Monthly Archives: februari 2014

Kunst als behoedzaamheid

Als ik tegen mensen zeg dat ik in Eindhoven woon, valt er vaak een ongemakkelijke stilte in het gesprek of worstelt mijn gesprekspartner zichtbaar met zijn ontzetting. Hij slaagt er met moeite in, om zijn verbazing of medelijden te onderdrukken. Zodra zij weer een beetje bij haar positieven is, stelt ze begripvolle vragen als: ‘Dat moest zeker van je werk, neem ik aan?’

Eindhoven is eenmaal niet een paradijs voor liefhebbers van trapgevelhuizen en intieme steegjes, verstilde grachten en geborgenheid biedende middeleeuwse kerkjes. Als dit gebrek nu maar werd goedgemaakt door flamboyante moderne bouwkunst …  maar ook wat dit betreft is de stad karig bedeeld. Voor zover er vooruitstrevende architectuur  is, staat ze zonder onderlinge samenhang en verweesd in een woestijn van naoorlogse haastklusbouw en jaren-tachtig-truttigheid.

Wie er oog voor heeft, vindt uiteraard wel de pareltjes die de stad rijk is, zoals het Witte Dorp van Dudok of de nieuwbouw van het Van Abbe Museum van Cahen. Wie een mooi zicht op dat laatste wil krijgen, moet het museumcomplex benaderen van de achterzijde. Dan kijk je, over een kunstmatige meander van de Dommel, uit op de ingetogen leistenen gevels, die zich spiegelen in het eeuwig stromende water dat voor even tot bedaren komt in de rivierbocht.

De Dommel wordt op deze plek overigens omzoomd door wilde oevergewassen en populieren. Het is of hier de stad binnenstebuiten is gekeerd en het zompige beekdalenlandschap rond Eindhoven, waar eertijds de jonge Van Gogh ronddwaalde, een toegang tot de binnenstad heeft afgedwongen.

Deze spannende confrontatie van enerzijds de prozaïsche en rechtlijnige zakelijkheid van de stad en anderzijds het beweeglijke, voortdurend veranderende en grillige waterlandschap: deze tegenstelling tussen beheersing en beweging is eigen aan Eindhoven. Ze is ook zichtbaar in de eveneens aan de Dommel gelegen High Tech Campus ten zuiden van de stad.

Vlakbij het Van Abbe Museum ligt het remonstrantse kerkje waar ik regelmatig kom – als kerkganger, gastvoorganger of actief gemeentelid. De ‘import’ uit het Westen en Noorden, die Eindhoven indertijd dankte aan gloeilampenfabricage en universitair onderwijs, bracht in zijn kielzog ook het remonstrantisme, deze deftig-nuchtere variant van het Nederlands protestantisme mee.

Binnen de muren van het bescheiden kerkgebouw hebben verschillende generaties van slimmeriken, uitvinders en aartsregelaars zich op zon- en weekdagen gebogen over de vragen, die zij in hun werk onbeantwoord moesten laten: vragen over vergankelijkheid en vergeefsheid, vragen over het onherstelbare en onvervangbare, vragen waarmee het geloof wel raad lijkt te weten.

Toen de kerkgemeenschap enkele jaren geleden van zichzelf een kunstwerk mocht uitzoeken, viel de keuze niet geheel toevallig op het ontwerp- en kunstenaarsduo Lonneke Gordijn en Ralph Nauta van Studio Drift. Beide zijn afkomstig uit de stal van de Eindhovense Design Academy en hebben tijdens hun opleiding de specifieke lucht van de stad, met haar typische spanningen en tegenstellingen, ingeademd.

Hun werk ademt deze sfeer op zijn beurt ook uit. Kenmerkend zijn de modulair opgebouwde werken die bestaan uit paardenbloemzaadjes, die zijn aangebracht op LED-lampjes. De confrontatie tussen natuur en techniek, tussen vergankelijkheid en beheersing kan niet beter worden uitgedrukt.

In de remonstrantse kerk van Eindhoven hangt dan nu het werk Fragile Future FF2. Met dit werk willen Gordijn en Nauta ons aanzetten tot het alternatief voor beheersing: de behoedzaamheid. Dezelfde behoedzaamheid die ik als kind soms even kon opbrengen als ik een rijpe paardenbloem had geplukt en mee naar huis nam. Ik hield de adem in en maakte vloeiende bewegingen, opdat haar zilveren tooi ongeschonden bleef. Thuis aangekomen liet ik de bloem zien aan mijn moeder.

