Monthly Archives: oktober 2013

De lucht van het voorbehoud

Als de blinde emotie en de pretentie van een bijna religieus gelijk het winnen van humor en redelijkheid: dan is een discussie stuk. Dit gebeurde de afgelopen weken met de discussie over Zwarte P. Aanvankelijk had ik er nog aan meegedaan. Toen het gesprek ontaardde in verbittering, trok ik me terug (niet als enige trouwens), verlamd als ik me voelde door de polarisatie. Wat ik ook zou hebben gezegd: ook en juist als het zou zijn bedoeld om nuances en nieuwe perspectieven in te brengen, zou het zijn opgevat als een defensieve partijkeuze voor één van de verharde standpunten.

Wat mij vooral blokkeerde is het ‘realisme’ van de beide kampen. Men is niet bereid om in de vormgeving van het kinderfeestje een spel te zien, dat allesbehalve de pretentie heeft om iets over de werkelijkheid te zeggen of om die werkelijkheid te beïnvloeden. Zwarte P. is volgens de strijdende partijen ofwel een diep gewortelde en genetisch verankerde, eeuwenoude traditie waarmee onze cultuur, saamhorigheid en identiteit staan of vallen ofwel de uiting en bevestiging van een ingekankerd racisme, dat aan de wortel ligt van alle misdrijven die onze natie heeft begaan en nog begaat.

***

Ik had hierbij een déjà-vu. Omdat ik theoloog ben en werkzaam in de RK Kerk, word ik op feesten en partijen vaak ter verantwoording geroepen, met name door babyboomers met een – overigens biografisch verklaarbare – wrok jegens de kerk. Hoe haal ik het in mijn hoofd om mij te verbinden met een instituut dat baadt in weelde, kinderen misbruikt, hulpprogramma’s in de Derde Wereld frustreert en los daarvan aparte metafysische onzin verkoopt? *)

Pogingen om zaken in een juist perspectief te plaatsen worden opgevat als een apologie en een bagatellisering van de aan de kaak gestelde problemen. Dit wantrouwen vind ik overigens tot op zekere hoogte invoelbaar, omdat kerkelijke autoriteiten en rechtse groeperingen inderdaad vaak met een defensieve reflex reageren op dergelijke kritiek.

Ik verwar en irriteer mijn gesprekspartners vooral als ik poog duidelijk te maken, dat er binnen de katholieke kerk ook andersdenkenden zijn. Ook kijken ze of ze water zien branden zodra ik me – als het gaat om leerstellingen en rituele vormen – een innerlijke afstand permitteer, een vrije ruimte tussen datgene wat mijn kerk zegt en doet enerzijds en mijn eigen opvattingen anderzijds, zonder dat ik daarmee iets wil afschaffen. Helemaal bont maak ik het blijkbaar als ik een bedremmeld agnosticisme combineer met uiterlijk conformisme in rituele vormen en Bijbels taalgebruik.

Dit laatste wordt overigens evenmin begrepen door sommige progressieve katholieken die – honend of verbeten – spotten over belijdenisteksten en dogma’s. Ze zouden die het liefst willen herformuleren of schrappen, zoals ze ook alle liturgische rituelen zouden willen reconstrueren, opdat deze weer een ‘uitdrukking’ worden van wat wij nu ‘echt’ vinden, voelen en denken.

Dit is een merkwaardige vorm van realisme, ja: rationalisme, dat veronderstelt dat wij rituele en verbale vormen doorzichtig kunnen maken op hun eigenlijke inhoud. Wie de grote, zelfkritische mystici en theologen een beetje kent – en die bestonden ook al vóór de boze Klaas Hendrikse of de beteuterde Carel Ter Linden – moet toch beter weten. Geloven heeft een opake, ondoorzichtige kern, waarop ons onvermogen stuit. De vooruitstrevenden zijn echter, wat hun realisme en rationalisme betreft, het volkomen spiegelbeeld van de meest geharde traditionalisten.

***

Wat de verwoede voor- en tegenstanders van Zwarte P. missen, is het zelfde wat de verbitterde afvalligen en de al te enthousiaste kerkvernieuwers (en natuurlijk hun tegenpolen) missen: het gevoel voor ironie als ‘oprecht veinzen’ (F. Kellendonk**). Wat ze ontberen is het besef, dat we er niet aan ontkomen om iets te zeggen (in woorden en gebaren), maar dat we hiervoor altijd moeten teruggrijpen op een aangereikt repertoire. Hun ontgaat het onherroepelijke gegeven, dat we dit altijd doen in ‘voorlopigheid’ en met ‘voorbehoud’, met een ludiek knipoog – omdat we nu eenmaal niet weten wat we eigenlijk willen zeggen.

