Monthly Archives: september 2014

Mediaal kindermisbruik

Kinderen zijn dubbel kwetsbaar. Ze zijn, niet alleen feitelijk, mentaal en fysiek weerloos tegen geweld en misbruik door volwassen. Hun weerloosheid en kwetsbaarheid kan ook nog eens worden geïnstrumentaliseerd en uitgespeeld als strategische troefkaart in machtsspelletjes. Velen herinneren zich het bange Amerikaanse jongetje dat in 1990 voor de camera’s door Saddam Hoessein liefdevol werd gestreeld, toen deze het ambassadepersoneel met zijn families in gijzeling had genomen.

Het gebeurt met de regelmaat van de klok dat kinderen op deze manier speelbal zijn van conflicten. Hun weerloosheid is de troef van degenen die hun eigen kinderen als menselijk schild gebruiken of juist van diegenen die de tegenpartij verwijten hun kinderen als zodanig te gebruiken. Gewonde of gedode, van hun ouders gescheiden, zieke of hongerige kinderen: de camera’s vliegen erop af en binnen de kortste keren zijn de beelden onderdeel van een propagandaoorlog. En als schrijver dezes nog even doorgaat met deze verontwaardigde beschrijving dreigt hijzelf in de val te trappen om het kinderleed retorisch voor zijn kar te spannen. Het lijkt onontkoombaar.

Het zijn niet alleen de moderne massamedia die zich aan mediaal kindermisbruik bezondigen. Een in de literatuurgeschiedenis berucht geval van instrumentalisering is het personage van Nepomuk Schneidewein in Doktor Faustus van Thomas Mann. Het is in dit verband belangrijk om te weten dat Mann zijn romanpersonages vrijwel zonder uitzondering ontleende aan de realiteit. Veelal waren het portretten van mensen in zijn omgeving. Dat Mann daarbij dankbaar gebruik maakte van karikaturale eigenschappen van deze personen werd hem niet altijd in dank afgenomen. Ze voelden zich niet alleen te kijk gezet, maar ook nog eens gebruikt voor het literaire gewin van de schrijver.

In het geval van de kleine Nepomuk maakte Mann het wel heel bont, vond men. De kleine, aandoenlijke Nepomuk werd door de auteur onderworpen aan een slopend ziekteproces en een martelend sterfbed. Hoe kon Mann het over zijn hart krijgen om zo’n sympathiek en innemend personage virtueel te folteren! Tijdens Manns gebruikelijke try-out (de schrijver had de gewoonte om recente pennenvruchten in intieme kring voor te lezen om het effect ervan te testen) verlieten toehoorders dan ook betraand of woedend de kamer. De verontwaardiging was vooral zo heftig omdat de figuur was gebaseerd op Manns eigen kleinzoon, Frido Mann. Het virtuele gezinsdrama heeft bij Frido Mann – die als multitalent nog een lang en meeslepend leven voor de boeg zou hebben – diepe sporen achtergelaten, met name door het gevoel te zijn ingezet als literair kanonnenvoer.

Mann was niet de eerste en ook niet de laatste, die in zijn schrijfstrategie kinderen de vuurlinie in stuurde. Ook in meer onschuldige vorm laten auteurs kinderen zaakjes voor zich opknappen. In de literatuur bestaat daarbij één specifieke traditie, waartoe Nepomuk Schnneidewein hoort. In die, tot de antieke mythologie en het christendom teruggaande, traditie verschijnt het kind uit het niets als een bode uit de hemel, of een geschenk van de goden. Als de volwassen wereld verstrikt is in uitzichtloze problemen en complotten, verschijnt het raadselachtige wezen van het nog onbedorven, maar vroegwijze kind ten tonele; een deus ex machina. Niet zelden is de verademing van korte duur en is de weerloosheid niet opgewassen tegen de ijzeren wetmatigheden van dood en verderf, zoals blijkt uit het lot van Goethes Mignon, of Manns Nepomuk. De jonge redder sterft een vroege kruisdood, waarbij het verlossend karakter daarvan in het midden blijft.

Wonderlijk genoeg is het gebruik van het kind als ongeschonden hemelbode in de literatuur nog steeds een succesformule. Vorig jaar maakte Coetzee gebruik van dit gegeven in zijn surrealistische De kinderjaren van Jezus en dit jaar varieerde Heinrich Steinfest hierop in zijn voor de Deutsche Buchpreis genomineerde Der Allesforscher, een mythologische pageturner die, afgezien van de luchtige toon, verdacht veel lijkt op Coetzees dromerige vertelling. Misschien snakt de lezeres of lezer juist in verwarrende en droefgeestig stemmende crisistijden naar boeken over Onschuldige Wijsneuzen, die een betere wereld suggereren en ons iets laten zien wat wij niet kunnen weten.