En die blies de zaadjes weg.

Achteraf gezien is mijn – op dat moment door mij kortstondig, maar ook hartgrondig verwenste – moeder de allegorie van de geschiedenis. Tegen de meedogenloze stroom van deze geschiedenis is onze behoedzaamheid niet altijd opgewassen. Des te meer reden om ons hierin te blijven scholen – aan de hand van de vluchtige werken van Studio Drift bijvoorbeeld.

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling .

Ich bin der Welt noch nicht abhanden gekommen … en de wereld komt niet van ons af.

In het boek Tien-en-één-nacht van Lewinsky staat een SF-achtig verhaal over een jonge man, die op een kwade dag wakker wordt in een vreemde wereld. De vertelling is een variant op het sprookje van de Zevenslaper. Deze man in kwestie heeft zich echter niet zomaar verslapen. Hij is door zijn eigen overlijden hééngeslapen – zoals wordt onthuld aan het einde van het verhaal – zodat hij ‘s ochtends doodgemoedereerd vanuit zijn bed het volle leven wil binnenstappen.

Hij ondervindt dan echter dat zijn geliefde zich een ongeluk schrikt van het spook dat zij ziet. Nog confronterender is het feit, dat zijn collega’s hem niet eens meer kennen en hem negeren. Bovendien wordt hij niet herkend door het digitale systeem dat de samenleving beheerst. Zijn pasje – waarmee normaliter alle deuren open gaan en dat een voorwaarde is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer – is geblokkeerd. Uiteindelijk wordt de jongeman door de dood ingehaald en komt er een einde aan de verwarring. Een cynische vorm van euthanasie.

Ik las het hierboven samengevatte verhaal afgelopen zaterdag met een groep vrienden. Het bleek zich te lenen voor ten minste twee interpretaties, die insteken op twee verschillende niveaus van deze vertelling.

I. De nachtmerrie van het ontwaken in een vreemde wereld

Op de eerste plaats is het verhaal een beangstigende parabel of metafoor voor het levensgevoel dat je kan bekruipen als je, zoals ik momenteel, op loopafstand je vijftigste verjaardag in een hinderlaag ziet liggen. Dit levensgevoel lijkt erg veel op de duizelingwekkende ervaring van de jongeman. Je ontdekt dat de wereld om je heen minder vertrouwd is, dat je de weg kwijt dreigt te raken. Je komt er achter dat spelregels zijn veranderd en bordjes zijn verhangen, toen je even een andere kant uitkeek. Je merkt dat anderen wazig kijken als je iets zegt of doet wat voor jou heel vanzelfsprekend is. Jij en de wereld om je heen zijn vreemden voor elkaar aan het worden.

Dit levensgevoel, een soort milde Alzheimer van louter sociologische aard, uit zich bij mij in de verbijstering over het instorten van de boekenmarkt of het geruisloos verdwijnen van de klassieke CD. Het is het weeë gevoel in mijn ingewanden als ik zie dat de EO het (hoe dubbelzinnig ook) opneemt voor homo’s of als ik kennis neem van de vreedzame en vrolijke co-existentie van contrasterende zielen in de borst van bekende Nederlanders als Monique Samuel. Het is het gevoel dat de grond onder mijn voeten boterzacht wordt, omdat in de politiek rechts links is geworden en links rechts.

Mijn frames kloppen niet meer. Mijn pasje is verlopen en de systemen herkennen het niet meer. Gelukkig – zo maak ik mezelf wijs – ben ik nog wendbaar en lenig genoeg om te leren en mij aan te passen. Ik ben “der Welt noch nicht abhanden gekommen”.

II. Leve de online profilering

Het verhaal van Lewinsky – en hier komen we bij de tweede interpretatie – activeerde bij sommige lezers de verontwaardiging en paniek over de dominantie van digitale informatienetwerken in onze samenleving. Het verhaal is inderdaad te lezen als een (in dit opzicht overigens niet bijster originele) zedenschets van een dystopische samenleving, waarin de huidige tendensen van de oneline-isering zich extreem hebben doorgezet. (Het nieuws van de dag maakt het uiteraard begrijpelijk dat we deze link leggen.)

