Monthly Archives: september 2013

De subtiele wraak van de muziek – naar aanleiding van Tristan und Isolde bij de Reisopera

In 2005 kwam de Radio Kamer Filharmonie tot stand. Het orkest was ontstaan uit een fusie van twee omroeporkesten, na lang getouwtrek rond beleidsnota’s en adviesrapporten onder het bewind van krentenwegende staatssecretarissen. Nadat het nieuwe orkest zich had geherformeerd, nam het ensemble op subtiele wijze wraak op het calculerende cultuurbeleid. Het nam wraak op de volwassen en professionele manier, die eigen is aan topmusici. Het deed namelijk gewoon datgene waarin het heel goed was: compromisloos musiceren. Het opende het seizoen met een concert waar de vonken van afstoven. Met andere woorden: het nieuwe ensemble liet zich niet kennen.

Spijtig bleef het toch: die afgedwongen fusie van het Radio Symfonie Orkest en het Radio Kamer Orkest. Naar beide ensembles werd vanuit het buitenland met respect en jaloezie gekeken. Beide waren het orkesten met een eigen karakter en een eigen traditie. Maar, zoals gezegd: de Radio Kamer Filharmonie groeide binnen de kortste keren samen tot een wendbaar gezelschap dat alles aankon.

Het kon nog erger, weten we nu. In 2010 kwam de coalitie van VVD en CDA tot stand die, met trillende handen en onder schot gehouden door de gedoogpartij van de Alleshater, tekende voor rigoureuze bezuinigingen op cultuur. De toon was gezet: het moest eens klaar zijn met die rijkeluiscultuur. De ‘onze-tijd-komt-nog-wel’-retoriek werd stap voor stap vertaald in beleid. Juist die politieke stromingen, die nooit moe werden erop te hameren dat we trots moesten durven zijn op onze nationale verworvenheden: juist zij zetten met droge ogen kostbare erfstukken aan de straat – waaronder alsnog de Radio Kamer Filharmonie.

Inmiddels begint het beleid zijn bittere vruchten af te werpen. Het genoemde orkest nam dit jaar afscheid en de Nationale Reisopera begon het nieuwe seizoen in gehavende staat – om een ander voorbeeld te noemen. Maar niet alleen het drama herhaalde en verdiepte zich. Ook het kleine wonder van veerkracht deed zich onlangs weer voor. Daarvan konden velen met mij afgelopen zondag getuige zijn. De tot ‘productiekern’ ingekrompen Reisopera bracht Wagners Tristan und Isolde in Enschede in première. En het klonk als een klok. Wéér liet een in het nauw gebrachte culturele onderneming zich niet kennen.

***

Velen zullen, met mij, sceptisch zijn geweest, toen zij vernamen van het plan van de Reisopera, om Wagners meest complexe muzikale drama in productie te nemen. Kan zo’n klein apparaat, met zo’n klein budget en met een ingevlogen regionaal orkest (het Noord Nederlands Orkest) dat veeleisende project wel aan? Nog niet zo lang geleden immers zat je vaak met gekromde tenen te luisteren naar regionale orkesten, die al uit de bocht vlogen bij het veel minder veeleisende Belcantorepertoire (u weet wel: het genre “verliefde mevrouw kwinkeleert dapper boven een vloertje van gemoedelijk kabbelende blazers en strijkers”) en met een beetje geluk was je na enkele dagen de namen van de ingehuurde Bulgaarse en Roemeense solisten alweer vergeten. Hoe moest dat nu met dat ongenaakbare monument van de rijpe Wagner? Dat werk waarin vooral het orkest het verhaal vertelt daarom en alle hoeken van kamer krijgt te zien? Dat werk waarin de solisten moet beschikken over stembanden, die in kracht en souplesse niet onderdoen voor de spieren van een Noordkoreaanse turnkampioene?

