Monthly Archives: juni 2013

Een omgeving die ons rechtop door het leven doet gaan – over architectuur

 

“Prometheus (…) kneedde mensen naar het beeld der goddelijke heersers: Waar andere wezens naar de aarde kijken, kop omlaag, schonk hij de mens het hoofd rechtop en schiep hem met de opdracht de lucht te zien, de blik omhoog te richten, sterrenwaarts. Zo kreeg de aarde, kort geleden nog zo leeg en vormeloos, Een ander aanzicht door dat nieuwe leven van de mens.”

Ovidius, Metamorfosen, Boek I, vertaling M. d’Hane-Scheltema

 

Een staaltje evenwichtskunst van Dudok: grote lijnen, zorgvuldige proporties en onderbrekende details

Een staaltje evenwichtskunst van Dudok: grote lijnen, zorgvuldige proporties en onderbrekende details

Hoewel ik in het algemeen een ouderwetse smaak heb en op het gebied van architectuur minder ben dan een amateur, geniet ik erg van de ogenschijnlijk sobere en letterlijk rechtlijnige gebouwen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik houd van bouwmeesters als Loos en Wittgenstein – en in Nederland van Berlage, Van der Laan, Dudok en Peutz. Ik voelde me dan ook als een vis in het water, toen ik de afgelopen weken achtereenvolgens in het Haags Gemeentemuseum was, in het Raadhuis in Hilversum en in het Schunckgebouw in Heerlen.

Voor een niet-meer-als-liefhebber is dit vooral een kwestie van gevoel. Maar gevoel kun je ook verklaren, duiden en herleiden. Als ik dit probeer, blijkt mijn voorkeur alles te maken te hebben met de bovenstaande regels van Ovidius. Het is een scheppingsmythe in de notendop, die een aspect verwoordt dat ook eigen is aan het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is niet voor niets de opstandige Prometheus die hier de mensen schept en in hun DNA de bestemming verankert om rechtop door het leven te gaan, de blik gericht op de einder en de sterrenhemel – anders dan de naast verwante dieren, die schichtig over de aarde kruipen en op de grond naar hun kostje zoeken. De homo erectus komt, zoals het in het Duits zo mooi heet, ‘auf gleicher Augenhöhe’ te staan met de goden. Het ‘rechtop’ door het leven gaan is een uiting en metafoor van de waardigheid van de mens – en genetisch gezien wellicht ook de bron ervan.

De omgeving die wij voor onszelf scheppen kan deze waardigheid weerspiegelen en te bevestigen. Daarom voelen we ons ‘groot’ in een gotische kathedraal of in één van de genoemde moderne bouwwerken. In zo’n omgeving ondersteunen de loodrechte lijnen onze kaarsrechte gang en zuigen ze onze blikken naar boven. De horizontale lijnen onderstrepen op hun beurt de gerichtheid van onze ogen op de horizon. Deze architecturale omgeving is ons element.

Hoe aangenaam en knus ik me anderzijds ook voel in een Romaanse crypte of in een ‘organisch’ bouwwerk van Le Corbusier, Hundertwasser of Van Huut – en hoe ‘interessant’ dergelijke objecten ook zijn: op den duur benauwt het me om in deze baarmoederlijke bouwsels rond te dolen. Met hun kromme lijnen en diagonale vlakken doen ze me bukken of ineenduiken als een foetus. Dat doet voor korte tijd veilig en behaaglijk aan – maar allengs ga ik me ook voelen als een garnaal onder een steen aan de kustlijn. Ik word klein en degenereer tot de staat van een verre, amfibische voorouder.

Natuurlijk: de ‘rechte-lijnen-architectuur’ heeft een slechte reputatie. Door het snelle verval, vaak te wijten aan experimentele en ondoordachte materiaalkeuzes, maar tevens aan verwaarlozing of slordig gebruik, verloren modernistische gebouwen vaak hun glorie en veranderden ze in grauwe kolossen. Bovendien associëren we hen met de eentonigheid van het industriële stadslandschap, met de epigonenbouwkunst en met de haastklusbouw van de jaren vijftig en zestig. Daarbij komt dat we vaak alleen de grote lijnen waarnemen en niet de kleine details en subtiele proporties, die het grote gebaar compenseerden met een nuchtere huiselijkheid – iets waarin de evenwichtskunstenaars onder de architecten uitblonken.

