Monthly Archives: november 2013

Het progressieve masochisme

Het valt niet mee om progressief te zijn. De inertie van de realiteit is een moeras, waarin de stootkracht van de veranderingsgezindheid vastloopt. Tot die realiteit hoort ook en vooral datgene wat wij aanduiden met ‘politieke realiteit’: de feitelijke machtsverhoudingen en – in een democratie – de partijpolitieke voorkeuren van mensen. Elke progressief moet vroeg of laat toegeven dat hij of zij terrein heeft verloren – of zelfs de hele strijd – in zijn of haar streven naar verandering.

Nu geven mensen niet graag toe dat ze verloren hebben. De hersenen graaien in zo’n situatie diep in de evolutionaire trukendoos. Daar vinden zij tactieken om zogenaamde ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Ook de progressieve hersenen doen dit vaak en de verliezer begint dan haar of zijn opvattingen en idealen aan te passen aan de gegroeide werkelijkheid – omdat de spanning tussen ideaal en realiteit anders ondraaglijk dreigt te worden.

***

Uiteraard siert het een beweging, als zij bepaalde inschattingsfouten erkent en als zij haar visies en standpunten voortdurend kritisch tegen het licht houdt. Het geeft blijk van mentale gezondheid, als iemand op rationele wijze vraagtekens plaatst bij de eigen standpunten – en vooral bij de onverzoenlijkheid waarmee hij of zij die in het verleden heeft geprobeerd te realiseren.

Bij de berouwvolle progressief gebeurt echter iets anders. De progressief begint – om de schrijnende dissonantie op te lossen, maar soms ook uit vermoeidheid of regelrechte angst – de discussie over wezenlijke zaken uit de weg te gaan. Ja: hij of zij gaat zelfs twijfelen aan de essentiële waarden waarvoor hij of zijn staat. Er is geen sprake meer van gezonde methodische en inhoudelijke twijfel, doch van fundamentele onzekerheid en substantiële twijfel aan zichzelf.

Zo ontstaat uit lijfsbehoud een praktisch, pragmatisch, ja: opportunistisch relativisme – niet zelden gevolgd door een orgastische omarming van gisteren nog verfoeide standpunten. De onvermijdelijke samenwerking met of de gedwongen omhelzing van de veelal sterkere tegenstander staat voorop. De progressief gaat soms zelfs zover, dat hij of zij de hoon van de reactionaire tegenstanders internaliseert en lacherig gaat doen over het eigen verleden.

***

De beweging die zichzelf inmiddels – met een op deze wijze geïnternaliseerde zelfspot – aanduidt als de ‘politieke correctheid’, lijkt deze weg te gaan. Men blijft niet staan bij de terechte zelfkritiek over eenzijdigheden en uitglijders uit het verdere of voorbije verleden. Nee: men organiseert interne bijltjesdagen en kastijdt zichzelf op exhibitionistische wijze. Men omarmt de knieën van de meest geduchte tegenstander – het populisme – en grijnslacht masochistisch onder de door hem toegebrachte vernederingen. Het is een gênant schouwspel, een showproces in de regie van de aangeklaagde zelf.

Alleen tegen de achtergrond van dit psychologisch mechanisme kan ik het feit verklaren, dat de media die afkomstig zijn uit de ‘politiek correcte’ stroom – en die soms met terecht gekromde tenen terugkijken op een al te eenzijdig en propagandistisch verleden – roomser willen zijn dan de paus. Blijkbaar willen zij hun fouten alsnog goedmaken, door een podium te bieden aan de woordvoerders van rechtse en revanchistische bewegingen – de verhoudingen van representativiteit uit het oog verliezend.

En alleen zó is voor mij het feit verklaarbaar, dat de late-avond-praatmannen van de VARA geregeld het werk van WNL of Powned overdoen. Onder het flinterdunne laagje journalistieke ironie is de uit welbegrepen eigenbelang voortkomende kruiperigheid zichtbaar. Maar ja, wie geeft hun ongelijk, gezien de in onze samenleving aan kracht toenemende afrekeningsretoriek?

