Monthly Archives: maart 2014

Geweigerde troost

Gedurende het hele jaar vast hij en ontzegt hij zich het mooiste wat er is. Maar Aswoensdag is nog niet voorbij, of hij sluipt op een onbewaakt moment naar de platenkast, haalt zijn favoriete uitvoering van de Mattheuspassie van Bach tevoorschijn, legt de zwarte vinylen schijf op de draaitafel en laat de naald voorzichtig indalen in de groef. Een teer en fluisterend geknetter maant tot stilte en dan klinkt die aanzwellende, duistere hartenklop van de openingsreidans: “Kommt, Ihr Töchter…”

Er gaat een wereld open voor de luisteraar: een schatkamer of – in dit verband detonerend uitgedrukt – een snoepwinkel, die een jaar lang gesloten bleef. Drie uren van muzikaal genot volgen, met enkele inzinkingen van de concentratie en de vervoering, maar steeds weer voerend naar hoogtepunten, naar tophits als ‘Erbarme doch’, ‘Sind Blitze’ en ‘Mache dich’.

De melomaan wacht echter vooral op dat ene moment dat – als het oog van de orkaan – een ankerpunt van stilte is in de barokke protestantse quasi-opera van Bach. Het is de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben. Hier stript de componist de muziek van alles wat haar tot nu toe smeuïg heeft gemaakt. De ijle sopraan – op de oude grammofoonplaat een vals krassend jongetje – wordt begeleid door drie hakkelende houtblazers.

Nooit werd verlatenheid en ontreddering schrijnender op muziek gezet. Nooit werd schande schaamtelozer onder onze neus gewreven. De verzoenende en verzoetende tekst – die op gespannen voet staat met de ontroostbare klanken – is in deze uitvoering gelukkig niet verstaanbaar. De muziek spreekt voor zichzelf en zegt iets anders.

De indringendheid van Bachs aria vindt haar evenknie in de beeldende kunst, in het Isenheimer altaar van Grünewald in Colmar bijvoorbeeld en in de beeldtraditie die op diens vormentaal varieert. Dat gebeurt tot in onze tijd. De mogelijkheden van een confronterende weergave van het schandalige lijden zijn met name in de twintigste eeuw uitentreuren uitgemolken – soms op het gevaar van clicheren af, zoals bij Francis Bacon. De eeuw van de catastrofes vroeg weliswaar om deze overkill, maar het leidde ook tot artistieke uitputting en afstomping.

In het geweld van de twintigste-eeuwse beeldtaal zijn er echter momenten die daar indringend doorheen prikken, zoals de ‘Getekende Kruisweg’ van de Vlaamse expressionist Albert Servaes (die momenteel te zien is in de Kloosterbibliotheek Wittem). Ingehouden indringend zijn de taferelen, die ooit bedoeld waren voor de kapel van de Karmel in Luithagen (onder Antwerpen) en vanwege hun choquerende karakter in de ban raakten.

De kunstenaar heeft de houtskooltekeningen uit 1919 nooit  kunnen overtreffen, ondanks pogingen daartoe. De directheid vlakte hij in zijn latere lijdenstaferelen af, aldus kenners. Kwam dit door voorzichtigheid of werd zijn klassieke vroomheid hem te machtig – zoals ook Bachs verontrustende muziek altijd in het geruststellende Lutherse vaarwater verzeild raakte?

Altijd? Ondanks de verzoeningstheologie, waarvan de tekst van Bachs aria is doordrenkt, vijlde de componist niet de scherpe kantjes van zijn muziek af. De muziek lijkt eigenlijk te zijngeboren voor deze woorden van veel latere datum.

Christus aan het kruis. Verward denkt hij aan
het koninkrijk dat hem wellicht te wachten staat
en aan een vrouw die niet de zijne was.
Hij weet dat hij geen god is, maar een mens
die met de dag vergaat. Het maakt hem niet uit.
Het harde ijzer van de spijkers maakt hem uit.
Hij is geen Griek en geen Romein. Hij kermt.
Gehaast zoekt zijn ziel het einde.
Het is wat donker geworden. Hij is nu dood.
Over het stille vlees kruipt een vlieg.
Wat kan het mij baten dat die man
geleden heeft, als ik nu lijd.

J.L. Borges (1984)

Er zijn zalvende en verzoenende woorden en gebaren genoeg. De muziek van Bach, de beelden van Servaes en de woorden van Borges: die wenden hun hoofd af van hem die goedkope troost biedt.