Gelukkig zijn veel juwelen van bouwkunst inmiddels aan een tweede leven begonnen. Wie zich aan hun lijnenspel overgeeft, weet zich in zijn element. Maar ze zijn meer dan een aan ons geschonken omgeving, waarbinnen we ons vrij bewegen. Ze zijn tegelijk onze expressie, ons visitekaartje: ze zijn onze trotse bijdrage aan de ordening van een wereld, die anders ‘leeg en vormeloos’ zou zijn.

Een omgeving die ons uitnodigt onze rug te rechten en onze blik op te heffen

Een omgeving die ons uitnodigt onze rug te rechten en onze blik op te heffen

Kunnen we het stellen zonder de goden?

“Was unsterblich im Gesang soll leben, muss im Leben untergehn.”

Er was een tijd waarin goden en mensen in elkaar verstrengeld lagen en elkaar spelend gouden ballen toewierpen. Dit is althans de paradijselijke toestand, die de romanticus in ons projecteert op een ver verleden. Hij schildert deze zondoorschenen, onbekommerde idylle tegen de donkere achtergrond van ons beter weten. Want we weten dat onze wereld nu eenmaal is ontluisterd. De goden hebben zich eens en voor altijd eruit teruggetrokken.

Er is geen tijd die dit trauma van de ontstentenis der goden pijnlijker en scherper heeft doorleefd, verwoord en verbeeld dan de romantiek. En wij zijn nog steeds de erfgenamen van dit tijdperk. Niet dat het wanhopige besef eerst in de negentiende eeuw doordrong tot de mensheid, laat staan toen pas ontstond. Wij mensen zijn van huis uit niet op ons achterhoofd gevallen. Zelfs in de meest naïeve mythologieën van de oudheid schemert het trauma door. De rouw over onze ontworteling, over de onherroepelijke teloorgang van de symbiose met de goden: het zit in de genen van de homo sapiens, de wetende mens, wiens oerouder niet van die ene boom kon afblijven. Staan blijft dat de romantiek het heimwee klassiek heeft verwoord.

Friedrich Schiller (1759-1805)

Friedrich Schiller (1759-1805)

Zeer treffend is dit gebeurd in een gedicht van Friedrich Schiller, getiteld Die Götter Griechenlands (1788/1800)*. Met ironie en weemoed (de tweelingmuzen van iedere romanticus) beschrijft Schiller de schrijnende ontvlechting van de goden- en de mensenwereld en het treurige afscheid der goden van het wereldtoneel. De goden hebben op dit toneel plaats gemaakt voor de nurkse, ontoegankelijke god van de bijbel, die de mensen op afstand houdt en zich verschanst achter de deuren van zijn geheime vertrekken.

Deze god heeft op zijn beurt zijn eigen graf gegraven en de definitieve Götterdämmerung onherroepelijk over zichzelf afgeroepen. Als God vindt dat de wereld haar eigen boontjes moet en kan doppen: dan doet ze dat ook en wel voor honderd procent. “Niet meer lopend aan zijn leiband, vindt ze haar houvast in haar zwevende toestand”, zegt Schiller onnavolgbaar paradoxaal. Het pijnlijke losmakingsproces leidde niet tot ontwrichting, maar tot een gelaten zelfredzaamheid.

De pijn van de leegte blijft. Ons rest slechts een uitgeholde taal. Ons blijven slechts relieken en souvenirs, vage sporen en moeilijk te ontcijferen codes. Slechts het gemis herinnert nog aan de oorspronkelijke wederkerige en gelijkwaardige band met de goden. “Alleen in de sprookjeswereld van liederen is nog een spoortje hemelstof te bespeuren”, aldus de dichter.

