Monthly Archives: juni 2014

Slimme gebouwen

Eerder geplaatst op De Leunstoel, Internetmagazine voor rustige mensen.

Voor mij als kind hadden gebouwen eeuwigheidskarakter. De gebouwen om mij heen waren oergesteente, waarop mijn leven en dat van anderen was gegrondvest en waarop ik rotsvast kon vertrouwen. Ze waren ouder dan ik en zouden mij overleven. Ik realiseerde me niet dat ik opgroeide in een tijd, waarin de cement van de naoorlogse haastklusbouw nog nauwelijks was opgedroogd en waarin op sommige plaatsen in Europa zelfs nog de kraters en puinhopen onder handen werden genomen.

Soms werd er natuurlijk wel een gebouw met de grond gelijk gemaakt. Dat geurde in de mijnstreek, waar ik woonde, zelfs met toenemende frequentie. Vooral de iconische architectuur en de landmarks – we noemden dat toen natuurlijk nog niet zo – van de mijnindustrie moesten het ontgelden. Dat één van de schoorstenen van de Oranje Nassau I bij de sloop in 1976 ongelukkig terecht kwam, versterkte het traumatische gevoel van tragiek en ondergang dat met dit proces gepaard ging.

Ondanks de feitelijke en symbolische sloop van het mijnlandschap in Zuid-Limburg, werd mijn gevoel voor eeuwigheid echter niet aangetast. Er rezen immers nieuwe gebouwen uit de grond, die een glansrijke en robuuste toekomst in het vooruitzicht stelden. Ik zag in mijn woonplaats Heerlen de kantoren van het ABP oprijzen. Het sombere en sobere treinstation maakte plaats voor een luchtig gebouw met kleurrijke ramen. Het AZM zette in 1972 een provocerend pand neer, dat al snel de bijnaam toeter- of tietengebouw kreeg. Het was het Turks Fruit onder de bouwwerken. Heerlen daagde als het ware topless de toekomst uit en trotseerde bij voorbaat de tand des tijds. De stad was eeuwig jong.

***

En toen gebeurde het. Ik voelde me ineens heel erg oud worden – want ik overleefde datgene waarvan ik altijd had gedacht dat het eeuwig jong was: de bouwwerken. Ik zag de glorie verbleken en de materialen letterlijk afbrokkelen en verslijten. Gebouwen bleken niet eeuwig. Het AZM-pand werd vervangen door een serieuzer gebouw. De ABP-torens waren toe aan een restauratie. En het station bleek uitgediend en wordt inmiddels alweer vervangen. Ook elders zie ik de deconfiture van de ‘eeuwige jeugd’, zoals in mijn huidige woonplaats Eindhoven en in het stationsgebied van Utrecht. Gisteren waren Hoog Catharijne en Vredeburg nog jong. Nu maken ze plaats voor iets nieuws, dat op zijn beurt belooft nu echt de vergankelijkheid aan zijn voeten te krijgen.

Hoe komt het dat gebouwen zo’n korte levenscyclus hebben? Zijn wij zo verwend en blasé? Zijn onze plannenmakers zo gretig om hun stempel op ons stedelijke landschap te drukken door te slopen en nieuwbouw te forceren? Of missen de bouwwerken in kwestie het talent om eeuwig jong te blijven? Is er bij ontwerp en bouw een gen binnen geslopen dat de snelle veroudering veroorzaakt? Het lijkt erop dat vooral architecten met een dwingende ideologie erg gevoelig zijn voor snelle slijtage. En daarvan waren er nogal wat in de naoorlogse decennia*.

***

Het kan ook anders. Bouwwerken die wel eeuwig jong blijven. ‘Intelligente ruïnes’ noemt de Belgische architect Bob van Reeth ze. Het zijn die gebouwen die de tand des tijds glansrijk doorstaan en weerstaan. Iedere generatie van gebruikers kan, met een min of meer eenvoudige ingreep, het bouwwerk aanpassen aan nieuwe functies, eisen en smaken. Op die manier herrezen inmiddels veel modern-klassieke panden uit de as of hun stoflaag – zoals het Schunckgebouw in Heerlen, de Philipsfabrieken in Eindhoven, de Van Nelle Fabriek in Rotterdam en het Haags Gemeentemuseum. Ook bleken middeleeuwse kerken en kloosters, raadhuizen en lakenhallen mee te groeien met hun tijd. Ze huisvesten tot op heden uiteenlopende functies.