Deze bijdrage verscheen eerder op De Leunstoel. Zie ook mijn eerdere column over dit thema.

Gewoon genade

Je kunt natuurlijk je bewonderingsbehoefte botvieren op mensen, die met grote gebaren en woorden je aandacht opeisen. Mensen die hele volksstammen tot zwijgen brengen en de wereld aan hun voeten hebben liggen – door hun dwingende oogopslag, dankzij hun raak gemikte woordkeus of door gedoseerd hun tanden te laten zien. Deze krachtpatsers, grootsprekers en dikdoeners: ze bezitten de gunst die charisma heet en de kunst om daarmee goed te boeren. Ze hebben charme – in de oorspronkelijke betekenis van toverkracht. Je kunt niet anders dan hen bewonderen – want hun talent bestaat vaak precies en uitsluitend in de kunst om die bewondering op te wekken en af te dwingen.

Er echter zijn ook andere mensen. Die oogsten minder adoratie, maar dwingen een rationeel respect af, dat gestaag maar onstuitbaar toeneemt naarmate wij getuige zijn van de wasdom van hun vruchten. Zij zijn geduldige makers van broze en breekbare dingen. Hun hartstocht zit niet in het royale en joviale gebaar, doch in accuraat precisiewerk. Ze zijn er niet op gespitst om te oogsten, maar om te doen groeien. Ze zijn ook helemaal niet uit op het opwekken van bewondering, doch op het verrichten van duurzame wondertjes van schoonheid, waarheid en goedheid.

Twee van dergelijke wonderdoeners kwamen afgelopen zomer in het nieuws: Reinbert de Leeuw (1938), die als ‘zomergast’ de harten van veel televisiekijkers won, en Frans Brüggen (1934), die op 13 augustus overleed. De Leeuw en Brüggen hadden veel gemeenschappelijk, behalve het muzikale vak en hun rookverslaving, namelijk hun opstandigheid tegen het muzikale establishment in de jaren zestig en zeventig, hun inzet voor vernieuwing en grensverlegging en hun streven naar niveau en perfectie. Reinbert de Leeuw deed en doet dit op het vlak van de hedendaagse muziek, waarbij hij overigens steeds minder dogmatisch en rechtlijnig is als het gaat om de vraag welke muziek nu ‘nieuw’ is en welke niet. Frans Brüggen deed dit op het vlak van de oude muziek, waarbij ook hij zijn terrein geleidelijk uitbreidde.

De toegenomen ruimhartigheid op repertoiregebied heeft één ding nooit weggenomen bij Brüggen en De Leeuw: hun compromisloosheid wat betreft kwaliteit en scherpte, nauwgezetheid en ambachtelijkheid. Concertbezoekers – waartoe ik mezelf af en toe mocht rekenen – en uitvoerenden zijn vaak getuige geweest van hun introverte en minutieuze toewijding aan de muziek – en het daarbij soms zelfs doelbewust vergeten van de aanwezigheid van publiek. Zelfs staande voor een relatief groot ensemble, ging Brüggen te werk als een miniaturist of een horlogemaker. De Leeuw is hierin niet achtergebleven. Toen hij bijvoorbeeld in 2011 het meest uitbundige symfonisch-vocale werk uit de westerse muziekgeschiedenis vertolkte, namelijk Schönbergs Gurrelieder: zelfs en juist toen liet hij zien hoe uitgelatenheid zijn weg juist vindt in het afwerken van details en in de zorgvuldige onderlinge afstemming van fijne lijnen. De dirigent verloor en vergat zichzelf in de intieme haarvaten van de muziek. De extase van de compositie uitte zich als naar binnen gekeerde uitzinnigheid.

Dat wat wij charisma noemen en de daarmee gepaard gaande grote, hypnotische gebaren: dat is vaak een kunstje. In het licht van de eeuwigheid is het zelfs een doorzichtige straatartiestentruc. De bewondering voor charismatici is bovendien meestal circulair. Wij bewonderen in hen, zoals gezegd, vooral de kunst om bewondering te wekken als zodanig – los van elke inhoud – zoals wij een verkoper bewonderen vanwege zijn vaardigheid om ons om de tuin te leiden of een zakkenroller vanwege de handigheid waarmee hij ons te slim af is. Het gaat bij charismatici veelal niet om de duurzaamheid van de inhoud, maar om de vingervlugheid van de vorm en de snedigheid van de tong.

Wat Frans Brüggen had en Reinbert de Leeuw heeft is echter geen charisma in deze zin. Het is gewoon genade. Het is de geruisloze en nauwelijks merkbare kus van de muzen. En die staat garant voor het maken van broze en ragfijne, maar juist daardoor onbeperkt houdbare dingen

 

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.