Er is de laatste jaren echter veel gebeurd. In betere tijden heeft de ‘provinciaalse’ Reisopera reeds laten zien, dat je niet alleen in Amsterdam, Wenen of Bayreuth hoeft te zijn voor kwaliteit – al blijven er binnen kwaliteit altijd gradaties bestaan, eerlijk is eerlijk. Bovendien zijn, mede dankzij gedreven en innovatieve dirigenten, onze provinciale orkesten boven zichzelf uitgestegen. En het gemiddelde niveau van jonge zangers en andere solisten stijgt alleen maar.

Maar goed, zult u zeggen: de Reisopera was na het bezuinigingstrauma misschien wel terug naar af? Al was het maar door het demoraliserende effect van dat trauma?

***

Niets is dus minder waar. Het Noord-Nederlands Orkest speelt nu Tristan, alsof het ervoor is gemaakt: zuiver en goed getimed, gedetailleerd en doorzichtig, trefzeker spelend met kleur en dynamiek, stijlvast en smaakvol. Speel het bijvoorbeeld maar eens klaar: om aan het begin van de tweede akte de verre jachthoorns te doen versmelten met een kabbelend beekje in de klarinetten en ritselende bladeren in de strijkers, om vervolgens het ijzingwekkende spinrag te weven van de liefdesnacht. Een perfect huwelijk van het orkest met de dirigent Antony Hermus moet mede de basis zijn voor dit resultaat.

De solisten en (spaarzame) koorzangers kunnen zich, gedragen door het perfecte klankweefsel, toeleggen op hun loodzware partijen, hetgeen zij met verve doen. Van de klank moet Claudia Iten – om één solist eruit te halen – het niet altijd hebben, maar het is een prestatie om tot de laatste snik van Isolde elke noot te leveren en daarin bovendien telkens de juiste emotie en betekenis te leggen. Zelden komen zoveel stemband en karakter samen in één zangeres. Als je zo sportief bent om je CD’s even te vergeten, moet je toegeven dat Wagner aan de zangerscrew van deze productie een uitstekende ambassadeur heeft.

Overigens moet ik aan dit alles toevoegen dat de kwaliteit afgelopen zondag nog eens werd verhoogd door het akoestisch volwaardige muziektheater in Enschede. Het is een schande dat dit verschijnsel in Nederland een zeldzaamheid is.

***

De Reisopera laat zich niet kennen. Ze is door geen bezuiniging moreel en muzikaal kapot te krijgen. Deze waarneming – ook door anderen gedaan – is echter hopelijk geen reden voor beleidsmakers om te denken, dat de roede van bezuinigingen ten goede komt de kwaliteit van onze podiumkunsten en dat ze dus gelijk hebben gekregen. Nee. De Reisopera heeft laten zien, dat ze hoogwaardige kwaliteit biedt. En dat beloon je.

In goede spullen investeer je. Het is dus niet verboden, om weer meer in onze cultuur te gaan investeren. Want daar hebben we iets aan, nu en later.

Het zalig prutswerk van de dialoog

“In fernem Land, unnahbar euren Schritten…”

R. Wagner, Lohengrin

De stukjes die ik hier schrijf komen meestal tot stand gedurende een innerlijke  monoloog achter het stuur van de auto. De lange afstanden die ik geregeld rijd zijn daarvoor uitermate geschikt. Dat was ook vrijdag zo, toen ik naar huis reed van een studiebijeenkomst, die plaats had gevonden in een te midden van duistere Duitse wouden gelegen conferentieoord. Het was gegaan over diversiteit en communicatie, pluraliteit en verbinding. Alles wat ik had gehoord en zelf had ingebracht over dat onderwerp, herkauwde ik nu. Door op deze manier gesprekken te herkauwen, wordt veel wat aanvankelijk onverteerbaar is immers verteerbaar – al komt het je soms te staan op enkele zure oprispingen.

