Monthly Archives: april 2013

Hoezo elitair?

Mijn ouders kwamen uit een eenvoudig net-geen-arbeidersmilieu. Mijn vader (1926-2008) was de zoon van een rangeerder bij de spoorwegen, mijn moeder (1933-2009) de dochter van een lage bankbediende. Hun moeders waren eindjes aan elkaar knopende huisvrouwen. Mijn ouders waren laag opgeleid. Zodra hun leerplichtige levensfase was verstreken, waren ze van school geplukt om laag gekwalificeerd werk te gaan doen: mijn vader als jongste bediende bij een fotograaf, mijn moeder als hoedenmaakster. In 1958 trouwden ze. Vanaf dat moment legde mijn vader een trage loopbaan af op een kantoor, terwijl mijn moeder het huishouden deed – met liefde maar ook met onvervulde verlangens en onbenutte ontplooiingskansen.

Deze ouders lieten hun zonen naar een goede school gaan – en die school ook afmaken. Mijn broer en ik zouden en moesten meer kansen hebben. Uiteraard konden mijn vader en moeder niet alles volgen wat ik op de middelbare school leerde. Maar ze waren trots op mijn zevens en achten (en die ene enkele negen). Het enige leeradvies van mijn moeder luidde: ‘Als je je taal maar goed leert!’ Goed Nederlands leren: dat was het belangrijkste. Van mijn vader leerde ik één ding: houden van klassieke muziek. In zijn spaarzame vrije tijd was een handjevol grammofoonplaten zijn grootste troost. Zo had ook het bezoek aan betaalbare matineeconcerten zijn jonge jaren van een gouden randje voorzien.

Van deze eenvoudige mensen leerde ik waardering opbrengen voor immateriële dingen als beschaving en schoonheid. En al kostte het me – en kost het me nog steeds – moeite om boeken te lezen en al stelt het luisteren naar een Brucknersymfonie mijn zitvlees vaak op de proef: ik heb het aan mijn ouders te danken dat ik het soms moeizaam veroverde esthetische genot apprecieer – alsmede dat ik er inspanning voor over heb. Ik laat me er niet op voorstaan dat ik muziek en literatuur op waarde schat. Integendeel: ik wijd me juist in nederigheid en volharding aan de schoonheid en buig met respect voor datgene in de kunst wat groter is dan ik.

De maatstaven en de canon van beschaving die ik hanteer – en die ik dus uiteindelijk te danken heb aan een eenvoudige vrouw en een eenvoudige man uit een laag-burgerlijk Limburgs milieu – maken me soms wat onverdraagzaam jegens gemakzuchtige en slordige populaire cultuuruitingen. Ik kan dan wat snobistisch uit de hoek komen. Dat spijt me dan. Maar noem me [censored] niet elitair!  Ik ben geen lid van een geheim genootschap. Beschaving en smaak zijn niet verboden en voor iedereen bereikbaar.

Als men dat E-woord dan toch per se wil gebruiken: ‘elitair’ betekent ‘behorend tot de machtige en rijke minderheid van een samenleving’. Daarmee is dit woord toch vooral van toepassing op diegenen die zichzelf financieel en qua status verrijken aan en ten koste van de massa, door aan haar stenen voor brood te verkopen. Elitair: dat zijn ook diegenen die zich nu opwerpen als beschermers van de menigte tegen wat zij de elite noemen – en die moord en brand schreeuwen nu het niet met name te noemen lied van John E. mikpunt van kritiek is. Ja, er is zo iets als een populistische elite.

Twee mensen, die tot de ‘massa’ behoorden, zouden van ‘het lied’ in kwestie hebben gegruwd: mijn vader die, zonder enige muzikale scholing te hebben genoten, intuïtief de dieptelagen ontwaarde in een Beethovensymfonie en die zich stierlijk verveelde bij het horen van muzikale clichés – en mijn moeder, die mij bij herhaling bezwoer om toch vooral correct Nederlands te spreken en te schrijven. Namens hen schaam ik me diep, dat straks op 30 april Nederland zichzelf in zijn hemd zet.

Daar is niks elitairs aan. Het is het superego, dat mij met de paplepel is ingegeven door twee sappelende mensen in een sociale huurwoning in Heerlen, die van nature aanvoelden wat beschaving was en smaak. Het is gewoon het gevolg van een fatsoenlijke, burgerlijke opvoeding in een normaal Nederlands gezin.

