Monthly Archives: januari 2015

Buiten de orde

Onze grootste vijand is onze machteloosheid – of liever: ons onvermogen om daarmee om te gaan. Als de orde waarover wij heer en meester menen te zijn wordt verstoord, bestaat onze eerste reflex erin om deze orde te herstellen: bij voorkeur door daden, maar ook door duiding. Met andere woorden: het liefst herstellen we onze orde metterdaad en werkelijk. Tevens passen we echter ons wereldbeeld zodanig aan dat de harmonie virtueel wordt hersteld – vooral als het feitelijk herstellen faalt. Overigens kan een dergelijke herinterpretatie van de werkelijkheid wel degelijk leidend worden voor ons handelen. Dat is dan echter een ander soort handelen dan het eerst genoemde. Het is niet onmiddellijk op herstel gericht doch indirect.

Als de dokter maar iets doet

Zie de manier waarop we omgaan met lichamelijke ongemakken, ziekte en sterven. De drang om in te grijpen is hier sterker en breder dan ooit. We grijpen niet alleen in bij ernstige en in beginsel behandelbare ziektes. We ontwikkelen ook medische interventies voor problemen waarmee we op zich zouden kunnen leven of die – voordat we ze als zodanig definiëren – niet eens medisch van aard zijn. Bovendien accepteren we steeds minder de grenzen van de behandelbaarheid en eisen we van de medici dat zij maar behandelbaar moet maken wat nu nog onbehandelbaar is, zelfs het ondraaglijk lijden aan een ongeneeslijke ziekte (met als gevolg dat we actieve levensbeëindiging zijn gaan definiëren als een normale medische ingreep). Ook de toevlucht tot het alternatieve circuit lijkt een wanhoopsdaad te zijn. Als er maar iets wordt gedaan, zelfs als dat ‘iets’ volstrekt zinloos is en op niets gebaseerd.

Komen we echter onherroepelijk  aan de grenzen van ons vermogen om iets te doen, dan gaan we duiden. Dan moet er in elk geval een schuldige of een oorzaak worden aangewezen voor onze aandoeningen (de voedselindustrie, de producenten van genotsmiddelen, de stressverhogende routines van onze samenleving) of voor ons onvermogen ze aan te pakken (de farmaceutische industrie, het falende systeem van de gezondheidszorg). Met een beetje magische aanleg kunnen we zelfs causale verbanden van metafysische aard leggen (zonde, karma, negatief denken).

Het nut van deze duiding is evident. Als datgene wat de orde verstoort of buiten de orde valt (ziekte) wordt gedefinieerd als het gevolg van iets en als we dan ook nog eens de oorzaak vinden: dan is in ten minste en in elk geval de virtuele harmonie hersteld. Er ontstaan bovendien eventueel nieuwe handelingsperspectieven van een andere orde – niet medisch, doch maatschappelijk of mindful van aard.

Kortom: zolang we kunnen doen en duiden, voelen we ons niet helemaal machteloos en houden we de illusie in stand ons leven in de hand of in de greep te hebben.

Daders in kaders

Een handvol gemaskerde mannen valt binnen bij de redactie van een satirisch tijdschrift en zaait dood en verderf. Een grotere verstoring van onze orde is niet denkbaar. Alle preventie en beveiliging ten spijt hebben de daders hun weg gevonden en raken zij het hart van onze samenleving. Machtelozer kunnen we ons niet voelen.

Die machteloosheid accepteren we echter niet. We willen doen, handelen. Gelukkig liggen ook hier, net als bij ziekte, de interventiemogelijkheden gereed. We schakelen politie in – en desnoods het leger. Politici en media komen op de proppen met statements en burgers houden massale bijeenkomsten en stille tochten. Als er maar iets wordt gedaan – al is het maar een onorthodox harde afrekening of een symbolische of rituele handeling.