Overigens is het woord ‘monoloog’ in dit verband niet zo adequaat. Het gaat eerder om een ‘innerlijke dialoog’ met een ‘fictieve ander’. De voorstelling van die fictieve ander – een voorstelling die overigens spontaan ontstaat en niet de vrucht is van een opzettelijke inwendige handeling – dwingt me tot helderheid in formulering en tot rekenschap en verantwoording. Die helderheid en rekenschap is een mens aan zichzelf verschuldigd (ook als hij zijn gedachten voor zich houdt), maar zeker ook aan zijn onderwerp. Hij is het vooral verschuldigd aan de ‘echte’ anderen, zodra hij naar buiten treedt met het gedachte. Ik slaag daar niet altijd in. De gewrichten en spieren van mijn denkmechaniek zijn vaak stroef en stijf. Denken en formuleren zijn voor mij rek- en strekoefeningen. Ik geef het onderstaande dus weer voor beter.

Een positivistische opvatting

Het begrip ‘dialoog’ (het is blijkbaar het  ‘Leitmotiv’ van deze column) kwam ook te berde tijdens de afgelopen studiedagen. Dat hield me wakker, want het woord ‘dialoog’ vormt één van de ‘Leitmotive’ van mijn loopbaan als theoloog. Wat mij daarbij altijd wat onbevredigd heeft gelaten, is de positivistische opvatting van dialoog, een opvatting die vooral opgeld deed en doet in het kader van de interreligieuze dialoog.

Ik doel hiermee op de opvatting van dialoog, die ervan uitgaat dat alle religies (en in onze geïndividualiseerde samenleving: alle solo-religieuzen) over een stukje van de Grote Waarheid beschikken, dat zij allen een stukje gelijk hebben. Als je al die stukjes bij elkaar legt, krijg je het grote geheel – of kom je in elk geval in de buurt daarvan. Als je alle kleine ‘gelijkjes’ bij elkaar legt, krijg je het Grote Gelijk – of in elk geval zicht daarop.

Dialoog is in deze opvatting een zaak van elkaar ‘rijker maken’ en ‘aanvullen’. Het is een gezelschapsbezigheid waarbij een reusachtige legpuzzel wordt gemaakt. Het spel is enerzijds een doel op zich, maar anderzijds wel degelijk een serieuze aangelegenheid, voor zover het de vrede en de tolerantie bevordert. (Dat laatste oogmerk verklaart ook de geforceerd irenische sfeer, waarin de dialoog vaak plaatsvindt, alsmede het vermijden van argumentatieve discussie, maar dat is een zijspoor.)

Het tekort

Mijn onvrede over dit gezelschapsspel komt voort uit mijn ongeloof in de gedachte van complementariteit. Uiteraard: ook ik beschouw mijn eigen geloofje als ‘stukwerk’, maar dan niet in de zin van een puzzelstukje, dat precies past bij en aansluit op andere puzzelstukjes. Ik beschouw mijn ‘stukje’ en dat van de ander als een rafelig brokstuk, een fragment. Zo’n fragment komt, zelfs in het gezelschap van andere fragmenten, in de verste verte nog niet in de buurt van het Grote Geheel. Het herinnert daar slechts aan op een treurig tekortschietende wijze.

Als alle brokstukken na de dialoog bij elkaar liggen, hebben we alleen nog maar een groter fragment. Er ontbreekt ons immers allemaal iets. En wat mijn stukje mist, kan de ander niet aanvullen en vice versa. We missen het zelfde – en dat gemeenschappelijke dat we beide missen is juist het wezenlijke.

Het is zoals de scherf van een Griekse vaas in een opgraving: daarvan worden soms maar enkele resten gevonden en de rest wordt door archeologen hypothetisch gereconstrueerd. We zullen het geheel nooit te zien krijgen – hooguit ernaar gissen.