Tenzij we onszelf en elkaar willen veroordelen tot zwijgen – en dus tot een nog grotere eenzaamheid dan de eenzaamheid waartoe we als mensen ten diepste toch al gedoemd zijn – zouden we wat onbekommerder moeten spreken, vieren en handelen, zolang de ‘lucht van het voorbehoud’, zoals Kellendonk zei, er maar in zit.

Er kan me veel gestolen worden. Ook Zwarte P. en desnoods het theater dat we de katholieke kerk noemen. Maar ik kan niet leven zonder de lucht van de ironie. Zonder die lucht lijden de samenleving en de kerk een langzame verstikkingsdood.

______________________

*) Overigens is de aanklacht van de critici wat milder geworden door de tactiek van game-changing van de huidige paus.

**) Kellendonk, F. ‘Idolen. Over het tweede gebod’. In: Het Complete Werk. Amsterdam 1992. Blz. 847- 860

De overlast van onze ergernis

Het zal aan het begin van de eeuw zijn geweest. Ik zat weggedoken  in het morsige en muffe rode pluche van wat toen nog een eersteklascoupé heette. De mobiele telefoon was begonnen aan zijn opmars en op gezette tijden klonk her en der in het treinstel een bliepje of trillertje, waarna iemand met gedempte stem begon aan een – ongetwijfeld geen uitstel duldend – gesprek. De bellende reizigers hadden over het hoofd gezien dat ze in de zogenaamde ‘stiltecoupé’ zaten: een faciliteit die was uitgevonden in het kielzog van de mobiele telefoon.

Een reizende mevrouw liet echter haar argusogen als zoeklichten rondgaan door de coupé. Op het moment dat één van de forenzen of zakenreizigers aan een telefoongesprek begon, rees zij op uit haar stoel en beende zij af op de boosdoener als een kruisspin op een argeloos in haar web verstrikte geraakte vlieg. Daarop gaf ze de medereiziger een reprimande, met een dramatisch gebaar wijzend op de duidelijk zichtbaar aangebrachte stiltepictogrammen, om hem ten slotte met verbijsterd verstand en vermorzeld hart achter te laten, terwijl ze zelf haar uitkijkpost weer innam om te wachten op de volgende schending van de huisregels.

Een enkeling zette voorzichtigheidshalve zijn telefoon uit, om zichzelf de publieke bestraffing te besparen. Er waren echter genoeg brutale rekels over, die met uitdagende onbekommerdheid hun echtgenoten via de telefoon lieten weten hoe laat de ovenschotel de oven in kon. Hierdoor werd voorkomen dat de strenge mevrouw haar reistijd in ledigheid doorbracht. Haar NRC bleef onaangeroerd en verweesd in haar tas zitten. Het was een vrouw met een missie – en waarschijnlijk een hormonale aandoening.

De Boze Mevrouw deed tijdens deze treinreis – en waarschijnlijk tijdens al haar treinreizen – alles behalve de overlast reduceren die zij klaarblijkelijk ondervond van de bellende medereizigers. Als ze was blijven zitten en niet had gelet op de gedempte gesprekken met avondmalen bereidende of in de file staande echtgenoten, had ze haar NRC of een boek kunnen lezen, een dutje kunnen doen of haar vergaderstukken of vaktijdschriften kunnen doornemen. In plaats daarvan liet ze haar agenda volledig bepalen door het gedrag van de medereizigers. Per saldo had ze dus minstens evenveel last van hen.

***

Door dit incident ging ik me realiseren dat het begrip ‘last’ of ‘overlast’ niet altijd de bedoelde lading dekt. Wat betekent ‘last’ of ‘overlast’ immers? Het betekent dat het gedrag van een ander je belemmert in je bewegingsvrijheid, een onredelijk beslag legt op je tijd en energie of je confronteert met onaangename zintuiglijke indrukken (lawaai, stank, fel licht). Last of overlast in eigenlijke en strikte zin is een onmiddellijke inbreuk op je welzijn.

Wat wij echter feitelijk vaak bestempelen als ‘last’ of ‘overlast’, is gedrag waar wij iets van vinden, gedrag dat een inbreuk is op de normen die wij stilzwijgend of uitdrukkelijk hanteren. De ander belaagt ons niet rechtstreeks, maar via het gevoelige alarmsysteem van onze opvattingen.