***

Je verlies onder ogen zien, je standpunten bijstellen,  je idealen opgeven, je tegenstander zegenen: het zijn stadia in een fatale ideologische ontwikkeling, die ongemerkt in elkaar overgaan. Het lijkt er op, dat reflexen van onzekerheid en vermoeidheid, angst en lijfsbehoud het hierbij winnen van de rationele reflectie. Dit roept vragen op over de gezondheid van onze politieke cultuur.

Een ander licht

Het leven in een non-descripte stad als Eindhoven in de meest sombere maand van het jaar is een zware opgave. Als een onbestemd donkergrijze vloeistof sijpelt de neerslachtigheid door de kieren van je ziel naar binnen. Gelukkig heeft de creatieve en innovatieve stad hierop iets gevonden – zij het eerst zeer recentelijk. In 2006 werd namelijk het Glow Festival in het leven geroepen. Sindsdien is de stad iedere november een week lang het toneel van lichtkunstwerken – uiteenlopend qua formaat en genre, gehalte en pretentie.

Ik herinner me dat ik het evenement in 2006 per ongeluk ontdekte, toen ik op een regenachtige avond van het station naar huis fietste. Ik werd volkomen verrast door de magie van een onzichtbare hand, die onverwacht kleur, lichtheid en speelsheid verleende aan de drukkende architectuur uit de muffe neogotiek, de nurkse wederopbouwjaren en de kneuterige jaren tachtig. Het was of de betonsluier van de stad doorzichtig werd.

Glow was een gouden greep, want sedert de start in 2006 is het aantal bezoekers vertienvoudigd en is het festival uit de kluiten gewassen. De betovering van het nieuwe is uiteraard vervlogen. De groei van het aantal bezoekers heeft bovendien tegelijk het aantal regels en aanwijzingen doen toenemen, evenals het aantal hekwerken en verplichte looproutes, toegangscontroles en pretparkrijen. Het is niet meer zo makkelijk om ad random rond te slenteren, om je te laten verrassen als je een hoek omgaat en om te luisteren naar de gedempte Oh’s en Ah’s van andere toeschouwers. Hopelijk gaat het festival niet ten onder aan zijn succes.

Sombere cultuurdokters zullen trouwens vaststellen dat het festival een zoveelste symptoom, ja uitwas is van de ‘esthetisering van de wereld’ en het ‘artistieke kapitalisme’*. We kunnen ons beter van onze verfijnde kant laten zien en de prikkelarme maand gebruiken om in te keren in onszelf. We kunnen bijvoorbeeld samen met Rilke ‘waken, lezen, lange brieven schrijven en onrustig dwalen door de lanen, terwijl de bladeren om ons heen stuiven’. In plaats daarvan zwengelen we in november de industrie van zintuiglijke indrukken aan, de machine die de prikkels produceert waaraan de homo estheticus in ons zo verslaafd is. Festivals als Glow zijn het prozac van de op drift geraakte postmoderne mens, zal de cultuurpessimist verzuchten.

Tenzij de commercialisering het festival helemaal in haar greep krijgt en de kitscherige elementen (die er zeker onderdeel van zijn) de overhand krijgen, blijft Glow niettemin een spannend experiment met de doorsneestad die Eindhoven is. De stad wordt gedurende een week onder een verrassende hoek belicht. Wat lelijk is (of gewoon saai) mag een week lang baden in de weelde van vluchtige schoonheid – of blijkt bij nader inzien helemaal niet zo lelijk te zijn.

Glow is echter meer dan een premature kerstmarkt, meer dan een tijdelijke make-over, waarna de stad voor de rest van het jaar weer wegzinkt in haar Assepoesterbestaan. Glow is ook een ontdekkingsreis. Uithoeken van de stad worden aan de duisternis ontrokken en tijdens het festival komt de bezoeker op plekken waarop zelfs de geboren en getogen Eindhovenaar niet zo makkelijk komt. No-go-areas zijn nu van iedereen. Verlaten fabrieksgebouwtjes, louche binnenplaatsen en ontoegankelijke villatuinen worden toegankelijk, ja: nodigen uit. De stad blijkt geen boze droom te zijn, waarin de mens verdwaalt, doch een herbergzaam oord.

