Monthly Archives: augustus 2014

Waarom ik nooit zal zeggen: “Ik ben een christen.”

Onlangs voegden mensen aan hun twitterprofiel een raadselachtige één-ogige smiley toe. Uit navraag bleek het te gaan om de ‘noen’, de beginletter van het Arabische woord voor christen: nasrani. De moorddadige IS in het Midden-Oosten heeft namelijk de huiveringwekkende gewoonte om de huizen van christenen met deze letter te merken en daarmee de gewelddadige dood van de bewoners aan te kondigen of uit te lokken. Uit solidariteit met de door de IS bedreigde christenen in het Midden-Oosten koppelen twitteraars nu het noen-teken aan hun profiel.

De dragers van de nasrani-twibbon kwalificeren het schrikbewind van de IS vaak als doelgerichte christenvervolging. Dit doen ze indirect door het nasrani-teken met geuzenfierheid te hanteren als een soort nieuwe gele davidsster, maar ook uitdrukkelijk en rechtstreeks. Christenvervolging zou echter betekenen dat de christenen de belangrijkste of zelfs exclusieve slachtoffers zijn van de IS. Feitelijk echter zijn anders denkende en anders levende moslims minstens even sterk het doelwit, om nog maar te zwijgen over Yezidi’s en Joden.

Bovendien suggereert het woord vervolging dat christenen door de IS worden opgejaagd en uitgeroeid omdat en voorzover ze christenen zijn, zoals het geval was in de ontstaanstijd van het christendom, toen de aanhangers ervan werden gevreesd en gehaat vanwege datgene wat zij waren en omdat dit bedreigend was voor gevestigde identiteiten (hetgeen overigens mutatis mutandis ook van toepassing was en is op het antisemitisme). Als de christenen nu opgejaagd wild zijn van ISIS, is dat echter niet omdat ze ‘iets zijn’ maar omdat ze iets ‘niet zijn’. Christenen worden niet opgejaagd, bedreigd en afgeslacht in de hoedanigheid van christenen, doch als andersdenkenden. De ISIS-beulen haten niet de christenen als zodanig, doch worden geleid door een blinde haat jegens alles wat niet is als zijzelf: christenen, foute moslims, Yezidi’s, Joden etc.

De gruwelen van de IS doen al met al niet een beroep op mijn solidariteit met een omschreven religieuze groep, doch op universele menselijke solidariteit met al degenen die worden verdreven en uitgeroeid omdat ze niet in een bepaald straatje passen. Blijkbaar werkt het echter niet bij iedereen zo en zoeken velen voor hun betrokkenheid graag een doelwit waarmee ze zich kunnen identificeren. Op zich is dat nog niet verwerpelijk. Het zij iedereen gegund om in de eerste plaats solidair te zijn met mensen met wie ze een levensopvatting of een cultuur delen. Er zijn zoveel gruwelen op de wereld, dat het in de praktijk eigenlijk niet uitmaakt waar je begint met je solidariteit. Als het gevoel van herkenning helpt om je betrokken te voelen en in actie te komen, dan is dat alleen maar mooi meegenomen. En het is hopelijk een begin van een bredere, meer anonieme vorm van solidariteit.

Daarachter doemt echter meteen weer een andere vraag op. Waarom is het aantrekkelijk om je eigen identiteit te enten op een verzameling van groepskenmerken? Voegt dat wel iets toe? Reduceer je daarmee niet het complexe en gelaagde verschijnsel identiteit? Zijn er geen risico’s aan verbonden als je identiteit samenvloeit met een logo – en als dit dan richtinggevend en motiverend wordt voor je handelen?

Bovendien is het woord ‘christen’ als aanduiding van identiteit extra ambivalent. Het is probleemloos om dit woord – bij voorkeur in de meervoudsvorm – te hanteren als een historische of sociologische categorie, zoals ik hierboven deed. Het is een ander hoofdstuk als het een statement wordt, als het woord wordt gebruikt om jezelf ermee te identificeren en ‘neer te zetten’. Als je een visje op je auto plakt, een kruisje om je nek draagt, een noen-teken op je ava plaatst of uitdrukkelijk zegt ‘ik ben een christen’ begeef je je in een naar mijn smaak hachelijk taalspel. Als bekentenis is de uitspraak ‘ik ben christen’ een spel met vuur.