Zalig makend prutswerk

Toch waag ik me aan de dialoog, ondanks het rafelige, brokkelige karakter van mijn eigen ‘stukje’ en van alle stukjes bij elkaar, ondanks het besef van ons onophefbare gezamenlijke ongelijk. Maar is dat niet bij voorbaat frustrerend en ontmoedigend?

Het hangt er maar vanaf, hoe je dialoog opvat en wat je ermee beoogt. Dialoog is mijns inziens juist niet een poging om alle kleine stukjes gelijk in elkaar te laten passen. Dialoog bestaat daarentegen in het los naast elkaar leggen van alle kleine stukjes ongelijk. Het spel eindigt met de vaststelling dat er veel te raden overblijft, ja: dat het wezenlijke ontbreekt. Het resultaat is, dat we worden geconfronteerd met het onbenaderbare van datgene, waaraan de fragmenten herinneren en waarnaar ze verwijzen. En juist in en door dit negatieve – en alléén in en door dat negatieve – schemert datgene door wat we zochten. Mystiek heet dat.

Niet het zicht op het Grote Geheel, doch juist de confrontatie met de Grote Leemte is voor mij het belangrijkste motief tot de dialoog. Door de dialoog stoten we immers onze neus en lopen we een metafysisch blauwtje. Dialoog is niet het maken van een legpuzzel en een spel van elkaar aanvullen, maar een gezamenlijke oefening in nederigheid en in het accepteren van het tekort.

Dialoog in deze zin, als zoektocht, is het zalige prutswerk van onze handen. We kunnen alleen maar hopen – en voor de liefhebbers:  bidden – dat dit werk door anderen wordt voltooid. Daar gaan wij niet over.

***

Bronnen

Het begrip van de ‘fictieve ander’ ontleen ik aan het werk van de Duitse theoloog Henning Luther (1947-1991). Een briljante, maar ook enigszins apologetische, benadering van het onderwerp dialoog is te vinden bij Marianne Moyaert, Leven in Babelse tijden. Uitg. Klement 2011. Een interdisciplinaire en praktische benadering is te vinden in het werk van Manuela Kalsky en het door haar geleide project Nieuw W!J. Vgl. www.nieuwwij.nl en www.manuelakalsky.nl .

Het eerbetoon van twee tovenaarsleerlingen – Twee nieuwe boeken over Thomas Mann

Het wordt wat eentonig, maar ik ga weer eens iets schrijven wat in verband staat met Thomas Mann. Lees ik dan nooit eens iets anders? Jawel, maar dat staat in geen verhouding tot datgene wat ik van en over Thomas Mann lees. Overigens heeft vrijwel alle literatuur, als je maar lang en diep genoeg associeert, te maken met hem. Is het geschreven vóór Thomas Mann: dan heeft hij er zelf ongetwijfeld iets over geschreven, iets ervan gevonden en zich ertoe verhouden. Is het geschreven ten tijde van of na Thomas Mann: dan heeft diens werk altijd wel zijn sporen erin nagelaten – al is het maar als negatief ijkpunt, waarvan en waartegen de auteur zich afzet.

Daarom fascineert Mann mij ook zo. Niet omdat ik hem de beste schrijver aller tijden vind – misschien is hij dat wel, maar ik matig mij dat oordeel niet aan, aangezien ik alles behalve belezen ben en het vergelijkingsmateriaal onvoldoende ken – niet dus omdat hij de beste schrijver ooit zou zijn fascineert hij mij, begon ik te zeggen, maar omdat hij als een kruispunt fungeert waarop alle wegen uitkomen, omdat hij een cruciaal auteur is.

