Monthly Archives: december 2013

Het genot van het spel en de regels

Op dit moment speelt zich in menig huisgezin ongetwijfeld een botsing der generaties af. De puberende zoon of dochter tekent protest aan tegen de verplichtingen van het kerstfeest en kondigt aan, dat zij of hij zal weigeren om mee te werken aan de feestvreugde. Het kerstfeest is immers een uitvinding van de commercie, die ons dwingt de schone schijn van harmonieuze familiebanden op te houden. Het is daarbij ook nog eens gebaseerd op een door de wetenschap lekgeprikte mythe. En waarom precies op 25 december? Dat is toch een dag als alle andere?

Dit conflict hoort bij de cirkelgang van de geschiedenis. Ieder van ons heeft waarschijnlijk ook zelf ooit deze hormonaal bepaalde kritiek op de instituties beoefend. Ze hoort bij de gezonde ontwikkeling van het individu. Op een goede dag kijkt een mens immers door de betovering van de wereld héén. Hij doorziet dat sommige zaken ‘slechts spel’ zijn en geregisseerde schijn. Wat vanzelfsprekend en normaal leek, blijkt conventie en willekeur te zijn. Kritische argwaan is op zo’n moment een gezonde reflex en een onvermijdelijke groeistuip.

Ook in de geschiedenis wordt er herhaaldelijk geadolesceerd op deze wijze. De begintijd van  emancipatiebewegingen en van culturele en maatschappelijke omwentelingen is immers eveneens een soort puberteit. Wijst Kants definitie van de Verlichting*) bijvoorbeeld niet in deze richting? En zie je bij het lezen van menige ideologiekritiek geen onderuit gezakte, verveelde zestienjarige voor je geestesoog?

In het proces van (individuele en collectieve) volwassenwording en emancipatie volgt op het stadium van de kritiek een meer welwillende en tegemoetkomende fase – tenminste: als het goed is. Nadat een mens eenmaal het spel en de conventie heeft doorzien, kan hij of zij er ook wel om glimlachen. Hij of zij voelt zich niet meer bij de neus genomen, staat boven de situatie en kan soeverein en ongedwongen meedoen aan het spel.

Als het om religieuze rituelen gaat, kunnen we dit ‘knipogend meedoen’ kwalificeren als ‘oprecht veinzen’. Als het om andere conventies gaat – zoals taalkundige regels, omgangsvormen, de artistieke of culinaire canon, tradities en herdenkings- en feestdagen etc. – valt meedoen in de categorieën van etiquette en goede smaak, sportiviteit of correctheid.

Jammer genoeg blijven sommige enkelingen of groepen steken in de humorloze en ééndimensionale fase van de puberteit en leren ze nooit dat je kunt spelen met de gelaagdheid van traditionele opvattingen en gewoontes. Ze blijven behept met achterdocht en ontmaskeringsmanie.

U kent deze mensen wel. Als een levend memento mori bederven ze de stemming op elk verjaardagsfeestje. Ze wijzen de andere gasten er nadrukkelijk aan, dat alles ‘poppenkast’ is. Ze verstaan de kunst, om de schuimkraag van uw bier te laten inzakken door er alleen maar naar te kijken. Kerstmis is voor hen een samenzwering van priesters en kooplui. Voorkeursspelling en grammaticale regels zijn willekeurig en elitair. Onze opvattingen over ‘high and low culture’ zijn in hun ogen de achterhaalde erfenis van een door hiërarchisch denken gekenmerkte periode. En zo voorts.

De in hun puberale verbittering gefixeerde mensen hebben uiteraard tot op zekere hoogte gelijk. Natuurlijk is in ons samenleven bij veel, zo niet alles, de willekeur van de conventie in het spel. En conventionele ‘spelregels’ zijn inderdaad geen ijzeren wetten. Een spel en zijn regels hebben echter wel degelijk een functie. Ze verbinden ons onderling en verlenen aan onze onderlinge relaties de nodige lichtheid, lenigheid en soepelheid. Ze geven ook diepte en reliëf aan het leven. Dankzij hen is immers niet alles ‘om het even’ en zijn sommige plaatsen, tijden en zaken anders dan andere (wat niet het zelfde is als ‘beter’ of ‘verhevener’).

