Monthly Archives: oktober 2014

Geloven is op de tocht staan.

Het geloof staat niet als een huis, maar is een dakloos luchtkasteel met glasloze ramen. Het ontbeert een fundament, heeft het zenit als dak en de einder als omheining. Wie zoekt naar bronnen en grondslagen begeeft zich op een even onvermijdelijke als vergeefse tocht. Wie zoekt naar een laatste woord, een voltooiing: zij of hij betreedt een even noodzakelijke als doel- en eindeloze weg. Geloven is oneindige regressie en progressie. Er is noch een fundament, noch een dak, noch een ommuring. Geloven is op de tocht staan*).

Thomas Mann

De onlangs te langen leste in het Nederlands verschenen romancyclus Jozef en zijn broers van Thomas Mann (1875-1955) herinnert ons hieraan – voor zover de oplettende lezers van de juiste mystieke en theologische teksten eraan herinnerd moeten worden. Niet dat Mann de pretentie had een theoloog te zijn, laat staan dat hij zich voor een theologisch karretje kan laten spannen: hij had echter een feilloos zintuig voor de miskleun van het fundamentalisme, waarbij hij vooral de politieke versies ervan op het oog had (aanvankelijk het dogmatische liberalisme, later het nationalisme en het fascisme). Hij analyseerde en bestreed dit verschijnsel bovendien met behulp van categorieën die getuigen van een verbluffende theologische onderlegdheid.

Dit deed Mann vooral in zijn ‘Jozef’ (1933-1943). Reeds op de eerste bladzijde waarschuwt de verteller ervoor, om tijdens de ‘herbronning’ voortijdig stil te staan bij ‘schijnhouvasten’. Hij nodigt ons uit om steeds verder te gaan, gelokt door ‘nieuwe verten’. De bron of put van het verleden is bodemloos ‘hoe avontuurlijk ver we het snoer van ons peillood ook afspoelen’. Dit is het verslavende avontuur van de oneindige regressie. Daar tegenover staat de noodgedwongen onderneming van de doelloze progressie: het blijft nodig ‘dat wij nadenken, zorgen en onrustig zijn – wat Abrams deel was en ons deel is telkens weer – om ons los te maken van de wereld die Heer met ons wil overstijgen’. God en wij zijn ongeneeslijk toekomstig voor en met elkaar. Juist dat verbindt ons.

Leven met onzekerheid

Veel gelovigen – en vooral degenen die hun brood ermee verdienen – zullen zeggen dat ze ‘hier niks mee kunnen’. De ‘hokjesman’ van de vpro bracht dezer dagen dergelijke gelovigen en hun leveranciers ten tonele. Zij deden de – in sociologisch en psychotherapeutisch opzicht tot op grote hoogte correcte – vaststelling dat ‘de mensen’ en vooral de jongeren onder hen houden van zekerheden.

Leven met onzekerheid is voor weinigen weggelegd – en ik betrap eerlijk gezegd ook mezelf erop dat ik het gebrek aan bodem, dak en muren vaak op snobistische wijze compenseer door er een chique vorm van agnosticisme van te maken, waarbij ik me ‘goed voel’. Ook de erkenning van de bodem-, grenze- en dakloosheid van het geheim kan een ‘stoplap’ zijn, een vorm van berusting, terwijl het juist een prikkel moet zijn om het onvindbare juist te gaan zoeken. Het kan een voorwendsel zijn om de zoektocht op te geven. Daarom bezigde ik hierboven de uitdrukking ‘even onvermijdelijk als vergeefs’. Ook een paradox als deze kan echter op zijn beurt een esthetisch schijnhouvast van pseudo-intellectuelen zijn. Over oneindige regressie gesproken…

Groepssport

Gelukkig is geloven daarom ook een groepssport. We houden elkaar bij de les om te voorkomen dat we berusten of vluchten in schijnhouvasten of mooie bespiegelingen over het ontbreken daarvan.

In dat opzicht is het  jammer dat – ook en juist in vrijzinnige en progressieve kringen – het ontluisterende wederzijds kritische gesprek uit de weg wordt gegaan. Het is te betreuren dat het dogma van het instituut heeft plaatsgemaakt voor de onfeilbaarheid en onaantastbaarheid van de eigen ‘ervaring’, al dan niet opgedaan in het ommuurde innerlijk. Ieder bouwt zijn eigen torentje van Babel – datgene waarvan de rusteloze abrahamitische ziel zo gruwde.

Het is pijnlijk om vast te stellen dat de kerken en de met hen verbonden publicisten en media, voor zover zij de kritiek op het dogmatisme serieus nemen, zijn gaan lijken op huiselijke houten-speelgoed-winkels – waar men aan de homo cocoonans degelijke en onverwoestbare, maar net iets te vriendelijke en tandeloze producten worden verkocht met net iets te ronde hoeken, waaraan niemand zich een buil valt.