Eén van ons haalde er na het lezen van het verhaal terstond zijn laptop bij en riep via Youtube een SciFi-filmpje op. Het ging over een datend stel, dat via een geavanceerde ‘dating app’ geen geheimen voor elkaar heeft. In ieder geval beschikt de man dankzij de app over alle versier-technisch relevante informatie over de voorkeuren en allergieën van de vrouw. Daardoor kan hij zijn gedrag precies op haar afstemmen en de date gesmeerd laten verlopen – totdat zij op haar beurt deze manipulatie doorziet.

Dit visioen riep in onze groep discussie en controverse op. Waar gaat het heen, als we elkaar reduceren tot databundels en elkaar zo manipuleren? Waar zijn privacy, oprechtheid en echtheid? Waar is de improviserende flirt? We willen niet daten met data. De banvloek over Facebook werd uiteraard ook weer eens uitgesproken.

Er klonk echter ook een ander geluid. Is het eigenlijk ooit wel anders geweest? Strategisch communiceren zit diep in ons. Wij mensen hebben nooit anders gedaan, dan informatie over elkaar vergaren en elkaar in kaart brengen, om zodoende ons gedrag op de preferenties van de anderen af te stemmen. Sociaal verkeer bestaat voor 80 % uit het zoeken naar de knopjes die toegang geven tot de lekkernijen die de ander mij te bieden heeft: macht en status, geld en emplooi, vriendschap en liefde, seks en bevestiging.

Het is een illusie om te denken, dat dit onheil eigen is aan het facebooktijdperk. Het verschil tussen het Slechte Nu en het Goeie Ooit is alleen, dat datgene wat vroeger gebeurde aan de hand van roddel en achterklap, subtiele vragen en observaties, dankzij de online wereld méér door onszelf geregisseerd kan worden – weliswaar niet onbeperkt maar wel in grotere mate dan voorheen. Door je vrijmoedig – maar uiteraard ook gehaaid – in de online wereld  te begeven, kun je jezelf profileren op de manier zoals jij wilt – in elk geval veel sterker dan in de goede oude tijd van onzichtbare en ongrijpbare offline netwerken. Beeldvorming is minder oncontroleerbaar.

Laat ik, al is het maar om dwars te zijn, eens een lans breken voor deze optimistische visie. Werk aan uw online profiel, zou ik zeggen, en laat zien wat u zelf wilt laten zien. Stileer en friseer u zelf. Dan vind u sneller uw geestverwanten of mensen die zijn geïnteresseerd in de verborgen schatten die u herbergt. Anders bent u maar overgeleverd aan de goden. Want zelfs als u offline bent: er wordt toch over u gepraat. En de beelden die anderen van u zo gezellig informeel bij elkaar praten, zijn even duurzaam en hardnekkig als dat onafbreekbare zwerfafval in cyberspace, waarvoor we elkaar zo bang maken.

Alleen zo, als we ons informatie-lot in eigen handen nemen, komt de wereld niet van ons af.

De mens is onderdeel van een clichéfabriek. Of niet?

Na het lezen van Döblins roman Berlin Alexanderplatz (1929), dringt zich één schrikbarende interpretatiemogelijkheid op: de mens is een onderdeel van een immense clichéfabriek. De roman zegt het zelf aldus: “Het is met de wereld zo gesteld, dat de meest onnozele spreekwoorden gelijk krijgen.”

De ironie zit er natuurlijk in, dat Döblin zich met deze uitspraak op zijn beurt van onelinerstaal bedient. En dat doet hij voordurend. De innerlijke monologen van de personages en de commentaren van de verteller zijn doorregen met oubollige spreekwoorden, alsmede met uit hun verband gerukte regels uit schlagers, strijdliederen, politieke toespraken en reclameteksten. Daarnaast is de woordenstroom hier en daar doorspekt met flarden tekst uit de bijbel en serieuze kranten, uit de sensatiepers en boulevardbladen.

De roman roept met deze verteltechniek de beangstigende suggestie op dat de woorden en gedachten van literaire helden en hun vertellers – hoe verheven of diepgravend bedoeld ook – ondergaan in een brij van – meer of minder serieus te nemen – gemeenplaatsen, ja: dat literaire personages en auteurs bijna niet anders kunnen dan die brij herkauwen.