De ontwerpers en bouwers van deze ‘intelligente ruïnes’ waren de geschiedenis te slim af. Misschien doordat ze wisten dat het er in hun vak vooral om gaat om vrij baan te geven aan ruimte, licht en bewegingsvrijheid – en niet om tijdgebonden ideologieën in steen te houwen en staal te gieten.

* Men kan tegenwerpen dat de ‘organische’ architectuur uit de esoterische hoek ondanks haar ideologische overbeladenheid blijvend gewaardeerd wordt. Ik vermoed echter, dat zij vooral vanwege haar curiositeit zal overleven en niet vanwege de intrinsieke duurzaamheid. In follies kun je niet wonen.

De kater van het geloof

En weer ben ik verhinderd voor de jaarlijkse Nacht van de Theologie. Ik wens de vele theologen die komende zaterdag de bloemetjes buitenzetten een genoeglijk samenzijn toe – zonder dat zij er een al te grote kater aan overhouden. Dat laatste zal wel goed komen met al die dominees en pastores die op zondag in alle vroegte weer de hand aan de ploeg moeten slaan op Gods akker. Ik neem bovendien aan dat deze beroepsgroep, gewend om in een glazen huis te leven, zichzelf zal weten te bedwingen op de godgeleerdenorgie.

Nu ben ik zelf theoloog* en heb ik ervaren dat voor ‘ons soort mensen’ een kater in overdrachtelijke en meer abstracte zin wel degelijk een geleefde realiteit is. Ik bedoel daarmee de ervaring dat je geloof, ondanks dat je er je vak van maakt, zijn glans kan verliezen. Er bestaat zelfs een cliché, dat zegt dat theologie beoefenen de beste manier is, om van je geloof te vallen.

Komt dit misschien door een overdosis? Wie zich aan iets te buiten gaat, heeft er immers al snel zijn bekomst van. Theologen zijn echter niet per se grote eters of drinkers van datgene wat zij bestuderen. Net als wijnkenners slikken zij datgene wat zij proeven niet altijd door. Over iets nadenken is iets anders dan het zelf doen of ondergaan – en er aldus van genieten.

Komt het dan doordat je als theoloog te veel weet? Wie te lang in de keuken staat, verliest immers zijn of haar eetlust. Wie te veel achter de schermen kijkt, kan zich niet meer overgeven aan de magie van het theater. Zo is het wellicht ook gesteld met degene die te veel nadenkt over het geloof. Hij komt van een koude kermis thuis. Reflexief en beroepsmatig doende zijn met een aspect van het leven, hoeft echter nog niet de smaak te bederven. De passie voor de muziek blijft immers ook bij beroepsmusici ongebroken en topkoks kunnen onbekommerd genieten van verfijnde gerechten.

***

Waardoor komt het dan, dat je geloof dof wordt als je als theoloog ermee bezig bent? Louter voor mezelf sprekende, kan ik het alleen maar als volgt verklaren.

Ik heb het geloof niet ‘doorzien’ en ben er evenmin op ‘uitgekeken’. Ik ben niet blasé of ontnuchterd over het geloof. Ik heb wel leren inzien dat authentiek geloof als zodanig ontnuchtering is. Geloof is immers bevrijding uit de infantiele symbiose met ‘god’ die we religie noemen. Geloof laat God voor wat Hij is enerzijds en zet de mens op haar of zijn plaats anderzijds**.

Geloof is niet: opgetild worden door een stormvlaag (‘inspiratie’ of ‘bevlogenheid’). Geloof is niet: innerlijk versmelten met de godheid (‘enthousiasme’). Geloof is niet: het in-je-element-zijn in een grote zee (het spreekwoordelijke ‘oceanische levensgevoel’).

Geloof is juist: op een windstille wereldzee wachten op een wending van het lot of roeien met de riemen die we hebben. Het is: door de goden verstoten zijn en aan land geworpen worden. Geloven is: leven met de ondraaglijke gedachte, dat God zelf wel uitmaakt of hij bestaat en ons een spiegel voorhoudt als we hem in het vizier willen krijgen.