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Beste meneer Wilders, uw stoofvlees is te zuur.

Beste meneer Wilders,

Hoewel u er zelf om heeft gevraagd, lijkt er momenteel nog al ongericht op u te worden geschoten uit alle hoeken en gaten van politiek en samenleving. Omdat ik wil voorkomen dat al uw tegenstanders over één kam worden geschoren (de metafoor komt u waarschijnlijk bekend voor), wil ik u op de hoogte brengen van mijn eigen gevoelens en gedachten naar aanleiding van uw actie op de verkiezingsavond – waarbij ik die actie niet als een novum, doch als een logische stap in uw ontwikkeling beschouw.

Ten eerste moet ik u een compliment maken voor uw tactische vernuft. Wat u op 19 maart deed was natuurlijk geen ongelukje, geen onhandigheid. Uw optreden leek, zoals al uw optredens, op de handelwijze van de man die de wereld momenteel naar zijn hand zet: de Russische president Poetin. U zoekt de grenzen op van het toelaatbare, maar doet dit op een calculerende en slim doordachte manier. U gaat – anders dan uw tegenstanders beweren – nooit echt de grens over, maar scheert er rakelings langs. (Daarbij moet natuurlijk worden opgemerkt dat deze grens de laatste jaren steeds verder is verlegd door u, waarbij u bent geholpen door uw politieke concurrenten en tegenstanders, die u zogenaamd de wind uit de zeilen wilden nemen.) U weet ook van tevoren, dat u zich er achteraf altijd uit kunt redden – bijvoorbeeld omdat u formeel binnen de lijntjes blijft of omdat u weet waarop u op uw beurt uw tegenstanders kunt pakken – ofschoon u het zichzelf dit keer wel erg moeilijk heeft gemaakt.

U bent natuurlijk óók niet echt geholpen door uw scanderende aanhang in Den Haag. Ook dit wil ik echter relativeren. Iedere politieke partij of stroming – van links tot rechts, van gevestigd tot populistisch – heeft onder haar aanhang een kleine groep, waarmee ze liever niet op straat wil worden gezien. Mijn eigen PvdA is daarop geen uitzondering. Ik weet dat de meeste van uw kiezers gewone burgerlijke mensen zijn, die hun hoop op u hebben gevestigd voor het oplossen van een aantal concrete problemen. Mij verbaast het dan weer wel, dat u op de verkiezingsavond (zoals ook op andere momenten) juist die plek opzoekt waar u het minder representatieve en onfrisse deel van uw achterban ontmoet. Het lijkt er dan toch op, dat u zich graag omgeeft met een soort knokploeg, die mij en andere toeschouwers angst moet inboezemen.

Vervolgens zeg ik met nadruk, dat ik alle vergelijkingen van u met specifieke historische precedenten beschouw als ongepast en onjuist. Hoewel niemand mij wijsmaakt, dat u zelf afgelopen woensdag de overeenkomst niet opmerkte met de retoriek van propagandaminister G. en dat u zelf deze provocerende parallel niet beoogde, vind ik u nog steeds geen neo-nazi of fascist.

Deze specifieke vergelijking vind ik ook om ongemakkelijk, omdat ze afleidt van waar het werkelijk om gaat. Er is namelijk wel degelijk een generieke historische vergelijking te maken. U staat in een traditie die tot op heden voortduurt: de traditie van volkstribunen die zich lieten dragen en drijven door eigen en andermans rancune en revanchisme. U tapt uit het zelfde vaatje als de overleden en levende leiders in Venezuela, Iran, Gaza, Rusland, Turkije – om er maar enkele te noemen.

In dit opzicht vind ik uw optreden de laatste jaren al verontrustend genoeg. Daarvoor heb ik geen vergelijking met Nazi-Duitsland nodig. Rancune en revanchisme zijn altijd beangstigend – ook omdat ze ongericht en onvoorspelbaar zijn en een eigen dynamiek ontwikkelen. En dat laatste bedoel ik, als ik vrees dat een specifieke historische vergelijking afleidt van waar het werkelijk om gaat. Ik vrees namelijk, dat het u uiteindelijk niet te doen is om welke ‘etnische minderheid’ dan ook,  maar om een afrekening met andere leden van de politieke elite (waartoe u zelf behoort) en met vertegenwoordigers van het culturele establishment. In die zin lijkt u – om mij aan één specifieke historische vergelijking te wagen – op uw collega en voorganger als onruststoker: Pim Fortuyn.