Het Woonwagenkampwilhelmus aka Koningslied

Het lang gevreesde Koningslied was er dan eindelijk, afgelopen vrijdag. En het was meteen prijsschieten, want de ge-crowdsource-te creatie overtrof alle verwachtingen. De criticasters hadden overigens al wekenlang kunnen warmlopen, want de vooruitzichten waren somber. Nu konden ze zich dan uitleven in de media en kreeg dat arme Koningslied het zwaar te verduren – zo zwaar dat het zelfs volgens sommige critici niet meer leuk was. Van de weeromstuit kwamen de sympathisanten van het Woonwagenkampwilhelmus in geweer. Zo erg is het toch niet? – brachten ze bedremmeld in.

Zoals te verwachten was, bedient het kamp van de verdedigers zich van een bekende retorische formule. Er is, zo wordt door deze en gene toegegeven, natuurlijk wel één en ander af te dingen op het lied qua muzikaal en literair niveau. Maar gedragen de critici zich ook niet een beetje als snobs en betweters? Het lied vertegenwoordigt toch maar mooi een BLG (Breed Levend Gevoel). Het verwoordt – soit, op taalkundig ondermaatse wijze – gezamenlijke waarden en idealen. Het lied is toch maar mooi in staat de Nederlanders te enthousiasmeren en – ja hoor, daar is het B-woord weer – te ‘binden’. Kortom: het gaat toch om de ‘inhoud’ en de bevlogenheid die schuil gaat achter de al dan niet gebrekkige ‘vormen’? Aldus menige beschermer van de jongste toevoeging aan ons erfgoed.

Nu is deze manier van denken mij enigszins vertrouwd. Het platonische, hiërarchische dualisme van inhoud en vorm wordt in de theologische subcultuur als schering en inslag te berde gebracht. Omwille van de ‘inhoud’ is men daar bereid heel ver te gaan met concessies op het gebied van de ‘vorm’. Zolang de boodschap maar overkomt en zolang mensen maar worden geraakt en bewogen is op esthetisch gebied veel, ja alles geoorloofd.

Ik kan niet echt vrede, laat staan vriendschap sluiten met deze wijze van denken. Afgezien van het volgens mij onhoudbare onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vorm’ – alsof vormschoonheid geen inhoudelijke waarde is en alsof we inhouden kunnen lospellen uit vormen, om maar wat te noemen – vind ik dat het Ware, Goede en Schone congruent met elkaar moeten zijn. Ik zal niet ontkennen dat verheven gedachten en edele daden geregeld weliswaar klassiek, maar niettemin onhandig worden uitgedrukt. En omgekeerd geef ik toe dat er sublieme kunstwerken zijn vervaardigd door artiesten met een verwerpelijke levenswandel en onnozele denkbeelden. Niettemin vind ik dat we ernaar moeten streven dat het goede en het ware (de ‘inhoud’, zo u wil) gepaard gaan met het schone (de ‘vorm’).

Ik ben bereid om met u te discussiëren over de eigen merites van de popcultuur. En het literaire en muzikale genre, dat men heeft gekozen voor het Koningslied, heeft zijn eigen bestaansrecht. Over smaak kun je zakelijk van mening verschillen en debatteren. Maar laten we dan ook discussiëren aan de hand van serieuze argumenten – en vooral ook op een toon waaruit engagement blijkt en die ervan getuigt dat ons ergens iets aan gelegen is. Het verontrustende is echter, dat de pleitbezorgers van het klatergouden koningsdeuntje hun schouders ophalen en onverschillig reageren op de kritiek. Als aperte taalfouten, plagiaat en platvloersheid aan de kaak worden gesteld, stellen zij er een ‘moet-kunnen’-tolerantie en een ‘doe-niet-zo-moeilijk’-retoriek tegenover

Eigenlijk kan kwaliteit hun dus niet zo veel schelen. Dat vind ik erger dan het bedroevende niveau van het K-lied zelf. Dit soort onverschilligheid is beneden onze waardigheid. We doen daarmee onszelf tekort.

***

Postscriptum

In de late avond van zaterdag 20 april werd bekend dat de maker van het ‘Koningslied’ zijn creatie terugtrok, omdat hij de druk van de kritiek niet aankon. Voor zover er sprake was van pesterij via de (social) media vind ik dat natuurlijk kwalijk. Daarvan distantieer ik mij. De goede verstaanders zullen zien dat de pointe van het bovenstaande niet in een rechtstreekse en onzakelijke kritiek op Ewbank ligt. EC.

Get a life!

Franse homo’s, lesbo’s en andere rare snuiters mogen trouwen. Hoera. Tot zover mijn juichkreet.

