Monthly Archives: januari 2014

Tussen haakjes

“For you these from me, O Democracy, to serve you ma femme! For you, for you I am trilling these songs.”

Afgelopen zondag stond ik in het Rijksmuseum Twenthe oog in oog met die – enerzijds overweldigende, anderzijds zich niet makkelijk prijsgevende – doeken van de Vlaamse expressionist Constant Permeke (1886-1952). Er kwam al spoedig een associatie bij me op met de gedichten van Walt Whitman (1819-1892).

Tot dat laatste werd ik verleid door de in chocoladeletters aan de muur aangebrachte citaten – een uitvinding waarmee conservatoren en expositieregisseurs de aandacht en kijkrichting van de toeschouwer menen te moeten sturen. Uit deze teksten sprak het verlangen van de schilder, om zich te vereenzelvigen met het knoestige vissers- en boerenvolk van Vlaanderen en om zich in hun wereld onder te dompelen.

Ook de Amerikaan Whitman werd gedreven door het quasi-erotische verlangen, om te versmelten met ‘de gewone man en vrouw’ en om in de huid te kruipen van anderen. Als je zijn Song of Myself leest, kun je de beroemde uitspraak plaatsen van president Kennedy in Berlin in 1963 (“Ich bin ein Berliner!”) en begrijp je de identificatie van de Amerikanen met hun heldhaftige brandweermannen na ‘Nine Eleven’:

I am the hounded slave, I wince at the bite of the dogs, (…) I do not ask the wounded person how he feels, I myself become the wounded person, (…) I am the mash’d fireman with breast-bone broken.

Eenmaal op het spoor gebracht van deze inhoudelijke parallel tussen Permeke en de veel oudere Whitman zie je ook gelijkenissen in stijl en vormentaal: het grote gebaar, het buiten de oevers treden, de vrijheid in de omgang met conventies, de sensualiteit etc.

Je zou bijna vergeten dat er ook veel verschillen zijn. Permeke lijkt veel minder universeel te zijn. Waar Whitman de mensheid van alle tijden en continenten omarmt en aan zijn dichtervleugels een kosmische spanwijdte geeft, kiest Permeke voor het kikkerperspectief op een willekeurige standplaats in het vlakke Vlaamse land of aan de Noordzeekust. Whitmans vereenzelviging met het mensdom heeft bovendien een uitdrukkelijk pantheïstische inspiratiebron. Ze vertoont zelfs messiaanse trekken – op het overmoedige en hoogmoedige af. Tenslotte is Whitman zeer expliciet in zijn politiseren: in zijn poëtische landschappen hangen democratie en wereldvrede altijd als een opgaande zon boven de horizon. Permeke is indirecter in dit opzicht. Een rustig mens, zeg maar.

***

Desondanks zouden Whitman en Permeke zich niet hebben verbaasd, om zichzelf in elkaars gezelschap aan te treffen. Iets vergelijkbaars geldt voor het koppel Whitman en Thomas Mann (1875-1955).

Mann, diep geworteld in de Duitse Romantiek en het daarbij horende flirten met duisternis, dood en autoritair nationalisme, Mann, diep doordrenkt ook met het parfum van het Dandyisme van rond de eeuwwisseling, welnu: deze Mann voelde intuïtief aan, dat hij in die verstikkende atmosfeer niet kon blijven hangen. Hij wilde, ja moest, de brug slaan naar de Verlichting en haar politieke kinderen: de democratie, de menselijke waardigheid, de mensenrechten – en dan liefst zonder daarbij restloos af te hoeven rekenen met datgene wat hem dierbaar was en waarmee was vergroeid.

In Whitman nu ontdekte Mann in de jaren twintig iemand die hem daarbij kon helpen, iemand die de euforie en het enthousiasme van de romantiek enerzijds verbond met de frisse wind van de westerse idealen anderzijds. Whitman kon hem helpen om invulling te geven aan het Goethiaanse begrip humaniteit, waarin volgens Mann het beste van twee werelden samenkwam: traditie, individualistische schoonheidscultus en levenskunst enerzijds en sociaal en zich politiek profilerend utopisme anderzijds. Whitman was romantiek, waar de Verlichting doorheen schemerde.

