Monthly Archives: juli 2014

De pedagogie van het selectieve mededogen

Het slechte nieuws van de laatste weken is nog zwarter en bitterder gemaakt door het gekissebis tussen nieuwsvolgers, collectief rouwenden en zich-solidiair-verklaarders in de social media. In de gesprekken over de ramp met MH17 is er bijvoorbeeld altijd wel iemand die wijst op de nog-erger-heid van andere zaken. Koplopers in de ergheidswedloop zijn ten eerste de wandaden van de in Syrië en Irak oprukkende ISIS en ten tweede het volstrekt uit de hand gelopen conflict tussen Israel en Hamas. Deze laatste twee zaken strijden ook onderling om de koppositie. Er kan er maar één de slechtste zijn, toch?

Ik sta niet stil bij de apert cynische getalsmatige vergelijkingen (‘meer moslims gedood door moslims dan door de IDF’ of ‘meer doden in Syrië dan bij vlucht MH17’) of de wansmakelijke historische jij-bakken (‘De Joden moesten toch beter weten!’). Het heeft ook weinig zin om het verwijt van ‘selectieve verontwaardiging’ te ontkrachten. Het hanteren van een dubbele standaard is ongeoorloofd: dat staat als een paal boven water. Hooguit is het dubieus om de gesprekspartner te diskwalificeren op grond van dit louter formele verwijt. Iemand die Israël strenger de maat neemt dan Hamas (of andersom) is misschien minder serieus te nemen: inhoudelijk kan hij of zij wel gelijk hebben wat betreft het aan de kaak gestelde gedrag op zichzelf.

Ongenoegen

Achter of onder deze onverkwikkelijke discussies lijkt er echter iets anders schuil te gaan. En dat intrigeert me. Ik doel op het ongenoegen, ja: de schaamte over het feit dat wij mensen ons soms meer bij de ene medemens of groep betrokken voelen dan bij de andere. Er is sprake van favorisering of prioritering in onze sympathie, empathie en solidariteit. Dit lijkt niet bij ons zelfbeeld te passen. Sommigen generen zich bijvoorbeeld onuitgesproken voor het uitbundige rouwmisbaar aan de A2 op 23 juli en daarna. Dit lijkt immers in geen verhouding te staan tot het gegeven dat elders in de wereld (Syrië, Gaza, Libië) elke seconde weer nieuwe doden vallen terwijl we daar veel zakelijker over spreken.

Dat we onze sympathie ongelijk en ook wat grillig verdelen, valt niet te ontkennen. Ik denk bijvoorbeeld niet dat ik de enige was die de afgelopen twee weken bij wijlen meer aandacht besteedde aan de tweehonderd Nederlanders in het neergehaalde passagiersvliegtuig, dan aan de overige inzittenden en aan de slachtoffers van (andere) conflicten. Een andere uitingsvorm van de ongelijke verdeling van sympathie is het feit, dat we bij gewapende conflicten veelal meer geraakt zijn door het droeve lot van ‘onschuldige burgers’ dan door dat van strijders, meer door dat van kinderen dan door dat van volwassen mannen. In de berichtgeving worden deze categorieën dan ook vaak met nadruk genoemd. Blijkbaar doen we dit om iets kracht bij te zetten.

Perspectivisme

Is het echter werkelijk niet in de haak, dat we empathie en solidariteit zo ongelijk en schijnbaar willekeurig verdelen?

Op het eerste oog is dat het geval. Menselijkheid en medemenselijkheid zijn iets universeels. We vinden terecht dat we met iedere soortgenoot – ondanks de geografische, culturele of religieuze afstand en ongeacht de gradaties in aandoenlijkheid – op dezelfde manier moeten meeleven en dat we ons in dezelfde mate voor haar of hem moeten inzetten.