Zo hebben wij bijvoorbeeld niet zozeer ‘last’ van de decibellen die telefonerende medereizigers veroorzaken  – wij accepteren immers wel het onderlinge voetbalgekakel van congresgangers of het gekeuvel van Margrietbeursbezoeksters – maar vinden wij gewoon dat bellen in ons bijzijn niet hoort, ook buiten de stiltecoupé. De context is overigens veelal bepalend voor de overlastkwalificatie. Het gekrijs van kinderen roept op het strand bijvoorbeeld een vakantiegevoel op. Datzelfde gedrag in een winkel wekt duistere krachten in ons tot leven.

Er is – met andere woorden – veelal geen sprake van ‘overlast’, maar van ‘ergernis’. Dat wij van die ergernis dan last hebben, staat buiten kijf. We hebben last van onszelf, doordat we ons zitten op te vreten of doordat we – zoals de mevrouw uit de anekdote – onze aandacht en agenda door het gedrag van anderen laten bepalen.

Overlast en ergernis lopen in elkaar over, maar zijn wel verschillende grootheden. Op een hoger en complexer niveau speelt dit ook wel mee bij de gevoelens van gekwetstheid en zich beledigd voelen, waarover ik vorige week schreef. Maar om dit uit te werken zijn meer woorden nodig – al is het maar om te voorkomen dat ik iemand krenk.

Hoe dan ook: laten we onszelf de overlast van onze eigen ergernis besparen. We hebben meer last van de sirenes van ons inbraakalarm, dan van de muizen die het doen afgaan.

Gekwetst

Als weldra één of ander tribunaal in Den Haag, Genève of New York gelast om Zwarte Piet in de ban te doen, zal ik wellicht kortstondig wenen of een weemoedige zucht slaken. Vervolgens zal ik echter overgaan tot de orde van de dag. Een schrijnend onthechtingsproces verwacht ik niet. Tradities zijn eindig. Ze komen en gaan.

Ik voel me dan ook geenszins aangevallen of gepikeerd door de – inmiddels tot onze Nederlandse folkloristische canon horende – campagnes van Quinsy Gario tegen de racistische excessen van het Sinterklaasfeest. Integendeel: de zachtmoedige vechter nam me zelfs voor zich in, toen hij op 7 oktober optrad in het late-avond-programma van de twee Varapraatmannen – die er blijkbaar genoegen in scheppen om eenzame strijdsters en strijders voor de leeuwen te werpen (hetgeen ze onlangs ook deden met Asha ten Broeke). Ik voelde ook de verontwaardiging in mij ontbranden, toen ik weer de beelden zag van het buitenproportionele optreden van de politie tegen Gario in 2011: een draconisch ingrijpen waarvan kleine, speciaal voor de intocht warm aangeklede kinderen getuige waren, om er waarschijnlijk voor de rest van hun leven nachtmerries aan over te houden.

Nee, ik voel me niet in mijn wiek geschoten door Gario, zoals veel andere Sinterklaasfans. Wel ben ik steeds weer verbaasd en bezorgd over mensen die – namens een bevolkingsgroep of zichzelf – zozeer hun gekwetstheid cultiveren en erin zwelgen, dat ze niet meer open staan voor relativeringen en voor pogingen om zaken in een nuchter perspectief te zien. Quinsy Gario voert zijn strijd nog op een betrekkelijk sympathieke manier en met een charmante originaliteit.

Maar hoeveel gekwetstheidsprofeten voorzien zichzelf niet van een onaantastbaar slachtofferaureool – door onschuldig bedoeld gedrag van anderen meteen te voorzien van een historische en geopolitieke geladenheid? Onbedoeld op tenen staan en er met sorry zeggen vanaf komen is er niet bij. Nee, voor je het weet ben je met terugwerkende kracht medeverantwoordelijk voor het kolonialisme en alle andere grootschalige misdaden die de wereld sinds eeuwen teisteren.

Ook en vooral met gelovigerds moet je uitkijken: ze kennen zichzelf een door god zelf verleende diplomatieke onschendbaarheid toe. Je kunt hen maar beter met fluwelen handschoenen aanpakken. Religie lijkt soms wel het verkeerde been waarmee God uit bed is gestapt.