***

Wanhoopspogingen om de voorgoed opgeblazen bruggen te herbouwen: ze waren sindsdien aan de orde van de dag. In de negentiende eeuw deden wijsgeren en kunstenaars zelfs pogingen om buiten de (ooit gevestigde, maar nu ondermijnde) religie om hemelbestormende bouwwerken op te richten – soms op het lachwekkend megalomane af, zoals Richard Wagner. Soms bedienden ze zich daarbij nog van een selectie van elementen uit het katholicisme, waarin ogenschijnlijk de idylle voortleefde.

Niet alleen het trauma, maar ook deze wanhoopspogingen, deze hang om de idylle te reanimeren heeft onze tijd geërfd van de romantiek. Denken we maar aan het meewarig stemmende gebruik van het machteloze toverwoord ‘spiritualiteit’; aan de meer dan naïeve uitwassen van de esoterie die heel wil maken wat voorgoed is gebroken; aan de retrograde tendensen in de kerken en tenslotte – nuchterder en subtieler – aan de populariserende (en soms populistische) theologieën die in het ‘alledaagse’ (men bedoelt: ‘dagelijkse’) leven het contact met de goden proberen te herstellen.

***

Schiller blijft dubbelzinnig in zijn gedicht (dat ook nog eens twee versies kent). Roept hij op tot een heroïsche beaming van de ‘Götterdämmerung’ of appelleert hij aan de moed der hoop – tegen beter weten in? We moeten zelf kiezen. Ons levensbesef herkent zich waarschijnlijk het meest in de gedachte dat “alleen berusting in de godsverduistering” overblijft. We moeten het doen met een god die is gestript van alle romantische projecties. Sterker nog: elke verbeelding schiet tekort en “het schilderachtige kleed van onze woorden voegt zich niet meer naar de contouren van de waarheid”. Dit omhulsel is een lege huls en het “ontzielde woord” blijft over als een griezelig instabiel houvast.

Daar moeten we het mee doen. Het leven is nu eenmaal geen kinderspel. En volwassen geloven is een de kinderschoenen ontgroeid, een ontwend bestaan.

* Of Schiller nu wel of niet een romanticus was in de technische zin van het woord: zullen we het daar een andere keer over hebben?

De flirtende theoloog en de ernst van de mystiek – over twee nieuwe boekjes

Als theoloog moet ik me schamen. Ik meen namelijk beroepshalve, de waarheid in pacht te hebben. Althans: een veel geleerdere collega van mij, de heer Ruard Ganzevoort, veronderstelt dit. Anders begrijp ik niet het klemmend beroep dat hij doet op zijn gildebroeders en –zusters, om deze claim nu eindelijk eens op te geven. Dit deed hij in de publicitaire aanloop naar de verschijning van zijn pamflet Spelen met heilig vuur. Bovendien siert dit – de academische wereld op zijn grondslagen schudden latende – appel tot theologische boetedoening ook de voorkant van zijn boekje.

In eerste instantie irriteert mij deze modieuze aandachtskreet. Niet omdat ik het er op zich niet mee eens ben. Het is immers zo’n nietszeggende, tautologische uitspraak waarmee je het niet oneens kunt zijn. Natuurlijk heeft niemand het waarheidsmonopolie. De uitspraak zou ik bovendien nog enigszins serieus nemen, als ze tenminste zou worden gedekt door wijsgerige bespiegelingen over de vraag wat we bedoelen met het begrip waarheid.

Die ambitie heeft de oneliner echter niet. In de marketingcontext wil hij kennelijk slechts retorisch appelleren aan een relativistisch levensgevoel, volgens het welke alles even betekenisvol en waar is – en dat je tot spelbreker verklaart als je een appel doet op rationaliteit en argumenten in discussies. (Zo’n spelbreker ben ik overigens inderdaad: ik claim niet de waarheid te bezitten, maar wel degelijk pretendeer ik het vermogen en de opdracht te hebben, om haar in een redelijke dialoog te zoeken. Theologie wordt volgens mij gedreven door de passie voor de waarheid – een waarheid die zij niet bezit, maar die wel haar horizon is.)