Döblin houdt ons opzettelijk een spiegel voor en we mogen het bovenstaande dus gerust verbreden tot een algemene uitspraak: wij mensen praten en denken alsof het gedrukt staat. We praten de taal na van de affiches en vlugschriften, goedkope kranten en van het meest gedrukte boek ter wereld: de bijbel. Wij gebruiken de taal niet vanuit een soevereine positie, om het diepste en hoogste uit te drukken. Nee: de taal is onze moeder en is ons te machtig. Ze is ons op het lijf geschreven, op het “vel waarin we nu eenmaal wonen”.

Misschien gaat deze postmoderne uitleg echter te ver. Misschien is de taal op een bepaalde manier wel degelijk een symptoom van de realiteit in plaats van haar moeder. Daarop lijkt de geciteerde oneliner te duiden, die beweert dat platitudes gelijk krijgen. Als clichés zoals “Dat is de loop der dingen” het winnen van heldhaftige pogingen om het lot te beïnvloeden en te keren: dan weerspiegelt dit een metafysisch gegeven. Er is zoiets als een banaal noodlot, dat als een zwart gat de taal binnenzuigt en vermaalt tot een grauwe brij zonder idyllen en idealen, nuances en lichtpuntjes. De taal is gedoemd om nederig amen te zeggen op de brute werkelijkheid en te verworden tot het eeuwig gemurmel van een troebele bergbeek.

Gelukkig, maar ook op een onhandig laat moment, laat Döblin in zijn roman nog de mogelijkheid van zingeving open. Door een kiertje schijnt een beetje licht naar binnen. Dat gebeurt echter, zoals gezegd, bij het scheiden van de markt.

***

Wat Döblin ook pretendeerde en ambieerde op wijsgerig gebied: feit is dat hij één van degenen is geweest die de taal van de ‘hoge cultuur’ hebben genivelleerd en schaamteloos hebben vermengd met de taal uit de populaire of ‘lage’ cultuur. De deftige Duitse Bildungsroman is via knip-en-plak-werk onderdeel geworden van de voortdurende stroom van gemeenplaatsen van de industriële samenleving. Sociologisch uitgedrukt: de urbane massacultuur (waarvoor Berlijn een icoon was en is) heeft zich als een onstuitbare stortvloed meester gemaakt van Het Boek. Het is niet langer voorbehouden aan verstilde studeervertrekken of buitenverblijven om de bakermat te zijn van een kloeke Duitse roman.

Berlin Alexanderplatz staat uiteraard in een traditie, wat dit betreft. Mondjesmaat deden anderen vóór Döblin het zelfde – bij uitstek in de muziek, zoals Mahler die in zijn symfonieën met opzet banaliteiten citeerde en zelfs als bouwstenen gebruikte. En inmiddels is het vrijwel gemeengoed geworden om de kunstenaars en kunstminnaars, voor zover zij nog en veilig heenkomen willen zoeken in ivoren torens, te schokkeren en te schofferen en om de popcultuur binnen te doen dringen in het allerheiligste.

Het is gemeengoed geworden – op het afstompende en uitgeleefde af. De musea voor hedendaagse kunst liggen er verlaten bij met hun zichzelf voortdurend kopiërende projecten, die erop zijn gericht om de ‘hoge cultuur’ te ondermijnen en te laten onttronen door de ‘lage cultuur’. Ze zijn als roependen in een woestijn met hun voorspelbare schokeffecten, met hun – ik citeer vrij de veelal onleesbare tentoonstellingscatalogi – pogingen ‘om paradoxen te laten zijn wat te zijn’, ‘om meer vragen op te roepen dan te beantwoorden’ en ‘om contrasten en contradicties te laten bestaan’.

Wat ooit bevrijdend, emanciperend en schokkerend was, is inmiddels een cliché van een cliché geworden. De massacultuur hoeft immers niet meer een provocerende mesalliance aan te gaan met de hoge cultuur, om te worden geëmancipeerd. Inmiddels is de popcultuur immers gevestigd geraakt, in hogere kringen de bon ton geworden en aldus meer dan voldoende geëmancipeerd. De producenten ervan zijn zelfs tot een elite in materiële zin geworden. De ooit zo verfoeide ivoren toren: dat is nu de jetset van mediamagnaten en popartiesten. Wie het opneemt voor massacultuur trapt een open deur in – of laadt op zijn minst de verdenking van opportunisme op zich.