Waar is de radicale mysticus of theoloog van deze tijd, die in de kerk van politiek correcte, muf-warme liefdesmantels durft te vloeken? Wie is – om met Manns verteller te eindigen – in onze tijd en contreien de Abraham die op weg gaat ‘omdat hij het gevoel heeft dat dit in zijn situatie van ontevredenheid en twijfel, ja, van gekweldheid, het juiste en passendste is’?

 

*)         Van die tocht is op een gegeven moment de Heilige Geest gemaakt, die de dogmatici hebben vastgepind als een vlinder.

 

De citaten zijn ontleend aan de onlangs verschenen vertaling van Th. Manns ‘Jozef en zijn broers’ (Wereldbibliotheek, Amsterdam).

Het sluipend gif van de taal

Het is een cliché om te beweren dat de bijbel een gewelddadig boek is en dat er in het boek veel bloed vloeit. De Bijbelse auteurs hebben echter heel goed door dat geweld en macht vooral langs subtiele sluipwegen hun werk doen. Het meest geduchte wapen is wel de menselijke tong. Met woorden kan de ene mens de ander breken. De tong kan een gemeenschap in rep en roer brengen, de grondvesten van de maatschappij doen wankelen.

Geweld begint dus niet altijd met stalen vuisten en bloedvergieten, maar vaak juist met het slinkse gelispel van de tong. Het wapen van het woord is vooral zo fataal, omdat het zich kan losmaken van degene die het hanteert. Woorden kunnen een eigen leven gaan leiden. Als de bezems van de tovenaarsleerling doen zij wat hun kwaad dunkt. Voordat er robots waren, om ons zorgen om te maken, was er al de taal met haar eigen geniepige willetje. Zo wordt de dichtregel van Oosterhuis werkelijkheid: “Taal zal alleen verwoesting zaaien.”

Dit doet de taal vaak als een mokerslag. We kennen allemaal wel de woorden die ons breken op het moment dat ze worden uitgesproken: het vernietigende oordeel en het kleinerende commentaar, de oorlogsverklaring en de openlijke contractbreuk. Maar taal werkt ook als een sluipend gif. Zonder dat we ons van enig kwaad bewust zijn, zaait de taal ongemerkt kiemen in ons, die geleidelijk hun verwoestende werk doen, als kankercellen of virussen. Met hun schijnbare en ragfijne gewichtloosheid spinnen de woorden ons in.

Vooral van de paplepel van de opvoeding bedient de schikgodin van de taal zich graag. Al vanaf het moment dat we in onze wieg nog nietsvermoedend wegdromen op de vleugels van de onschuld, fluistert ze ons in wat ons lot zal zijn. Tragisch genoeg gaat het taalspel van de heilige boeken daarbij niet vrijuit. Velen worden nog steeds omwikkeld met een web van woorden uit de Bijbel, Koran of Catechismus. Dit bepaalt hun zelfbeeld en zienswijze op anderen – en daarmee hun doen en laten.

Dit alles is uiteraard maar één kant van de zaak. Taal kan behalve breken ook maken en opbouwen. We kunnen de schaduwkant echter niet ontkennen. Wie het bovenstaande te pessimistisch vindt, doet er goed aan om het laatste boek van Dimitri Verhulst, Kaddisj voor een kut, te lezen. Het beschrijft het lot van Belgische ‘instellingskinderen’, die sociaal ongewenst verklaarde kinderen die in instituten opgroeien voor galg en rad – meestal om op hun beurt weer verschoppelingen op de wereld te zetten. Zo schetst Verhulst een schrikbarend beeld van Fortuna’s eeuwig draaiende rad.

Enerzijds laat Verhulst zien dat je de taal naar je hand kunt zetten en dat ze je dan kan helpen om te ontsnappen uit de strikken van het noodlot. Zijn eigen biografie als verteller is een voorbeeld van deze ontsnapping. Hij laat anderzijds echter ook zien hoe de taal gedurende de socialisatie je leven onomkeerbaar ten slechte kan beïnvloeden.

In zijn nieuwe boek bezegelt juist de religieuze indoctrinatie, ondanks alle goede bedoelingen van de opvoeders, het droeve lot van instellingskinderen. Als Sarah zich prostitueert voor haar vriend Stefaan, is dat mede te danken aan het feit dat “de nonnen” haar de “woorden voor de totale overgave” hebben bijgebracht. En als Stefaan en Sarah uiteindelijk geen andere uitweg zien uit hun uitzichtloze bestaan, dan het ombrengen van hun kinderen en zichzelf, is dat óók mogelijk doordat “sterven om te leven” in de kerk als een recept was voorgeschoteld. Het werd hun mantra – met alle gevolgen van dien.

Gelukkig is de realiteit niet alleen zwart. Zelfs aan het bestaan van zwarte gaten wordt sedert kort getwijfeld. Het is echter soms goed om erbij stil te staan, dat in onze samenleving en cultuur zwarte zones bestaan die alle licht meedogenloos opzuigen. Goede woorden zijn hiertegen niet opgewassen en de kwade taal doet er ongestoord zijn werk. In dat soort situaties doen onze wollige woorden er minder toe dan onze klinkklare daden.

