Monthly Archives: mei 2013

Eerbiedig aanstootnemen – Over de gelijktijdigheid van oud en nieuw

Mij overvalt de laatste weken een milde melancholie. Die milde vorm die – om aan te geven dat we haar niet al te serieus moeten nemen – ook wel wordt aangeduid als nostalgie of – met een ironisch-kritische ondertoon – als sentimentaliteit. Het weer zal me wel parten hebben gespeeld. Dit dompelde de historische plekken waar ik verbleef in een doffe mineurstemming. Zo was ik op een druilerige dag in het aan lagerwal geraakte – en zich daar momenteel moeizaam uit begevende – stadje Spa. Op een winderige en bewolkte dag verkeerde ik in Amsterdam. En vandaag bezocht ik herfstig Den Haag. Terwijl ik door de beslagen ruiten van de bus de trots opgepoetste sporen van Hollands geschiedenis voorbij zag trekken, neuriede ik zachtjes mee met Conny Stuart: Wat voor weer zou het zijn in Den Haag?

Nu zoek ik de nostalgie graag op, als ik op reis ben of boeken lees. Daarbij heb ik de voorkeur voor complexe vorm van nostalgie. Dat is iets heel anders dan de directe weemoed die zich – om een voorbeeld te noemen – vermeit in plaatjesboeken over een kleurrijk rooms verleden of die zich – erger nog – koestert aan de voor eeuwig gedoofde haarden in museumboerderijen. Om bij dat laatste voorbeeld te blijven: deze heemkundige erfgoedreservaten met hun houten klompen, koperen ketels en gehaakte mutsen –  gedenkplaatsen die als druppels water op elkaar lijken, of ze nu in het uiterste noorden van Finland staan of in de Provence, in Brabant of in Twente – laten me volstrekt koud. Ze wekken vooral verveling bij me op of lacherigheid, alsook het voldane gevoel van opluchting over het feit, dat die slechte oude tijd voorbij is. Nog drukkender echter zijn plaatsen waar de vergane glorie haar intrek heeft genomen, zoals het genoemde Spa. Daar mag een nieuwe Visconti een remake maken van de Dood in Venetië – met op de achtergrond een veel te langzaam en drakerig uitgevoerd Adagietto van Mahler. Maar ik ben er snel weer weg.

Nee: de nostalgische plekken die mij aantrekken, zijn plaatsen die herinneren aan dynamiek en vernieuwing. De nalatenschap van de ontwerpers en architecten uit het begin van de twintigste eeuw bijvoorbeeld: ze verplaatst me naar een tijd dat beklemmende muren werden weggebroken. Als ik in het Haags Gemeentemuseum van Berlage rondwandel, in de Philipscomplexen in Eindhoven of in Peutz’ warenhuisgebouw in Heerlen: dan ben ik onmiddellijk getuige van het fier de geschiedenis binnentreden van iets, wat nu gemeengoed is geworden (en helaas in duizend afgezwakte vormen is gekopieerd). Ik adem bevrijdingslucht in. Nee, voor mij geen knipmutsenmusea en pannenkoekenhuisjesgezelligheid. Mijn element is een stad als Wenen – het creatieve Wenen, wel te verstaan, dat rond 1900 ontlook uit de Habsburgse dufheid.

Wat deze nostalgie enigszins pikant maakt, is de paradoxale gelijktijdigheid van oud en nieuw. Als ik het Gemeentemuseum bezoek; als ik een boek lees over de avant-garde van honderd jaar geleden of over de maatschappelijke en kerkelijke doorbraken in de jaren zestig; als ik luister naar Le Sacre du Printemps of de Altenberglieder: dan maak ik enerzijds een droomreis in de tijd, anderzijds kom ik terecht op een aangenaam rumoerige bouwplaats. Alleen al die paradox heeft iets betoverends. Ik zal niet de enige zijn, die het zo vergaat. Velen lezen immers momenteel ook met smaak Florian Illies’ boek 1913.

De nostalgie van de gelijktijdigheid van oud en nieuw: ze is niet vrijblijvend. Het ontzag voor de nieuwheid van weleer mag zich niet beperken tot musealisering – al doen conservatoren dit gretig en, vanuit hun rol gezien, terecht. De avant-garde van ooit appelleert echter ook en vooral aan openheid voor het vernieuwende in mijn heden. Zo mag de ‘badkuip’ van het Stedelijk Museum het Museumplein ‘ontsieren’ als een op het trottoir geparkeerde auto: ik  wil hem ook zien als een nieuw ontdekte zwerfkei in het stedelijk landschap. Daar wil ik niet omheen. Ik neem er eerbiedig aanstoot aan.