Ik ben ervan overtuigd dat u bij het schillen van uw appeltjes binnen de grenzen van de wet zult blijven, maar het beangstigt mij toch dat u klaarblijkelijk uw persoonlijke afrekening leidend maakt voor uw politieke koers en strategie. En dat heeft al offers gevraagd, bijvoorbeeld in de culturele sector. Kroonjuwelen van politieke rivalen stukmaken is echter niet echt een staaltje van oplossingsgerichte politiek.

Ach, laat ik het rechtstreeks zeggen – of liever vragen. Meneer Wilders, waarom bent u toch zo boos? Waarom maakt u er uw programma van, om anderen iets te misgunnen? En waarom gaat u daarin zo ver, dat het masochistisch wordt? Waarom gaat u liever ten onder samen met Nederland, dan dat u zichzelf en uw boze achterban ervan overtuigt, dat een opbouwende opstelling weliswaar compromissen oplevert, maar nog altijd beter is dan twee keer niks.

Meneer Wilders: u maakt Nederland alleen maar grimmiger en schraler. Daar is niemand bij gebaat. Uw kiezers in de laatste plaats. Het door u opgediende stoofvlees is onaangenaam zuur, zodat niemand het meer lust.

Ik kijk uit naar uw antwoord,

Eric Corsius

Het erbij-hoor-gen

Ik ga mij wagen aan een hachelijke onderneming. Ik ga namelijk schrijven over iets waarvan ik niets afweet – omdat ik het niet heb. Datgene wat ik niet heb, maar mij wel intrigeert, is het erbij-hoor-gen.

Ik sta iedere keer weer verbaasd, verwonderd en met naijver geslagen, wanneer ik zie hoe mensen opgaan in een gemeenschap en eenworden met een groep, wanneer ik zie hoe mensen ervan opknappen als hun iets op het revers wordt gespeld of iets om de hals wordt gehangen. Voordien dwaalden ze doelloos rond als schapen zonder herder, maar als bij toverslag zijn ze  koersvast en doelbewust geworden. Met ferme tred gaan ze nu op hun doel af, terwijl ze met de andere grazers af en toe minzame blikken van verstandhouding wisselen en elkaar een gelukzalige glimlach toewerpen.

Ik sta dan als verlamd en als aan de grond genageld langs de weg en zie machteloos toe hoe de vastberaden kudde voorbijtrekt, stralend van geluk. ‘Ik wil ook zo’n doel! Ik wil ook zo’n koers! Ik wil ook zo’n kompas!’ – roept alles dan in mij. De vonk slaat echter niet over en het geluk, dat voor korte duur onder handbereik leek te liggen, vervliegt: het geluk dat er blijkbaar in bestaat om een weg te hebben (waarheen dan ook) en een doel (welk doel dan ook).

Meestal zijn het trouwens gewoon aardige mensen, die gelukkige grazers. Het ligt echt niet aan hen, dat ik het nakijken heb bij hun idealistische processies en dat ik de aansluiting mis. Als het aan hen zou liggen, zou ook ik meelopen. Sterker nog: de uitnodigingen stapelen zich op. Het is gewoon een kwestie van aanleg, dat ik niet meemarcheer. Ik mis, zoals gezegd, het erbij-hoor-gen. Ik heb geen talent om lid te worden van de SP of mee te gaan naar Taizé.

Dit betreft trouwens niet alleen grote bewegingen. Ik kan me ook al niet verplaatsen in collega’s die ‘helemaal gaan voor’ hun organisatie, die hun bedrijf ervaren als een ‘gemeenschap’ en die stijf staan van de intrinsieke beweegredenen. Ik doe het werk dat ik doe, omdat ik het – nu moet ik, met uw permissie, gaan vloeken in de motivatiekerk – ‘leuk’ vind. Ik vind dat mijn organisatie en de mensen die haar bevolken deugen.

Natuurlijk functioneer ik door deze getemperde motivatie ook wel eens op een laag vuurtje, soms zelfs op zo’n nauwelijks zichtbaar blauw waakvlammetje. Op die momenten ben ik best wel jaloers op al de gedrevenen, bevlogenen en geïnspireerden – en ik zou dan ook wel willen vallen onder zo’n voltooid deelwoord.

Helaas.