Kortom: Glow betovert. Het festival plaatst de publieke en semipublieke ruimte letterlijk en figuurlijk in een ander licht. Er begint iets te glinsteren in de ogen van de stad – en van haar bewoners en bezoekers. Voor even worden de stad en haar mensen doorschijnend. Hun hart en hun ziel komen aan het licht.

De kunst verheft, zo blijkt maar weer. Dat is ouderwets uitgedrukt, maar ik ben dankbaar dat ze dat nog steeds niet is verleerd.

* Cfr. Lipovetsky, G. en J. Serroy. L’esthétisation du monde: Vivre à l’âge du capitalisme artiste. Gallimard 2013.

***

Bij de afbeelding: Het kunstwerk ‘Cloud’ van Caitlind r.c. Brown & Wayne Garrett (http://incandescentcloud.com/) geëxposeerd in een leegstaand gebouw van het NRE-terrein. Hergebruik van afgedankt en historisch geworden materiaal (oude gloeilampen) gaat samen met hergebruik van ruimte (een in onbruik geraakt utiliteitsgebouwtje) en tijd (een sombere novemberavond). In combinatie levert dat een verrassing op.

De hel van de ééndimensionaliteit

Zoals de meesten onder ons heb ik leren lezen aan de hand van (een variant op) het klassieke ‘aap-noot-mies’-leesplankje. Als je zo leert lezen, gebeurt er iets merkwaardigs. Je leert de taal en haar elementen niet kennen in abstracto Je associeert lettercombinaties en woorden van meet af aan met concrete beelden en met de leefwereld achter die beelden.

In het geval van mijn leesplankje – en van de leesboekjes die erop volgden – was dat de leefwereld van een knus oud-hollands dorp met hondenhokken, duiventillen, knikkerende knullen en meisjes met een strik in het haar. De kordate en opgeruimde Nederlandse taal: die rook naar kaneel en fris gewassen linnen lakens op een bleekveldje. Dit was een voor mij aanlokkelijke, maar ook vreemde wereld en het lag voor mij dan ook volstrekt voor de hand, dat in de grauwe mijnstreek – waar ik opgroeide – in plaats van Nederlands een gemakzuchtig en verongelijkt dialect werd gesproken.

Het leesplankje en de kinderlectuur bemiddelen kortom niet alleen abstracte en instrumentele kennis. Ze zijn tegelijk het voertuig voor een wereldbeeld en een levensgevoel. In die zin zijn ze ook een metafoor voor de andere wijzen waarop wij wegwijs worden gemaakt in het leven. De basale levenslessen – over moraal en levenskunst, liefde en geluk, eindigheid en hoop – worden altijd bemiddeld door mythologieën en de daarin vervatte collectieve beelden. Zoals we werden gealfabetiseerd aan de hand van aap, noot en mies, zo worden we levenswijs gemaakt aan de hand van personages, anekdotes, verhaallijnen en zegswijzen uit de Bijbel of de antieke mythologie – of uit inmiddels klassiek en mythologisch geworden literaire werken (die overigens op hun beurt vaak putten uit de voorouderlijke mythologie).

Om die reden grijpen dichters van elke generatie graag terug op figuren en figuraties uit die mythologieën, zodra ze met hun dichtwerken de pretentie hebben om iets van gewicht te zeggen over het leven. Daarbij hoeft het niet eens te gaan om moraliserende bedoelingen. Ook als de schrijver zijn of haar personages plaatst in een proefopstelling of onderwerpt aan een gedachte-experiment – zonder een oordeel of conclusie op te willen dringen – bedient hij of zij zich niet zelden van het instrumentarium van de mythologie.

In De kinderjaren van Jezus doet J.M. Coetzee iets dergelijks. Als je het surrealistische en kafkaësk aandoende verhaal van het vluchtelingenjongetje David, dat aanspoelt in een vreemde wereld, dóórlicht op zijn mythologische geraamte, ontdek je ten eerste tal van (al dan niet subtiel aangebrachte) verwijzingen naar de Bijbelse Jezus. Ten tweede wordt op suggestieve wijze de Hades opgeroepen, de onderwereld waar de bewoners zijn aangeland na de rivier de Lethe te zijn overgestoken en zichzelf vergetelheid te hebben ingedronken.

