Monthly Archives: december 2014

Geloof begint wel degelijk bij ons.

Het was en is makkelijk prijsschieten op de campagne van de Remonstranten. Ik heb daaraan ook meegedaan in mijn column van 12 november. Op het oog is er immers het nodige in te brengen tegen de campagne. Heeft degene die zegt dat god bepaalde dingen doet en andere laat niet te veel pretenties? Suggereert hij niet dat hij god in zijn greep heeft? En is dit niet in volstrekte tegenspraak met de agnostische passie van de remonstrantse vrijzinnigheid? Meer specifiek en concreet kun je bij de campagne van de Arminianen bovendien de vraag stellen, of ze niet te burgerlijk is. Wordt god niet voor het karretje gespannen van een liberale levensstijl en waarden als autonomie en verheven hedonisme?

Helemaal eerlijk was en is dergelijke kritiek niet. De critici begaan namelijk een klassieke misslag: de categoriefout. Ze stellen vanuit de theologische spelregels iets aan de kaak, wat helemaal niet de pretentie heeft theologie te zijn: een reclame-uiting. Als de reclame-uiting netjes binnen de theologische lijntjes zou kleuren, zou ze natuurlijk helemaal geen dingen zeggen als Mijn God dwingt me tot niets of Mijn God trouwt homo’s. Dan zou ze formuleringen bezigen als Mijn wijze van geloven is ondogmatisch of  In mijn kerk kunnen homo’s trouwen. Reclame is echter een ander spelletje dan theologie – en houdt zich dus aan andere spelregels. Ze streeft naar pakkende statements, kortsluiting en bondigheid, terwijl theologie het moet hebben van de subtiele verleiding van argumenten, omhaal van woorden en uitweidende nuances. Binnen die eigen spelregels staat het de reclame vrij om plompverloren god als subject op te voeren. Daarom is theologische kritiek op de campagne niet helemaal terecht – en getuigt ze van een al dan niet bewust negeren van het spelkarakter van taal alsmede van gebrek aan ironie.

Het bovenstaande was en is vooral van toepassing op de bekende ‘God-doet-dit-en-laat-dat’-uitspraken. Bij de uitspraak Geloof begint bij jou ligt één en ander mijns inziens toch weer iets anders. Hiertegen kan ik oprecht niets inbrengen – ook niet qua theoloog. Ik zou niet weten waar geloof anders zou beginnen dan bij ons.

Uiteraard moet ik – theologisch correct – zeggen dat geloof wezenlijk slechts een bedremmeld antwoord of wederwoord is op een gave die eraan voorafgaat. Dit antwoord of wederwoord is echter het eerste en enige waar we de vinger op kunnen leggen. We moeten het doen met de tweede instantie. De eerste instantie of de spreker van het veronderstelde eerste woord zullen we nooit kunnen betrappen of oproepen als getuige.

De bron waaruit we de moed putten om te geloven is bodemloos en de grond waarop we ons gelovige huis bouwen is grondeloos – om het met de mystieken te zeggen. Van het eerste woord klinkt nog slechts de nagalm. In die verontrustende zin is er geen ‘oerbegin’ voorafgaand aan het geloof  – in ieder geval niet in die zin dat we dit ‘oerbegin’ in beeld kunnen brengen, in woorden kunnen vatten of via ons gevoel op het spoor kunnen komen. En zo min als er een ‘eerste woord’ is, is er een ‘laatste woord’. Het woord waarop ons geloof het antwoord is, heeft een niet te traceren begin en een open einde. Geloof is anarchie.

Als we ons geloof willen verwoorden of verantwoorden, kunnen we dat dus nimmer doen met een beroep op een eerste spreker of diens eerste woord – gewoonweg omdat dit buiten ons vermogen en onze bevoegdheid ligt. We moeten zelf plaatsvervangend het initiatief opeisen, rekenschap afleggen van ons geloof en zelf onze hand ervoor in het vuur steken – zoals we vervolgens des te meer verantwoordelijk zijn voor de daden en de instituties die uit ons geloof voortvloeien.

Geloof is onbegonnen werk, een ongeautoriseerde onderneming. Juist daarom moeten wij zo moedig, oprecht en integer zijn om de volledige aansprakelijkheid ervoor op ons te nemen. Iemand anders doet dat niet voor ons. En iemand moet het doen.

Er is leven na de vergadering.

