Monthly Archives: mei 2014

De troost van speelruimte

Het feit dat mij werd verzocht om een stuk te schrijven over het onderwerp ‘troost’ vervulde mij met verbazing. Ten eerste zijn er al boeken vol geschreven over troost, door psychologen en therapeuten, godgeleerden en wijsgeren, goeroes en door zichzelf benoemde spirituele gidsen. Waarom zou ik een druppel toevoegen aan deze zee aan wijsheid? Natuurlijk: ik kan de fenomenoloog gaan uithangen en het woord troost aan alle kanten onderzoeken. Waarom echter zou ik op een dilettanteske manier doen, wat grote geesten als Cornelis Verhoeven op onnavolgbare en meesterlijke wijze reeds hebben gedaan?

Mijn verbazing werd echter vooral ingegeven door iets anders. Ik acht mezelf allesbehalve een autoriteit op het gebied van de ‘zachte’ of ‘warme’ waarden waarvan troost er één is. Mensen die mij menen te kennen kwalificeren mij als afstandelijk en ironisch, cerebraal (hetgeen abusievelijk vaak wordt verward met rationeel, maar dit terzijde) en estheticistisch (excusez le mot). Enfin: als u de voorafgaande zin heeft gelezen, zult u met deze kwalificatie wel instemmen. U zult mij dan tevens bijvallen als ik beweer dat een ‘soft’ woord als troost niet ‘mijn ding’ is.

Toch liet ik het niet op me zitten. Ik aanvaardde de opdracht nederig en gelaten, al was het maar omdat ik, als het erop aankomt, schrijfopdrachten niet durf te weigeren – uit een vreemd soort verlegenheid. Tegelijk zocht ik steun bij iemand die voor mij een autoriteit is: de Duitse schrijver Thomas Mann. Die had immers overal een mening over, zonder dat hij ooit eenduidig en definitief uitsluitsel gaf over wat hij nu werkelijk dacht. Dat ik op het idee kwam, Mann te raadplegen, hing samen met het toevallige feit dat ik onlangs zijn late essay over Friedrich Schiller las. Juist in dit essay, een jaar voor zijn dood geschreven, valt op een cruciaal punt het woord troost. De samenhang waarin dit gebeurt is interessant.

[…]

Lees verder op De  Bezieling.

 

Europa: mijmeringen aan de voet van een Beethovenstandbeeld

Als je een etnische Europeaan bent, doe je er heden ten dage verstandig aan om niet al te uitbundig uiting te geven aan je grensvervagende levensgevoel. Zelf kun je het weliswaar als bevrijdend ervaren om de muffe, vervilte en verstikkende mantel van de nationale identiteit van je af te werpen: de meerderheid van je tijdgenoten zal zich hierover eerder verbazen. Maatschappelijke thigmotaxis *) geeft immers de toon aan en de meesten onder ons kruipen liever weg in het van onze eigen geur doordrenkte en veilige nest.

Nee, wie nog durft uit te spreken dat een Europese identiteit en cultuur ooit de normaalste zaak van de wereld was, totdat anderhalve eeuw geleden onverantwoordelijke romantici en politieke knutselaars de mythe van de natie en het volk in het leven riepen: zo iemand doet er goed aan om voortaan met opgestoken kraag door het leven te gaan.

Op steun van de politici hoeft hij in elk geval niet te rekenen. Deze trachten elkaar slechts te overtreffen in zelfbeschuldigingen over hun aandeel in het mislukte, ja: van meet af aan tot mislukken gedoemde project van de Europese Unie. Europa is een noodzakelijk kwaad en de aanstaande verkiezingen voor het Europese parlement zijn hooguit verdedigbaar als een referendum tegen verdere Europaïsering of als een poging om het door onszelf in het leven geroepen veelkoppige monster te temmen en te beknotten.