In dit licht zijn de hardnekkige critici, behalve humorloos en onvolgroeid, vooral ook onsportief. Ze zijn spelbedervers en ongezellige mensen. Dat ‘ongezellig’ wil ik ook wel vertalen als ‘asociaal’, want wie zich onttrekt aan het spel en alles ‘om het even’ vindt, is onverschillig en ziet neer op anderen.

Zoals gezegd: veel, zo niet alles in ons leven is poppenkast. Zonder poppenkast is er echter geen leven en samenleven.

*) “Verlichting betekent dat de mens zijn door hemzelf veroorzaakte onmondigheid achter zich laat.”

Het is dringen op de markt.

“Als ik straks de kerk maar haal!” Over de jacht op identiteit

Alleen je eigen hart kent je diepste verdriet, in je vreugde kan een ander niet delen.

 Spreuken 14, 10

Wij mensen zijn gek op identiteit. Als individu of als lid van een groep willen we graag – gevraagd of ongevraagd – kunnen documenteren wie we zijn. Dat doen we op allerlei manieren. We doen het rechtstreeks en uitdrukkelijk: door middel van eenduidige, materiële kentekenen (een speldje, een uniform, een sierraad); door ons op niet mis te verstane wijze te houden aan bepaalde dress-codes; door de inrichting van onze woning en de indeling van onze tijd (rituelen); door een materieel en immaterieel consumptiepatroon of door te pas en te onpas te getuigen van datgene waarvoor we staan. We documenteren ons vaak ook indirect en impliciet, ja zelfs onbewust: door middel van woordkeuze, omgangsvormen, culinaire en culturele voorkeuren etc.

Het is een cliché – maar daarom niet minder juist – om vast te stellen dat we in het Westen leven in een losgeslagen cultuur, waarin de markt al lang niet meer is verdeeld onder een klein aantal preferred suppliers van identiteit – zeg maar: onder de christelijke, liberale en linkse kerken. De identiteitsmarkt is radicaal geprivatiseerd – en de consument is daardoor op drift geraakt. De vreugde van de bevrijding uit knellende institutionele banden en de juichstemming over de doorbreking van levensbeschouwelijk Fordisme zijn verweven met een amechtige hectiek. Ons houvast is weg en we vragen ons angstig af of we mentaal, ideologisch of spiritueel wel onderdak zijn als de avond valt: “Als ik straks de kerk maar haal….”

Overigens duidt het beeld van de markt op een opvallend kenmerk van onze jacht op identiteit. Identiteit is niet zozeer iets wat we (willen) zijn, maar iets wat we (willen) hebben. Identiteit is te koop: ook en vooral alle immateriële identiteitsdragers (zoals rituelen, lidmaatschappen, cultuurproducten) zijn ‘hebbedingen’ geworden, waarvoor een prijs moet worden betaald in de vorm van geld, tijd of inspanningen (of alle drie). Ons spreken over identiteit heeft dus iets tegenstrijdigs. Als we beweren en documenteren dat we iets of iemand zijn, verwijzen we eigenlijk naar materiële en immateriële eigendomstitels, naar datgene wat we hebben.

De grote institutionele aanbieders van identiteit hebben, zoals gezegd, hun dominante positie verloren, ja: ze dreigen te imploderen. De identiteitsconsument zoekt daarom zijn of haar heil – op de reeds geschetste paniekerige wijze – bij de nieuwe aanbieders. Veelal zijn dat kleine, virtuele of reële verbanden en gemeenschappen. Want gedeelde identiteit is dubbele identiteit, zeggen we. En we kunnen wel zonder instituties, voegen we eraan toe: maar niet zonder verbanden.

Vreemd genoeg komt niemand op het idee, dat je wellicht ook een tijdje zonder identiteit kunt of dat je als individu minstens ook wat creatiever kunt zijn – en dan doel ik op een creativiteit die verder gaat dan het assembleren van elementen die je van de markt haalt.