***

Bovendien zoeken de consumenten van popcultuur niet de confrontatie op en zijn zij niet uit op een robbertje vechten. Want ook dat is nog een veel voorkomend misverstand bij sommige conservatoren – overigens een merkwaardige aanduiding van de beroepsgroep in dit verband. Ze beschouwen de musea als een gevechtsarena, waar indringende maatschappijkritische vragen worden gesteld en misstanden aan de kaak – onder andere door middel van nieuwe combinaties van massacultuur met museale kunst.

Inmiddels echter blijkt de Homo Popculturalis vooral datgene te zoeken wat kunstenaars nolens volens hebben moeten afleren: de ontsnapping aan de barre realiteit. Het durven wegdromen in fantasiewerelden en in gevoelens die te mooi zijn om waar te zijn: die guilty pleasure heeft zich verplaatst van de hoge naar de lage cultuur.

Het organiseren van droomvluchten: hierin en hiervoor was de kunst altijd goed. Helaas heeft ze dit terrein te veel prijsgegeven aan de kitsch – zoals de kerken met hun ‘realisme’ vrij baan hebben gegeven aan het klatergoud van de esoterie en de technocraten van de politiek ruimte hebben gecreëerd voor de linke blingbling van irreële utopieën.

Maar dat is allemaal weer een ander verhaal.

_____________________________________________

* De foto is genomen tijdens de tentoonstelling Three Blind Mice in het museum Dhondt-Dhaenens in Deurle (B).

 

‘Göttingen’: over liefde voor mensen, voor muziek en voor Duitsland

Hoewel ik op levensbeschouwelijk gebied een vrijbuiter ben – en me op spiritueel en mentaal gebied daarmee een avontuurlijke gezindheid permitteer die mijn betrekkelijk angstvallige levenswandel op overige gebieden moet compenseren – zijn er niettemin immateriële zaken, waar ik met een dogmatische hardnekkigheid aan vasthoud. Zo ben ik redelijk compromisloos en onverzoenlijk in mijn geloof aan de superioriteit van de klassieke muziek.

Dit geloof dank ik – zoals dat met geloof gaat –  vooral aan mijn melomane vader. Dit heeft niets te maken met een hardvochtige opvoeding. Juist doordat de paplepel liefdevol werd gehanteerd, heeft deze waardehiërarchie zich diep in mij geworteld. De piëteit jegens mijn zachtmoedige en zachtaardige vader vormt een eenheid met de respectvolle hartstocht voor Van Beethoven en zijn vakbroeders.

Met mijn muzikale rechtlijnigheid verspeel ik soms de sympathie van mijn naasten. Het leidt echter ook tot een zekere eenzaamheid. Snobisme straft zichzelf. Zo ga ik bovendien gebukt onder de last, die ik mijzelf op haast plichtethische manier opleg, om met rituele regelmatigheid en geconcentreerde toewijding te luisteren naar klassieke muziek. (Een klassieke CD als achtergrondmuziek opzetten, doe ik overigens met het gevoel mij te bezondigen aan heiligschennis.) En als ik een bijzonder concert verzuim in mijn woonplaats, onderga ik het schuldgevoel van iemand die zijn zondagsplicht verzaakt.

Natuurlijk heb ik ook mijn guilty pleasures en heimelijke genoegens van incorrecte smaak. Ik overweeg dan ook om testamentair vast te laten leggen, dat niemand ooit mijn MP3-speler mag inzien na mijn dood. Wat ik bij tijd en wijle beluister – op de fiets of te voet onderweg van en naar het treinstation – is te schandelijk voor woorden. Ik zal uw nieuwsgierigheid echter niet prikkelen.

***

Wat u wel mag weten, is dat sedert kort een oud chanson op mijn speler staat, dat ik pas onlangs ontdekte. Het is Göttingen van de zangeres Barbara. Het liedje is even oud als ik zelf ben en met het oog op die laatstgenoemde omstandigheid had ik het natuurlijk al lang moeten kennen. Ik leerde het ingetogen-meeslepende lied kennen via Radio Vier, de zender die ik met plichtsgetrouwheid iedere dag beluister – ook als de aanhankelijkheid op de proef wordt gesteld door het uitzenden van muzikale verschrikkingen als Canto Ostinato van Simeon ten H. zoals afgelopen week.