Of dat laatste lukt, is maar de vraag. Als we er echter niet in slagen het monster terug te drijven in de reageerbuisjes van het verfoeide internationale experiment, kruipen we zelf maar terug in onze peperkoeken huisjes. We trekken de dekens over ons hoofd en we wiegen onszelf in slaap met de gedachte dat datgene wat we niet zien er ook niet is – ook de beweeglijke en veelkleurige wereld om ons heen niet. Zuurstofgebrek en de schade die daarvan het gevolg is, nemen we op de koop toe.

Slechts af en toe turen we door het kleine spleetje dat we de televisie noemen naar de Europese en internationale werkelijkheid – bij het songfestival bijvoorbeeld, bij een voetbalcompetitie of bij gelegenheid van een ander hoogtepunt van onze culturele canon. Verder boezemt het E-woord ons echter even veel angst en walging in, als de e-nummers van de voedingsadditieven die, zoals u weet, ons eveneens door schimmige samenzweerders door de strot worden geduwd.

***

standbeeld beethoven

De Europa-ontkenners en de internationaliteit-revisionisten ten spijt, trok ik de afgelopen week weer met vele anderen voor mijn werk de grens over. Ik toog naar Bonn, de stad die als een chique oude dame koketteert met de verblekende herinnering aan haar dagen als hoofdstad – een rol die zij overigens destijds al met de nodige bedeesdheid vervulde. Het Rijnlandse, melancholieke relativeringsvermogen en de daarbij horende zelfspot van de bewoners verzoeten de bittere pil van het uitgerangeerde bestaan van de stad. (Overigens past het woord ‘tijgen’, dat ik hierboven bezigde, volmaakt bij deze stad als eindbestemming, al is het maar door het feit dat het woord sterk is verouderd en alleen nog maar in de verleden tijd wordt gebruikt.)

Inmiddels vind ik de weg in het stadje als het ware op de tast. Vrijwel altijd passeer ik, op weg naar de plaats waar ik mijn missie moet volbrengen, het geboortehuis van Ludwig van Beethoven. Op nauwelijks met het blote oog waarneembare wijze vertraag ik dan mijn tred. Soms sta ik zelfs even stil, draai ik een kwartslag en maak ik een slechts subliminaal op te merken buiging voor de toonkunstenaar die de vrijwillige nationalistische zelfbeknotting van de romantiek nog niet kende. (Hij was overigens evenmin een ideologische kosmopoliet avant-la-lettre, zoals sommigen zouden willen. Ook dit fenomeen is een vrucht van de bekrompen romantiek, namelijk voor zover het er een reactie op is.)

Of deze visie op Van Beethoven ook wordt overgebracht door de gidsen, die de met beleefde verveling en een half oor luisterende, ongeduldig schuifelende schoolkinderen en senioren toespreken bij het standbeeld van de componist op de Münsterplatz, weet ik niet (zie afbeelding).

(Overigens verbaast het mij dat een standbeeld als attractie wordt gezien. Het is voor mij niet inzichtelijk wat de meerwaarde is van een standbeeld, vergeleken met bijvoorbeeld een geboortehuis of een graf. Dat laatste is een soort reliek en spreekt als zodanig de verbeelding aan**). Een geboorteplek, een graf of desnoods een andere plek waar de held is geweest: ze wekken nog de illusie van een indirecte aanraking. Daarbij wordt uiteraard een sterk beroep gedaan doet op onze bereidheid om het quasi-magische spel mee te spelen en om ons te laten meevoeren door de illusie – want een illusie blijft het. Een standbeeld daarentegen is niet meer dan een abstracte verwijzing, niet meer dan een schouderophalende mededeling dat de held ooit heeft bestaan en dat we van hem houden. Het kan overal staan en is van even weinig betekenis als een T-Shirt met de uitwisselbare tekst ‘I Love Bonn’.)