O, ik ben natuurlijk wel gewoon lid van verenigingen of verbanden, bijvoorbeeld omdat ik vind dat die goede dingen doen, mooie dingen maken of ware dingen zeggen –  echter niet omdat ik erin ronddobber als een foetus in het vruchtwater. Een hele tijd geleden hanteerden marketingmensen de ‘temperatuur’ van een organisatie als maatstaf. Welnu: ik houd ervan als een club een zekere koelte koestert. Zo vind ik het in de Remonstrantse Broederschap bijvoorbeeld aangenaam fris.

Ik draag overigens een enkele keer wel degelijk een speldje, maar dan is dat niet zozeer om mij te identificeren met een groep, maar om mij ermee te solidariseren. Als er weer eens bussen worden opgeblazen in Israel of als antisemieten in Frankrijk de lachers op hun hand krijgen, draag ik bijvoorbeeld met schroom gedurende een paar dagen een Davidsster – die ik dan uiteraard spoedig weer afleg om verwarring te voorkomen. Merkwaardig genoeg draag ik dus alléén (en dan nog sporadisch) het kenteken van een groep, waar ik per definitie niet bij hoor. Zo ver gaat mijn gebrek aan het erbij-hoor-gen.

Het klinkt allemaal hoogmoedig en hautain, nietwaar? Neemt u echter van mij aan, dat de hierboven vermelde jaloezie op de baders in de warme menigte niet geveinsd is. Ik zou ook graag met of voor meer sociale intimiteit in de wieg zijn gelegd. Niet voor niets zwelg ik in kleffe romantische literatuur, zoals de werken van Jean Paul. Op een ironische afstand geniet ik van de vele omhelzingen en van de aan de boezem van vrienden en vriendinnen geplengde tranen.

Eén voordeel heeft het ontbreken van het erbij-hoor-gen echter wel: je schrikt er minder van als je ontdekt dat leven een eenzaam avontuur is en dat de kracht en de kwaliteit van geloven, hopen en liefhebben in die eenzaamheid worden geboren.

De normaliteit van het christendom is een geschenk uit de hemel.

Nu ga ik al zo’n kleine dertig jaar mee in het raadselachtige gilde der theologen, maar één ding begrijp ik nog steeds niet. Dat is de steeds weer de kop opstekende suggestie, dat ‘de wereld’, ‘de cultuur’ of ‘de samenleving’ enerzijds en ‘het christendom’ anderzijds buiten en tegenover elkaar staan. Deze opvatting lijkt tenminste te zijn geïmpliceerd in de telkens weer herhaalde – en steeds paniekeriger klinkende – vraag, hoe geloof en wereld op een vruchtbare manier met elkaar in verband kunnen worden gebracht.

Verhouden geloof en wereld zich echt tot elkaar als twee oevers van een diepe kolkende rivier? Het christendom heeft toch gedurende een slordige tweeduizend jaar de gelegenheid gehad en benut, om tenminste Europa en de door Europa onder de voet gelopen werelddelen te bevruchten? De christenen die er over treuren dat ‘de wereld’ uit hun handen glipt of van hen afdrijft, zijn ofwel onverzadigbaar ofwel verdacht bescheiden over de behaalde resultaten.

De invloed van het christendom op de cultuur is echter onmiskenbaar. Het christelijk geloof is er als gist in opgegaan. Het is ermee verweven en vermengd, zodat je de twee niet meer kunt onderscheiden – ook theoretisch niet en ook niet met de meest verfijnde chirurgische precisie. Onze cultuur zou een heel andere cultuur zijn geworden zonder het christendom. Volgens geleerden is zelfs datgene wat zich tegen het christendom keert – de emancipatie en het autonoom worden van mens en wereld – terug te voeren op het christelijke geloof zelf. – Uiteraard geldt van dit alles ook het omgekeerde: ‘wij’ christenen zijn meer door de ‘wereld’ beïnvloed dan we denken. Ook deze verwevenheid is inmiddels onontwarbaar.

Kortom: het DNA van het christendom is al lang en breed vermengd met het DNA van de ‘wereld’. De wereld: dat zijn wij – zo hoort een rechtgeaard christen te zeggen. Dus, lieve medegelovigen: niet zo mopperen of niet zo onnodig bescheiden (al naar gelang).

***

Helemaal eerlijk is het bovenstaande misschien niet. Waarschijnlijk werd en wordt uiteindelijk iets anders bedoeld door degenen die al generaties lang bruggen proberen te bouwen tussen geloof en cultuur.

