Monthly Archives: juli 2013

Een brief aan paus Franciscus van een onverbeterlijke katholiek

Goede paus Franciscus,

Met enige schroom schrijf ik u deze brief. Die schroom vloeit niet zozeer voort uit het ontzag dat ik heb voor uw persoon en uw functie. U bent immers een toegankelijk mens en u bent er in korte tijd in geslaagd om uw ambt tot aanraakbare proporties terug te brengen. Modieus uitgedrukt: u bent een knuffelbare paus.

Waarom dan wel die schroom? Welnu: ik aarzel om u lastig te vallen met een onderwerp dat niet de grootste prioriteit en urgentie lijkt te hebben, afgezet tegen andere bestuurlijke problemen in de kerk en tegen de dringende mondiale vraagstukken, waarvoor ook u zoveel oog heeft. Met andere woorden: ik vraag me af of ik u niet benader met een luxeprobleem. Bovendien: ik wil de pret niet bederven van al diegenen die zich terecht bemoedigd voelen door uw bezielende optreden.

Ik trek de stoute schoenen toch maar aan. Want er ligt mij – en ongetwijfeld veel andere rooms-katholieken – erg veel op het hart. Juist uw benaderbaarheid wekt de hoop, dat ik hieraan eindelijk lucht kan geven. Aangezien u wordt geprezen om uw grote bestuurlijke inzicht en uw gezonde leiderschapsinstinct, meen ik overigens dat u aan een half woord genoeg zult hebben. Ik houd het daarom ook maar kort.

Goede paus Franciscus, veel mensen in de kerk hebben blauwe plekken op hun ziel. Over die kwetsuren is al sinds een halve eeuw veel gesproken. Sommigen menen dat dit gesprek zijn tijd heeft gehad, dat het onderwerp ervan alleen nog maar af en toe wordt opgerakeld door verbitterde zielen en dat het een ‘westers’ onderwerp is. Mijns inziens is de ernst van dit onderwerp echter alleen maar toegenomen – en raakt het de wereldkerk.

Mensen die zichzelf mondig en gekwalificeerd genoeg achten, om hun geloofsleven naar eigen inzicht vorm te geven, voelen zich miskend en gekleineerd door de bevoogdende en bemoeizuchtige, grillige en kille bestuursstijl van uw voorgangers , de door hen benoemde bisschoppen en een groot deel van de clerus. Uitgerekend diegenen die zich met hart en ziel, met hoofd en handen inzetten voor de kerk – als vrijwilliger of beroepskracht – stoten vaak op pijnlijke manier hun neus en worden bij herhaling geschoffeerd of geïntimideerd.

Dat gebeurt op locaal niveau, in de Nederlandse parochies bijvoorbeeld, waar het sociale en kerkelijke weefsel van de vrijwilligersorganisatie niet zelden aan flarden wordt gerukt door onwetende nieuwbakken priesters of door een ondoordacht fusiebeleid. Er zijn echter ook kwesties die dat locale niveau overstijgen. Zo is het nauwelijks nog uit te leggen dat theologen, opinieleiders en andere denkers voortdurend moeten vrezen voor verklikkerij, censuur en regelrechte bestraffing (tot en met broodroof) en daardoor overgaan tot zelfcensuur, vertrek uit de kerk of ‘innere Emigration’. Ook is niet meer inzichtelijk te maken dat er onversneden geslachtsdiscriminatie plaatsheeft in het personele beleid van de kerk en dat niet relevante criteria ertoe leiden dat competente mensen een functie mislopen of verliezen.

Dit alles leidt tot grote persoonlijke drama’s. Hiermee gaat bovendien een institutioneel probleem gepaard. De rooms-katholieke kerk – die in bepaalde (niet alle!) maatschappelijke discussies nog aanzien heeft vanwege haar morele standpunten en vanwege de moed waarmee deze worden verkondigd – wordt in de samenleving nauwelijks nog serieus genomen vanwege haar achterhaalde interne structuren. Menige katholiek voelt zich een risee.

Goede paus, u heeft de dranghekken verwijderd. Maak nu alstublieft ook het keurslijf los waarin wij katholieken ons bevinden. De kerk zal weer meer serieus worden genomen, als zij volwassen mensen meer serieus neemt.

In dat verband wil ik nog een – door menigeen als achterhaald beschouwd – vraagstuk onder uw aandacht brengen. Waarom is het ondenkbaar dat de katholieke kerk, als één van de grootste en als één van de meest fijnmazig gestructureerde organisaties ter wereld, in haar eigen midden een vorm van transparante democratie invoert?