Tegelijk slaan we aan het duiden om de orde ten minste virtueel te herstellen. Waar komt deze verstoring vandaan? Door wie zijn de daders gestuurd of aangestuurd? Wat vertegenwoordigen en belichamen ze? Het is voor ons onverteerbaar om te denken dat de daders en hun handelen op zichzelf staan. Ze moeten in een frame passen. Ze moeten ergens voor stáán: een gedachtegoed, een beweging of een religie. Of hun handelen moet de vrucht zijn van iets groters, waarvan zijzelf op hun beurt het slachtoffer zijn: maatschappelijke uitsluiting bijvoorbeeld. Of het is pathologisch. Of het belichaamt het ‘kwaad’ als zodanig.

Ook hier maken we iets wat de orde verstoort tot een gevolg van iets anders. Zodoende brengen we orde aan – al is het maar in ons hoofd. Die virtuele orde biedt op haar beurt handelingsperspectieven. Als we deze twee of drie criminelen niet kunnen pakken – al is het maar doordat zij vluchten in de door henzelf gewenste dood – kunnen we ons nog altijd richten op die grote vijand wiens handlangers zij zijn en bijvoorbeeld een land binnenvallen. Dit handelen is irrationeel – en soms zelfs pervers. (Een wellicht al te luchtige metafoor hiervoor is John Cleese’s personage Basil Fawlty. Als de hotelbaas de chaos niet meer de baas is, verkoopt hij bij gebrek aan beter de volstrekt onschuldige bediende Manuel een draai om de oren.)

Ordeverstoorders van buiten de orde

Natuurlijk: de moordenaars van Parijs bedienden zich van een bepaald religieus referentiekader en kwamen uit bepaalde kringen. Maar wie sluit uit dat hun religieuze of biografische referentiekader voor hen slechts een houvast was, een legitimatie van iets wat ze hoe dan ook niet konden laten? Volkert, Mohammed B., Breivik, Boko Haram en de schutters van Parijs konden en kunnen misschien wel heel goed zonder ideeën en argumenten – of waren en zijn in elk geval niet zo heel kieskeurig als het gaat om hun ideologische vernislaag.

Ik sluit natuurlijk niet uit dat de moordenaars van Parijs ‘ergens voor stonden’ of dat hun handelen ergens een reactie op was. Ik sta echter ook open voor het beangstigende denkbeeld, dat er altijd ordeverstoorders zullen zijn die buiten iedere orde vallen. Ik houd er rekening mee dat er altijd nihilistische terroristen zullen zijn die – ondanks de schijn van het tegendeel – niets vertegenwoordigen (ook niet een ideologie of een religie), die niet het slachtoffer zijn van iets (ook niet van uitsluiting), die niet ziek in hun hoofd zijn en zelfs niet het ‘kwaad’ belichamen.

Er zullen altijd ordeverstoorders blijven, die met hun handelen geheel op zichzelf staan, die geheel ongrijpbaar zijn voor ons doen en duiden. Ze kwellen ons alleen al door ons te confronteren met onze machteloosheid. Ze zullen ons blijven verrassen vanuit hun hinderlaag van innerlijke leegte.

En dat is niemands schuld.

Kunst in een rood nachtlicht geplaatst?

In het boek Oude Meesters veegt Thomas Bernhard de vloer aan met opvoeders die jonge museumbezoekers het zuur maken en die erin slagen om bij hun pupillen de artistieke lust voor de rest van het leven te bederven. Met hun veelal politiek correcte uitlegkunde doden zij de geest van de kunst en doven zij het vuur van de ontluikende liefde voor het schone.

De Oostenrijkse schrijver schreef zijn bittere aanklacht in de jaren tachtig. Kunst werd toen nog op degelijke wijze onder de mensen gebracht. Men bediende zich daarbij van het in kloeke banden geboekstaafde en met reproducties verluchtigde Woord of van de welbespraaktheid van even erudiete als enthousiaste kunsthistorici. Deze vorm van kunsteducatie liep echter de museumbezoekers voor de voeten en stond een authentieke ontmoeting met de kunstenaar in de weg, als we Bernhard mogen geloven.