Christen-zijn is namelijk niet een identiteit die je kunt aannemen, je kunt toe-eigenen of op jezelf kunt toepassen. Het is iets wat je overkomt. In de Bijbelse en theologische traditie is het een vloek of een uitverkiezing, een roeping of een doodsvonnis, een ongewild merkteken of een stigma. De uitspraak ‘Ik ben christen’ is in zijn letterlijkheid zelfs geladen door een specifieke context: het was de schuldbekentenis-tegen-wil-of-dank van de martelaren voordat ze voor de leeuwen werden geworpen. Ik zal dus nooit zeggen ‘ik ben christen’. Niet uit lafheid, maar uit schroom en omdat ik het als statement overmoedig vind en pretentieus. Ik vind de uitspraak te direct en te absoluut.

Bovendien: zelfs als ik naar eer en geweten zou kunnen zeggen christen te zijn, zou ik het nog indiscreet vinden om het ook daadwerkelijk uit te spreken en wel vanuit hetzelfde gevoel van al te grote directheid en indiscreetheid dat ik onderga bij de impertinente vragen die in onze exhibitionistische cultuur door goeroes op ons worden afgevuurd: vragen naar onze hartstocht of ons geheim, onze droom of onze gedrevenheid, onze bezieling of onze bronnen. Bedgeheimen deel je toch ook niet in het openbaar?

Misschien komen mijn opvattingen in dezen voort uit het feit, dat ik ben opgegroeid in een volkskerkelijk milieu waarin je met halve woorden kunt volstaan en waarin je gedoseerd en indirect communiceert over je ‘identiteit’. Je zegt niet ‘ik ben christen’, doch ‘ik ben katholiek’ of ‘rooms’ of ‘protestants’ of ‘artikel zo en zo veel’. Je bedient je in dit verband niet van een theologisch, doch van een sociologisch vocabulaire, van de taal van burgerlijke stand. Je duidt jezelf aan met woorden die zichzelf niet al te serieus nemen, woorden waarin de oorspronkelijke lading en betekenis is afgekoeld en gestold, zodat je er je handen niet aan brandt.

Je wordt hier meer mens van. Met dit bescheiden en lichtelijk ironische vocabulaire relativeer je jezelf en schep je de mogelijkheid voor echte communicatie. Het voorbehoud in het spreken over je zelf maakt immers plaats voor de ander en schept ruimte voor een zakelijk gesprek over het wezenlijke en urgente: de humaniteit.

 

Deze bijdrage verscheen eerder op De Leunstoel .

Laten we stoppen met stoken in ons gedeelde verleden.

We zaten er natuurlijk op te wachten. Nadat vorig jaar alle aandacht was uitgegaan naar de bevolking van Groningen, die zuchtte onder de gevolgen van jarenlange gasboringen, moest vroeg of laat het Klaagvolk der Limburgers zich melden. Dat deden ze dan ook afgelopen week door herstelbetalingen te eisen voor de mijnschade.

‘Huh? Mijnschade?’

Inderdaad.  Zelfs de meeste Limburgers moeten tegenwoordig op Wikipedia opzoeken wat mijnen überhaupt wáren. Ze zijn immers geboren en/of opgegroeid in de tijd dat Limburg op de schoot van dat verfoeide Den Haag zat en met verholen gretigheid bovenrivierse flesvoeding binnenslurpte. Als ze echter ergens anders de schuld en de rekening kunnen neerleggen, dan zijn Limburgers snelle leerlingen in de geschiedenisles. Als een Limburger wordt  geboren staat er aan de wieg immers altijd een fee die de bezwerende woorden uitspreekt: “Wat jou ooit ook overkomt: de anderen zijn daarvoor verantwoordelijk.”  (Als Limburger heb ik helaas recht van spreken.)

Het dreigt echter een Nederlands of Westers probleem te worden: deze neiging om rekeningen te willen vereffenen als ons iets is overkomen en als we schade lijden. Iemand moet boeten en bloeden als we schade lijden. Dit lijkt een rationele reactie: de meeste schade waarover mensen klagen is immers het gevolg is van menselijk handelen, i.c. economische bedrijvigheid door burgers en ondernemingen en het daarvoor scheppen van infrastructurele voorwaarden door de overheid. We hebben er last van als de grond onder voeten wordt weg geboord, als er ongewenste stoffen in de atmosfeer raken, als er verkeersinfarcten ontstaan, als dijken op bezwijken staan, als het grondwater te hoog staat, als een handelsakkoord faalt enzovoorts.