Deze tweede weefdraad in Coetzees boek – het Hadesmotief – is minstens zo interessant als de Bijbelse verwijzingen naar Jezus, waar de titel de aandacht naar toe leidt. De jonge David en de man die zich onthecht en belangeloos om hem bekommert, komen terecht in een wereld waar de bewoners een schimmig bestaan leiden. Het is een bestaan zonder geschiedenis en (dus?) ook zonder toekomst. Het is een bestaan zonder lichamelijke behoeftes die verder gaan dan het in stand houden van het lichaam en (dus?) ook zonder geestelijke behoeftes – afgezien van de neiging tot vrijblijvend spitsvondig gefilosofeer. Het is een bestaan zonder geaccentueerde liefdes- en vriendschaprelaties, doch beheerst door vlakke, welwillende en begripvolle kameraadschappelijkheid.

Het meest verontrustende symptoom van dit bestaan voorbij de doodsrivier is het ontbreken van elk gevoel voor ambivalentie en ironie. De bewoners van dit rijk zien ‘geen enkele dubbelheid in de wereld, geen enkel verschil tussen hoe de dingen lijken en hoe de dingen zijn’. Wie geen herinnering heeft noch vurige toekomstdromen, ontbeert immers de melancholie die de voedingsbodem is voor ironie.

Als de kleine David als iets van Jezus heeft, dan is het misschien wel het meest de roeping om af te dalen in deze tijdloze hel en daar de ééndimensionaliteit te doorbreken. Die ontregelende en destabiliserende rol vervult de dwarse David met verve – zoals de eveneens messiaanse gemodelleerde en dubbelzinnige figuur Pieter Peeperkorn in de onderwereld van Thomans Manns Zauberberg.

Ik wil van Coetzee geen moralist maken, laat staan een profeet of een voorloper van de heilbrenger. Zijn boek geeft mij echter wel te denken. Als theoloog en als lid van ons chagrijnige Nederlandse volkje kijk ik bij het lezen van De kinderjaren van Jezus in de spiegel – en stel ik met mij om het hart slaande herkenning vast, dat wij in onze eenkennige en rechtlijnige humorloosheid inderdaad dringend een verlosser nodig hebben, iemand die ons weer op het verkeerde, want gezonde been kan zetten. “Van onze benepenheid, verlos ons Heer.”

***

Naar aanleiding van: Coetzee, J.M. De kinderjaren van Jezus. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2013.

De Walküre

Je ziet er gelukkig uit en ongenaakbaar. Zo zie ik je vaak zitten in de trein of staan op het perron. Ook zit je wel eens achter de kassa bij de zelfbedieningskruidenier. Dan kan ik op je badge lezen hoe je heet. Je hebt een naam waarachter een hele wereld schuilgaat en die lijkt te duiden op inheemse of exotische adeldom: Iva of Sanne, Babette of Gulistan. Nu eens ben je blond, dan weer donker, een enkele keer rossig. Soms ben je een jaar of achttien, soms iets ouder, soms iets jonger. Maar altijd ben je ongeëvenaard in levenslust en zelfbewuste schoonheid.

In de trein kan ik soms langer naar je kijken. Dan zie ik dat je niet volmaakt bent – of liever: dat je dat zelf op angstige wijze vermoedt. Je fierheid is een façade. Je zorgvuldig aangebrachte make-up (niet te dik, niet te dun, de natuurlijke lijnen en welvingen van je gezicht accentuerend, meer niet), je van top tot teen op elkaar afgestemde kleren, je strategisch opgestoken of doordacht in model geknipte haar: het zijn je wapens, in stelling gebracht tegen de moordende en ondermijnende onzekerheid over de vraag of je eigenlijk wel mooi genoeg bent.

