontwaken van het geweten.

Nu wordt taal onvermijdelijk routineus en brengt ze ons op den duur in een sluimertoestand van vanzelfsprekendheden. Daarom is er de vreemde taal van literatuur, wijsbegeerte en geloof. Zij opent nieuwe werelden en nieuwe zienswijzen, nieuwe houdingen en handelwijzen. Ik zie en benader de wereld bijvoorbeeld anders, zodra ze aan mij wordt voorgesteld als schepping. Ik zie en benader de ander anders, zodra zij aan mij wordt voorgesteld als kind Gods, zuster of broeder. Het gaat daarbij niet om waarheid, laat staan letterlijke waarheid. De taal doet hier een voorstel om op een bepaalde manier te kijken. Ze oppert ziens- en handelwijzen. Ze nodigt uit tot gedachte-experimenten. Dit geldt ook voor het christelijke dogma: het is een uitnodiging tot een virtueel avontuur. De incarnatie is bijvoorbeeld een dergelijk gedachte-experiment. God wordt mens; het Woord wordt vlees: een avontuurlijke fantasie is het. Je kunt het je natuurlijk plat, rechtlijnig en simpel voorstellen – zoals in een vulgair gnosticisme tot op heden gebeurt. Daar heeft de theologische traditie echter een stokje voor gestoken. Dat stokje is de Drievuldigheid: een gedachte-experiment binnen een gedachte-experiment. Daardoor zijn we gedwongen steeds weer opnieuw te fantaseren over die menswording en voorkomen we een simpele voorstelling van zaken.

Ook dichters houden het gedachte-experiment in leven. Zoals J.L. Borges, die in het aangehaalde gedicht laat zien waartoe de fantasie ons leidt als we ons verplaatsen in het Woord dat vlees wordt. Dan komen we de voorstelling op het spoor dat God pas door mens te worden de menselijke realiteit op waarde leert schatten. Pas door de menswording krijgt de werkelijkheid relevantie en reliëf voor God. Pas door mens te worden leert God het korrelige van onze realiteit kennen… maar ook zoiets overweldigends als het uitspansel! Borges brengt ons zo op het spoor van een mooie paradox. Pas door klein te worden, leer je kleinheid zowel als grootheid zien en waarderen. Dat geldt ook voor die grote lummel van een God – althans in het gedachte-experiment van Borges.

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.