Aan deze cruciale positie dankt Thomas Mann ook zijn cultstatus. Hij had deze al tijdens zijn leven en heeft deze nog steeds, bijna zestig jaar na zijn dood – zij het onder een (ook in het Duitse taalgebied) slinkende minderheid. Er is nog steeds een heuse Thomas-Mann-industrie. Met de regelmaat van de klok verschijnt een nieuwe biografie over hem of een boek dat een specifiek aspect van zijn leven of werk belicht. Ook ontdekken uitgevers en biografen telkens weer nieuwe belangwekkende (schoon-)familieleden, van wie de brieven, memoires en wapenfeiten de moeite van het openbaren, resp. boekstaven waard zijn.

***

Deze zomer nu zagen twee werken over Mann het licht, die horen tot het genre van de roman, het genre waarop hijzelf een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt en dat hij zo soeverein naar zijn hand heeft gezet. Thomas Mann als hoofdpersonage van een roman opvoeren: het is een hachelijk avontuur. Je moet het maar durven: de onovertroffen verteller en stilist maken tot onderwerp van een eigen poging om iets moois te schrijven voor de mensen. Je begeeft je immers in het hol van de leeuw. Je gaat te werk met de overmoed van de tovenaarsleerling – iets waarover de Tovenaar zelf smakelijk en smalend zou hebben gegrinnikt.

Pleschinski heeft met zijn Königsallee de meesterproef aardig doorstaan, voor zover ik hierover iets kan zeggen. Soeverein bedient hij zich van een brede en diepgaande kennis van zaken. De eventuele irritatie en vermoeidheid die het breedsprakige etaleren van die kennis wellicht bij deze of gene oproept, wordt gecompenseerd door de speelse ironie die aan de roman een aangename lichtvoetigheid geeft. Gewaagd is het wel weer, dat Pleschinski het zelfde ironische arsenaal benut, dat Mann zo meesterlijk beheerste (zoals bijvoorbeeld het duizelingwekkend vermengen van fictie en realiteit). Maar deze imitatie van de meester is op haar beurt weer een vorm van romantische en romaneske ironie: Thomas Mann wordt hier immers door zichzelf beschreven. Bovendien: het feit dat Pleschinski een (onmiddellijk als zodanig herkenbare) pastiche schrijft van Lotte in Weimar, met toespelingen op Die Betrogene, is weliswaar enerzijds pretentieus: anderzijds is het een bescheiden en nederig eerbetoon aan de leverancier van het ‘origineel’

Pleschinski zoomt in op één thema van het leven en werk van Mann: de onoverbrugbare afstand tussen de kunstenaar en het object van zijn liefde, waarbij dat object een mens van vlees en bloed is, maar tevens een incarnatie van de eeuwige schoonheid en een representatie van het onbevangen leven. Een heel ander aspect wordt aangeroerd door Britta Böhlers veel beknoptere De beslissing. Zij bedient zich van het genre en stijlmiddel van de innerlijke monoloog (een genre en stijlmiddel dat Thomas Mann uiteraard ook beheerste, een gegeven waarop ze wellicht opzettelijk toespeelt) en beschrijft zodoende Thomas Manns eigen Schwere Stunde in het begin van 1936, toen hij op zichzelf de moed veroverde om in een open brief op ondubbelzinnige wijze stelling te nemen tegen het nationaalsocialisme. Waar Pleschinski het heeft over de minnaar, heeft Böhler het over de aanvankelijk tegen wil en dank, maar uiteindelijk volmondig politiserende kunstenaar.

Böhler verstaat de kunst om, vertrekkend vanuit het momentane binnenperspectief van de hoofdpersoon, een rijk geschakeerd beeld van diens leven en persoon te schetsen. Daartoe maakt ze gebruik van doorkijkjes naar eerdere situaties en van het laten doorschemeren van toekomstplannen. Hoewel het boekje hier en daar iets schools heeft, iets van een knip-en-plak-documentaire (met af een toe een ontsierend germanisme), is het ook en vooral een charmant zakportret, aan de hand waarvan de Mannkenner zijn geheugen kan opfrissen, terwijl het de nieuwsgierige nog-niet-kenner helpt om zich in kort bestek een beeld te vormen van de man, wiens politieke worsteling zo representatief was en is voor alles wat goed, waar en schoon is aan Duitsland en Europa.