Laten we overigens eerlijk zijn: reclametechnisch is het een vondst. Want als je wilt scoren bij de zwevende en zwervende iets-zoekers van ons tijdsgewricht, moet je vooral heel hard van de daken schreeuwen dat je zelf helemaal niet van de waarheid bent. Als je al het woord waarheid bezigt, dan is het in uitspraken als “Iedereen heeft haar of zijn eigen waarheid”. Vinden de mensen leuk. En van de mensen moet je het hebben, als je boekjes wilt verkopen.

***

Gelukkig is de inhoud van het vlot geschreven boekje een stuk genuanceerder dan de gemakzuchtige ondertitel doet vrezen – al presenteert het gedachten die inmiddels gemeengoed zijn onder de hoofdstroomtheologen in ons land. Ganzevoorts kritiek op de vermeende waarheidsfixatie komt niet voort uit relativisme, maar is de keerzijde van zijn opvatting dat de theologie – die ook altijd een praktische wetenschap is geweest – wel degelijk iets te zeggen heeft, namelijk op het gebied van ‘wijsheid’ en levenskunst. Niet opzienbarend, maar uiteraard terecht is verder Ganzevoorts pleidooi voor een relevante, ‘publieke theologie’, die de traditie in de richting van onze cultuur vertolkt (en vice versa). Ganzevoorts programma is een theologie die in dialoog gaat met de cultuur in al haar ‘pluriformiteit’ .

Daarbij is zij wel degelijk kritisch en oplettend. De theologie zegt niet blindelings ja en amen op ‘schadelijke visies en dwaze standpunten’, aldus Ganzevoort. Je kunt natuurlijk wel blijven twisten over de vraag wanneer deze grens wordt overschreden en de kritiek begint. In zijn voorbeelden – aan het eind van het boekje – is Ganzevoort wel erg rekkelijk en verklaart hij wel erg gemakkelijk uilen tot valken en zwaluwen tot zomerbrengers. Het is natuurlijk een kwestie van smaak, maar ik vraag me af of het getuigt van moed of juist van koketterie als je Hazes oproept als getuige van geloof en hoop. Natuurlijk stelt Ganzevoort kritische vragen bij het rijke ideeëngoed van Hazes – maar waarom begint hij dan überhaupt aan deze theologische flirt? Er ligt zoveel meer en zoveel mooiers en diepers voor het oprapen in onze cultuur.

***

Ganzevoort brengt begrippen en beelden uit de traditie naar de oppervlakte van onze (pop-)cultuur. Dat er ook een andere beweging nodig en mogelijk is, laat een boekje zien dat een week eerder het licht zag. Het verhoudt zich complementair tot het pamflet van Ganzevoort. Twee vrijzinnige predikanten publiceerden hierin samen het resultaat van een theologische gedachtewisseling onder de titel Voetangels en klemtonen.

Waar Ganzevoort begrippen en beelden uit de traditie naar de oppervlakte brengt, proberen Siebrand en Hiemstra ze juist uit te diepen en zodoende uit te komen bij de radicale, explosieve, mystieke laag ervan – een laag waarin bijvoorbeeld kostbare fossielen als overgave en roeping opgeslagen liggen. Ook zij willen de theologie in dialoog brengen met het veelvormige leven in onze cultuur en ook zij zoeken naar de wijsheid en de kunst om te leven – maar ze gaan het verontrustende, de ernst en de pijngrens van de mystiek niet uit de weg. In het spoor van de echte mystieke traditie van Wittgenstein, Levinas en Weil bonzen ze tegen de poorten van het dogma en klimmen zij op tegen de klippen van de taal. Ze dringen door tot de gloeiende aardkern van onze cultuur en ‘spelen’ pas echt met ‘heilig vuur’.

***

Ganzevoort, R. Spelen met heilig vuur. Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven. Ten Have 2013.

Siebrand, H. en Y. Hiemstra, Voetangels & Klemtonen. A word that breathes distinctly has not the power to die. Uitgeverij Pagina 3 – 2013.

Eer de antiheld in jezelf.

Er zijn boeken, zinnen en woorden die pretenderen een magische kracht te bezitten: het vermogen om ons leven eens en voor altijd ten goede te veranderen. Op zich kan ik daar niets tegen inbrengen. Als rechtgeaard theoloog geloof ik immers – voor zover je als theoloog überhaupt in iets kunt blijven geloven – in de effectiviteit van het woord.