Geloven is ronddolen in een uitgestorven kathedraal of in een gapende krater. De voorouders beweerden wellicht, dat de goden die krater ooit hadden veroorzaakt. Voor ons is hij slechts een gapende leegte, met niets anders gevuld dan eindeloze verantwoordelijkheid – maar ook met het grenzeloze vertrouwen dat het wel goed komt, zolang wij maar bij onze menselijke leest blijven en ons niet willen meten met de goden.

Misschien is de theoloog, die aldus zijn eigen lichtje uitblaast, een spelbreker. Het bovenstaande is echter meer dan een troosteloos en ontnuchterend inzicht. Het is, zoals gezegd, de onderkenning dat geloof zelf de ontnuchtering bij uitstek is. Geloof is de kater na het bedwelmende feest en het ochtendgloren dat ons wekt uit onze roes. Het is een geschenk van de goden aan ons nachtbrakers, die het opwekkende daglicht en de verkwikkende kilte van de ochtend zo slecht verdragen.

______________________________________________________

Zijdelings wil ik opmerken, dat het mij nog steeds moeite kost om mijzelf ‘theoloog’ te noemen. Het woord ‘theoloog’, dat voor mij gevoelsmatig dezelfde lading en het zelfde aura heeft als het woord ‘denker’, reserveer ik toch liever voor de grote geleerden op mijn vakgebied. Het is echter zo omslachtig om jezelf voortdurend te betitelen als ‘iemand die theologie heeft gestudeerd’ of om je van de echt groten te onderscheiden door jezelf te kwalificeren als ‘theoloog met een kleine th’ – ook al omdat je in dat laatste geval moet uitleggen waarom ‘th’ als één letter geldt etc. Met alle bescheidenheid noem ik mezelf dus maar ‘theoloog’. En waarom zou mijn beroepsgroep niet kunnen, wat psychologen en pedagogen wel kunnen?

** Merkwaardig genoeg leerde ik dit niet in de eerste plaats van de grote mystici en van denkers als Barth en Bonhoeffer. Het was ook en vooral de onderstroom van het volkskerkelijke milieu waarin ik opgroeide.

Nabijheid

Wij zitten onherroepelijk opgesloten in ons vel. We kunnen nog zo vaak beweren en bezweren dat er ook zo iets is als collectieve identiteit en geschiedenis, gemeenschappelijk lot en lijden: uiteindelijk is het bewustzijn altijd een kortsluiting met mijzelf. Dus ook al wat door dat bewustzijn wordt behelsd – van weten tot voelen, van trots tot gekwetstheid – is onze eigen last en lust. Onze huid is de zwaar bewaakte grens tussen ons en de buitenwereld.

Uiteraard hebben we daarnaast de bijzondere gave om ons te verplaatsen in anderen, vooral bij het lijden. Tot op zekere hoogte kunnen we dat lijden delen. In populair-wetenschappelijke tijdschriften vertellen neurologen dat deze ‘telepathie’ dezelfde hersengebieden aanspreekt als onze eigen gevoelens. Niettemin blijft er sprake van dubbelheid. Wie zich verplaatst in de ander, wordt nooit identiek met haar of hem. Het mee-beleven gaat steeds gepaard met het besef dat ik de ander van de ander ben. Meebeleefde pijn is niet hetzelfde als eigen pijn. Er is een grens aan de éénwording.

Het spreekwoordelijke wanhopige gevoel van onmacht – omdat we niets kunnen doen voor de ander of zijn of haar lijden niet kunnen overnemen – getuigt van deze afgescheidenheid. Er gaapt een kloof tussen het rijk van andermans lijden en het rijk van mijn eigen gevoelens. De voortdurende inzet om die te overbruggen – of deze zich nu uit in spontane opwellingen of de kloeke roepstem van het geweten – bevestigt slechts het blijvende bestaan van de afstand.

Overigens hebben medelijden en nabijheid op hun beurt een knagend geweten. Pogingen om het lijden van de ander te verzachten kunnen worden ervaren als hoogmoedig en bemoeiziek. Medelijden kan doorslaan in een activisme dat opdringerig wordt en indiscreet. We lijken dan op die overgedienstige kelner die om de vijf minuten komt vragen of alles naar wens is. Medelijden en nabijheid stuiten op een grens als ze willen binnendringen in het rijk van de ander. Dat voelen we zelf – en dat voelt de ander die onze impertinente liefde afwijst.