Pleschinski: een aanrader voor degenen die Manns leven en werk voldoende kennen, om de vele toespelingen te begrijpen. Böhler: een mooi opstapje voor degenen die de betoverende berg van Manns oeuvre beginnen te bestijgen. Beide auteurs hebben een ontroerend, persoonlijk eerbetoon geschreven. Beide boekjes horen thuis in de verzameling van de Mann-bewonderaar.

***

Britta Böhler, De Beslissing. Roman. Uitgeverij Cossee. Amsterdam 2013. ISBN 978-90-5936-431-8

Hans Pleschinski, Königsallee. Roman. C.H. Beck Verlag, München 2013. ISBN 9783406653872

Draagvlak

Met enige belangstelling volg ik in de nieuwsmedia de discussie over het nut en de keerzijden van het exploiteren van schaliegas. Met name ben ik geïnteresseerd in de wetenschappelijke argumenten van de deelnemers aan het debat, waarbij ik dankbaar ben voor iedere uitleg die het vraagstuk behapbaar maakt voor mijn in natuurwetenschappelijk opzicht sterk achtergebleven brein.

Het ontwikkelen van een visie wordt me echter niet makkelijk gemaakt door de irrationele vertroebeling van de discussie. Het lijkt er inmiddels op, dat de discussie over schaliegas vooral een gesprek is tussen vertegenwoordigers van eenmaal ingenomen posities, waarbij het gaat om de vraag of je er voor of tegen bent. Zo wordt het een manicheïstische strijd tussen goed en kwaad, waarbij de inzet niet bestaat in het verdiepen van inzichten en het verrijken van zienswijzen, doch in het bevestigen van standpunten.

Het onderwerp van de discussie – een bepaalde technische methode van energiewinning – wordt daarbij vaak geïsoleerd van de complexe ecologische en economische, energie- en geopolitieke context – en gereduceerd tot een overzichtelijk ‘iets’ waar je voor of tegen bent vanwege de onmiddellijke – positieve of negatieve – gevolgen. Het is alsof men discussieert over de voors en tegens van de personenauto louter op basis van uitstoot versus tijdwinst.

Ter compensatie wordt de weggeabstraheerde context vervangen door een symbolische lading. Schaliegas staat ofwel voor de broodnodige vooruitgang in de energiepolitiek ‘waar je toch niet tegen kunt zijn’ ofwel voor de machtsgreep van duistere belanghebbenden, die geen ander oogmerk hebben dan geldelijk gewin en die zijn gespeend van iedere bekommernis om andere belangen.

Door deze combinatie van verarming van het gespreksonderwerp enerzijds en de symbolische potentiëring ervan anderzijds, vervult schaliegas de functie die bijvoorbeeld de kruisraket had in de jaren tachtig. Het helpt ons om te focussen op één helder afgebakend (deel-)onderwerp (een tegemoetkoming aan de behoefte van ons ADHD-volkje aan een prikkelarme discussieomgeving). Het polariseert op aangenaam duidelijke wijze de maatschappelijke discussie. Ten slotte mobiliseert het zodoende de achterban van de strijdende partijen. Inmiddels zit mijn mailbox inderdaad vol met petities en handtekeningenacties – veelal ‘tegen’ overigens.

De irrationaliteit van de ‘discussie’ wordt nog eens versterkt doordat her en der al het ‘draagvlakargument’ de kop op steekt. Vooral tegenstanders bedienen zich hiervan. Nu is er op zich niets tegen de aandacht voor draagvlak. Uiteraard getuigt het van bestuurlijke wijsheid en van procesmatig inzicht, als beleidsmakers zich inspannen voor acceptatie van hun plannen en rekening houden met het ontbreken daarvan. (Of de coalitiepartijen van onze huidige regering dat in de praktijk zo handig aanpakken, met hun ‘uitlegcampagnes’ en ‘onderhandelen-met-de-achterban’ is een ander hoofdstuk. Acceptatie win je vooral door de achterban als gesprekspartner serieus te nemen, niet met een goedmaakbloemetje. Maar dit terzijde.)