Met zijn sympathiebetuiging aan Whitman legde Mann in het begin van de jaren twintig zijn politieke kaarten op tafel. Er gaapte uiteraard een kloof tussen de kunstopvatting van Whitman en Mann. Mann moet bovendien hebben ervaren, dat de onverholen homoseksualiteit in de poëzie van Whitman hem niet alleen boeide, doch hem vooral ‘unheimlich’ voorkwam. De Duitse schrijver besefte echter, dat op dat moment in de Europese geschiedenis een tegenwicht nodig was tegen de ‘achterwaarts gerichte’ tendensen. Hij voelde de urgentie van een alternatieve richting en een alternatieve krachtbron voor de mobilisering van de massa. De gunstige wind stond dit keer uit het westen en kwam van gene zijde van de Atlantische Oceaan. De rest is geschiedenis.

***

Wie nu Whitman leest, komt soms van een koude kermis thuis. Wordt hij – zo vraag je je af – überhaupt nog veel gelezen buiten de esoterische kerk en buiten de kring van americanofielen en verzamelaars van homoliteratuur? Komt in zijn werk niet al datgene samen, wat ‘ons’ Europeanen tegenstaat in Amerika: de manische toesprakenretoriek, de staatkundige kwezelachtigheid, de overtrokken religieuze euforie? Ervaren we bij het lezen van de gedichten niet het zelfde vleugje achterdocht, dat we soms voelen bij het gekunstelde redenaarstalent en het voorgekookte charisma van Barack Obama, waarbij zelfs de grootste bewonderaars zich bij tijd en wijlen wat ongemakkelijk voelen?

Ik vermoed dat de vervreemding, die we bij Whitman ervaren, een parallel heeft in de vervreemding die ons bekruipt ten overstaan van de Amerikaanse verwevenheid van sociaal activisme, politiek en religie. Wij beleven dit niet zelden als een ongenietbaar, ja giftig mengsel – of in elk geval als een brouwsel met een vreemd bijsmaakje. Hoe dan ook is de mengverhouding van religie, maatschappelijk middenveld en politiek in de USA een heel andere dan de Europese – en dit heeft diepe wortels. Door alle uiterlijke overeenkomsten op het gebied van taal en cultuur, economie en religie lijken we dit vaak te vergeten – een vergetelheid die zich onder meer uit in de hardnekkige verbazing over de naïviteit van die Amerikanen, die maar niet willen seculariseren.

Whitman als pleitbezorger voor democratie en pacifisme: die komt er bij ons wellicht in. Maar wat moeten we met dat messianisme van de democratieminnaar Whitman? Is dat nog geloofwaardig? En ernstiger nog: is religie niet eerder een tijdbom onder democratie dan een energiebron? Maakt religie niet blind voor de realiteit? Is zij geen bron van ongeduld en intolerantie, van fanatisme en van een utopisme dat over lijken gaat – en vervolgens de offers ontkent?

***

Ergens, in een uithoek van zijn oeuvre, in een bijzin, staat bij Whitman het bewijs van het tegendeel. En ik denk dat het juist zijn religieuze inspiratie is geweest die hem deze tussenzin heeft doen opschrijven. De lofzang op de democratie als een natuurwonder in het gedicht ‘Rise o days’ wordt onderbroken door dit merkwaardige zinnetje, dat niet toevallig tussen haakjes staat:

Yet a mournful wail and low sob I fancied I heard through the dark, In a lull of the deafening confusion.

Volgens mij is het niet ondanks, maar juist dankzij zijn messiaanse religiositeit, dat Whitman oog kon hebben voor de keerzijde van elk politiek ideaal, voor het feit dat het bereiken van dat ideaal bloed, zweet en tranen kost. Religie houdt het zicht op het ideaal vrij, maar houdt tevens altijd een kier open, waardoor we de eeuwige keerzijde kunnen zien. Religie laat zien wat normaliter tussen haakjes staat. Ze weet van offers.