In tweede instantie lijkt er echter een algemeen menselijke behoefte te bestaan, om empathie en solidariteit van prioriteiten te voorzien. Universele menselijkheid als zodanig loopt namelijk het risico om abstract en vruchteloos te worden, als ze niet wordt gerepresenteerd – ‘bemiddeld’, om het wat wijsgerig uit te drukken – door een particuliere gestalte ervan. We zijn immers ook perspectivische wezens. Wat dichtbij staat dringt zich meer op.

Empathie en solidariteit, meeleven en inzet worden bovendien geactiveerd door identificatie met de ander en door emoties die daarmee gepaard gaan. Compassie en betrokkenheid worden allereerst gewekt door het herkenbare en het invoelbaar schrijnende. Dat vereist nabijheid.

Kortom: We zijn geen slechtere mensen omdat we ons allereerst laten raken door en in actie komen voor de nabije – of voor die vreemdeling in wiens leven en lot wij ons speciaal verdiept hebben. Het herkenbare en nabije is daarbij wel altijd de poortwachter van het vreemde en verre – en diens plaatsbekleder.

Wereldverbeteraars maken zonder enige gêne gebruik van dit gegeven. Ze wekken inlevingsvermogen, betrokkenheid en actie op door middel van aansprekend beeldmateriaal en plastische verhalen over het lot en de strijd van berooide medemensen. Op die manier laten ze ons zien en voelen dat ook die verre vreemdeling of vreemde verreling iemand is van onze soort. En zo zijn er ontelbare organisaties ontstaan met het exclusieve doel, om één bepaalde exotische of onzichtbare bevolkingsgroep dichtbij te brengen.

Over dergelijke exclusieve solidariteitsacties breken we niet de staf vanwege hun eenzijdigheid. Zolang de focus op één groep (Palestijnen in Gaza, Christenen in Irak, kastenlozen in India, vrouwen in de Islam) ons indirect sensibiliseert voor het lot van al onze medemensen en niet ontaardt in leedchauvinisme, vinden we hem blijkbaar legitiem.

Pedagogie en waakzaamheid

Het is dus zonder meer geoorloofd om ons bij onze meelevendheid en solidariteit te laten leiden door herkenning en aangedaanheid – mits dit maar een stap is op een weg naar universaliteit. Het particuliere dat identificatie mogelijk maakt en onze emoties opwekt, dient steeds weer het universele te vertegenwoordigen. Datgene wat zich opdringt op de voorgrond van ons perspectief, mag niet het zicht ontnemen op datgene wat zich in de verte voor ons oog ontvouwt. Het moet juist onze blik voor dat laatste scherpen.

In die zin hebben door voorkeur geleide sympathie en de daaruit voortvloeiende actie een pedagogische functie. Om het concreet te maken: de Nederlandse kleuter wiens lichaam is uiteengespat op Oekraïense bodem verwijst – als het goed is – ook naar de kapot gebombardeerde kinderen van Gaza en wekt onze betrokkenheid daarbij.

Het concrete slachtoffer van vandaag verwijst bovendien ook naar de mogelijke slachtoffers van morgen. De pedagogie van de compassie is toekomstgericht. Ze maakt ons waakzaam. De uiteen gereten Palestijnse kinderen verwijzen – om ook hier concreet te blijven – tevens naar de Joodse kinderen die morgen in Parijs, Brussel of Amsterdam stikken in de rook, als er een molotovcocktail door de ruit is gegooid van het huis waarin zij zich nu nog (een beetje) veilig voelen.

Zomertijd

Het is weer festivaltijd. Voordat de hondsdagen aanbreken en de zomer het maatschappelijk verkeer helemaal platlegt, leven we ons uit in kunstevenementen. Dit helpt om te ontwennen van de sleur en de stress van het dagelijks leven. We hebben nog te veel adrenaline in ons lijf, om ons over te geven aan het gedobber op de waterspiegel van een meer. Tegelijk willen we al afstand nemen van het getrek en geduw, het getob en getier van alledag. Festivals komen bij dit dilemma uitstekend van pas. Ze doen weliswaar een appel op onze energie en helpen bij de verbranding van overtollige reserves, maar ze plaatsen tevens alles in een ander daglicht en perspectief.