Het is echter merkwaardig als in de discussie het belang van draagvlak wordt ingezet op het zelfde niveau als inhoudelijke argumenten, argumenten die te maken hebben met technische haalbaarheid, kosten en baten, directe en indirecte risico’s en voordelen etc. Het draagvlakargument is immers – als het al een argument is – een louter formeel en daardoor leeg argument. Als zodanig is het slechts indirect van betekenis en kan het pas in tweede instantie een rol spelen in het gesprek.

Bovendien wordt het in de praktijk vaak circulair gehanteerd. De door de tegenstanders gebezigde uitspraak ‘Er is nu onvoldoende draagvlak voor schaliegas’ betekent veelal alleen maar: ‘Wij willen dit niet omdat we het niet willen.’ Ooit werkte ik met iemand samen die zich onaangename taken van het lijf hield door te zeggen dat hij daarvoor ‘niet gemotiveerd’ was. Daar doet het draagvlakargument me sterk aan denken.

Er is overigens niet veel voor nodig om van dit lege, circulaire ‘argument’ dankbaar gebruik te kunnen maken in een populistisch kader. Er is al heel wat tegengehouden of opgeëist met het oog op draagvlak, vooral op het gebied van veiligheid en leefbaarheid, waarbij de tegensputterende pleitbezorgers van de rechtstaat nog net niet werden weggehoond. Daarmee wordt het draagvlakdenken – behalve een ondeugdelijke – ook een hachelijke wijze van argumenteren.

Ik doe graag mee aan de schaliegasdiscussie en ik sluit geen enkele (voorlopige) conclusie uit. Maar dan wel graag op basis van inhoudelijke argumenten die rechtstreeks relevant zijn voor het onderwerp.

Nazomerweemoed

20130901_155700

‘Herr, es ist Zeit, der Sommer war sehr gross.‘ (R. M. Rilke)

De laatste zandkorrels wassen we uit onze vakantiesokken en de zomer ziet de bovenste helft van zijn zandloper in versneld tempo leeglopen. Schoorvoetende zonsopgangen, schuchter glinsterende middagen en zich in kille nevels hullende zonsondergangen: ze vormen een decor dat me ertoe verleidt een ongezonde dosis weemoed tot me te nemen. Ik zoek de pijngrens van de melancholie op en wrijf zout in deze zoete wond door een herfstgedicht van Rilke te lezen. Ik leg alvast de CD met Strauss’ Vier letzte Lieder klaar of – liever nog – de Fünf Gesänge opus 104 van Brahms, die cyclus met de onweerstaanbare, schrijnende schoonheid van een najaarsbos.

Genoeg alliteraties en binnenrijm. De nazomer is gewoon een prachtige tijd. Dat wil ik maar zeggen. Ik snoep de laatste restjes vakantie op voor een stedentrip hier of een wandeling daar. En zodoende was ik afgelopen zondag in Haarlem, in het gezelschap van mijn schoonfamilie, een kloeke en fertiele schare van oudtestamentische omvang. De oude Hollandse stad, gelegen in de luwte van het onvermurwbaar door de seizoenen héén denderende Amsterdam, verstaat de kunst om in de nazomer stijlvol te verstillen. Ze krijgt dan iets vertederend nederigs en bescheidens. Dit seizoen staat haar goed, zoals ook menige andere, kalm door de geschiedenis heen schrijdende stad goed tot haar recht komt in deze tijd.

