Monthly Archives: november 2014

Het ‘eerste woord’ bestaat niet.

Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van de romancyclus Jozef en zijn broers van Thomas Mann. Dit vierluik, gebaseerd op de verhalen van Jozef in het Bijbelboek Genesis, schreef Mann in de periode 1933-1943, een tijd waarin ingrijpende gebeurtenissen plaatsvonden in de geschiedenis en zijn eigen leven.

Het uitgeven en aanschaffen van de Jozefcyclus is een waagstuk. Het werk staat te boek als stug en ontoegankelijk. Te vrezen valt dat het in de boekhandel een winkeldochter wordt en in de boekenkast een muurbloempje. De poging om het te lezen is echter de moeite waard. Het werk is namelijk Manns meest ambitieuze project. Het gaat over niets minder dan het avontuur van de mensheid met god en van god met de mensen. Het boek wekt hen, die rusten op de lauweren van vanzelfsprekendheden en dogma’s, uit de slaap en laat vertellenderwijs zien dat god altijd met de mensen onderweg is geweest – en dat altijd zal zijn. Daarbij staat ‘god’ voor de cultuurchristen en agnost Mann in zeer ruime zin voor al datgene wat er ‘uiteindelijk toe doet’, voor datgene wat zin en ziel, perspectief en richting geeft aan het leven en samenleven.

Dit ultieme is dus volgens Mann voortdurend in beweging en verandering – en dit is meer dan een politiek correct cliché. Het was in het Duitsland van Thomas Mann een explosieve gedachte. Hordes mensen hadden zich opgesloten in een fundamentalistische mythe van menselijke makelij, waarbij de Germaanse bodem en het Germaanse bloed het begin en het einde waren, het alfa en omega. Mann besloot om deze mythe – en het mytische oorsprongsdenken als zodanig – open te breken. Hij hernam een Bijbels ‘oerverhaal’ en liet zien dat er in dergelijke aartsvaderlijke of oermoederlijke verhalen geen sprake is van een duidelijk begin en een eenduidig einde.

Wie meent iets te kunnen vertellen over een absoluut nulpunt van de geschiedenis – de fundamentalisten van alle stromingen en religies – wordt al op de eerste bladzijde aan het wankelen gebracht:

“Dan gebeurt het dat, hoe dieper we boren, hoe verder in de onderwereld van het verleden we afdalen en rondtasten, de oorsprongen van het menselijke, zijn geschiedenis, zijn beschaving volkomen onpeilbaar blijken te zijn en altijd weer opnieuw en verder in de bodemloosheid terugwijken, hoe avontuurlijk ver we het snoer van ons peillood ook afspoelen. Het onkenbare speelt met onze wil tot kennis een bedrieglijk spel: het levert schijnhouvasten op en doelen waarachter, als ze zijn bereikt, nieuwe stukken verleden opdoemen.”

Het houvast van het verleden is schijn. Er is geen absoluut beginpunt. Dit is een verontrustende boodschap voor iedereen die beweert dat een stuk grond of een natie, een cultuur of een instituut absoluut is. Iedereen is maar toevallig gestrand op de kust waar hij of zij woont – komend vanuit een onpeilbaar verleden. Er is niet zo iets als een ‘eerste woord’.

Als we ons niet kunnen beroepen op een absoluut fundament, is er bovendien ook niet zo iets als een ‘laatste woord’. Instellingen en gewoontes, rituelen en symbolen, verhalen en dogma’s: ze zijn allemaal tijdelijk en broos, aan slijtage onderhevig. Dat wordt duidelijk als de primitieve mensenoffers door Jakob aan de kaak worden gesteld. Volgens de aartsvader daagt God de mensen uit om niet stil te blijven staan bij de religieuze status quo:

“Want de Heer verafschuwt wat zichzelf heeft overleefd en afgedaan. Hij wil het met ons overstijgen en is er eigenlijk al overheen. Het blijft nodig dat wij nadenken, zorgen en onrustig zijn – om ons los te maken van de wereld die de Heer met ons wil overstijgen en wellicht al ontstegen is.”