Terug naar Van Beethoven zelf. Door pathetisch gestemden wordt hij wel eens een ‘hemelbestormer’ genoemd . Dit is niet eens een slechte kwalificatie, als we haar serieus opvatten. Het is gewoon een volmaakt synoniem voor het woord ‘mens’. De mens gaat van nature geen zee te hoog. Hij bestormt de poorten van het godenverblijf en legt de bewoners ervan het vuur aan de schenen. En voor wie op deze manier de hemel bestormt, is elke grens in het ondermaanse een lachertje.

 

*) Ik moest het zelf ook even opzoeken. Thigmotaxis is de neiging van mensen en andere diersoorten met een exoskelet (waarbij dit bij de mens uiteraard in overdrachtelijke zin is bedoeld) om onder een steen te kruipen, vooral als het licht wordt.

**)  Al is het monumentale graf van de familie Schumann, dat men in Bonn kan vinden, weer van een ongeloofwaardige kitscherigheid die geen recht doet aan de meest existentialistische componist van de Duitse romantiek, maar dit terzijde.

Voor de liefhebbers: het graf van het echtpaar Schumann op de oude begraafplaats in het hart van Bonn.

Voor de liefhebbers: het graf van het echtpaar Schumann op de oude begraafplaats in het hart van Bonn.

Streepjescode

“En alles wat je naliet was een stapel oude boeken. En daarmee zit ik nu al jaren opgescheept. Ik sla er af en toe een open om er sporen in te zoeken. Soms is een zin door jou met potlood onderstreept.”

In de eerste maanden na het overlijden van mijn vader kon ik erg geraakt worden door het liedje Papa van Stef Bos, dat vertelt over de ambivalente verhouding die veel zonen tot hun vader hebben. Je wilt niet op je vader lijken, maar je betrapt jezelf erop dat dit meer het geval is dan je denkt. De vraag rijst natuurlijk, waarom het dan zo onwenselijk is.

Een min of meer klassiek antwoord is, dat je je als opgroeiende jongen nu eenmaal vroeg van je vader moet afzetten, om een zelfstandig individu te kunnen worden. Dit gevecht blijft vervolgens je leven lang de relatie tot je vader kleuren. Uiteraard leer je om daarboven te gaan staan. Dat is één van de opgaven van het volwassen worden.

Er is echter meer aan de hand. ‘Lijken op’ is ook een ultieme vorm van aanhankelijkheid en nabijheid. Wie in iemands voetsporen treedt, maakt op zeer intieme wijze contact. Het voelt als het aantrekken van andermans kleren. Het past echter niet zo bij mannen om voor deze aanhankelijkheid uit te komen. Over deze worsteling, deze innerlijke tweestrijd tussen intimiteit en afstand, gaat het lied van Bos. Tegelijk is het een liefdesverklaring, die al zingende de schroom voor de intimiteit overwint.

Eerlijk gezegd is Stef Bos’ crematoriumkraker me door het hoog ontboezemingsgehalte wat gaan tegenstaan. Het lied is erg rechtstreeks, exhibitionistisch en indiscreet. Het doorbreekt – om met Bonhoeffer te spreken – de ‘arcaandiscipline’ oftewel de discrete zwijgzaamheid die we jegens onze innerlijke geheimen in acht moeten nemen. Dit is uiteraard een kwestie van smaak. Zoals het ook een kwestie van (in mijn ogen goede) smaak is, dat je je geloof niet aan de grote klok hangt – al zet onze oprechtheidscultuur ons daartoe maar al te vaak het mes op de keel.

Vanwege mijn voorliefde voor de ‘arcaandiscipline’ ben ik een fan geworden van een concurrerend Nederlandstalig ‘vaderliedje’, namelijk Streepjescode van Kees Torn. Torn brengt op indirecte, discrete en fijngevoelige wijze de afstand onder woorden die bestaat tussen een vader en een zoon. Toegegeven: het gaat heel specifiek over een vader en een zoon die elkaar na een scheiding niet meer konden zien. Tegelijk heeft het lied iets universeels. Het drukt uit dat vaders en zonen, ja: mensen in het algemeen een raadsel zijn voor elkaar.