Nu is de VVV-gids, waaraan je jezelf blootstelt tijdens het bezoek aan een dergelijke stad, niet altijd het toonbeeld van bescheidenheid. Door het dunne laagje bladgoud van zijn plaatsvervangende eigenroem héén schijnt echter onmiskenbaar de melancholie. De laatste zoekt ook haar weg in de minder aangename passages van de voordracht, zoals uitingen van verbittering over fatale beslissingen van plaatselijke overheden en welstandcommissies alsmede over het spoor van vernieling, dat projectontwikkelaars in de ogen van de rondleider hebben achtergelaten.

De melancholie van oude Hollandse stadjes drukt zich overigens ook uit in het patina op het standbeeld van de plaatselijke held. Veelal is dat de uitvinder van een optisch instrument, waaraan de medische wetenschap een belangrijke impuls dankt, of van de boekdrukkunst. Niet zelden ook staat op de sokkel het levensgrote bronzen portret van een onverschrokken vechtersbaas, die de stad van één of ander juk heeft bevrijd. Er is in de lokale geschiedenis altijd wel een grote roerganger, die voorop liep bij de ontworsteling aan iets onderdrukkends.

Wanneer een stad dergelijke standbeelden tekort komt, maakt ze dat ruimschoots goed door aan de gevels van haar huizen bordjes aan te brengen. Deze plaquettes getuigen dan van het bliksembezoek dat een beroemde kunstenaar ooit aan zijn nicht bracht, die eertijds in deze stad woonde omdat ze was gehuwd met de plaatselijke taxidermist, klokkengieter of touwslager. Dat was in een periode waarin je met dergelijke beroepen nog je brood kon verdienen en aanzien kon verwerven – om over de eraan ontleende voldoening maar te zwijgen.

In Haarlem kon ik mijn weemoedige stemming botvieren in het Teylers Museum. Deze instelling is overigens meer dan een fossiel of een monument. Het museum heeft een vitaal en actueel collectie- en expositiebeleid. Niettemin geniet ik vooral van het aura dat in de monumentale zalen zweeft en dat de vaste collectie omgeeft. De met gebruikmaking van een typemachine beschreven kartonnetjes met tekst en uitleg bijvoorbeeld vormen inmiddels een inventarisonderdeel met zijn eigen betekenis en waarde. Elk element in ‘het Teylers’ dwingt respect af, zodat het hierboven weergegeven bordje vrijwel overbodig is.

Het bord is wél symbolisch. De nazomernostalgie slaat bij mij namelijk ook wel eens om in de lichte verbittering, waarvan VVV-gidsen blijkbaar niet het alleenvertoningsrecht hebben: verbittering over de retoriek van de cultuurbezuinigers, die de economische crisis hebben aangegrepen om eens goed huis te houden en zich te ontdoen van in hun ogen overtollige zaken. Natuurlijk: soms had en heeft het subsidiestelsel de perverse effecten, die John Borstlap in Trouw van 31 augustus aan de kaak stelde. En uiteraard zijn sommige instellingen door de bezuinigingen creatiever geworden en leggen bepaalde ensembles een indrukwekkende veerkracht aan de dag. Wat je niet kapotmaakt, maakt je sterker, nietwaar? Een feit is echter dat hier en daar ook onherstelbare schade is aangericht. Je kunt met causaliteit niet alle kanten op: het stoppen met een medicijn dat onaangename bijwerkingen heeft, is niet op zichzelf een geneesmiddel.

Ik wil u echter niet vermoeien met mijn stokpaardjes, doch in dit stukje de mildheid van de nazomer laten overheersen, in de hoop dat de voortschrijdende verstandsverbijstering van politici, net als de seizoenen, het onderdeel is van een cyclus. Maar geeft u nu zelf toe: over hoop schrijven is ook enigszins saai. En de Ode an die Freude is nu eenmaal banaler dan al die prachtige kunst, waarvoor het Verval model heeft gezeten met zijn onweerstaanbare charme – en waarvan ik straks in de herfst ga genieten met volle teugen.