We reageren dan met verongelijkt zelfmedelijden en slaan een beschuldigende toon aan tegen degene die ons de deur wijst. Beter is het om te berusten en om ons te beperken tot indirecte en discrete uitingen van nabijheid. Je laat bijvoorbeeld je zieke of rouwende moeder even alleen als ze opstandig wordt. Je gaat boodschappen voor haar doen of haar ramen lappen. Misschien doe je dit knarsetandend. Prozaïsche gebaren kunnen echter worden tot symbolen van nabijheid: discrete groeten vanaf de andere kant van de kloof. Dat geldt ook voor ogenschijnlijk gemakzuchtige woorden als ‘Ik zal aan je denken’ of ‘Ik zal een kaarsje voor je opsteken’.

ensor web

 

Hoe waren de laatste dagen van de moeder van James Ensor (1860-1949)? Op het schilderij van zijn overleden moeder (1915) staan de medicijnflessen netjes in het gelid, uitgediend en klaar om te worden opgehaald. Zo te zien is er van alles geprobeerd om haar sterven tegen te houden of te verlichten. Was dat overkill – of een teken van toewijding? En wat betekent dat Mariabeeld? Werd ze afgescheept met goedkope troost – of was het beeld van de Mater Dolorosa een zwijgend teken van solidariteit? Men heeft haar lijden niet weg kunnen nemen en ze is alleen de laatste weg gegaan, maar de artsen, de verpleegkundigen en de zoon lijken te hebben gedaan wat ze konden.

En als ik de groene fles zo mag duiden, die fier uitrijst boven en afsteekt tegen de streng ogende medicijnflessen, dan is haar een laatste slokje wijn gegund. Een knipoog naar de gedeelde liefde voor het zo kwetsbare leven. Een sober, maar welsprekend en veelzeggend gebaar van eindeloze liefde.

 

 

Deze tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Blinde ijver

“Ellende is een product van driftige activiteit.” 

C. Verhoeven

Zoals wij aan het begin van de 21e eeuw nog steeds de wonden likken van de verschrikkingen van de 20e eeuw en maar niet over de schrik heenkomen van twee beschamende wereldbranden, zo zeurde in de 17e eeuw nog lang het trauma na van de dertig- respectievelijk tachtigjarige oorlog. Een getuigenis daarvan is de barokroman van Von Grimmelshausen Der Abenteuerliche Simplicissimus Teutsch. Het is een bitterzoet, melancholisch-ironisch zelfportret van de 17e-eeuwse mens en zijn levensgevoel, de mens die zich een speelbal weet van het grillige en onbetrouwbare lot – en die zich tegelijk realiseert dat hij zelf geen haar beter is en maar al te gretig collaboreert met de vals-speelster Fortuna.

Het leven is, aldus Von Grimmelshausen, een maskerade waarin iedereen elkander om de tuin leidt, met als enige excuus dat alles draait om het overleven en het zolang mogelijk ontspringen van de dodendans. De enige die zich niet om de tuin laat leiden, is de oprechte schrijver van deze ‘belijdenissen’ en de welwillende lezer. De auteur houdt zo zichzelf en zijn tijdgenoten meedogenloos een spiegel voor.

Geheel overeenkomstig het heersende wereldbeeld voert Grimmelhausen ook de duivel en zijn trawanten ten tonele. In de desbetreffende scene daagt de satan zijn handlangers uit, om zich onderling te meten in hun verleidingskunsten. De Gierigheid lijkt retorisch het pleit te winnen met een wel heel satanisch argument: “Ik durf mezelf erop voor te laten staan, dat ik beter dan wie ook de bedoelingen van onze grootvorst kan realiseren. Want deze wil immers niets anders dan dat de mens zowel in het ondermaanse geen rustig, genoeglijk en vreedzaam bestaan leidt als in de eeuwigheid alle zaligheid ontbeert.” De Gierigheid geeft vervolgens overtuigende voorbeelden waaruit blijkt, dat wie zich door haar laat leiden inderdaad een rotleven heeft.

Het doortrapte van de Gierigheid bestaat erin, dat zij een stapje verder zet dan andere ondeugden. Andere ondeugden – zoals luiheid en wellust, kortzichtigheid en egocentrisme – zijn slechts vormen van slecht begrepen eigenbelang. Ze willen op korte termijn (in het aardse leven) winst binnenhalen ten koste van het heil op lange termijn (de eeuwigheid). Tegen hun verleidingskunsten zijn de mensen veelal redelijk opgewassen. Er is slechts een gezond calculerend vermogen nodig om deze te doorzien. Bovendien is niemand helemaal gespeend van – zij het ook een klein restje – altruïsme en compassie. Dit wapent mensen tegen de bekoring van een compromisloos egocentrisme.