Nu kun je proberen om raadsels op te lossen. Kleine aanwijzingen kunnen daarbij helpen. In het liedje zijn die aanwijzingen er ook. De vader heeft in zijn nagelaten boeken zinnen onderstreept. De zoon probeert aan de hand van deze onderstrepingen indirect op het spoor te komen, wat er in zijn vader was omgegaan. Dit is een hachelijke onderneming. Zelfs als de zoon de ‘streepjescode’ kan kraken, blijft namelijk nog steeds de vraag bestaan of de strepen wel door de vader zijn gezet – bijvoorbeeld als de boeken eerst van iemand anders zijn geweest. Met die verontrustende open vraag eindigt het lied.

Mensen zijn raadsels voor elkaar, wellicht zelfs onoplosbare raadsels. Streepjescode drukt dit gegeven op een dermate indringende en verfijnde wijze uit, dat de betekenis ervan de menselijke relaties overstijgt. Het lied kan ook worden gezien als een parabel voor onze gelovige relatie met God. Ook en bij uitstek in die relatie zijn we aangewezen op zeer indirecte sporen en indicaties, verweerde woorden en symbolen, ‘klankresten van een oud verhaal’ (Oosterhuis), indicaties die we moeizaam kunnen ontcijferen – zonder dat we ooit helemaal kunnen uitsluiten dat deze poging een dood spoor is.

***

Deze tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Het aangeboren gebrek van de vrijheid

«Et par le pouvoir d’un mot
Je recommence ma vie;
Je suis né pour te connaître,
pour te nommer:
Liberté!» *)

Paul Eluard (1942). (Getoonzet door Fr. Poulenc)

 *) En krachtens één woord, begin ik mijn leven opnieuw. Ik ben geboren om jou te kennen, om je te noemen bij je naam: vrijheid!

 

We zijn voor de vrijheid in de wieg gelegd. Ze is immers de speelruimte, waarbinnen we bewegen en ademhalen. De vrijheid is een zegen. Ze is het liedje dat aan onze wieg werd gezongen. We koesteren haar als een gunst.

We kunnen het niet laten om het speeldoosje met dat liedje telkens weer op te winden. We krijgen er niet genoeg van en draaien het litanietje eindeloos af. Of we laten het dichters en componisten voor ons doen, zoals Eluard en Poulenc.

Een aangeboren trek is ze, de vrijheid, of liever: een aangeboren gebrek. De keerzijde van speelruimte is immers het onvermogen om met onszelf samen te vallen. Die gapende kier in ons bestaan, die angstaanjagende spatie, waarin zin, zelf en zekerheid verdwijnen: die is een niet te stelpen bron van melancholie. In een pathetische bui noemen we de vrijheid dan ook een vloek. Ze irriteert en beklemt ons als een niet af te schudden last.

De vrijheid is ons toegespeeld. Ze laat ons niet los en laat niet met zich sollen. Ze heeft het spel geopend – en we zijn onontkoombaar aan zet. Soms kunnen we niet anders dan een pas op de plaats maken. Stelling nemen is dan prematuur – of gewoon uitgesloten. Ook dat is vrijheid. Ze dwingt ons tot haar spel, maar jaagt ons niet op. Ook ‘geen mening’ is een keuze. Wat weten we immers? Van de onwetendheid weet de vrijheid alles af. Ze is haar zuster.

De vrijheid maakt ons tot wat we zijn. Ze is meer dan een noodzakelijk kwaad of een voorwaarde voor geluk. Ze is zeker meer dan een luxe die we ons pas kunnen permitteren, als onze maag is gevuld, zoals cynische geesten ooit beweerden. Vrijheid is onze eerste ademteug en onze laatste snik. Zij is doel en zin genoeg voor al onze levens.

Daarom gaan we voor de vrijheid door het vuur. Alles in ons komt in verzet als iemand maar een vinger naar haar uitsteekt.

Tegen de vrijheid zeggen we u en ja en amen.