***

Het maatschappelijk verkeer wordt verlamd – en dat is het wat mij zorgen baart – doordat we in toenemende mate op onze hoede moeten zijn om niemand in haar of zijn ziel te raken. Het is immers nooit zeker, of je niet een grens overschrijdt. Iedereen kan namelijk zijn eigen pijngrens bepalen, temeer daar we leven in een subjectivistische cultuur. Het wordt daardoor steeds onvoorspelbaarder of je over de schreef gaat. Anderen kunnen hun betekenissen hechten aan iets wat ik doe of zeg, door het uit zijn samenhang te halen en het in hun eigen overgevoelige context te plaatsen.

Als we ons verkeer laten regelen volgens het niet-beledigen-criterium, kan dat in theorie leiden tot absurde situaties, zoals een gedachte-experiment laat zien. Stel dat ik morgen beslis om een religie te stichten, die in de banaan de incarnatie van de godheid ziet. Dan kan ik eisen dat niemand meer onoorbare grapjes maakt over bananen en dat niemand meer de integriteit van bananen aantast door hen in het openbaar te nuttigen. Het etaleren van bananen in groentewinkels zal ik als een grievend schouwspel ervaren, zodat ik kan eisen dat dit ik niet meer aan dit ontluisterende tafereel wordt blootgesteld. De beledigingsgrens is nogal willekeurig en subjectief, wil ik maar zeggen.

Tegen deze argumentatie uit het ongerijmde zal natuurlijk worden ingebracht, dat het in de praktijk niet om zulke willekeur gaat. Degenen die zich als gekrenkt melden, doen dat op grond van niet vrijwillig gekozen kenmerken als ‘gender’ of etniciteit of met het oog op een diep gewortelde identiteit, zoals een eeuwenoude en/of wijd verspreide religie. Maar deze tegenwerping maakt het alleen maar erger. Het impliceert namelijk dat sommige groepen (lees: hun luidruchtige opinieleiders) een monopolie hebben op het vaststellen van de grenzen die niet mogen worden overschreden.

Ik onderschrijf overigens niet de beroemde retorische uitspraak van Hirschi Ali dat we ‘een recht hebben om te beledigen’. Die uitspraak is al even absurd. Doelbewust beledigen is en blijft onbetamelijk – al moet iedereen die een ander heeft beledigd zich veilig kunnen weten.

Aan de andere kant maken we het leven niet eenvoudiger, door aan groep A een carte blanche te geven om voor groep B te bepalen wat kwetsend is. We mogen van elkaar tact en fatsoen vragen. We kunnen echter niet van elkaar vergen, dat we voortdurend rekening houden met de onzichtbare tere plekken van anderen of met de grenzen die anderen onverhoeds bepalen.

Fijngevoeligheid – het sieraad van ons vreedzaam samenleven – wordt dan vervangen door een verstikkende deken van krampachtigheid.

Sterke identiteit: nuttig maar zinloos

Identiteit is goed voor ons. Ze biedt ons een houvast in stormachtige tijden. Ze levert een fundament waarop we stevig kunnen staan als we de confrontatie met anderen aangaan. Ze vormt een innerlijk zwaartepunt, waardoor we in balans blijven, als er van buiten aan ons wordt getrokken en geduwd. Er zijn tal van raadgevers en hulpverleners die ons kunnen helpen bij het vinden van een dergelijke identiteit. Zo’n sterke identiteit wordt daarbij van belang geacht op verschillende niveaus.

Identiteit in soorten en maten

Op collectief niveau helpt een ‘groot verhaal’ of een ‘canon’ ons, om met zijn allen stevig in onze schoenen te staan op het turbulente wereldtoneel. Een stevige collectieve identiteit biedt aan ‘onze’ natie, samenleving of cultuur (wat dat dan ook is) de broodnodige oriëntatie als we het even niet meer weten. Ze vormt een kompas als we stamelend in onze woorden en waarden verstrikt raken en als we van de wijs worden gebracht door de spraakverwarring van de geglobaliseerde en multiculturele samenleving. Identiteit vormt een ijkpunt of een meetlat als we verlegen zitten om een weerwoord op vreemde stromingen. Ze biedt een uitkomst als we wanhopig zoeken naar een gedragscode die het maatschappelijk verkeer voorspelbaar maakt. (Merkwaardig genoeg zijn het overigens vaak conservatieve cynici, die zelf niets geloven, die op de noodzaak van een waardencanon wijzen. Vooral de anderen hebben blijkbaar oriëntatie nodig.)