Soms heb ik de indruk dat ik ongevraagd proefpersoon ben in een sadistisch sociaal-psychologisch experiment. Dit gevoel bekruipt me vooral bij bepaalde vergaderingen. Zo trof ik mezelf onlangs aan op een slecht geventileerde bovenverdieping van een gebouw in Frankfurt. Met vijfentwintig mensen waren we – ongetwijfeld uit budget-overwegingen – bijeengedreven in een vergaderzaal die geschikt was voor hooguit vijftien personen. Vier van ons moesten creatief omgaan met de omstandigheid dat de hoek van een tafel in hun buik priemde. Iedereen hield zijn blocnote noodgedwongen op schoot omdat de tafels waren overladen met glazen, kopjes, waterflessen, thermoskannen, melkkannetjes, suikerpotjes, naambordjes, bloempotjes en merchandise-hebbedingetjes van de vergaderlocatie.

Alleen al deze opstelling leek doelbewust te zijn gekozen om de – gedurende de evolutie van onze soort moeizaam opgebouwde en verfijnde – beschaving op de proef te stellen en om deze in versneld tempo te doen slijten opdat de IJstijdmens in ons weer aan het daglicht zou treden. Helaas bleef het echter niet bij mensonterende uiterlijke omstandigheden. De vergadervoorzitter was klaarblijkelijk zorgvuldig geïnstrueerd om de aanwezigen tot razernij te brengen met uitgekiende kwellingen. Hem moet daarvoor een hoge beloning in het vooruitzicht zijn gesteld, gezien het grote risico dat hij liep om voorgoed uit de gratie te vallen bij de aanwezige collega’s en om achteraf in een verlaten steeg een gewelddadige dood te sterven. Ik vermoed zelfs dat de organisatie achter dit experiment via de Duitse geheime dienst voor de dagvoorzitter een nieuwe identiteit had geregeld alsmede een vliegticket naar en een verblijfplaats in Paraguay.

Hoe dan ook: met verve kweet de man zich van zijn taak om ons het bloed onder de nagels vandaan te halen. Hij opende de bespreking met verbaal bravoure en woorden als ‘synergie’ en ‘innovatie’ – waarna hij de aanwezigen uitnodigde ‘iets over zichzelf te vertellen’. Dit gesprekstechnische ‘iets-isme’ is een beproefd recept voor een langzame mentale verstikkingsdood. De geestelijke koolmonoxidevergiftiging deed ook in dit geval uitstekend zijn werk. Na een uur was nog slechts een derde van de deelnemers aan het woord geweest – en geleidelijk begonnen de aanwezigen aan decorumverlies te lijden, hetgeen zich uitte in het spelen met glazen, kopjes en de eigen smartphone alsmede in gniffelend gefluister met de buurvrouw of buurman. Een enkeling begon atavistische neuspeuterreflexen te vertonen of verliet op eigen gezag en pure wanhoop de zaal voor een recreatief toiletbezoek. Een vegetarische en cafeïnevrije mevrouw met kort haar en een mal brilletje demonstreerde haar frustratie en onderdrukte woede op subtiele wijze door af en toe een raam te openen om zuurstof en kou naar binnen te laten.

Alles wat je leest in managementboekjes of anti-managementboekjes over destructief vergaderen kon worden geobserveerd. Het sneeuwbaleffect bijvoorbeeld, dat ertoe leidt dat iedere spreker iets langer spreekt dan zijn of haar voorganger – onder andere doordat er blijkbaar moet worden gereageerd op het voorafgaande. Of de narcistische paradox dat mensen bloemrijk over zichzelf spreken in het zorgvuldig verdrongen besef dat eigenlijk niemand luistert. Iedereen zit immers zijn of haar eigen presentatie van buiten te leren.

Ik vermoed trouwens dat het experiment is mislukt – en dus zal moeten worden overgedaan. Halverwege de ochtendzitting namelijk werd deze ruw onderbroken door een vertegenwoordiger van het huishoudelijk personeel met gebrekkig Duits en de menukaart voor de lunch – juist op het moment dat ons levensgeluk op het punt stond de laatste adem uit te blazen. De aanwezigen veerden op en namen weer de verticale positie in die onze menselijke soort kenmerkt. Hun ogen begonnen te glimmen en gaven uitdrukking aan het rotsvaste geloof dat er leven is na het vergaderen – in het restaurant namelijk.

***

Met dank aan Ellen de Bruin, wier boekje Vergaderen? Niet doen! onlangs verscheen. Overigens heb ik van de beschreven bijeenkomst het beste gemaakt en er een paar aardige contacten en ideeën aan overgehouden. En tenslotte een toelichting bij de foto: ik kon vanuit de vergaderplek een prachtige foto maken van de binnenstad van Frankfurt met haar historische gelaagdheid – en met de iconische vergaderplek die Paulskirche heet.