In die zin is elk festival een feest – zoals de naam al zegt. Het is enerzijds beslist niet vrijblijvend, want het is strak georganiseerd en vergt inzet. Anderzijds is het wel degelijk bevrijdend, omdat er een uitzicht wordt geopend op een andere werkelijkheid. De kunst die tijdens het festival wordt vertoond maakt de realiteit doorschijnend. Dit geldt natuurlijk bij uitstek voor het (muziek-)theater, dat een rituele oorsprong heeft en in zijn vroegste vorm goden en mensen, hemel en aarde met elkaar wilde verbinden.

Lange zomeravonden

Eerlijk gezegd beleef ik de meeste festivals via de media. Bovendien organiseer ik jaarlijks, op de overgang van werkseizoen naar vakantie, mijn private minifestivalletje. De lange zomeravonden, gecombineerd met een leeglopende en zich ontspannende agenda, zijn bij uitstek geschikt om een dik boek te lezen of om met de koptelefoon te luisteren naar lange stukken muziek: een paar fikse kwartetten van Beethoven, een opera van Wagner of een symfonie van Mahler. Het is de tijd voor zaken ‘waar je anders nooit aan toekomt’.

Natuurlijk is dit een individualistisch gebeuren. Als zodanig lijkt het niets te maken te hebben met het ritueel van het echte festival. Dat is immers per definitie iets collectiefs. Niettemin wordt ook de eenzame luisteraar of lezer altijd opgenomen in een onzichtbare kerk die alle tijden en plaatsen omspant. Op het moment dat ik mij voeg in de traditie van hen die zitten aan de voeten van de grote geesten, ben ik meer dan ooit lid van de polis en wereldburger – ook al doe ik dat in mijn eigen ‘hoekske’.

Neerslachtig

Het festivalgevoel neem ik trouwens ook altijd mee op vakantie. Mijn mooiste vakantieherinneringen gaan over kunst, over momenten waarop ik een wereld voor me zag open gaan. Mijn eerste kennismaking met Toscane was zo’n moment, bijvoorbeeld.

Het was in het begin van de jaren negentig. Ik stond aan het begin van mijn loopbaan als theoloog. De sfeer in de katholieke wereld was in die tijd behoorlijk verziekt. De bisschoppen haalden, na jaren van treiterpolitiek, de oogst binnen van een angstklimaat dat hun gedweeë en gewillige onderdanen opleverde. Aan de andere kant heerste in progressief RK Nederland een sfeer van boosheid en bitterheid, waarbinnen elke vorm van interne kritiek als verraad werd beschouwd. Na drie jaar werken hield ik het bijna voor gezien. Neerslachtig begon ik in 1994 aan mijn vakantie.

Tijdens deze vakantie vond een ommekeer plaats. In de kerkgebouwen en kloosters van Florence en omstreken ontdekte ik de betekenis van kleur en gratie, vooral door de fresco’s van Fra Angelico. Ik hield op mijn geloof en mijn werk te associëren met noordelijke, neogotische muffigheid, calvinistische kaalheid en katholieke kramp. Er sloop een lichte en transparante toets in. Moeten maakte plaats voor ontspannen en relativeren. Een soortgelijke ervaring deed ik jaren later op in de montere vroegchristelijke kerken van Ravenna. De kennismaking met dergelijke uitingsvormen van vederlicht en vriendelijk geloven heeft me de nodige Hollandse winters doorgeholpen.

Hoogstaande oppervlakkigheid

En natuurlijk: na een bezichtiging van een kerk is er dat strandje of dat zwembad. En de overgave aan mijn gewichtloosheid in het water, terwijl ik via de MP3-speler luister naar La Mer van Charles Trenet. Dobberend op het watervlak ben ik niet bestand tegen een soort hoogstaande oppervlakkigheid. Ik houd ermee op, mezelf al te serieus te nemen. Maar ook deze zelfrelativering doet ertoe. Het gevoel dat je een drijvend veertje bent op een immense oceaan, is wellicht het begin van de levenskunst – en van authentiek geloof.