Of ze daarvan het alleenvertoningsrecht heeft, is een andere kwestie.

Deze bijdrage verscheen eerder op De Leunstoel. Internetmagazine voor rustige mensen. Lees hier verder voor deze versie en andere mooie bijdragen.

De dingen de baas

I. De dingen de baas

Deze week deden veel dingen niet datgene, wat ze geacht werden te doen.

In mijn privéleven – waarmee ik u overigens niet te veel zal vermoeien – betrof het mijn laptop, die ongevraagd instellingen veranderde of mappen verplaatste, waardoor zelfs het toch zo ééndimensionale WORD-programma veranderde in een game, waarbij je de weg moest zien te vinden in een doolhof waarin telkens de regels veranderden.

Gelukkig wist een computertovenaar – die mijn denk- en schrijfprothese op legale manier en met mijn uitdrukkelijke toestemming hackte – mij te bevrijden uit het digitale labyrint. Ik hield er een zacht in mijn achterhoofd zeurende achterdocht aan over. Wordt ons digitale bestaan dan toch, meer dan wenselijk en noodzakelijk is, op afstand bestuurd? Dat het zo makkelijk was voor de laptopdokter om op afstand mijn laptop te bedienen, maakte mij er overigens niet geruster op.

***

Mijn computer deed dus te veel, zoals in het bekende verhaal van Belcampo, De dingen de baas. Andere dingen weigerden deze week gewoon dienst, zoals de seinen van de spoorwegen tussen Breda en Tilburg. Donderdag, op het zorgvuldig uitgekozen tijdstip van de avondspits (de timing verraadt dat hier kunstmatige intelligentie met een hoge mate van, zij het malicieus, sociaal besef in het spel is), hielden de rode en groene lampjes (als die tenminste worden bedoeld met het woord ‘seinen’, hetgeen je nooit zeker weet bij de omzeilende woordkeuze van de voorlichters van de Nederlandse Spoorwegen) het voor gezien.

In mijn eenvoud dacht ik, dat het voor het vervoersbedrijf toch mogelijk moest zijn om op handmatige bediening van de seinen over te gaan of om de communicatiemiddelen in te zetten, waarover normale verkeersleiders uit hoofde hun functie beschikken en waarmee zij de bestuurders van voer-, vaar- of vliegtuigen instructies kunnen geven. Daarmee leek het probleem snel oplosbaar. Met de rails en de treinen zelf was immers op het oog niets mis.

Er schijnt echter ergens een protocol te bestaan dat voorschrijft om het zekere voor het onzekere te nemen. Een seinstoring en een bommelding horen wat dat betreft blijkbaar thuis in het zelfde rijtje.

De treinexploitant – voor geen kleintje vervaard – heeft er natuurlijk iets op gevonden. Het geld dat het bedrijf in dit soort gevallen bespaart, door de handmatige bediening achterwege en normale communicatiemiddelen onbenut te laten, besteedt het aan het inhuren van touringcars en aan het van verlof laten terugroepen van buschauffeurs. Een oplossing is een oplossing, zo wordt blijkbaar gedacht.

Deze aanpak betekent voor de kloeke mannen en vrouwen achter het stuur van de bussen, zo lijkt me, ook wel een welkome afwisseling. De inzet bij calamiteiten doet toch een ander beroep op hun adrenaline dan het vervoer van baldadige schoolzwemmers, dronken personeelsverenigingen en verveelde bezoekers van verkoopdemonstraties op de Veluwe. Dat hun eten koud wordt: dat hebben ze daar ongetwijfeld graag voor over.

***

Overigens kan ik de Nederlandse Spoorwegen aanraden om – als er nog wat geld overschiet – in dit soort gevallen tevens politieversterking en luchtsteun te regelen. Zodra de eerste vervangende bussen het stationsplein oprijden, stormt de menigte immers erop af en ontstaat een vruchteloos gedrang dat erg veel doet denken aan de klempositie van augurken of bruine bonen in een pas geopende pot. Ouderen, beleefde mensen en andere gehandicapten hebben het nakijken.