O ja, voordat u daarover begint: ik vind gotische kathedralen ook geweldig en Vermeer nog steeds de beste schilder aller tijden. Maar dat is een ander verhaal. Of toch niet?

 

In Peutz’ warenhuisgebouw – een monument van innovatie – spiegelt zich de middeleeuwse kerktoren, stilistisch niet eens zo ver verwijderd.

In Peutz’ warenhuisgebouw – een monument van innovatie – spiegelt zich de middeleeuwse kerktoren, stilistisch niet eens zo ver verwijderd.

haags-gemeentemuseum-ii

Berlage laat je ademen. Wat je inademt, is pure vrijheid.

Gietijzeren vergane glorie in de badplaats Spa, weerspiegeld in de plassen die de meiregen achterliet.

Gietijzeren vergane glorie in de badplaats Spa, weerspiegeld in de plassen die de meiregen achterliet.

In Eindhoven kijkt opa Cuypers in de spiegel van 'jeugdhonk' Dynamo. Retrostijl versus een erfgenaam van de vernieuwende architectuur.

In Eindhoven kijkt opa Cuypers in de spiegel van ‘jeugdhonk’ Dynamo. Retrostijl versus een erfgenaam van de vernieuwende architectuur.

De gehospitaliseerde samenleving

Als ik het talent had om een boek te schrijven, dan zou ik een ‘remake’ maken van De Toverberg van Thomas Mann, die roman waarvan honderd jaar geleden de eerste letter op papier werd gezet. Is er iets ‘actueler’ dan het ontwortelde bestaan van de personages uit dit boek, die door het leven schuifelen als een schaduw van zichzelf? Is er iets herkenbaarder dan dit leven in een schemergebied? Deze herkenning is huiveringwekkend. In zijn boek doet Mann observaties, die hij heden ten dage ook zou hebben kunnen doen.

Natuurlijk: het eerste oogmerk van Mann bestond erin, een mythologisch verhaal te schrijven, een ‘metafysische’ vertelling, om zijn eigen woorden te gebruiken. Het feit dat zijn boek daarnaast ook een tijdsbeeld oproept, staat op de tweede plaats – maar helemaal toevallig is het cultureel-realistische aspect niet. De schrijver had een scherp zintuig voor de sluimerende tendensen van zijn tijd. Hij had zijn ogen niet in zak. Zo kwam – overigens niet alleen in De Toverberg – ook de tijdsdiagnose terecht in het boek, als één van de vele dimensies ervan.

Zonder al te expliciete verbanden te willen leggen, beschrijf ik enkele waarnemingen van de schrijver, in de overtuiging dat u de verbluffende parallellen met onze cultuur vanzelf opmerkt. De roman wordt bijvoorbeeld bevolkt door mensen die elke verantwoordelijkheid uit de weg gaan. Zij grijpen elk voorwendsel aan, om zich niet te hoeven vermoeien met de structurering van hun eigen bestaan. Elke smoes is welkom om zich niet te hoeven bemoeien met de constructie van de samenleving. De meeste personages zwelgen in de roes van een vormeloos, tijdloos vegeteren, zich overgevend aan slapen, eten, drinken en banaal tijdverdrijf. Het meest nog genieten zij ervan, naar hun eigen navel te staren. Maar al te graag cultiveren zij hun – al dan niet voorgewende – ziekte. Het ziek zijn vormt hun identiteit. Het is de legitimatie voor hun egocentrisme. Het vormt een morbide adeldom, die hen ontheft van de burgerlijke verplichtingen. De meerderheid van de personages van De Toverberg leeft zodoende boven de maatschappelijke boomgrens, in de ijle lucht van een bestaan dat tot niets verplicht en vervliegt in zinloosheid.

Het verhaal van De Toverberg speelt zich af in een milieu, waarmee Mann dit Hades-achtige bestaan het beste dacht te kunnen evoceren: het sanatorium Berghof. Hier gelden wetten en regels die – paradoxaal genoeg – de structuurloosheid versterken. Met name de dagorde draagt hieraan bij. Het is een quasi-orde die leidt tot verslapping en tot de vervaging van grenzen. Ze veroorzaakt zelfs de regressie van sommige personages, die als kinderen ongearticuleerd gaan spreken. Al met al is het sanatorium een toonbeeld van hospitalisering.