Maar misschien is precies dàt het beangstigende: die optie om het alleen te doen. Soms sta ik – als de losgeslagen en opgejaagde identiteitsconsument die ik zelf ben – plotseling stil op die drukke markt, midden in die stroom van trekkende, duwende, sjorrende en dringende mensen. Dan zie ik in hun ogen en hoor ik aan hun adem, dat er achter die honger om ‘iemand te zijn’ iets anders schuilt. Achter de panische zorg voor het hebben van een identiteit schuilt de angst voor de individualiteit, de angst voor het eenzame avontuur van het zijn.

 

Eerder verschenen op: http://godschrift.nl/artikel/dringen-op-markt-van-identiteit

Zo onschuldig is het kerstkind niet.

Het is inmiddels een goede jaarlijkse traditie, om op een neerbuigende en zelfs gekrenkte toon te klagen over de kitsch en de blingbling die zich meester maken van het kerstfeest. Waarom kunnen de mensen niet gewoon genieten van Bach – of desnoods Händel? Zo vraagt de zichzelf fijn besnaard achtende ziel zich af. Zelf ben ik ook behept met dit onvermogen om mij te verplaatsen in de smaak van anderen. Tegelijk betrap ik me erop, dat Bachs verheven kerstcantates voor mij vooral een sfeermakende functie hebben en dat ik meer ben gehecht aan de klank dan aan de kunstwerken als zodanig. Net als bepaalde geuren, kleuren en smaken is deze klank een bestanddeel van de cocon, waarin ik mezelf terugtrek in de koude en korte dagen.

Het culturele snobisme, dat misprijzend neerziet op de ‘lage cultuur’, heeft ook een theologische pendant. Ik ben er sinds jaar en dag in getraind om meewarig het hoofd te schudden over de aanbidding van de kleine mollige Messias. Wordt het kerstverhaal, dat slechts is bedoeld als een voetnoot of hors d’oeuvre bij het grote verhaal van de onderwijzende, lijdende en opgestane Jezus, niet te sterk uitvergroot? Plaatst het romantiserende kerstverhaal de verontrustende Bergrede niet in de schaduw? Overwoekeren de gevoelens van vertedering en hartverwarmerigheid niet het opstandig makende en explosieve nieuws van het Rijk Gods?

Zo verhef ik mij cultureel en spiritueel boven de mensen die zich – in mijn ogen – tegoed doen aan kitsch en sentiment. Misschien is het vruchtbaarder om mij af te vragen, waarom het kinderfeestje van Jezus zo hardnekkig populair is – en waarom het ook mij tegen wil en dank in zijn ban trekt. Blijkbaar gaat er een onontkoombare charme en betoverende werking uit van een onbedorven en ontwapenend kind. Dit lijkt iets universeels te zijn. Het archetype van een godheid, die zich bij voorkeur aan de mensheid openbaart in de gestalte van het kind, komt in meerdere mythologieën en religies voor.

Door in de gedaante van het kind te verschijnen, haalt de godheid overigens de menselijke systemen en categorieën onderuit. Dat is allesbehalve vertederend of sentimenteel, doch regelrecht verontrustend. Dit archetype van het kind als ordeverstorende epifanie heeft zijn weg ook gevonden in de literatuur, zoals in Thomas Manns Doktor Faustus – waar de kleine Nepomuk Schneidewein zijn omgeving verwart – en in Coetzees De kinderjaren van Jezus – waar het jongetje David de vanzelfsprekende denkpatronen ondermijnt.

Alfonso M. de Liguori (1696-1787), de barokke theoloog en volksprofeet, kende deze betoverende werking van het kind als geen ander. Hij raakte niet uitgeschreven, uitgeschilderd en uitgezongen over het Jezuskind en over het feit dat de wereld als bij toverslag veranderde toen het kind werd geboren. In Italië is zijn kerstlied Quanno nascette van meet af aan zeer populair geweest. De goede verstaanders horen het doorklinken bij Händel en Bach en het wordt nog steeds gezongen door elk zichzelf respecterende Italiaanse popartiest. In dit ogenschijnlijk idyllische herdersliedje wordt bezongen, hoe de geboorte van het kind Jezus de wereld op zijn kop zet.

Zo onschuldig is een kind blijkbaar niet. Alle rangen en standen erkennen dit en zingen erover.

 

Eerder gepubliceerd op: http://www.debezieling.nl/zo-onschuldig-het-kerstkind-niet/