 

Eerder verschenen op: De Bezieling.

 

Slachtoffers

Reeds eerder heb ik op deze plaats mijn eigen gedachten en bedenkingen geuit met betrekking tot de ‘zwarte-piet-discussie’ (zie hier). Voordat ik mij nu weer meng in dit debat, wil ik herhalen wat ik toen ook al zei, namelijk dat ik mij niet schaar onder de in hun Oudhollandse wiek geschoten dijkbewakers, die zich tekort gedaan voelen omdat een stukje waardevol erfgoed wordt bedreigd. Ik wil de discussie ook niet afdoen als irrelevant en haar bagatelliseren door te zeggen dat het slechts gaat om een kinderfeestje – zoals de nostalgici beweren, wier heftigheid er echter eerder op duidt dat ze de zaak juist bloedserieus opvatten.

Nee, het gaat mij niet om het stukje inwisselbare folklore van de knecht van Sinterklaas, doch om de sfeer en de context van de discussie. En die vind ik belangrijk genoeg om er serieus over te discussiëren. Op die context ging ik in mijn vorige column ook in, toen ik de willekeur en subjectiviteit aan de kaak stelde waarmee groepen de criteria en grenzen definiëren die bepalen wanneer iets wel of niet discriminatie is.

Bij de sfeer en context hoort ook – en daar wil ik nu de aandacht op vestigen – de neiging van bepaalde personen en groepen, om hun situatie zodanig te ensceneren en te stileren, dat er sprake is van een tegen hen gericht complot, waarvan het fenomeen zwarte piet een onderdeel is. Terwijl deze personen en groepen anderen verwijten de discussie in kwestie te bagatelliseren, bederven zij zelf haar wel op een nog dodelijkere manier, namelijk door zich te bedienen van de conversation-stopper van de slachtoffermythe. Op een inmiddels voorspelbare en daarmee tragikomisch wordende manier, wordt namelijk al vroeg in het spel de troefkaart van racisme en kolonialisme getrokken.

Als daarbij ook nog eens een herstelbetalingslobbyiste met een onaantastbaar VN-aura in het veld wordt gevoerd, wordt het wel een heel meelijwekkend gebeuren. Slachtofferschap – waarover je historisch en sociologisch tot op zekere hoogte nog rationeel kunt discussiëren – wordt dan gereduceerd tot een banaal verdienmodel van schadeclaimparasieten. (U weet wel, dat verschijnsel dat door ons linkse weldenkers als zo Amerikaans wordt verfoeid). Erg doorzichtig allemaal.

***

Er zijn genoeg mensen die over deze problematiek veel verstandigere zaken hebben gezegd en nog zullen zeggen. Inhoudelijk voeg ik er weinig aan toe. Ik wil u wel deelgenoot maken van een introspectieve bespiegeling. Waarom – zo vraag ik me namelijk af – roepen de zwarte-piet-discussie en de context daarvan bij mij zoveel emotie op? En heeft die emotie, afgezien van het feit dat ze een drijfveer vormt om me in de discussie te mengen, ook een inhoudelijke en informatieve waarde?

Welnu: ik betrap me zelf erop, dat ik opstandig word en in verzet kom, zodra ik gedragspatronen waarneem die bij mijzelf voortdurend op de loer liggen. Als ik me bijvoorbeeld opwind over de rancune en het ressentiment van de PVV en haar achterban, dan komt dat doordat ik zelf behept ben met rancuneuze reflexen die ik heb leren te beheersen.

Hetzelfde geldt voor het slachtofferdenken, dat zo sterk verwant is aan politiek en sociaal ressentiment. (In die zin lijken de tegenpolen in de zwarte-piet-discussie overigens als twee druppels water op elkaar.) Ik herken er de ‘frames’ in die mijn visie op en houding in het leven lang hebben bepaald en in mijn onderbewuste nog rondslingeren. Mijn allergie komt voort uit de pijnlijke confrontatie met mijn spiegelbeeld.