Kortom: als enerzijds het teruggaan naar de oorsprongen een oneindige weg is, is anderzijds de toekomst absoluut open. Oneindige regressie impliceert oneindige progressie. In theologische termen uitgedrukt is de openbaring oftewel het verhaal van god met de mensen nooit af, doch steeds voor verfijning en verdieping vatbaar. En politiek uitgedrukt hebben we het einde van de geschiedenis niet bereikt en zijn onze stelsels zijn nog niet volmaakt.

Uiteraard is dit vloeken in de rechtzinnige religieuze of politieke kerk, die het liefst God of de Geest van de Geschiedenis vastpint op resultaten uit het verleden en staande houdt in het verleden. Wie dit doet, doet echter zichzelf tekort en ontzegt zich het avontuur met de ‘progressieve’ God, waarvan de Jozefroman zegt:

“God had weliswaar een geschiedenis, maar die betrof de toekomst, een voor God zo heerlijke toekomst, dat zijn heden, hoe heerlijk het ook was, er niet aan kon tippen.”

***

Jozef en zijn broers, oorspronkelijke titel: Joseph und seine Brüder, Uit het Duits vertaald door: Thijs Pollmann, Henri Bloemen, Theo Kramer en Ellis van Midden, Gebonden, met stofomslag, 1344 pagina’s, prijs € 125,00.

Deze bespreking verscheen eerder op De Bezieling.

Mijn god

Mijn god vindt niet zo veel. Hij zou zich bijvoorbeeld nooit mengen in opgewonden en dolgedraaide discussies over weigerambtenaren of zwarte pieten. Zij zou haar schouders ophalen over precieze en scrupuleuze theoloogjes – het soort waartoe ik mezelf reken – die angstvallig over god spreken in beurtelings vrouwelijke en mannelijke vormen.

Mijn god vindt en doet niet zo veel. Waarschijnlijk vind hij dat we gewoon zelf moeten verantwoorden wat we vinden en doen en dat we zelf moeten opdraaien voor de gevolgen. Hij geeft goed- noch afkeuring, groen licht noch carte blanche. Noem het rekkelijk.

Maar ja, je weet het nooit. Misschien houdt zij wel stiekem haar kaarten achter de hand en bekent zij eerder en feller kleur dan wij kunnen bevroeden. Misschien slijpt hij wel zijn messen voor de afrekening. Je weet het nooit met die god. Als zij iets is, is het onberekenbaar.

Toch houd ik het er maar op dat god wel wat beters te doen heeft dat onze dogma’s en privé-meningen, onze wetten en onze gedragingen, ons beterweten en onze vrijheidblijheidlevensstijl van goed- of afkeuring te voorzien.

Hij heeft wel wat beters te doen – namelijk niets. Mijn god vindt niets, doet niets en is niets (zelfs niet ‘inspirerend’, eerder adembenemend).

Als je op zondagochtend op het strand ligt, Mevrouw van het Remonstrantse Reclamespotje (Ook in november, trouwens? Soit.), dan kun je dat niets misschien horen. Druk een denkbeeldige schelp tegen je oor – en wellicht hoor je dan onder en achter alle omgevingsgeluiden, achter al ons gekibbel en geliefkoos die donkere stilte, dat daverende zwijgen van de afgrond waarboven ons bestaan zweeft. Dan hoor je de duistere verleiding om je biezen te pakken, al je geruststellende meningen achter je te laten, je gewichtigheden af te werpen en je roestige ankers te lichten – en op zoek te gaan naar het onvindbare.

Mijn god komt niet aankloppen bij onze rechtzinnige en vrijzinnige huizen en haarden om leden te werven. Hij houdt zich schuil in het niets. Daar wacht hij op ons tot wij zelf zo sleets, licht en gewichtloos zijn dat we er niet meer toe doen – behalve voor dat niets dat we god noemen.

… denk ik.