Als de hoogmoed zich van mij meester zou maken en mij ertoe zou verleiden, een hedendaagse versie van De Toverberg te gaan schrijven, zou ik het verhaal zich laten afspelen in de vertrekhal van een luchthaven, waar een eeuwigdurende vertraging van alle vluchten is ingetreden. Ook zo’n hal is een kunstmatig milieu waar de grenzen van tijd en ruimte op een duizelingwekkende en desoriënterende manier vervagen, ja: wegvallen. Het noodgedwongen wachten; het hierbij overgeleverd zijn aan de ondoorgrondelijke grillen van verkeersleiders en opstellers van vluchtschema’s; de dodelijke verveling; het uit verveling en ongeacht het tijdstip gaan slapen, shoppen, eten en drinken; het zinneloos en zinloos kopen van te dure spullen: al deze kenmerken maken een luchthaven tot een schimmenrijk zonder weerga – en tot een metafoor van onze verwende en verslapte, passieve en lascieve cultuur.

Misschien schiet ik wat door, niet alleen in mijn literaire interpretatie (die overigens allesbehalve uitputtend pretendeert te zijn), maar ook in mijn suggestieve decadentietheorie. Wellicht kan ik echter enige welwillendheid opwekken als ik zeg, dat ik deze diagnose stel als kind van mijn tijd. Het is plaatsvervangende zelfkritiek, een representatieve zelfdiagnose. Ook aan mij is de maatschappelijke hospitalisering niet voorbij gegaan.

Nu ik dit zeg, realiseer ik me terstond, dat mijn woordkeuze en formulering op hun beurt symptomatisch zijn voor het geobserveerde euvel. Als er iets kenmerkend is voor onze gehospitaliseerde samenleving, is het wel de neiging om jezelf als ‘kind’ ervan te zien – en niet als medeverantwoordelijke vormgever. De neiging om het aan de kaak gestelde euvel als een te ‘diagnosticeren’ ziektebeeld te beschrijven – en niet als weloverwogen keuze en gedrag – hoort daarbij.

Het adequate antwoord op het euvel is geen diagnose en therapie, maar opvoeding,  zelfopvoeding wel te verstaan. Daarom koos Mann destijds zelf dan ook voor het genre van de Bildungsroman – zij het dat hij dit ironisch parodieerde.  Het antwoord op onze cultuur van vormeloosheid is: jezelf vormen. En dan uiteraard niet in de narcistische zin van ‘werken aan jezelf’, doch als het aanspannen van je mentale spierweefsel, het maken van de juiste keuzes en het handelen daarnaar.  Onder andere daarover gaat De Toverberg. Daarover gaat het hele oeuvre van Thomas Mann. Daarover ging zijn leven. Dat maakt hem klassiek. En dat is meer dan ‘actueel’ natuurlijk. Het is verontrustend en confronterend.

Werken

Het viel me dit jaar voor het eerst op. Het was voor mij een nieuw woord: ‘hemelvaartweekend’.  Ik moest er even over nadenken. Dat Pasen en Pinksteren, door het feit dat ze op zondag vallen en doordat ‘s Rijks overheid er, bij wijze van een beleefde seculiere buiging voor het religieuze feest, een vrije maandag aan heeft toegevoegd – dat deze christelijke feesten dus het hele weekend, de zaterdag incluis, omdopen tot het paas- respectievelijk het pinksterweekend: die gedachte kan ik nog volgen. Aan het idee dat een verplicht-vrije christelijke donderdag, via een vrijwillige snippervrijdag aan de zaterdag gekoppeld, het hele weekend in zijn ban trekt: aan dat denkbeeld moet ik nog even wennen.

Bij nader inzien is het uiteraard logisch. Wie maakt er, dankbaar gebruik makend van die vrije donderdag, niet graag een ‘lang weekend’ van? En als we dat lange weekend dan te danken hebben aan de gedachtenis van ’s Heren Hemelvaart: allez, dan noemen we het toch ‘Hemelvaartsweekend’? Ere wie ere toekomt.

Ik hoorde inmiddels ook al het woord ‘hemelvaartvakantie’. Waarom niet? Je moet al die vakanties die werkend Nederland rijk is toch namen geven, om ze überhaupt nog uit elkaar te kunnen houden. Het zijn er nogal wat. We werken immers allemaal heel hard – voor zover we geluk hebben om een baan te hebben. Daarom verdienen we die vakanties dubbel en dwars.

Dat doen we paradoxaal genoeg vooral – dat harde werken – om onze ‘workload’ maar op tijd weggewerkt te krijgen vóór de eerstvolgende vakantie en om met een ‘schoon bureau’ en een ‘opgeruimd gevoel’ aan de zoveelste tussendoorvakantie te kunnen beginnen. Deze aandrang wordt nog opgedreven door collega’s in ons netwerk, die ons opjagen omdat ze vóór hun vakantie de zaken geregeld willen hebben.