Laat ik dit spiegelbeeld beschrijven.

Ik ben opgegroeid in een Limburgs kleinburgerlijk milieu. In dat milieu werd aan je wieg gezongen, dat je voor een dubbeltje was geboren en dat een kwartje er echt niet inzat. In datzelfde liedje werd ook de oorzaak aangegeven van dit onontkoombare noodlot. Het was ‘schuld’. Om precies te zijn: het was de schuld van anderen. Het had overigens geen zin om je te verzetten tegen datgene wat die anderen je aandeden. Het enige wat je kon doen was: binnen de door anderen ingeperkte ruimte er het beste van maken, zonder grote ambities en aspiraties te koesteren en zonder een verantwoordelijkheidszin te ontwikkelen die verder ging dan de vierkante meter van je eigen leven. De samenleving mag geen last van me hebben, maar ook geen beroep op me doen – want wat doet zij voor mij, behalve mij dwarsbomen? – zo luidde het devies.

Het heeft lang geduurd voordat ik dóórhad, dat ik me in deze zelfvictimisatie liet meenemen. Ik kwam er door schade en schande achter, dat ik mijn leven ten onrechte verbeeldde als een ‘lot’ en oorzaken om-definieerde tot ‘schuld’. Ik hoorde mezelf tot mijn beschaming en ontluistering klagen over de beperkingen die anderen mij oplegden en over de hindernissen die zij mij in de weg legden.

En tot inkeer komend leerde ik vervolgens inzien dat het menselijk bestaan weliswaar geen land van onbegrensde mogelijkheden is (ook dat is immers een mythe), maar dat je wel degelijk zelf veel in de hand hebt. Natuurlijk: de noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor geluk en vooruitgang liggen niet voor het oprapen – en zeker niet ‘in jezelf’, zoals organisatiebedriegers ons wijs maken – maar niets doen, afwachten en naar anderen wijzen leiden ook tot niets. Dat het leven geen Luilekkerland is – en dat is zo – is niet de schuld van anderen, geen excuus voor verongelijkt achteroverleunen, maar een opdracht aan jouzelf.

***

Kortom: toen ik ontdekte dat ik het geschetste patroon maar al te gretig had geïnterioriseerd – ik benadruk mijn eigen aandeel maar, voordat u gaat denken dat hier sprake is van een paradoxale, rancuneuze afrekening met mijn milieu – en ik dientengevolge mijn eigen verantwoordelijkheid ging nemen, kwam er in mijn leven weer meer beweging, kleur en muziek.

Het hiermee geschetste psychologische zelfportret is wellicht een verklaring voor mijn aversie tegen het slachtofferdenken van anderen, zoals het nu ook weer de ‘zwarte-piet-discussie’ verziekt. Hopelijk is het echter meer dan een psychologische verklaring. Hopelijk laat het ook zien, dat je met slachtofferdenken anderen en jezelf te kort doet en dat je daarmee de kansen van het leven – die helaas altijd en voor iedereen beperkt in omvang en aantal zullen zijn, zonder dat deze schaarste iemands schuld is – links laat liggen.

 

EC

 

Postscriptum (terzijde): Overigens betekende de hierboven aan de kaak gestelde Limburgse mindset niet, dat je lui mocht zijn. Integendeel. Het was eerder een kwestie van je plicht doen, je eigen boontjes doppen en je eigen tuintje goed bijhouden. Het meest treffende beeld van dit gedragspatroon is de eenzame Vastenavondvierder, de solistische meeloper in de carnavalsoptocht, de ‘Einzelgänger’. Deze is een typisch Limburgs fenomeen. Hij sluit zich niet aan bij een groep, bouwt niet mee aan een praalwagen, maar verschijnt incognito uit het niets, loopt een eindje mee met de stoet en verdwijnt daarna weer in het niets.