Nu kan me dat hele ‘homohuwelijk’ als zodanig eigenlijk niet veel schelen. Ik zal zelf van deze mogelijkheid, die in Nederland al lang bestaat, waarschijnlijk nooit gebruik maken. Als je het twintig jaar lang met elkaar hebt volgehouden en er iets prachtigs van hebt gemaakt, kun je de volgende veertig ook wel aan zonder die visvergunning van de burgerlijke stand. Bovendien vind ik de hele rituele vormgeving van het huwelijk maar een popperige bedoening.

Waarom maak ik me dan zo druk over de openstelling van het huwelijk voor gelijkgeslachtelijke paren? Waarom mijn woede tegen de ‘weigerambtenaar’? Vanwaar mijn juichkreet als de Franse senaat het ‘homohuwelijk’ goedkeurt? Die kritische vraag zal de lezer van mijn tweets en mijn weblog stellen. Begrijpelijk. Houdt dit ‘luxeprobleem’ me immers niet bezig op het obsessieve af?

Het gaat me echter ook niet om dat ‘homohuwelijk’ op zich. Mijn probleem is dat mensen, die zelf nooit gebruik zullen maken van het ‘homohuwelijk’ en er evenmin ooit last van zullen hebben, er zo’n punt van maken en voluit op het orgel gaan in het protest ertegen. Ze gaan er zelfs voor de straat op, zoals in Frankrijk. Of ze wentelen zich in larmoyant, nichterig slachtoffergedrag, zoals de ‘weigerambtenaren’ en hun fans ten onzent, zodra van hen wordt gevraagd om gewoon sportief mee te doen met de uitvoering van de wet.

Mijn inhoudelijke bedenkingen bij de inzet van de categorie ‘gewetensbezwaar’ in deze samenhang heb ik al eens uiteengezet in een opiniebijdrage in VolZin (op deze site te vinden onder de knop Opinie). De emotionele energie die de atavistische verzetsstrijders in Frankrijk de straat op drijft, roept weer andere bedenkingen op. Wat er bij mij niet ingaat is, dat mensen zo veel moeite doen om iets tegen te houden, waarvan ze zelf, zoals gezegd, nooit last zullen hebben. Door het recht op het burgerlijk huwelijk aan een nieuwe categorie mensen te geven, wordt anderen immers niet iets afgepakt. Er is geen sprake van een onrechtvaardige verdeling, laat staan van een onderbedeling van een bepaalde groep. Er is alleen sprake van een uitbreiding van het goed, dat wordt verdeeld. Niemand komt tekort. Traditionele katholieken, orthodoxe protestanten, rechtlijnige evangelischen en moslims mogen nog steeds trouwen dat het een lieve lust is.

Sommige conservatieven echter kunnen blijkbaar de zon niet in het water zien schijnen. Ze kunnen niet uitstaan, dat anderen iets krijgen, wat zij zelf al lang hadden. De energie waarmee ze zich verzetten tegen iets, waar ze nooit last van zullen hebben, kan alleen maar zijn ingegeven door een verbitterd en verzuurd gemoed. Of door haat. Een haat die zo ver gaat dat de gelijkheid voor de wet ervoor moet wijken. Een haat die, hoewel ze keurig gekleed gaat, indirect een legitimatie biedt aan de potenrammers die het Parijse nachtleven onveilig maken.

Als de gekrenkte zielen er zo’n punt van maken, zodra anderen ook eens iets wordt gegund zonder dat henzelf tekort wordt gedaan: zou ik op mijn beurt dan niet een gat in de lucht springen op de dag, waarop de Franse senaat zich een toonbeeld van beschaving en ontwikkeling toont, door niet de oren te laten hangen naar obscurantisten die te veel tijd hebben en zich daarom maar toeleggen op een louter nihilistisch gevecht?

Nee, het ‘homohuwelijk’ kan me gestolen worden. Voor gelijkheid, verdraagzaamheid en een ontspannen omgang met elkaar ga ik echter door het vuur. Get a life, rechtse ideologische onderdeurtjes!

De republiek: een kwestie van smaak

Vanochtend ben ik opgestaan als republikein. Daar sta ik zelf nog wat van te kijken.

Nu moet u niet denken, dat aan deze metamorfose een groots en meeslepend innerlijk gevecht is voorafgegaan. Ik heb niet langdurig tal van staatsrechtelijke en politieke voors en tegens of mitsen en maren tegen elkaar afgewogen. Er zijn niet onverhoeds stormen van verontwaardiging in mij opgestoken over het ondemocratische karakter van het erfelijke koningschap of over het onrechtvaardige van aangeboren rijkdom. ‘Ze’ mogen het hebben: de poespas en het geld. De ideologische argumenten tegen de monarchie hebben voor mij een even muffe geur en belegen smaak als datgene waartegen zij in stelling worden gebracht.