Inmiddels zijn meer dan een generatie verder en is er het nodige veranderd. Er is technisch en financieel veel meer mogelijk qua beeld en geluid. En deze mogelijkheden staan in dienst van een cultuur waarin alles wat we ondernemen of ondergaan een belevenis dient te zijn, een ervaring die al onze zintuigen mobiliseert. Paradoxaal genoeg raakt deze ontwikkeling niet alleen de commerciële en populaire cultuur, maar ook de meer deftige domeinen. Zo dringt ze ook de museumwereld binnen.

Een voorbeeld van deze tendens is de Rothko-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Rijp gemaakt door de media stroomde het publiek naar de Berlagetempel aan de Stadhouderslaan: nieuws- en leergierig, belust op een esthetische ervaring, de druk voelend om mee te kunnen praten, hunkerend naar de beloofde spirituele sensatie etc. Uiteraard liep ik mee in de kunstminnaarskaravaan.

Voor zover de architectuur, met zijn mengsel van statigheid en intimiteit, mij al niet in een ingetogen stemming had gebracht, probeerde de museumleiding deze gemoedstoestand uitdrukkelijk te bevorderen. Zo werd mij schriftelijk meegedeeld dat de kunst pas goed tot zijn recht zou komen als ik stil zou zijn. Een deel van de verzameling was bovendien ondergebracht in een soort snoezelruimte met gedempt licht. Dit was, zei men, in de geest van de kunstenaar zelf, die een intieme en rechtstreekse ontmoeting met de toeschouwer schijnt te hebben nagestreefd. Bezoekers met de behoefte aan een spirituele ervaring werd aangeraden vooral in deze ruimte hun tijd door te brengen.

Het lijkt alsof de hier geïllustreerde ontwikkeling een antwoord is op de aanklacht van Thomas Bernhard. Hebben we eindelijk afgerekend met het educatieve voorkauwen van kunstgenot? Scheppen kunstinstellingen nu dan wel de voorwaarden voor een rechtstreekse spirituele ontmoeting met de kunst?

Eerlijk gezegd vrees ik dat we van de regen in de drup zijn gekomen. De oproepen tot stilte, intimiteit en spirituele beleving zijn vaak al te nadrukkelijk. De rendez-vous-club-verlichting in musea is vaak al te opdringerig. Is onbevangenheid wel mogelijk als uit alles het bevel spreekt ‘Gij zult beleven’ en als de optie je wordt ontnomen om een keer niet tot vermoeiens toe van alles te beleven? Staat het op beleving beluste ego niet méér voorop, dan datgene wat de kunst mij wil zeggen? Met andere woorden: staan de huidige, op ‘ervaring’ gerichte tentoonstellingen niet evengoed een ontmoeting met de kunst in de weg als de alwetende gidsen die door Bernhard zo werden gehaat?

Goede kunst – ook de goede kunst van Rothko – heeft niet de opdringerige hulp nodig van hippe conservatoren. Goede kunst schept op eigen kracht de ruimte waarin zij de toeschouwer ontmoet. Ja: zij is zelf die ruimte. Het laatste waarbij kunst is gebaat, is een museum dat om die ruimte heen een nieuwe ruimte bouwt en een bevoogdend sfeertje creëert. Kunst komt voor zichzelf op – net zoals religie trouwens. Ze wil haar schoonheid en waarheid laten zien en horen. Bezwerende taal en sfeerverlichting zijn daarbij eerder hinderlijk dan behulpzaam.

Kunst bestaat al. Ze hoeft niet te worden geënsceneerd. Kunst spreekt al voor zichzelf. Ze hoeft niet te worden nagesynchroniseerd. Laat dus de kunst met rust en hen die van haar willen genieten. Dan komt zij tot haar recht.

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling. Van deze column is ook een Duitse versie beschikbaar als PDF-bestand en wel hier: Neue Meister 020115