Ik ken uiteraard het argument van de tegenstanders. De kerk – zo luidt dit – is een instituut met een bovennatuurlijke oorsprong. Daarbij past het niet om beleid te bepalen en bestuursposten te verdelen door het ‘tellen van neuzen’ (sic!). De Heilige Geest bedient zich niet van dergelijke ‘wereldse’ procedures. U zelf, goede paus, wordt inmiddels geprezen als een rationeel manager. Dan zult u dit tegenargument waarschijnlijk evenmin als ik erg serieus kunnen nemen. Vanouds immers wordt er in de kerk ook bestuurd langs gezonde bureaucratische wegen. Charisma zonder bureaucratie is immers blind. Er wordt in de kerk vergaderd; er worden coalities gesloten en meerderheden gevormd; er worden – niet in de laatste plaats door u – adviezen ingewonnen en belangen afgewogen enz. Waarom kan de kerk dan niet consequent de volgende, logische stap zetten en – geleid door vertrouwen op mensen en op de Heilige Geest – democratische procedures invoeren?

Of heeft de kerk zo veel te vrezen van democratie? Natuurlijk: er worden veel dwaze standpunten verkondigd, ook door sommige minderheden, dissidenten en oppositievoerders in de kerk. Ik voel me eerlijk gezegd zelf ook niet altijd thuis bij de ‘onderstroom’ – in theologisch opzicht en qua levensgevoel. Maar mijns inziens vormen open discussie, debat en argumentatieve dialoog nog altijd de beste weg om rijpe visies van onrijpe te onderscheiden. Democratische instituties vormen daarvoor een beproefd en vooralsnog onovertroffen podium. Ze zijn bovendien te edel om af te doen als ‘neuzentellerij’ en allesbehalve beneden de stand van de kerk.

Ik zou het kort houden, lieve paus Franciscus. U heeft het druk genoeg als loods van de loodzware oceaanstomer van de kerk. Ik wil dan ook afsluiten met het oprecht uitspreken van mijn vertrouwen en van de (door uw eigen optreden gewekte) hoop dat ook deze ogenschijnlijk secundaire problematiek uw volste aandacht heeft.

Met een hartelijke groet van een onverbeterlijke katholiek,

Eric Corsius

Supermensen

Zo’n tien dagen geleden verscheen in de optimistische late-night-zomershow de bij de oudere lezers bekende astronaut Wubbo Ockels. Hij is weer volop in het nieuws – en nu vanwege een ogenschijnlijk louter persoonlijk verhaal. Ockels kreeg namelijk niet lang geleden een letale diagnose. Hij lijdt aan een zeer moeilijk behandelbare, ongeneeslijke vorm van kanker.

Ockels liet het er niet bij zitten en ging op zoek naar behandelaars die nog mogelijkheden zagen – en vond die. Te snel, betoogde hij in het genoemde TV-programma, geven we de hoop op en starten we bij ernstige diagnoses een psychologisch verwerkingsproces op, terwijl er wetenschappelijk gezien wellicht nog curatieve opties zijn.

Allergisch tegen onrealistisch overoptimisme als ik ben (het is veelal immers een bron van teleurstellingen) was ik geneigd om Ockels te rekenen onder de magische denkers, die beweren dat je met wilskracht kunt ‘winnen’ van kanker – en die daarmee niet alleen zichzelf en anderen een rad voor ogen draaien, maar bovendien de ‘verliezers’ een gevoel van tekortschieten bezorgen.

Dat was niet fair van mij. Ockels hoort niet bij deze sekte of bij één of andere esoterische orthodoxie. Ockels straalt en draagt vooral een diep geworteld geloof in wetenschap en vooruitgang uit, een geloof dat hij nu gewoon op zijn eigen lijf toepast. Bovendien belichaamt hij een grote mentale veerkracht. Dat mag niet verbazen bij iemand die het ooit tot ruimtevaarder schopte. Dat word je alleen met een enorme lichamelijke en geestelijke ‘resiliëntie’.

Mensen als Ockels, begiftigd met een grote mentale lenigheid en soepelheid en juist daardoor niet te snel buigend voor het noodlot, respecteer en bewonder ik. Wat ik echter niet kan en wil dat is: hun sterke psychische gestel vertalen in een levenskunst die door iedereen en voor honderd procent imiteerbaar is.

Helaas pretenderen veel succeskookboeken in managementland en in de zich spiritueel noemende sector dat wel te kunnen doen. Aan datgene wat bij kanjers een kwestie van temperament en talent is, ontlenen ze formules om jezelf om te toveren in een levensacrobaat, om jezelf te herprogrammeren.