Vervolgens is er het mesoniveau, want ook de organisatieklusbedrijven hebben de identiteit ontdekt. Een organisatie heeft een sterk verhaal nodig, mitsgaders een ‘missie’, die bondig en onuitwisbaar staat geschreven op gelamineerd hoogglanspapier. Dat geeft aan de organisatie samenhang, richting en dynamiek. Identiteit disciplineert en waarborgt dat alle neuzen dezelfde kant opstaan. De genoemde organisatieknutselaars helpen je graag, om deze identiteit te vinden, te formuleren en dóór te drukken. Het enige wat je zelf moet meebrengen is een bierviltje of een sigarendoosje. Want een verhaal, missie of visie moet daarop kunnen passen.

Tenslotte is een krachtige identiteit vooral van belang op individueel niveau. Want met dat grote verhaal lukt het niet altijd zo best, stellen zelfbenoemde zielzorgers vast. Juist als instituties en bewegingen eroderen en afbrokkelen – en er dus geen groepsidentiteiten meer zijn, waarin we kunnen schuilen – heeft het individu de wapenrusting van een (bijvoorbeeld religieuze) identiteit nodig om zich te weer te stellen tegen alles wat op haar of hem afkomt. Deze identiteit functioneert dan net als de loden voet van een duikelaartje, waardoor dit altijd weer rechtop komt te staan. Door identiteit ben je niet omver te krijgen. Je staat stevig en wijdbeens in het leven. Dit is een gedachte die nogal opgeld doet in neo-christelijke kringen als het gaat over dialoog met andersdenkenden.

Een identiteit die zich blootstelt

Het zal allemaal wel waar zijn. De noodzaak van een ‘sterke identiteit’ is echter vooral een pragmatische waarheid. De sociologische, organisatiekundige of psychologische wens is de vader van de gedachte. Is een dergelijke ‘sterke identiteit’ behalve nuttig echter ook zinvol? En hoe wenselijk is ze ten diepste, met het oog op duurzame humaniteit? Laat ik bij de beantwoording van deze vraag bij mijn theologische leest blijven en me beperken tot het individuele niveau – en dankbaar gebruik maken van de handreikingen in een recent boekje van Renée van Riessen.

De opvatting van een stabiele identiteit gaat onder andere terug op Plato en op diens opvatting van de ‘ziel’ als een eeuwige, onverwoestbare kern en drager van identiteit. Daartegen zijn echter altijd ook bedenkingen geuit – en merkwaardig genoeg vooral uit ‘religieuze’ hoek – bijvoorbeeld door Kierkegaard en Levinas. (Wat de theologie betreft zou ik daar Barth aan willen toevoegen.) Wie streeft naar een sterke innerlijke identiteit, sluit zich op in zichzelf en zet de tijd stil. Authentieke vorming van ‘identiteit’ komt echter van buiten, onverhoeds en onvermoed: als inspiratie, als onderricht door de meester of als openbaring. En deze externe inmenging herhaalt zich onophoudelijk. Wie zichzelf wil vormen zal zich dus nooit vastleggen, maar zich daarentegen steeds openstellen en uit balans laten brengen en houden

Poëtisch uitgedrukt: zij of hij zal altoos ‘bloot zijn en beginnen’ (Van Ostaijen, geciteerd door Van Riessen). Zij of hij zal de ‘gouden penning’ van het innerlijk met de ‘blote zijde’ naar boven leggen – om de mysticus Jan van Ruusbroek aan te halen – en zich in ‘blote leegheid’ prijsgeven, steeds opnieuw. Authentieke identiteitsvorming is een voortdurende oefening om je buiten je eigen middelpunt te begeven, om ‘excentrisch’ te zijn en binnenstebuiten te leven. Het is een levenslang ‘omhoog gaan, neerdalen, uit zichzelf weggaan en leven tussen de tijden’ – aldus de veertiende-eeuwse mysticus.

Identiteit in de ware zin is dus vloeibaar. Dit is ook het Bijbelse perspectief op zelfwording als navolging, als het gaan in het voetspoor van diegenen, die hun sterke identiteit opgaven.

Een mild klimaat

We hebben flexibele identiteiten nodig en mensen die van hun voortdurende zelf(ont)wording getuigen in zachte verhalen. Misschien hebben we hen ook niet nodig en hebben we niets aan hen – behalve dan, dat het maatschappelijk klimaat door hen milder wordt. Mensen die zelfverzekerd en wijdbeens in het leven staan: die versperren immers ook soms de weg en houden het maatschappelijk verkeer op.

***

Met dank aan: Renée van Riessen. De ziel opnieuw. Over innerlijkheid, inspiratie & onderwijs. Amsterdam 2013.