Monthly Archives: maart 2013

Red de Mattheus!

Met rituelen en tradities gaan wij Nederlanders enigszins stuntelig om. Vooral rituelen en tradities die voortkomen uit onze christelijke geschiedenis, hanteren wij op een halfslachtige wijze.

Neem nu de traditie om jaarlijks de Mattheuspassie van Bach uit te voeren en te beluisteren: het is een plechtig en groots aangepakt collectief ritornel, dat inmiddels is opgenomen in ons Nederlandse erfgoed. Alle ontkerkelijking ten spijt en ondanks de grote afstand die zelfs de meeste hedendaagse gelovigen scheidt van de smeuïg-godsdienstige leefwereld van Bach, is de religieuze zwerfkei BWV 244 tot onze canon gaan behoren. Dat wij Nederlanders gemoedelijk spreken over ‘De Mattheus’ – alsof het een oude oom is, die ieder jaar met Pasen kont logeren – spreekt boekdelen.

De moeder en het ijkpunt van al die mattheussen in den lande is natuurlijk de uitvoering op Palmzondag in het concertgebouw, die rechtstreeks door Radio Vier wordt uitgezonden. Het is voor mij altijd een rilmoment, als vroeg in de middag de eerste donkere tonen uit de radio klinken en die onheilspellende hartslag van de openingsdans mij naar de keel grijpt.

Een aantal jaren geleden meende men echter, te moeten gaan variëren. De Mattheuspassie werd eerst afgewisseld door die andere passie van Bach, ‘de Johannes’. En later is men ook passies van andere componisten gaan uitvoeren. Nu hoort bij ritueel en traditie natuurlijk ook variatie. Herhaling en afwisseling zijn de schering en de inslag in de reidans waarin de generaties hun erfgoed aan elkaar doorgeven. De marges van de afwisseling worden hier m.i. echter overschreden. Het is natuurlijk een kwestie van gevoel en rituele smaak, maar Bachs Mattheus heeft voor mij toch een zekere onaantastbaarheid. Het steeds weer opnieuw moeten interpreteren van ‘de’ Mattheus is volgens mij al een voldoende uitdaging voor de variatiekunst die we traditie noemen.

Overigens vond ik de keuze voor de dweperige, zijn geloof opdringende MacMillan in 2009 op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Enerzijds haasten bij elke aan- en afkondiging van Bach de presentatoren van Radio Vier zich, om in een bijzin te benadrukken dat het hun vooral om de kunst gaat en niet om de gelovige betekenis. Anderzijds programmeert men in ons secularisatieland doodgemoedereerd de muzikale straathoekevangelist uit Schotland. Bij de malle teksten van Bach kun je nog enigszins ‘schmunzeln’ – ook dat hoort bij traditie. De fanatiek-katholieke tijdgenoot MacMillan laat in zijn ernst en pathetiek daarvoor echter weinig ruimte.

Wie Bachs grootste passie ‘voor de verandering’ eens overslaat, heeft niet goed begrepen wat traditie is. Een vaag ritueel besef is er weliswaar nog volop. De meesten onder ons voelen aan dat bij Pasen Bach hoort of passiemuziek. Maar bij het horen luiden van de Paasklokken weet men kennelijk niet meer waar de klepel hangt. Dit wordt ook op extreme wijze duidelijk als – zoals onlangs – het Paasoratorium van Bach wordt uitgevoerd tijdens de Goede of Stille Week. ‘Als het maar Bach is,’ denkt men blijkbaar. Het omgekeerde gebeurt trouwens ook: Bachs passies worden her en der geprogrammeerd op Paaszondag. ‘Pasen is Pasen’, zo veronderstellen de organisatoren, met voorbijgaan aan de dramatische en dus ook esthetische tegenstelling tussen passie- en paastijd.

Zowel degenen die Bach vervangen door MacMillan of de Mattheus door een ander werk van Bach lijken te denken: ‘Verandering van spijs doet eten.’ Dat stugge herhaling ook een waarde in zich is – en zelfs de kern vormt van rituelen en tradities, ook culinaire –  lijkt men te vergeten.

***

PS: Dank aan de twitteraars die mij indirect op het idee brachten, om over het bovenstaande uit te weiden. EC.