Ik ben overtuigd van de oprechtheid van de Coveys en Tiggelaars van onze wereld. Het zijn zelf immers vaak van die beren van mannen, die het succes op hun gevoel lokaliseren en op de tast vinden. Begrijpelijk dat ze dat anderen ook gunnen. Dat niet iedereen zo is gebakken, sterker nog: dat de meeste mensen níet zulke supermensen zijn, ook dat is waar. En daarin kunnen goeroes zich helaas niet altijd inleven.

Aanleg kun je nu eenmaal niet copy-pasten. Jezelf willen ombouwen naar het type Ockels is irreëel, als het niet ‘in je zit’. Ons maakbaarheidsdenken zit dit inzicht maar al te vaak in de weg.

Over helden en heiligen

Het is goed dat ze er zijn. Ja, ze zijn zelfs onmisbaar: die grote persoonlijkheden die we, al naar gelang onze levensbeschouwelijke achtergrond, kwalificeren als onze ‘helden’, ‘heiligen’ of ‘iconen’. Ze belichamen een ideaal, behoeden de mensheid voor pessimisme en cynisme en verbinden mensen met elkaar. Het gaat me echter wat ver als we op hen morele volmaaktheid projecteren – iets waarin vooral de katholieke traditie van canonisatie (heiligverklaring) sterk is.

Natuurlijk, de groten der aarde houden hun doel onvermoeibaar voor ogen en zijn koersvast – maar op hun weg hebben ze niet altijd oog voor datgene wat zij onder de voet lopen. En natuurlijk, ze leggen een buitengewone wilskracht aan de dag en offeren veel op – maar de keerzijde van een dergelijk ‘sterk karakter’ is veelal, dat het tevens van anderen offers vraagt – ook van anderen die daarover weinig in de melk hebben te brokkelen. Hierbij zie ik nog af van het feit, dat offers vaak worden terugbetaald in de vorm van satisfactie, zelfachting en bewondering. Onze helden onderwerpen zich aan een groots visioen – maar ambitie en zelfverwerkelijking zijn daaraan niet altijd vreemd.

Nogmaals: het is goed dat deze mensen er zijn, of ze nu Mandela heten of Wojtyła. Maar we durven vaak niet toe te geven dat achter het altruïsme, dat we op hen projecteren, ook vaak een groot ego schuilt, een gevoel van persoonlijke onmisbaarheid schuilgaat, alsmede de behoefte om een eigen stempel op de werkelijkheid te drukken.
Door dat egocentrisme onder ogen te zien, maken we onze heiligen en helden niet kleiner dan ze zijn en diskwalificeren we hen niet. Ik kan me immers geen mens voorstellen, die niet wordt geleid door zijn of haar behoefte gewicht in de schaal te leggen. We zijn allemaal zo oprecht om hartgrondig mee te brullen met Paul de Leeuw als hij zingt: ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde’. Tenzij egocentrisme ontaardt in narcisme, is het een onontbeerlijke motor voor het streven naar en realiseren van eerbare doelen. Het doet ons boven onszelf uitstijgen.

Waar ik niet in kan meegaan is de verabsolutering van helden en heiligen, die hen oneindig verheven acht boven de mensheid en onvatbaar voor normale menselijke motieven – en die hun a priori morele superioriteit toekent omdat zij het goede bevorderen. Bovendien zien we door deze verabsolutering voorbij aan het feit, dat zij zichzelf en hun prestaties goeddeels te danken hebben aan anderen. Zij zijn te vergelijken met een topsporter of muzikale solist, die zich kan concentreren op haar of zijn eigen, veelal eendimensionale taak dankzij het feit dat anderen hen ‘begeleiden’ of op een bescheidener positie en buiten de schijnwerpers een complex samenspel van krachten coördineren waarvan de toppers deel uitmaken.

Het is niet erg dat mensen af en toe de show stelen. En het is ook niet erg dat wij het spel meespelen, waarin het lijkt alsof zij godenzonen en –dochters zijn. We hebben diva’s nodig. Dat hoort bij het ‘oprechte veinzen’ (Kellendonk) dat ons helpt om te geloven, te hopen en lief te hebben. Het is echter iets anders, om onze helden de hemel in te prijzen. Als er een hemel bestaat, zitten zij daar naast de backbenchers en stille krachten die altijd op de achtergrond zijn gebleven. En als zij zich daar nog zouden laten voorstaan op de grote ontberingen die zij zich hebben getroost, dan zouden de mindere goden hun respect en dankbaarheid uiten – maar ook tactvol zeggen dat iedereen, alle ontberingen ten spijt, in het ondermaanse reeds een groot deel van zijn loon heeft ontvangen.