Toen ik deze live versie van De Nieuwe Wildernis afgelopen donderdag gadesloeg drong tot mij door, dat deze trekkende en duwende menigte volgens sommige opinieleiders ook bij referendum ons land mogen gaan besturen. Dit denkbeeld deed mij de schrik om het hart slaan.

II. Poetin de baas

De dingen waren dus de baas, afgelopen week: door dienst te weigeren of door hun eigen gang te gaan.

Wie ook geen krimp gaf en geeft, is de feestcommissie die besloten heeft dat Nederland met de hoogst mogelijke delegatie het klapvee voor de Poetin Show in Sotsji gaat versterken. Natuurlijk vermoedt iedereen dat dit de prijs is, die achter gesloten deuren is uitonderhandeld voor de vrijlating van de Nederlandse activisten. Toch blijft het bitter. En slechts ongeneeslijke atrofie van het hersenweefsel – een beroepsgebonden aandoening bij bepaalde categorieën atleten – kan de sportwoordvoerders tot excuus strekken, die in dit en in een vergelijkbaar verband stelden dat sport ‘niet over politiek gaat’.  (Soit. Misschien moeten we openstaan voor de postmoderne opvatting dat mensenrechten een kwestie zijn van politieke smaak en voorkeur.)

Begrijp me goed: ik zit niet te springen op een gebaar, dat is gericht op de ‘homo-emancipatie’ in Rusland. Ik ben nooit zo’n fan geweest van doelgroepenbeleid als het gaat om vrijheid en gelijkheid. Het opkomen voor je rechten ‘als ….’ (vul hier je identiteit in: homo, christen, Limburger etc.) vind ik een achterhaald, romantisch fenomeen. Identiteitsgebonden rechten en de hiermee samenhangende groepsrechten – jaja, mijn taalgebruik rammelt rechtsfilosofisch waarschijnlijk aan alle kanten – zijn misschien uit pragmatisch oogpunt vooralsnog nuttig of onvermijdelijk, maar ook en vooral zeer schadelijk, omdat ze meestal een vrijbrief zijn voor het platdrukken van het individu onder het gewicht van de eigen gemeenschap.

Als we dus nu of straks een signaal geven aan President Poetin – en dat moet mijns inziens zeker worden gegeven – dan moet dit betrekking hebben op mensenrechten in het algemeen en niet op de rechten van LGBT’s als zodanig. Mensenrechten zijn ondeelbaar, ja: onspecificeerbaar en inclusief. Als ze eenmaal volledig serieus worden genomen, is gendergebonden, religieuze of culturele identiteit geen item meer in het rechtendiscours.

In die zin zijn mensenrechten glashelder en eenvoudig, maar blijkbaar ook bedreigend voor iedereen die er belang bij heeft (welk belang dan ook), om ‘genuanceerd’ en ‘rekening houdend met de context’ erover te spreken.

Het verhaal als hoofdpersoon

Als leesgrage en met levensvragen worstelende puber kocht ik ooit de bekende blauwe prismapockets met de sprookjes van Andersen. Ik kon heerlijk wegdromen in de noordelijk-magische, weemoedige en ietwat decadente stemming van Andersens verhalen over ontwortelde zielen.

Toen ik mijn aanwinst vol trots liet zien aan mijn grootmoeder, reageerde deze plompverloren met de opmerking dat sprookjes iets voor kinderen was. Haar reactie stelde me teleur, maar verbaasde me niet. Sprookjes werden in die tijd vooral op de markt gebracht via bewerkingen voor kinderen. Het was blijkbaar een breed gedeelde culturele aanname dat fantastische vertellingen uitsluitend op het literaire kindermenu thuishoorden. Volwassen vrouwen als mijn grootmoeder en moeder koesterden een voorkeur voor het onversneden realisme van de BouquetreeksPeyton Place en (later) Dallas.