Terwijl je – ondanks je lange, subtiel gelakte nagels – razendsnel berichten intikt op je smartphone (hoe doe je dat in godsnaam?!) zie ik je blikken heimelijk ronddwalen. Je pupillen flitsen nauwelijks merkbaar heen en weer binnen de cirkels van je oogwit. Vergelijk je jezelf met de andere meiden in de trein? Ga je na of je zelfpresentatie de aantrekkelijke jonge mannen ertoe beweegt, hun ogen langer op je te laten rusten dan beleefd is? Tuur je de horizon van je leven af, speurend naar tekens die de positie verraden van het leger van de vergankelijkheid, dat in camouflage en onherroepelijk op je afsluipt?

Je studeert hard, om niemand teleur te stellen – vooral jezelf niet. Althans: dat stel ik me zo voor. Hoe je dat combineert met de tijdrovende zorg voor je uiterlijk, is me overigens een raadsel. Je bent getalenteerd en intelligent: het zou dus wel een tandje lager kunnen. Je neemt echter het zekere voor het onzekere en doet er iedere dag nog een schepje bovenop.

Dat doe je ook bij de sport die je beoefent (nee, geen hockey: eerder atletiek) en bij de muzieklessen die je volgt (nee, niet zoiets gewichtloos als harp: eerder iets stevigers, iets wat meer weerstand lijkt te bieden aan wils- en spierkracht, zoals cello of desnoods een koperen blaasinstrument). Je wilt beter zijn dan iedereen en jezelf elke dag overtreffen. Immers: pas als je vooraan staat of boven anderen uitrijst, valt dat licht op je, waarnaar we allemaal snakken als vissen op het droge naar water.

Ook en juist op zaterdagavond lever je topprestaties – in het uitgaansleven. Je moet moeiteloos mooi zijn. Men verwacht van je, dat je wendbaar en lenig je lichaam aanstuurt, zonder overigens uit de plooi te raken. Je moet – op het reflexmatige af – trefzeker reageren op de ballen die je worden toegespeeld. Er wordt van je gevergd om binnen een fractie van een seconde te kunnen inschatten, of iets ironisch is bedoeld of juist complimenteus, uitdagend of imponerend, uitnodigend of gebiedend. Je moet feilloos kunnen aanvoelen, of je bij grappen moet lachen of terugplagen en of je een woordpatser moet overtroeven of dat je hem juist moet behagen door bedremmeld te zwijgen. Je moet op het juiste moment en op de gepaste manier de goede kant uitkijken. Eén oogopslag kan de richting van je leven bepalen, ten goede of ten kwade.

Zo ga je door het leven: uiterlijk schouderophalend en innerlijk schoorvoetend; naar buiten struis en inwendig strijdend tegen je eigen moedeloosheid.

Als ik je vader zou zijn – en dat zou ik soms wel willen – dan zou ik een cirkel van vuur om je heen leggen. Dan zou ik je laten voelen wat onvoorwaardelijke liefde is en je duizend potjes aanreiken die je zou mogen breken. Of ik zou je juist helpen in de nu eenmaal onvermijdelijke strijd om erkenning. Ik zou je bijvoorbeeld terstond aanbieden om samen de stad in te gaan, waar je voor duizend euro kleren zou mogen uitzoeken, om daarmee ééns en vooral je vriendinnen en vrienden te kunnen aftroeven. En ik zou je voorstellen om daarna ergens te gaan eten waar het veel te duur zou zijn.

En dan? Jij zou ongetwijfeld verbaasd reageren – en waarschijnlijk zelfs lichtelijk gepikeerd. Je zou zeggen: ‘Ouwe gek. Bespaar jezelf dat dure etentje en kom maar op met die duizend euro. Om kleren te kopen heb ik jou niet nodig!’

En ik zou je gelijk geven. Je bent dan misschien toch ongenaakbaar gelukkig. En ik gewoon jaloers.

November

Nadat ik op donderdagavond in Bonn een lezing had gegeven voor een gezelschap van maar liefst vier personen en de nacht had doorgebracht in een logeerkamer, die vol stond met afgedankte en in een ver verleden vermoedelijk slechts door een enkeling gelezen boeken, was ik volop in de stemming om te zwelgen in een sfeer van vergane glorie. Met dat melancholieke been wilde ik dan ook graag uit bed stappen op één november – en alles werkte op die dag mee om deze stemming te bestendigen.