Het chanson heeft een ontroerende tekst, die Barbara (Monique Andrée Serf, 1930-1997) schreef nadat zij in 1964 in Göttingen had gewerkt. Het lied is een ‘icoon’ van de Völkerverständigung geworden en drukt ook precies mijn eigen ervaringen met en gevoelens voor Duitsland en mijn Duitse collega’s uit. Ik herken de bewondering voor het historisch besef van de Duitsers, het respect voor hun brede ontwikkeling en de erkenning van hun aangeboren, maar tevens door de geschiedenis ingegeven melancholie. Maar bovendien: ze zijn geen haar slechter dan wij – alle frames ten spijt. Dat alles zegt Barbara. En dat roert mij.

Omdat ik Frans goed lees, maar niet altijd direct versta, heb ik de tekst opgezocht en voor mezelf vertaald. En hier kunt u het mooie lied beluisteren (zolang Youtube het niet laat afweten).

Göttingen

Bien sur, ce n’est pas la Seine,
Ce n’est pas le Bois de Vincennes,
Mais c’est bien joli tout de même,
À Göttingen, à Göttingen.

Natuurlijk: er is niet de Seine, er is niet het Bois de Vincennes, maar het is er niet minder aangenaam: in Göttingen, in Göttingen.

Pas de quais et pas de rengaines
Qui se lamentent et qui se trainent,
Mais l’amour y fleurit quand même,
À Göttingen, à Göttingen.

Er zijn geen rivierkaden en er klinken geen klagerige en slepende straatdeuntjes, maar de liefde bloeit er niet minder om: in Göttingen, in Göttingen.

Ils savent mieux que nous, je pense,
L’histoire de nos rois de France,
Hermann, Peter, Helga et Hans,
À Göttingen.

Ze kennen beter dan ik, vermoed ik, de geschiedenis van onze Franse koningen: Hermann, Peter, Helga en Hans, in Göttingen.

Et que personne ne s’offense,
Mais les contes de notre enfance,
Il était une fois commence
À Göttingen.

En ik hoop dat ik niemand beledig als ik zeg dat de verhalen uit onze kindertijd, met het Er was eens hun oorsprong vinden in Göttingen.*

Bien sur nous, nous avons la Seine
Et puis notre Bois de Vincennes,
Mais Dieu, que les roses sont belles
À Göttingen, à Göttingen.

Natuurlijk: wij hebben de Seine en dan natuurlijk ons Bois de Vincennes. maar, mijn god, wat zijn de rozen mooi in Göttingen in Göttingen.

Nous, nous avons nos matins blêmes
Et l’âme grise de Verlaine,
Eux, c’est la mélancolie même,
À Göttingen, à Göttingen.

Wij, ja wij hebben van die vale ochtenden en de grauwe ziel van Verlaine, maar zij: zij zijn de melancholie zelf, in Göttingen, in Göttingen.

Quand ils ne savent rien nous dire,
Ils restent là a nous sourire,
Mais nous les comprenons quand même,
Les enfants blonds de Göttingen.

Wanneer zij niet weten wat ze ons moeten zeggen, blijven ze gewoon glimlachen, maar wij begrijpen hen dan toch: die blonde kinderen van Göttingen.

Et tant pis pour ceux qui s’étonnent
Et que les autres me pardonnent,
Mais les enfants ce sont les mêmes,
À Paris ou Göttingen.

En als men het niet begrijpt, jammer dan, het spijt me, maar heus: de kinderen zijn het zelfde in Parijs of Göttingen.

O faites que jamais ne revienne
Le temps du sang et de la haine
Car il y a des gens que j’aime,
À Göttingen, à Göttingen.

O laat toch nimmer de tijd terugkeren van bloed en haat, want er leven mensen die ik liefheb in Göttingen, in Göttingen.

Et lorsque sonnerait l’alarme,
S’il fallait reprendre les armes,
Mon cœur verserait une larme
Pour Göttingen, pour Göttingen.

En zodra de alarmsirene zou afgaan en als we de wapens weer zouden moeten opnemen, zou mijn hart een traan plengen voor Göttingen, voor Göttingen.

_______

* Verwijzing naar het professoraat van de ‘sprookjesverzamelaar’ Jac. Grimm aan de universiteit van Göttingen.