Overigens stond mijn moeder – die in dit opzicht nog radicaler was dan mijn oma –  zelfs op het opvoedkundige standpunt dat ook de speciaal op kinderen gerichte fictie het niet te bont mocht maken. Pippi Langkous stond bijvoorbeeld op de lijst van verboden verbeelding. Ik zou me eens vreemde zaken in mijn hoofd kunnen halen! Het realiteitsprincipe moest centraal staan in het culturele aanbod voor de jeugd.

Wonderlijk genoeg liepen mijn grootmoeder en moeder aan de andere kant onbekommerd rond in een leefwereld waarin fantastische verhalen schering en inslag waren: de leefwereld van het katholicisme. Ze konden weliswaar nogal  bedenkelijk kijken als er tijdens de mis weer eens een sterk verhaal werd opgedist over de wonderdoener uit Nazareth, maar ze zeiden er toch maar bedeesd amen op. En de wonderlijke avonturen van Onze Lieve Vrouw Sterre der Zee te Maastricht konden wat hen betreft niet gortig genoeg zijn.

Niemand kan en wil zonder verhalen, zo blijkt maar weer.

Louche zakenman
Voor zover nog nodig voert Charles Lewinsky, in zijn recentelijk in het Nederlands uitgegeven boek Tien-en-één-nacht, het pleit voor het fantasierijke verhaal. Dat doet het boek op verschillende manieren. Op de eerste plaats is Lewinsky een goede, beeldende en spannende verteller, die ons de smaak te pakken doet krijgen. Ten tweede is het Verhaal zelf de eigenlijke hoofdpersoon van het boek. In zijn raamvertelling laat Lewinsky zien hoe het verhaal mensen in hun greep kan houden en bevrijden, hen heilzaam kan verwarren en hun richting kan geven. Het boek is de successtory van het Verhaal en zijn krachttoeren.

Het gegeven is eenvoudig. Een louche zakenman, die met één been in de onderwereld staat en met het andere in de bovenwereld, bezoekt een uitgebloeide, deftige prostituee, die het tanen van haar charmes compenseert met een subliem talent om verhalen aaneen te rijgen. Daardoor weet ze de opvliegende en niet ongevaarlijke bordeelbezoeker tot bedaren te brengen en aan het denken te zetten. De verhalen houden hem een spiegel voor of openen vensters op een andere werkelijkheid. Zo komen er mensen in voor die kunnen toveren of onbeperkt wensen kunnen doen – maar die door de nuchtere realiteit worden ingehaald en overtroefd. Ze lijken als twee druppels water op de zakenman, die schijnbaar almachtig is en alles kan krijgen wat hij wil – behalve liefde, geluk en gezondheid.

Aan gene zijde
Zodra de loop van de vertelde gebeurtenissen hem niet bevalt, wil de onaangename klant de regie overnemen. Maar dan wijst de vertelster er fijntjes op dat hij nu eenmaal zelf niet voorkomt in het verhaal, dus niet kan ingrijpen. Het verhaal moet zijn loop hebben. Het verhaal is zowel haar als hem te machtig. Hij zal dus wel moeten luisteren – of het hem welgevallig is of niet.

Bedoeld of onbedoeld geeft Lewinsky hiermee een belangrijke hint over de betekenis van verhalen. Verhalen hebben behalve een eigen kracht ook een eigen macht. Ze hebben iets autonooms waardoor onze eigen autonomie onderuit wordt gehaald en onze behoefte om de werkelijkheid in onze greep te houden. Daarin is een groot deel van hun heilzame karakter gelegen. Verhalen redden ons, omdat ze een grens stellen aan de illusie van onze onbeperkte zelfredzaamheid. Ze leren ons overgave aan het andere, dat aan gene zijde ligt van de grenzen van ons ik.

***

Charles Lewinsky, Tien-en-één-nacht, (vertaald uit het Duits door E. Schippers), uitgeverij Signatuur, 2013.

 

De bovenstaande column verscheen eerder op www.debezieling.nl.