Overigens was de grondslag voor de novembermelancholie al gelegd toen ik op donderdagmiddag had ontdekt dat één van mijn favoriete boekwinkels in Bonn ter ziele was. Gelukkig was er nog de Thalia, gevestigd in een voormalig filmtheater dat is doordrenkt met het parfum van de decadentie.

Zoals zoveel boekhandels voert ook de Thalia echter een verwoede strijd met de digitale media en met de gemakkelijke verkrijgbaarheid van boeken via het internet. Ze wordt dan steeds meer een bazaar van trendy hebbedingetjes, waarin dialogen thuishoren als de volgende. “Heeft u ook boeken?” “Nee meneer, die liepen niet meer. We hebben wel nog leuke koffiemokken, waarop een goedlachse muis staat afgebeeld die een opwekkende spreuk in zijn tekstballonnetje spreekt.”

De traditionele boekwinkels: het zijn oude dames die nog hun best doen om er appetijtelijk uit te zien, maar het in hun pijnlijke opgedirktheid vroeg of laat moeten afleggen tegen hun jonge, hippe rivalen.

Enfin, het was op vrijdagochtend heel erg november in Bonn. Tot mijn schaamte had ik er niet bij stil gestaan, dat Allerheiligen in Noordrijn-Westfalen een verplichte feestdag is. Mijn voornemen om te gaan winkelen, deels om toe te geven aan mijn onuitroeibare hedonisme, deels ter compensatie van mijn (ter verontschuldiging van deze compensatie overigens zorgvuldig gekoesterde) herfstdepressie: dit voornemen werd gefnuikt door de gedwongen winkelsluiting, waarmee de Rijnlanders hun uitbundige feestvreugde luister menen te moeten bijzetten. Nors keken de gesloten winkelpuien mij aan.

Door de lege straten liep ik rechtstreeks naar het station, niet zonder bij het passeren van het geboortehuis van Van Beethoven in gedachten een eerbetoon te hebben gebracht aan deze componist, die helaas ook al zo lang dood is.

Op het station en in de treinen was er al wat meer leven. Toen ik in Mönchen-Gladbach de boemel naar Venlo wilde nemen, werd ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. De Nederrijnlanders vieren hun christelijke hoogtijdagen immers graag met een bezoek aan de Noord-Limburgse stad, die als een parel is gelegen aan de Maas. Zittend, staand en ingeklemd tussen elkaar staken de winkelgrage Duitse treinreizigers vrijdag dan ook de grens over, als verdoemde zielen de Styx, gedompeld in vergetelheid omtrent de hogere bestemming van de mens.

En ik dacht terug aan mijn Allerheiligens en Allerzielens van vroeger, in Zuid-Limburg en in België. Ik dacht terug aan de (uiteraard vooral in mijn herinneringsfantasie) in nevelen gehulde begraafplaatsen, waar de kunstmatige, felle kleuren van chrysanten door het grauw héén priemden. O, die chrysanten! “Mooi zijn ze niet, maar ze kunnen tegen een stootje en blijven zo lekker lang staan,” aldus het katholieke najaarspragmatisme van de generatie van mijn ouders. De chrysant, deze zombie onder de bloemen, mag zich dan ook verheugen in een muzikale ode, die Puccini hun bracht in zijn larmoyante strijkkwartet Chrysanthemi.

Ik werd uit de dagdroom van mijn herinneringen gewekt in Venlo, waar ik me haastte naar de gereedstaande trein naar Eindhoven. Hier was alles normaal en doordrongen van de eentonigheid van onze krakende en piepende economie. Thuis gekomen liep ik naar mijn CD-kast, in de stemming voor een stukje Brahms, de componist die de herfst onnavolgbaar op muziek kon zetten. Ik bedacht me echter toen ik de voorgevel van Beethovens ouderlijk huis weer even voor mijn geestesoog zag. En even later klonk in de huiskamer het langzame deel van diens vioolconcert. In het spinragfijne spel van Isabelle Faust leek de najaarszon te glanzen.

Als alles dood is, leeft gelukkig Beethoven nog.