***

Dit artikel verscheen eerder op De Bezieling.

Een monument van onopvallendheid

Een fascinerende en edele vorm van verveling, zo werd het lezen van Adelbert Stifter (1805-1868) eens genoemd door een jongere collegaschrijver – die zelf ook niet vies was van het schrijven van vuistdikke boeken waarin de tijd tot staan wordt gebracht.

Ik ben – dankzij deze merkwaardige paradox – op mijn beurt geboeid geraakt door de Oostenrijker. Hoe is het in godsnaam mogelijk, zo vraag je je af tijdens het lezen van Witiko of Der Nachsommer, dat een schrijver die zo lijkt te verzanden in details en die mij als lezer lastig valt met overmatige informatie alsof hij mijn verbeeldingskracht wantrouwt* – hoe is het mogelijk dat deze schrijver van boeken, die lijken op een brede, ogenschijnlijk oeverloze riviermonding waarin de stroming aanwezig, maar met het blote oog niet waarneembaar is – hoe is het mogelijk dat deze auteur zo geliefd was en is, geliefd bij grootheden als Bonhoeffer en Mann, maar ook bijvoorbeeld bij mijn muziekleraar die Stifters teksten vergeleek met al even traag voortbewegende symfonieën van Stifters land- en tijdgenoot Bruckner?

Juist deze paradox maakte hem fascinerend voor mij en daagde mij uit zó lang te lezen en te kijken tot zijn bladzijden zouden gaan leven. En dat gingen ze. Misschien was er een onbewuste strategie in het spel om een kwellende cognitieve dissonantie op te lossen – een literaire variant van het Stockholmsyndroom, zeg maar – maar ik ging wel degelijk genieten van de tergend trage wandeling door de werkelijkheid waarbij Stifter met de herdersstaf voorop loopt.

Op het moment dat je ongeduld verdwijnt, verdwijnt namelijk ook de verveling. Op het moment dat je de focus op de horizon en het ‘doel’ van je wandeling loslaat, ga je blijkbaar ook focussen op de details ter linker- en rechterzijde en aan je voeten. Je bent dan samen met de verteller ‘den Dingen ergeben’ (Thomas Mann). Dan geniet je van de gedoseerde en uitgebalanceerde woorden en van de hierdoor opgeroepen realiteit: de dooraderde boombladeren en gesteenten, de kleurschakeringen en de variaties in de lichtinval, de ademende cadans van gesprekken waarin mensen luisteren en spreken op het juiste moment.

Ook na deze ‘ontdekking’, ook na deze ervaring dat Stifters tekst gaat leven doordat zij op haar beurt de werkelijkheid laat leven door erbij stil te staan: ook na deze openbaring blijft het voor mij een opgave om te volharden aan de zijde van de gids. Mijn ongeduld kookt soms nog over en wil dan de vaart in het verhaal afdwingen – om dan echter al snel tot orde en maat te worden gemaand en tot bedaren te worden gebracht door de nazomerse windstilte van Stifters stijl.

Wat ook helpt om discipline op te brengen is het besef dat hier niet een detailbezeten autist aan het woord is, maar iemand die heeft nagedacht. Stifters zwerfkeistijl is een ‘statement’, een getuigenis. Hij realiseert al schrijvende een gedachte.

Deze gedachte maakt hij o.a. uitdrukkelijk in de Vorrede tot de Bunte Steine. In de beschouwing van de natuur en van de mensheid – zo zegt hij daar – worden wij op kinderlijke wijze het meest getroffen door het overweldigende, door uitbarstingen van energie en kracht. Daar gaat het echter niet om. Wie bezonnen en bezonken de werkelijkheid tot zich laat doordringen, die kijkt door het opzienbarende en wonderbaarlijke héén van de bliksem en de opzichtige heldendaad – en ziet dan het Wonder van de trage, volhardende, zachte, levenwekkende krachten in mens en natuur; het wonder van het onopvallende, gewone, dagelijkse leven; de rustige, zilverachtig glinsterende stroom van de geschiedenis; de kracht van de kleine, trouwe handelingen, die als duizenden haarwortels duurzaamheid en stabiliteit geven aan het leven en samenleven.

Het vraagt echter bescheidenheid en moed tot onopvallendheid, om dit alles op waarde te schatten. Stifter was zo moedig om dit geluid te laten horen en deze gedachte te verbeelden in de romantische eeuw van de dweepzucht, dat tijdperk dat in zo veel opzichten lijkt op onze tijd. Hij verdient daarom immense populariteit. Het onverwoestbare monument voor Stifter is er al: zijn werk zelf.

* Kenmerkend voor Stifter zijn passages als de volgende: “Mijn grootvader legde zijn stok op de grond, trok mijn vestje recht, knoopte mijn jasje dicht, knoopte vervolgens ook zijn eigen rok dicht, nam zijn staf, en we vervolgden onze weg.” “Hij opende het hek, ging naar buiten en sloot het hek weer.” Welke onvoorbereide lezer voelt zich hier serieus genomen of stelt niet de diagnose van autisme?