Licht

Om mij voor te bereiden op – of liever: te wapenen voor – de met omfloerst tromgeroffel in het vooruitzicht gestelde ‘somberste dag van het jaar’, nam ik mij voor om mezelf te onderwerpen aan een hardhandige immuniseringskuur. Ik besloot de tentoonstelling te bezoeken over Constant Permeke en andere Vlaamse expressionisten in het Rijksmuseum Twenthe (een parel in ons museumlandschap overigens).

Ik toog erheen vanuit de – op schamele oeuvrekennis gebaseerde – verwachting dat ik deprimerende doeken zou aantreffen met daarop door het leven getekende en door de dood op de hielen gezeten bonkige boeren, die zich gebogen voortbewegen onder een met donderwolken bezwangerde zwerk.

Kortom: ik vestigde mijn hoop op de werking van het zogenaamde Lourdesprincipe. Ik hoopte dat mijn eigen dreigende somberheid zou verbleken bij het gitzwarte levensgevoel van Permeke.

***

permeke licht

De ontmoeting met Permeke hielp inderdaad – maar niet op de door mij verwachte wijze. Ik ontdekte integendeel een pleitbezorger van het licht en van de glans van de realiteit.

De door de conservator aangebrachte opschriften mochten nog zo luid beweren, dat de vormentaal van de Vlaamse expressionisten wordt beheerst door sombere tinten en door ruwe, grove en hoekige gebaren: ik voelde vooral veel tederheid in de toets die Permeke aanslaat.

Natuurlijk kruipt Permeke de vissers en boeren, met wie hij zich tot in zijn vezels verwant voelde, zo dicht mogelijk op de huid. Tegelijk laat hij hen echter op zichzelf staan, geeft hij het zicht op hen vrij en laat hij het licht volop op hen schijnen. Hij plaatst hen op een voetstuk, zonder een indringer te worden in hun intimiteit. Zelfs zijn naakten zijn niet, zoals die van bijvoorbeeld Schiele of Klimt, voyeuristisch of opdringerig. Permeke is juist terughoudend.

Ook het minimalisme van zijn ‘ruwe’ en grote gebaar is geen schreeuwerigheid, doch juist een vorm van bescheidenheid en respect. Kijk naar zijn landschappen. Hier doet de schilder datgene wat Diogenes aan de keizer vroeg: hij zet een stap opzij om de zon te laten schijnen op de werkelijkheid. Het is uiteraard weinig zon en slechts schraal licht, wat het Vlaamse landschap te bieden heeft. Juist daarom echter is de bescheidenheid op haar plaats – zo moet Permeke hebben gedacht. Geen sprankje licht mag worden gehinderd. Met het weinige licht in ons bestaan mag niet worden geknoeid.

***

permeke vissersvrouw

Permeke lijkt – met zijn pasteuze stijl en met zijn hartstochtelijke aanhankelijkheid aan de mensen van zijn tijd – op de Amerikaanse dichter Walt Whitman (1819-1892). Deze identificeert zich in zijn vet aangezette en bombastische poëzie op vergelijkbare wijze met alle denkbare vrouwen en mannen, van alle tijden en continenten, in alle omstandigheden van het leven. Hun woordvoerder wil hij zijn. (“I am the hounded slave. (…) I plead for my brothers and sisters.”) Ook Whitman ziet de ‘contouren van geluk’ oplichten in de werkelijkheid.

De vergelijking gaat slechts ten dele op. Permeke is minder messiaans in zijn pretenties. Hij wandelt niet onder tromgeroffel en trompetgeschal met zevenmijlslaarzen over continenten en door de geschiedenis. Hij bestormt niet de kosmos, zoals Whitman en zijn muzikale evenknie Ives. Vlaanderen en zijn hard werkende bewoners zijn voor Permeke genoeg.

Permeke is echter wel degelijk visionair – in de bescheiden zin dat hij zichtbaar maakt, dat hij ons iets laat zien. Hij leent ons zijn helderziende ogen en maakt ons attent op de glans van de werkelijkheid, op het sprankje hoop dat daarin sluimert.