Zij bedoelen waarschijnlijk dat het christendom een schat bewaart, een canon koestert of een gouden standaard hanteert, waarmee het zelf niet samenvalt. Die maatstaf (gelegen in de Bijbelse boodschap) past het christendom kritisch toe, op de wereld zowel als op zichzelf. De kloof is er geen tussen het christendom enerzijds en de wereld anderzijds, maar tussen die maatstaf aan de ene kant en de wereld en het christendom in hun hypostatische eenheid aan de andere kant.

Als het echter zo ligt, is het dan niet betreurenswaardig dat de maatstaf al lang niet meer zo compromisloos en onverzoenlijk wordt gehanteerd als eertijds, toen de Romeinse keizers sidderden voor de ondermijnende kracht van het christendom? Uiteraard zijn er  – tot in het recente verleden – christenen geweest die tirannen hebben getrotseerd – maar dat bleef vaak een randverschijnsel. En natuurlijk worden ook op dit moment op bepaalde duistere plekken in de wereld gelovigen omwille van hun geloof onderdrukt. Veelal gaat het daarbij echter eerder om verachting dan om vrees. Deze christenen worden gemarginaliseerd vanwege hun anders-zijn – en niet geducht vanwege hun beschamende gelijk.

De geloofsbelijdenis als zodanig is al lang niet meer herkenbaar als politiek gevaarlijk, licht ontvlambaar materiaal. De persoonlijke god van de rechtzinnigen heeft een grote aaibaarheidsfactor gekregen. Hij is een beetje gaan lijken op de aardige broer van Mart Smeets. En in de meer vrijzinnige stromingen moeten we het steeds vaker doen met tandeloze esoterische kwezelarij, met de Bijbel als een soort vegetarisch kookboek voor de ziel. Geloven is een risicoloos spel geworden.

***

Misschien is het echter hachelijke romantiek om terug te verlangen naar de tijd der martelaren. Onverzoenlijkheid, compromisloosheid en radicaliteit zijn ook de keerzijdes van onverdraagzaamheid, lichtontvlambaarheid en arrogantie. Ik weet niet of we in onze tijd zitten te wachten op pathetische lieden als Paulus met hun zelfbeklag en korte lontjes.

Het voortdurende morele appel van de huidige paus, dat hier en daar wordt verwelkomd als een teken van radicalisering, zie ik in dit verband overigens eerder als een verfrissende voorjaarsschoonmaak, dan als het opgraven van explosief materiaal. Daarvoor is de man te realistisch en te reëel. Het is ook geen valse bescheidenheid als hij zich verzet tegen de heldencultus rond zijn persoon.

Wellicht is het al met al niet zo slecht, dat het zout der aarde – als het christendom dat ooit was – restloos is opgelost in onze cultuur. Wat de geschiedenis met elkaar heeft verbonden, kan geen mens meer scheiden – en dat is misschien maar goed ook. De normaliteit van het christendom is een geschenk uit de hemel.

De woorden verhuizen. Het papier valt uiteen.

“In der Spannung des Widerspruches läuft unser Leben ab.“

„Leib und Leben, erleiben und erleben gehören zusammen.“

A. Döblin

Met de tergende traagheid van de post bereikte mij deze week een boek dat ik had gekocht via Boekwinkeltjes.nl. Deze site is een grote verworvenheid. Vóór het digitale tijdperk lagen de zeldzame, maar weinig begeerde, ter adoptie aangeboden boeken ergens in een uithoek van het heelal te wachten op die ene geïnteresseerde koper. Elders in de kosmos was op zijn beurt iemand naarstig op zoek naar dit ene boek. Hij struinde daarvoor de antiquariaten af die binnen zijn handbereik lagen of beproefde zijn geluk in de winkels waarop hij toevallig stuitte als hij in den vreemde was. Elkaar vinden was een kwestie van geluk hebben. De twee koningskinderen waren van elkaar gescheiden door een afgrond van onwetendheid aangaande elkaars bestaan.

Dankzij netwerksites als Boekwinkeltjes.nl is deze onwetendheid echter opgeheven. Binnen enkele tellen kan de match tussen boek en lezer worden gemaakt en langs digitale weg vinden de geliefden elkaar. Als het doel eenmaal is bereikt, heeft het digitale overigens uitgediend. Dan strelen op uiterst analoge wijze de beduimelende duimen en vingers van de lezer de verweerde huid van het boek. Boekwinkeltjes slaat zodoende een brug tussen twee tegengestelde leefwerelden.