Niettemin kunnen we niet genoeg worden herinnerd aan de gemeenplaats dat onze economie, inclusief de rol die de overheid daarin speelt, een complex samenspel is met een autonome dynamiek en gekenmerkt door dilemma’s. Daardoor is het stellen van schuldvragen een vrij kinderlijk zwaktebod. Zelfs na de bankencrisis, toen we zo goed wisten wie de boosdoeners waren, bleken de verwevenheid en de versplintering van de verantwoordelijkheid toch groter dan we dachten.

Tenzij we kiezen voor het alternatief van een Morgenthauplan, een de-industrialisering en ontmodernisering van onze samenleving – iets waarvoor ieder realistisch en aan een rijk gevulde koelkast gewend mens terugdeinst – moeten we ermee leven dat onze economie een complex en autonoom systeem is met onvermijdelijke risico’s en voorspelbare gevolgen. Dat is geen fatalisme, maar juist het besef dat we ons noodlot zelf hebben geschapen en dagelijks herscheppen (om er ook de vruchten van te plukken).

Misschien kunnen we echter gewoon niet leven met de onverdraaglijke gedachte dat de wereld weliswaar door ons is gemaakt maar niet volledig beheersbaar is, dat we het monster der onmaakbaarheid hebben voortgebracht. Of wellicht hebben we een infantiel magisch wereldbeeld, waarin er achter de dingen die gebeuren altijd exact te lokaliseren opzet – en vooral kwade opzet – schuilgaat. Of misschien zijn we gewoon te gemakzuchtig om de verantwoordelijkheid voor het verleden te dragen en te lui om die voor de toekomst manmoedig op ons te nemen. Hoe dan ook: iemand moet hangen voor wat ons overkomt.

***

De hooivorkpetitie van de Limburgers is echter meer dan een aanleiding voor dergelijke cultuurfilosofische bespiegelingen. Het is ook verontrustend om feitelijke redenen. We hebben in Nederland (om ons nu even tot deze inmiddels achterhaalde schaal te beperken) nu eenmaal een economie met een historisch en organisch gegroeide arbeidsverdeling. Iedere regio of stad heeft accenten en soms zelfs monoculturen op economisch gebied. En elke economische bedrijvigheid en lucrativiteit gaat ten koste van iets en levert risico’s en kosten op. Deze zijn verschillend qua aard en intensiteit – maar altijd aanwezig. De kost gaat voor de baat uit. Daarbij komen dan nog de internationale verwevenheden en afhankelijkheden – zoals blijkt uit de pingpongboycot met Rusland.

Tegen deze achtergrond kan de schadevergoedingscultuur tot absurde consequenties leiden. Wie draait straks op voor de gevolgen die de Russische boycot heeft voor streken met een oververtegenwoordiging van tuinders? De minister van Buitenlandse Zaken? En gaan bewoners van de grote steden straks bij overheid, industrie en logistiek claims neerleggen voor de gevolgen van urbanisatie – de opkomst van ISIS in de oude wijken incluis? En wat hebben de bewoners van het leeglopende en verschralende platteland in petto? En als je, zoals ik, in een geestdodend saaie regio woont en werkt? Wie betaalt mijn compensatiealcohol? Moet er dan maar niet meteen een schadefonds worden gevormd ter grootte van ons BNP, om ons collectief in te dekken voor de gevolgen van onze economie tout court?

Het zal zo’n vaart toch niet lopen? Ik ben daarop niet gerust. Op individueel niveau begint de schadeclaimcultuur al woekertendensen te vertonen , met als gevolg dat straks bijvoorbeeld niemand meer arts durft te worden of achter het stuur van zijn of haar auto durft te gaan zitten. Gaan we deze reactieve en verlammende tendens nu ook op collectief niveau doorzetten? Of gaan we beseffen dat we in de eerste plaats proactief verantwoordelijk zijn voor een welvarende, rechtvaardige en veilige samenleving? Dit is vooral een toekomstgerichte uitdaging aan productieve, opbouwende en creatieve krachten.

Laten we rechtsomkeert maken. Laten ermee stoppen risicomijdend door het leven te sluipen en op elkaars tellen te passen.Laten we ermee ophouden te stoken in onze gedeelde verledens. We doen onszelf te kort en sluiten onszelf uit van kansrijke ontwikkelingen.