Verlichting

Naar aanleiding van het boek van Lipovetsky en Serroy, waarop Bas Heijne de lezers van de NRC tipte in november, heb ik een stukje geschreven voor De Bezieling. Ik vraag me daarin af, wat de theologische relevantie is van dit boek, dat een welwillende maar haarscherpe analyse geeft van onze op zintuiglijkheid gerichte cultuur.

Juist in de ‘maand van de spiritualiteit’ zijn deze bespiegelingen m.i. relevant. Want is spiritualiteit niet bij uitstek de ‘smaakmaker’ of ‘smaakversterker’ van het geloof, een marketing-vehikel om van religieuze aanhankelijkheid een ‘spekkie naar ons bekkie’ te maken? Kortom: is de zingevingsmarkt niet grootaandeelhouder van het ‘zinnelijke kapitalisme’ dat Lipovetsky en Serroy beschrijven?

U voelt al aan dat ik aan de relatief neutrale en onthechte beschrijving van de twee Franse cultuur-watchers een kritische pointe geef en in mijn beoordeling nog ambivalenter ben dan de auteurs.

Wat ik echter als lichtpunt van hun beschrijving overneem, is de waarneming van zelfspot en ironie als stijlmiddel van de laatkapitalistische consument. Daaraan ontbreekt het in zingevingscontreien helaas nogal eens aan. Ironie is m.i. echter de tweelingzus van het geloof.

Dit zeg ik zonder daarmee te kort te willen doen aan de noodzaak van ernst en zwaartekracht. Terecht stelde Gerhard Hormann afgelopen zaterdag in De Volkskrant de ‘light’ versie van het leven aan de kaak. (En een vriendelijke twitteraar wees mij op een iets ouder stuk in de New York Times van Christy Wampole, dat in de zelfde richting ging.)

Ik ben het in grote lijnen met de critici eens. Ironie dient bevrijdend te zijn – niet vrijblijvend. Zelfspot dient ons te verlichten – en dient er niet toe om ons tot lichtgewichten te maken.

Maar de bevrijding door de ironie is waardevol genoeg, om haar serieus te nemen.

Korte lontjes

Op vrijdag 20 december ging ik vanuit mijn laatste werkafspraak naar huis met een redelijke voorraad vrije tijd en met enkele bescheiden financiële extraatjes. Veertien dagen later stel ik vast, dat zowel de verlofuren als de kerstbonussen ongemerkt in rook zijn opgegaan.

De extra tijd vliegt immers voorbij in een periode van sociale verplichtingen. Bovendien heb ik de merkwaardige eigenschap om in verlofperioden mijn leeftempo te vertragen, zodat een eenheid tijd ook minder waarde vertegenwoordigt. Met andere woorden: ik knoei meer met mijn tijd, naarmate ik er meer van heb.

Ook de extra financiële armslag blijkt iedere keer weer een illusie, want het lijkt alsof de verzenders van facturen en aanslagen als aasgieren op de uitkijk hebben gestaan en zich rond de jaarwisseling collectief storten op de niets vermoedende consument, abonnee, verzekerde of belastingplichtige. En ook wat betreft mijn geld ben ik geneigd er slordiger mee om te gaan, als ik er wat ruimer over beschik.

Ook als je je geld niet ‘verspilt’ aan consumentenvuurwerk, blijven er in de feestdagentijd genoeg nutteloze en – erger nog – zinloze zaken over, om geld en tijd aan te spenderen. Aangezien ik onlangs in de Toverberg het hoofdstuk had gelezen, waarin Thomas Mann onbarmhartig beschrijft hoe de bewoners van het sanatorium de tijd en hun geest doden met verzamelwoede, spelletjes, rariteiten en noviteiten – soms op het ‘unheimliche’ af – kon ik de afgelopen tijd slechts met het schaamrood op de kaken in de spiegel kijken.