***

Het boek dat ik kocht is Unser Dasein van Alfred Döblin. Het is een verzameling essays die ongeveer gelijktijdig verscheen met Berlin Alexanderplatz en die op beschouwende wijze de thema’s en motieven van deze roman benadert (zie ook mijn eerdere column naar aanleiding van dit boek). Eén van die thema’s is de samenspanning tussen het materiële en het immateriële, het argwanende samenwonen van ‘ziel’ en lichaam, het tot elkaar veroordeeld zijn van ik en zintuiglijkheid.

Het is een adembenemend om de auteur – die weigert kant-en-klare gedachten op te dissen of snel tot oplossingen te komen – te volgen bij zijn onvermoeide denken over dit onderwerp. Het is behalve adembenemend ook een verademing, vergeleken met de populistische filosofietjes in de bijlagen van eertijds fier-protestantse kwaliteitskranten, filosofietjes die, aan de hand van de neurologische klokken die ze hebben horen luiden, het bewustzijn reduceren tot een biologisch proces.

***

De spanning tussen het materiële en het immateriële is overigens een mooie analogie of metafoor voor de beleving van het boek als boek. Laat ik proberen duidelijk te maken wat ik bedoel (altijd handig voor de lezer of lezeres en leerzaam voor de schrijver).

Uiteraard is er niets ‘materiëler’ dan de digitale communicatietechnieken. Niettemin hebben zij ons de illusie opgeleverd van een virtuele parallelle wereld, die alleen bestaat in onze waarnemingen, gedachten en belevingen. Dankzij diezelfde technieken lijkt zich bovendien het schrift te hebben gedematerialiseerd. Het boek en de krant zijn los van papier verkrijgbaar en zij leiden als het ware het bestaan van uit hun lichaam getreden geesten. (En dan hebben we het nog niet eens over de verdringing van het gefixeerde schrift door het vluchtige bewegende beeld.)

De vanzelfsprekendheid, dat het schrift zich incarneerde in papieren, gedrukte boeken: die vanzelfsprekendheid is doorbroken. Er zijn andere vehikels voor het schrift: de tablet, smartphone of laptop waarop u dit leest of het elektronische boek. En die doen even goed dienst. Hierdoor worden we ons met terugwerkende kracht ervan bewust, dat ook de drukpers ‘slechts’ een technische ondersteuning was van de vruchten van de geestelijke arbeid, zonder een intrinsieke band ermee te onderhouden.

(Analoog hieraan is terugblikkend ook de veel bejubelde ‘echte boekwinkel’ net zo goed een commercieel vehikel als de internetboekhandel. Dit besef wordt ook nog eens versterkt door de verschraling van het aanbod in de grote winkelketens, die zijn verworden tot driedimensionale simulaties van webshops, hetgeen m.i. een voorname oorzaak is geweest van de ondergang van Polare. Dit echter terzijde.)

Romantici (een gilde waartoe ik mijzelf reken) betreuren de terugtocht van het ‘echte boek’ en ervaren de dematerialisering van het boek – paradoxaal genoeg – als een ontzieling. Juist de grote liefhebbers van De Geest zijn vurige pleitbezorgers van het papier. Het ‘aura’ van het boek schuilt voor hen in de geur ervan, in zijn tastzaamheid, in de subtiel geaccidenteerde huid en – bij oudere boeken – de patina die erop is neergeslagen door gebruik of opslag.

Zoals voor alle romantici geldt echter ook voor ons bibliofielen, dat we niet meer terug kunnen gaan naar het verleden. Eens en vooral is er een ‘Entzweiung’ ontstaan tussen het schrift enerzijds en zijn materiële drager anderzijds. Het huwelijk van inkt en papier is van zijn onvermijdelijkheid ontdaan. Als ik nu teder over de bladzijden van Döblins boek streel, om het reliëf te voelen dat de drukpers heeft achtergelaten, gaat dit gepaard met het onherroepelijk bewustzijn dat de verbinding van geest en materie een louter willekeurige is. En dat was ook al zo in de goede oude tijd, zo wrijf ik mezelf in.

Als vlinders vliegen de woorden van de ene drager naar de andere, ontrouw aan die ene drager waaraan wij romantici zo gehecht zijn – omdat hij zo lekker ruikt, zo aangenaam koel aanvoelt en zulk een heerlijke zwaarte heeft in onze handen. De van huis naar huis fladderende woorden zijn echter datgene wat blijft. Het papier valt ooit uiteen.

Maar ik wil dit niet weten. Ik wil niet weten dat de ziel het redt zonder de vezels van haar vege lijf. En tegen beter weten in koester ik mijn kwetsbare adoptiefkinderen.