Met stomheid geslagen kunst

In mijn vorige column sprak ik over de lichtheid en de luchtigheid van kunst. Het leek me – op dat moment en met het oog op de zomerse komkommertijd – een goed idee om te laten zien hoe kunst ons kan optillen, verheffen en ontheffen aan de zwaartekracht en de zwartheid van het bestaan. Inmiddels zijn we weer met de neus op de feiten gedrukt: door de volstrekt uit de hand lopende strijd in de Arabische wereld, door de niet te stelpen en schrijnende wond van het Israëlisch-Palestijnse conflict en door de donderslag bij heldere hemel waarmee vlucht MH17 werd neergehaald. De zwaartekracht en de zwarte gaten van het kwaad kunnen ons te machtig worden. Dat was ik in mijn naïveteit of vakantie-euforie vergeten.

Er zijn ook kunstenaars die juist aan die ervaring uitdrukking geven. Hun werk capituleert voor de loodzware en loodgrijze oppermachtigheid van de werkelijkheid. Hun kunst verlicht, verluchtigt of verheft niet, doch geeft toe aan die zwaartekracht die elke opwaartse beweging in de kiem smoort en alle licht absorbeert. Toevallig kwam ik een specimen van dergelijke kunst tegen in Museum de Fundatie in Zwolle. Het is de installatie The Clearing van Roy Villevoye.

Hyperrealisme

Dit werk van Villevoye – waarin we twee willekeurig neergevallen of neergeworpen lijken zien – beangstigt mij. De kunstenaar verbeeldt niet alleen de oppermachtigheid van de zwaartekracht als een inhoud. Hij onderstreept deze oppermachtigheid bovendien in de gekozen vormentaal. Met dat laatste doel ik op het hyperrealisme van Villevoye. Hij laat de verbeelding en de creativiteit geen ruimte om plaats te nemen tegenover of buiten de werkelijkheid – laat staan erbóven.

In veel traditionele kunst is dat nog wel mogelijk. Daar bestaat nog een speelruimte tussen de artiest enerzijds en zijn of haar het object anderzijds. En van die ruimte maakt de kunstenaar dankbaar gebruik voor sublimatie. Daardoor kan zij of hij in het gunstigste geval de weergegeven, weerspiegelde realiteit draaglijk maken. De bruutheid van de werkelijkheid wordt verzacht of gecompenseerd door schoonheid, ironie of melancholie. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan zijn de klassieke kruisigingstaferelen die de vloeiende lijnen van de anatomie of de weke oogopslag van de stervende Christus benadrukten.

Bij Villevoye is er echter – zoals gezegd – geen sprake van ruimte tussen kunst en wereld. Realiteit en verbeelding vallen bij hem restloos samen. Er wordt niets gesublimeerd. De ‘weergegeven inhoud’ (de willekeurig op de grond terechtgekomen lijken) wordt op brute wijze en tot in de details gekopieerd en herhaald. Zoals de lijken in het werk zijn aangezogen en geplet door de zwaartekracht van de aarde, zo wordt ook het werk zelf opgezogen door de brute werkelijkheid. Tussen realiteit en verbeelding is geen speld te krijgen. Het kunstwerk ondergaat aldus zelf wat de ‘weergegeven’ lijken hebben ondergaan.

Met stomheid geslagen

Toen ik oog in oog stond met The Clearing had ik het gevoel dat ik getuige was van een op de spits gedreven of moedwillig mislukte kruiswegstatie. Hier is geen Jezus die drie keer valt en opstaat, die strompelend een weg gaat. Geen Jezus die omstanders proberen overeind te houden. Geen Jezus die sterft in opstand en overgave. Nee: hier liggen twee mensen die in één oogopslag en op brute wijze ten val zijn gebracht. Zonder ruimte voor weerwoord.

Ze zaten gewoon in het vliegtuig, op weg naar huis, werk of vakantie. Ze liepen gewoon op het strand. Ze waren gewoon op weg naar de synagoge, de kerk of een heimelijke homo-ontmoetingsplaats. En iemand vond het nodig om hier een eind aan te maken. Zomaar. Ineens. Dit vroeg om een kunstwerk zonder duiding. Een kunstwerk dat met stomheid is geslagen door de realiteit.

(Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.)