Ik kon mijn geweten gelukkig in slaap wiegen met de gedachte, dat Thomas Mann hier een toespeling maakt op de decadentie die Europa had uitgehold aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – en dat het hoofdstuk over de ‘stompzinnigheid’ dus over iets heel anders ging dan over decompressieverschijnselen na een paar maanden hard werken.

***

Dit neemt dit weg dat Manns beschrijving van de jolige en losgeslagen sanatoriumsfeer onze cultuur, die zo op ‘levenslang spelen’ is gericht, een spiegel voorhoudt. Ook zonder in het cultuurpessimisme van de Nexuslezer te vervallen, moeten we erkennen dat wij onze overvloed vooral besteden aan het tot bedaren brengen van onze onverzadigbare dorst naar zinnenprikkeling – en dat dit zich niet beperkt tot enkele uitzonderlijke tijden van het jaar, waarin we uit de band springen. Ook Lipovetsky en Serroy betogen in hun L’esthétisation du monde (Gallimard 2013) overtuigend dat wij leven in een ruimtelijk en temporeel ononderbroken spel en schouwspel – overigens zonder hun lezers met deze diagnose te willen kastijden.

Met ons collectieve gebrek aan seriositeit – dat zich niet alleen, maar wel symptomatisch uit in de jolijt op de social media – hoeven we niet de apocalyptische dreiging te associëren, die Mann er in zijn tijd post factum mee verbond, de losbandigheid suggestief opvoerend als voorbode van de Grote Oorlog. Onze consumentistische cultuur stevent niet per se af op een Titanic-achtig debacle en we hoeven de decadentie-parabel van Mann tot zover niet op te vatten als een onheilsprofetie.

Mann laat het echter niet bij de hilarische beschrijving van de mentale leegheid. Verontrustend genoeg volgt er bij de sanatoriumbewoners op de fase van de ‘stompzinnigheid’ een ander stadium: dat van de ‘grote prikkelbaarheid’. Daarover nadenkend, voelde ik de schrik mij om het hart slaan. Ook in onze cultuur liggen zinloos en zinneloos tijdverdrijf enerzijds en de toenemende opvliegendheid en lichtontvlambaarheid anderzijds dicht bij elkaar. Welvaart maakt blijkbaar niet verdraagzamer en vredelievender. Het door het minste of geringste te krenken individu staat voortdurend op scherp en van de overheid wordt op alle fronten ‘zerotolerance’ geëist. En dat ondermijnt wel degelijk onze samenleving.

Ach, misschien heeft het vuurwerk ons weer even opgelucht en ons weer wat rekkelijker gemaakt. Dan hebben de folklorologen gelijk die beweren dat we sinds jaar en dag vuurwerk afsteken om boze geesten te verdrijven. Alleen dat is al een reden om vuurwerk niet te verbieden. Hopelijk beklijft het effect dit keer echter wat beter.

Ik wens ons allen voor 2014 een langer lontje toe en een minder ontvlambaar gemoed.

***

Postscriptum over het verbieden

Dit jaar was de roep om het verbod op consumentenvuurwerk heftiger dan ooit en de brede maatschappelijke acceptatie van zo’n verbod lijkt binnen handbereik te komen. (Een vergelijking met de doorbraak van de ‘zwartepietendiscussie’ dringt zich op.) Toch zie ik verbieden niet als een bijdrage aan een constructief en positief maatschappelijk klimaat. Pas als regulering, voorlichting en handhaving niet meer werken en de (onmiskenbare!) excessen echt niet anders kunnen worden tegengegaan, is een verbod te overwegen. Verbieden mag ook niet de triomf en troefkaart zijn van de getergden. Ik tolereer liever verwerpelijk gedrag – zolang dit binnen de formele, wettelijke perken blijft – dan dat ik mij verschuil achter de brede rug van de overheid. Ik behoud me echter het recht voor om bepaalde vormen van gedrag verwerpelijk te vinden en de toelaatbaarheid ervan als een louter formele en negatieve categorie te beschouwen. (Voor dat laatste: zie ook onder ‘puntig’, nummer 45.)