De Gierigheid weet deze veiligheidsmechanismen echter te omzeilen. Zij kijkt ogenschijnlijk naar de lange termijn en doet zich voor als prudente en vooruitziende spaarzaamheid. Bovendien kan zij allerminst worden beticht van egoïsme, daar ze zichzelf offers en beproevingen oplegt. Zo draait de Gierigheid ons een rad voor ogen en hebben we geen verweer tegen haar. Ook tegen degenen die haar belichamen hebben we weinig in te brengen. Hun zelfkastijding dwingt zelfs respect af.

De meest doortrapte ondeugd is de uit het lood geslagen en ontwrichte, de geperverteerde en geparodieerde deugd – weten we sinds Aristoteles. Het kwaad draagt het masker van het goede. Precies zo opereert de Gierigheid.

Thomas Mann nam in zijn eigen trauma-roman Doktor Faustus dit motief op. De componist Leverkühn gaat met de duivel in zee om zijn doelen te bereiken, maar moet daar in twee termijnen de prijs voor betalen. Niet alleen verkoopt hij voorgoed zijn ziel: hij moet bovendien een leven van ontberingen lijden. Zijn leven wordt al in het ondermaanse een martelgang. Als we daarbij bedenken dat zijn doel bovendien immaterieel van aard is (namelijk het creëren van artistieke waarde), dan is het zo goed als uitgesloten om de hoofdpersoon van iets kwaads te betichten.

***

Niemand gelooft meer in duivels die ons verleiden en de verkeerde kant opsturen. Laten we met deze relativering echter niet weglopen voor het verontrustende van de parabel van Grimmelshausen. Het motief van het kwaad dat opereert onder de schijn van het goede, dat zich onaantastbaar maakt door heroïek en zelfopoffering: het is akelig actueel. Ondeugden die als een parasiet bezit hebben genomen van deugden: ze vormen het scenario van een heel herkenbare horrorfilm.

Deze film gaat over blinde ijver, over bevlogen en tomeloos werkende managers die – aangevuurd door adviseurs, goeroes en het pepmiddel van de leiderschapsmythe – persoonlijke successen boeken en grote opdrachten binnenhalen voor hun bedrijf, de marktpositie van hun organisatie vergroten en de winst exponentieel doen toenemen. De helden van deze film zijn mensen die hun eigen slavendrijver zijn en alles over hebben voor hun ‘missie’: hun nachtrust en hun gezinsleven, hun gezondheid en hun geestelijke bagage.

Het is ongepast om de staf over hen te breken. Als we ons al zorgen maken, dan is dit een vorm van medelijden en ongerustheid. Verontwaardiging is misplaatst: deze krachtpatsers werken immers zo hard; ze zijn immers zo gedreven en enthousiast, zo proactief en visionair. Als ze al een beetje excentriek zijn (Aristoteles zou zeggen: als ze gevaarlijk ver weg dwalen van het midden), dan is dat alleen maar een charme.

***

Is het blinde en hectische activisme van de ‘leiders’ van woningcorporaties en banken, accountantskantoren en sportclubs (het zijn maar willekeurige en toevallige voorbeelden): is dit misschien de Gierigheid van onze tijd? En is de doormoddercrisis waarin we leven wellicht de prijs die we betalen voor de zo lang kritiekloos gehuldigde opvatting, dat alles draait om ijver en energiek optreden? Hebben we niet te veel onze kaarten gezet op het ‘verleggen van een steen in een rivier op aarde’, zonder dat we ons afvroegen welke steen in welke rivier en met welke gevolgen? Is de ongerichte, richtingloze krachttoer geen doel in zichzelf geworden?

Als het nog niet te laat is, als we onze collectieve ziel nog kunnen wegslepen voor de poorten van de hel, als er nog wat te redden valt: dan moeten we uitkijken naar normale, nuchtere bestuurders die zich niet hebben laten vergiftigen met het drukdoenerige leiderschapsideaal. Dan moeten we het hebben van voorzichtige stuurlui die de deugd weer in het midden zoeken, van mensen die rivieren tot bedaren brengen in plaats van draaikolken te veroorzaken.