Waar we ook van moeten bijkomen in onze kerst-, crocus-, paas-, koninginnedag-, bevrijdingsdag-, hemelvaart-, pinkster-, zomer- en herfstvakantie: dat zijn al die ontmoedigende en frustrerende out-of-office-berichten van onze netwerkcollega’s, die reeds enkele dagen voordat onze vakantie begint de hunne konden laten ingaan, omdat hun overuren moesten worden gecompenseerd. (Geef hun eens ongelijk.) En dan is er ook nog eens dat leeftijdsgebonden verlof, dat de babyboomers met een geuzenmengsel van trots en gekwetstheid ‘oudelullenuren’ noemen. Ook die uren moeten op. (Ze verzilveren voor de werkgelegenheid van jongeren is blijkbaar nog niet zo’n serieuze optie.) Het gevolg is dat werkend Nederland voor de helft continu onbereikbaar is.

Kortom: de vakantie is voor ons ons, eeuwig-kind-blijvende westerlingen, het nieuwe idool dat ons enerzijds tot ijver aanzet en ons anderzijds met zichzelf beloont voor die ijver. Als het vakantiecircus geen tredmolen is: een paradoxale mallemolen is het wel.

Maar goed. Daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde u een smakelijk verhaal vertellen over de reis die ik maakte op Hemelvaart. Dat zou echter toch maar tegenvallen. Hoewel het hoogfeest van Hemelvaart alleen al door zijn naam een associatief ingestelde ziel kan verleiden tot hemelbestormende avonturen en verre reizen, kwam ik dit jaar niet verder dan een uitstapje naar Tilburg. Ik geef toe, dat ik jaloers was op degenen die een reis hadden geboekt naar een mediterrane cultuurstad of een ruig Waddeneiland. Misschien ligt deze nijd ten grondslag aan de verongelijkte ondertoon in het voorafgaande.

Maar wat u op uw beurt niet heeft meegemaakt, is een bezoek aan het atelier van mijn schoonbroer de bronsgieter. (Hopelijk ontgaat de verstopte alliteratie u niet.) Niko de Wit (zo heet hij) maakt verbazingwekkende werken, die even kloek zijn als speels. Het ontstaansproces van zijn objecten is een zaak van noeste mentale en lichamelijke arbeid – vanaf de dialoog met de opdrachtgever tot en met het afwerken van de ruige bronzen huid. Tegelijk is het een weg waarop het lot mag spelen met de ideeën, concepten en ontwerpen van de artiest. Soms zet bijvoorbeeld iemand bij toeval een nagenoeg voltooid kunstwerk van De Wit letterlijk op zijn kop. Daardoor ontstaat er een verrassend nieuw perspectief, waarop de kunstenaar dan voortborduurt.

Zo werkt Niko de Wit. Wat betreft inzet en energie werkt hij toegewijd, geconcentreerd en ijverig, gedreven en gedrild door een ouderwets, ongrachtengordeliaans arbeidsethos. Wat betreft creativiteit is hij één en al overgave aan de grillen van de muzen. Die combinatie van hard werken en vervoering mag ik wel bij een kunstenaar. Het zijn de echte, dat soort kunstenaars. En een voorbeeld voor de Werkende Mens tout court.

Ach, het zijn mijn woorden. En het zijn – als woorden – bleke schimmen naast de overweldigend-vertederende realiteit van De Wits werk. Kijkt u zelf maar even op www.nikodewit.nl.

Er is maar één Tweede Wereldoorlog. Over herdenken en vieren op vier en vijf mei

Welke doden herdenken we op Vier Mei en welke vrijheid vieren we op Vijf Mei? Het zijn vragen in een inmiddels rituele discussie. In deze discussie neig ik ertoe, om de herdenking en de viering strikt op te vatten. Met anderen meen ik dat er genoeg minuten en dagen over te zijn, om de ‘andere doden’ te herdenken. Met diezelfde anderen meen ik, dat we de dodenherdenking niet moeten uitbreiden met een verzoeningsgebaar door langs Duitse oorlogsgraven te lopen. Ik hoor ook tot degenen die de bevrijding als unieke historische gebeurtenis niet wensen te abstraheren tot vrijheid in het algemeen als ‘een groot goed’.