 

Postscriptum

De goede verstaander begrijpt dat ik met het bovenstaande geen afstand neem van de vrijzinnigheid of van de remonstrantse variant daarvan. Vrijzinnigheid gaat m.i. echter niet over het rusten op de lauweren van het goede gevoel, doch over verontrusting en over de onrust van een nooit haar doel bereikende zoektocht. De remonstrantse verdraagzaamheid is geen kwestie van alles goed vinden, maar het verdragen van het voortdurende geschil en de nooit eindigende zelfkritiek. EC

Lachen als redding van de discretie

We hadden gelachen en een traantje weggepinkt – en om van deze emoties bij te komen dronken we een flinke borrel. Zo was, kort samengevat, de sluiting van een burgerlijk huwelijk verlopen die ik onlangs bijwoonde. Ik wil mezelf niet fijner besnaard (of juist ongevoeliger) voordoen dan ik ben en geef gul toe dat ook ik me had laten meenemen door de emoties. Een meisje dat met ferme uithalen van haar stem Trijntje Oosterhuis naar de kroon had gestoken had mijn traanklieren geprikkeld en de dienstdoende ambtenaar van de burgerlijke stand had met haar grappen feilloos de weg naar mijn lachspieren weten te vinden.

Toen ik mijmerend naar de bushalte liep, hield vooral dat laatste mij bezig. Was het niet wonderlijk dat we tijdens de toespraak van de ambtenaar vrijwel onafgebroken hadden geglimlacht, gegniffeld of geschaterd? Leek het er niet op, dat er iets moet worden weggelachen? En wat was dan datgene wat moest worden bedolven onder lachsalvo’s? De verlegenheid met de overweldigende ernst en intimiteit van het moment? De al te grote ontroering die tussen de gesproken momenten was geactiveerd door het zingende meisje? Of was het allemaal banaler en moesten de verveling door het prozaïsche ritueel en de lange zit op de oncomfortabele stoelen worden gecompenseerd door het amusement? Kortom: was de behoefte om constant te lachen een vlucht voor al te grote ernst en indringendheid of juist een uiting van het feit dat we het allemaal niet meer zo serieus namen en er dus maar het lolligste van maakten? Of lag het allemaal nog gecompliceerder?

Toen ik mijn vervreemding en bedenkingen boekstaafde in de vorm van een tweet, wees iemand mij op de samenhang van één en ander. Het lijkt bij rituelen – zo beweerde hij – steeds meer te gaan om emoties, zowel de tranentrekkende als de lachopwekkende. Het private van het gevoel – met zijn twee gezichten – parasiteert op het per definitie publieke ritueel. De lach en de traan zijn, zo lijkt het, zijde en keerzijde van hetzelfde fenomeen: de wildgroei van de emotie.

Hierover nadenkend kwam ik echter tot het vermoeden dat het ‘probleem’ (chronologisch en causaal beschouwd) in de eerste plaats steekt in de dwangmatige zoektocht naar ontroering die onze zintuiglijke cultuur ons oplegt. In die zin wees reeds de antiromanticus Adelbert Stifter op het decadentieverschijnsel van de dweepzucht. Zijn fan Dietrich Bonhoeffer ging nog een stap verder en stelde de moderne drang aan de kaak, om de uithoeken van ons inwendige aan het daglicht te brengen en de mens te reduceren en verminken tot het ‘innerlijke’ domein.

Het lijkt alsof deze misgroei in onze tijd nog meer is doorgeslagen en het ‘gevoel’ en de ‘beleving’ onze (religieuze en seculiere) rituelen zijn gaan overwoekeren. Alles is expressie en uitlaatklep. Het stille gebaar wordt overschreeuwd door onze ontboezemingsdrang. Dit alles nu roept een slecht geweten op (zo is mijn hypothese): een knagend geweten over de indiscretie tegenover onszelf, een schaamte over het dwangmatige exhibitionisme en over het profaneren van datgene wat we in ons hart zouden moeten bewaren.

En precies op dat moment ontstaat de drang om te lachen – en dan niet als gestalte van de emotie doch als antidotum. Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat de behoefte om te lachen tijdens gevoelsoverladen rituelen een uiting is van de beschreven schaamte – en wel een zeer functionele uiting. Want is de humor niet vanouds een poging tot distantie? En vervult ze in het kader van een door emoties overwoekerd ritueel niet de functie om het schaamteloos blootgestelde weer te verhullen en te bedekken? Is humor niet een heilzame zelfcorrectie – zij het dan deze functie ons ontgaat zolang zij een onbewuste reflex is? Is lachen niet de redding van de discretie?

Om het met Bonhoeffer te zeggen: is humor niet de ‘disciplina arcani’ van onze tijd?