Ik heb me ook niet moeizaam ontworsteld aan een diep gewortelde gehechtheid aan het koningshuis. Er heeft geen omslag plaatsgevonden van liefde in haat. Ten diepste laat de monarchie mij namelijk onverschillig. Deze lauwheid is mij met de paplepel ingegeven en begon ooit in de vorm van hartgrondige verveling. De koningin: dat was in mijn kindertijd het idool van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, een mevrouw met een dure bloemetjesjurk en foute uilenbril, die op de saaiste vrije dag van het jaar op TV verscheen, terwijl ze op het bordes stond van een witte Gooise villa en vol berusting en toegeeflijkheid haar gazon liet vertrappen door volksdansend Nederland. Of je wilde of niet: je moest ernaar kijken. Erger nog: je moest daarbij ook nog luisteren naar de farizeïsche NCRV-stem van Dick Passchier die één en ander van commentaar voorzag, onderbroken door vaderlandse muziekschoolliedjes van het niveau eerste-blokfluitles.

Zoals aangeduid ontwikkelde zich deze verveling zich tot onverschilligheid. Door deze schouderophalende houding heb ik geen haat jegens de monarchie ontwikkeld, maar haar evenmin ooit in mijn hart kunnen sluiten – óók niet toen Beatrix het koningschap ‘moderniseerde’. Ze veroverde wel kortstondig mijn hart, de Koningin met het Kogelvrije Kapsel, toen ze verklaarde dat haar moeders (en haar zwagers) verjaardag Koninginnedag zou blijven. Wat was dat een heerlijk gehaaide streek: om het zo te regelen dat je eigen verjaardag iets voor jezelf blijft, zonder ongenood vreemd volk over de vloer. En wat een hilarische vondst was het, toen ze besloot voortaan zichzelf bij anderen uit te nodigen op 30 april en zich bij anderen thuis te laten fêteren: going dutch ten top. Die schalksheid kon me wel even bekoren. Ik heb me echter nooit kunnen inleven in die mensen, die elk jaar weer op de derde dinsdag van september ‘de weersomstandigheden trotseerden om een glimp van de gouden koets op te vangen’  – om een door het TV-journaal gemunte, klassieke formulering aan te halen.

Kortom: Monarchie, koningschap en oranjeklanterij hebben me altijd koud gelaten. Ze konden euforie noch knarsetandend verzet bij mij opwekken. En zoals ik anderen hun voetbalinterlands en songfestivals gunde – een dankzij grote innerlijke strijd op mijzelf bevochten verdraagzaamheid! – zo gunde ik anderen hun Koninginnedag alsmede de dranghekkenpret van Prinsjesdag of van vorstelijke bezoeken in den lande. Zolang ik de polonaise zelf maar kon ontspringen. Al met al lag er in mij tot op heden geen voedingsbodem voor een radicale keuze voor of tegen de monarchie. Nu is er echter een grens bij mij overschreden. En wel op grond van iets heel anders dan politieke principes of gevoelens.

Ter ere van de ophanden zijnde troonswisseling mobiliseert onze regering, door tussenkomst van een comité onder leiding van Hans Wijers, al het sentimentele en banale dat ons volk rijk is. De voormalige verffabrieksdirecteur organiseert een Koninklijke kleurwedstrijd, een maak-de-slagzin-af-prijsvraag, een rijmkampioenschap en een landelijke gymnastiekoefening. Op 30 april zetten wij de troonsopvolging luister bij met optredens van (onder meer) een André-Hazes-lookalike en Trijntje Had-mijn-vader-zich-maar-aan-het-priestercelibaat-gehouden Oosterhuis. In een tijd waarin onze culturele sector afbrokkelt, in een tijd waarin de politiek het lef heeft om enkele tot de wereldtop behorende muziekensembles aan de straat te zetten (om maar wat te noemen): in zo’n tijd leent ons koningshuis zich voor de ultieme vertrossing van een dag, die ook een cultureel hoogtepunt had kunnen (en moeten) zijn – tegen wil en dank wellicht, maar ook zonder vruchtbaar verzet. En ik realiseer me ineens dat met prins Claus destijds het culturele geweten van ons koningshuis is gestorven.

Mijn politieke principes en gevoelens kunnen tegen een stootje – ook tegen onverdiende, want aangeboren rechten op de troon, ook tegen de keuze voor jetset-babes als huwelijkspartners en zelfs tegen de aankoop van buitenhuisjes in Zuidelijk Afrika. Maar met smaak valt niet te spotten. Ik laat me niet infantiliseren en kan me niet verzoenen met een van hogerhand aangewakkerde banalisering. Leve de republiek!