Een voor de hand liggend, vaak te berde gebracht en pragmatisch argument voor deze restrictieve opvatting luidt, dat er nog vertegenwoordigers leven van een generatie slachtoffers, militairen en verzetsstrijders, voor wie ‘het gevoelig ligt’. Het ligt voor mij echter principiëler en complexer. Er gaat m.i. iets wezenlijks verloren als we herdenken en vieren ontdoen van hun concrete historische samenhang. Dat lijkt me ook onmogelijk: we kunnen gewoonweg niet afzien van ons specifieke nationale en historische perspectief, als we stilstaan bij slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (inclusief de Nazi-terreur) en bij de zuur en duur bevochten en geschonken vrijheid. Wij mensen zijn nu eenmaal historische wezens, die leven in concrete tijdelijke, ruimtelijke en sociale verbanden – om het in wijsgerige zin wat ongelukkig uit te drukken.

Ik kan echter beter bij mijn eigen stiel, de theologie, blijven. Welnu: rituelen, of ze nu religieus zijn of seculier, hebben weliswaar iets tijdloos in hun wederkerende karakter. Ze zijn echter altijd terug te voeren op een eenmalige historische gebeurtenis, een gebeurtenis die niet neutraal was en die daarom tot op heden partijdigheid en stellingname afdwingt – of we het leuk vinden of niet. Toegepast op Vier en Vijf Mei betekent dit, dat we een concrete periode van onderdrukking en strijd herdenken – níet de schending van mensenrechten of de verstoring van internationale relaties – en dat we een nauwkeurig te dateren bevrijding dáárvan en dááruit vieren – níet een abstractum als vrijheid.

Maar we moeten toch ook jonge generaties betrekken bij het herdenken en vieren? Generaties waarvoor de Tweede Wereldoorlog achter de horizon lijkt te zijn verdwenen? Moeten we de reikwijdte van Vier en Vijf Mei omwille van hen niet actualiseren en oprekken? Dit is echter een louter pragmatische vraagstelling, die als zodanig geen recht doet aan de diepte van de kwestie. Bovendien is het maar de vraag, of het klopt. Dankzij Vier en Vijf Mei blijft de Tweede Wereldoorlog juist binnen ieders horizon liggen. De betekenis van rituelen bestaat er immers juist in, dat ze herinneringen levend houden aan specifieke gebeurtenissen die ver voor onze geboorte hebben plaatsgevonden. Door de herdenking en de viering te abstraheren van een concrete historische periode, veroorzaken of versterken we dus juist het probleem, dat we ermee willen oplossen*.

Voor mij blijven Vier en Vijf Mei onlosmakelijk verbonden met deze ene Tweede Wereldoorlog. Zoals gezegd heeft het jaar nog genoeg minuten over, om stil te kunnen staan bij andere vormen van onderdrukking en dood-en-verderf-zaaierij. Zo blijven er ook nog driehondervierenzestig dagen over voor het vieren van andere bevrijdingen.

Hebben we bijvoorbeeld niet zeer onlangs, toen de pas aangetreden koning zich moest melden bij de Staten Generaal en trouw moest zweren aan de Grondwet, ‘gevierd’ dat onze monarch door Thorbecke succesvol is ingekapseld in een representatieve democratie? Was die inhuldiging niet alles behalve een kroning of troonsbestijging, doch vooral een voetval van de koning voor de grondwet en de parlementaire democratie? Zelfs een prille republikein als ik beleefde op dat moment een vlaagje vrijheidseuforie. Maar laat ik geen zijwegen inslaan. U kunt dit voorbeeld zelf wel aanvullen met al die andere ‘dagen van’, al die dagen waarop we stilstaan bij slavernij, vrouwenonderdrukking, racisme, homohaat et cetera – en bij de bevrijding daaruit en daarvan. – En los van dit alles: om in vrede en vriendschap te leven met de Duitsers heb ik geen verzoeningsgebaar op Vier Mei nodig. Ik heb ze allang in mijn hart gesloten.

Er is maar één oorlog die Tweede Wereldoorlog heet. Er is maar één zwarte bladzijde in de geschiedenis, die we Derde Rijk noemen. Daarvan ben ik op Vier Mei namens velen en mezelf gedurende twee minuten hartgrondig beduusd. Meer kan ik dan niet aan. En op Vijf Mei slaak ik met en namens velen een zucht van verlichting dat het voorbij is – met de bittere nasmaak in mijn mond, die er wel altijd bij zal blijven horen.

* Uiteraard hoor ik de ‘verruimers’ al vaststellen, dat de officiële dodenherdenking op vier mei op dit moment reeds iets ambivalents heeft, voor zover ook de gevallenen van andere conflicten worden herdacht. Ook daarbij heb ik echter mijn bedenkingen.