Wat is er dus tegen die levenshulpboeken, die beloven dat er een pot goud te wachten staat, als je bent aangekomen op de laatste bladzijde? Welk bezwaar kan ik maken tegen titels als ‘spirituele oplossingen’ en tegen boeken die zichzelf aanprijzen met de kreet: ‘Dit wordt jouw jaar’? Wat is er mis met leuzen als ‘opgeven is geen optie’ en ‘geluk is een keuze’? Zo’n spreuk opzeggen bij het opstaan is in elk geval goedkoper en minder verslavend dan het slikken van pillen.

En toch voel ik onder de twintig matrassen van het geruststellende goeroegeronk de hardnekkig prikkende erwt van een onbehagen. Ik geef natuurlijk ook de voorkeur aan een opgewekte en optimistische levensinstelling boven klaaggedrag en achterdocht – maar ik zie ook de grenzen van die tot onszelf gerichte peptalk. Woorden hebben een zekere magie, ja zeker – maar we kunnen niet heksen.

Neem nou die uitspraak dat ‘vandaag de eerste dag van je leven’ is. Zo onbelast kunnen we ’s morgens niet opstaan. Het verleden scheldt ons niet alle schulden kwijt terwijl wij slapen en ons toekomstig lot ligt niet in onze handen alleen. Beslissingen van gisteren beperken onze speelruimte. Ons lichaam veroudert, of we het leuk vinden of niet. Bepaalde kwalen kennen maar één richting: vooruit. Wie ziet hoe zijn kinderen met hun leven spelen, houdt zijn hart vast terwijl hij hen moet loslaten. En een berg in Zuid-Frankrijk opfietsen onder het motto ‘opgeven is geen optie’ wekt – met alle respect – onze kankerdoden echt niet tot leven. Soms is opgeven de énige optie.

***

We leven blijkbaar graag in de waan dat we een onbeschreven blad kunnen zijn. We spiegelen ons aan blonde helden van het type Siegfried en Parsifal die – vanwege hun erfelijke onbelastheid en onbekommerde levenslust – al werden benijd door tobberige, décadence-kunstenaars als Richard Wagner en Thomas Mann. We zouden willen lijken op die levenskunstatleten die midden in het leven staan, badend in een weelde van kansen – terwijl de kneuzen aan de rand staan.

Laten we nu maar toegeven, dat we onherroepelijk meer dan eens aan de kant staan. Dat we zelf vaak genoeg antihelden zijn, verstrikt in het verleden en de tol betalend van onze toekomstzorgen. Als ik in de zomer een virtuele excursie naar Bayreuth maak en van CD de Ring des Nibelungen beluister, vereenzelvig ik me daarom graag met de erfelijk belaste Wotan met zijn vuile handen – en niet met het oppervlakkige blondje Siegfried met zijn ‘genade van de late geboorte’ en met zijn diepgang van niks.

***

Onlangs werd mij overigens een nieuwe identificatiefiguur aangereikt, door een heruitgave van Der arme Verschwender van Ernst Weiss (1936). Het is zo’n melancholiek boek dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de ondergang van het Habsburgse rijk. De hoofdpersoon is een antiheld, die zich laat leiden door goede bedoelingen, liefde en andere nutteloze en irrationele motieven en gevoelens – en daardoor onomkeerbaar aan lagerwal raakt. Hij geeft gretig weg – hetgeen hem komt te staan op hoon van zijn berekenende familieleden. Hij knoeit met zijn leven.

Dat loopt natuurlijk slecht af. Maar in de laatste regels wordt de auteur even theologisch en zegt hij: ‘Misschien is God ook wel zo’n spilziek wezen?’ Ja, wie weet? ‘En zo heeft onze god zich ook gedragen,’ – om het met Oosterhuis te zeggen. En dat zegt wat. Misschien is een slordig en verkwistend leven uiteindelijk zaliger, dan een leven dat genadeloos en krampachtig alles uit zichzelf wil halen. We houden we de antihelden onder ons – en in ons – maar beter in ere.