Medelijden

Sommige woorden worden vies van veelvuldig gebruik. Er lijkt op dit soort woorden een vloek te rusten: in de loop der tijd vullen ze zich met een ongewenste betekenis of kleeft aan hen het vuil van politiek incorrecte bijklanken. Dan wordt het tijd om ze te vervangen door neutrale alternatieven. De nieuwe woorden is echter een zelfde lot beschoren. Die moeten vroeg of laat op hun beurt worden ingeruild. Het angstvallige omzeilen van ‘foute’ woorden in de zorg getuigt bijvoorbeeld hiervan. U kent zelf wel de voorbeelden. Of spreekt u nog over een ‘inrichting’, een ‘mongool’ of een ‘oude van dagen’? Overigens moet u wel bij de les blijven, want het ogenschijnlijk onschuldige ‘patiënt’ mag sinds enige tijd ook niet meer in alle omstandigheden. Op het mijnenveld van de taal worden door duistere machten dagelijks de mijnen verplaatst. Een belediging is dan gauw geschied, zeker in onze open-zenuwen-samenleving.

Ook op andere gebieden dan de zorg worden de bakens van de taal voortdurend verzet. Dat merkte ik toen ik mijn inleidingen voorbereidde voor een retraite, die ik deze dagen ga geven in het kader van de Goede Week. Als thema had ik mezelf ‘compassie’ opgegeven. Ik realiseerde me dat dit woord – in lexicaal opzicht weliswaar een begrip met een eerbiedwaardige leeftijd – zich pas recentelijk heeft ingeburgerd in ons dagelijks taalgebruik. Ik heb de tijd nog gekend, dat het letterlijke equivalent ‘medelijden’ redelijk normaal was. Ik heb echter ook de ontwikkeling meegemaakt, waardoor dit laatste woord uit de gratie raakte. ‘Medelijden’ klonk, zo werd me door de woordenwassers geleerd, bevoogdend en neerbuigend. Het bevestigde de medemens (ook al zo’n in onbruik rakend woord) in haar of zijn slachtofferpositie. En sindsdien zag ik de nieuwe generaties van het begrip voorbijtrekken: ‘medeleven’, ‘mededogen’ – en recentelijk dus ‘compassie’.

***

Het begrip ‘medelijden’ roept verlegenheid op en we schrikken ervoor terug het tot ons programma te maken. Is het echter echt de plaatsvervangende schaamte voor de ander, die ons weerhoudt? Gaat het werkelijk om edelmoedige gêne en tact? Misschien gaat er van ‘medelijden’ wel een dreigende suggestie uit jegens onszelf en schrikken we er dáárom voor terug. Wellicht zijn we heimelijk bevreesd, dat de kwetsuren van de ander besmettelijk zijn, of zijn we bang dat we worden binnengezogen in haar of zijn lijden, zodra we erin delen. Ik verdenk ons ervan, dat we vooral beducht zijn om zelf gekrenkt te worden: gekrenkt door het lijden van de ander, dat in het medelijden te dichtbij komt en ons de spiegel voorhoudt van onze eigen vatbaarheid. Kortom: met het aanbod van medelijden geven we te veel weg. Onszelf namelijk. Motieven genoeg om afstand te scheppen door middel van een latiniserend woord – zoals we ons ook ziektes van het lijf houden door er Latijnse namen aan te geven.

***

Overigens moet ik toegeven dat ik zelf ook niet veel talent heb voor medelijden. Dit is wellicht een allergische overreactie op het zelfmedelijden in onze sentimentele cultuur. Mij stompt dat voor-zichzelf-opkomende-zelfmedelijden af. Vooral bij gekwetste groepen is het zelfbeklag soms zo overheersend, dat het op paradoxale wijze het zicht op het lijden beneemt – zoals een jengelend kind eerder irritatie dan vertedering oproept.

Maar laat ik mezelf niet te kort doen. Dat weeë gevoel in de hartstreek ken ik wel degelijk – maar juist niet bij luidruchtig leed. Hartverscheurend vind ik de vrouw die, met een tas met dagelijkse boodschappen voor één persoon, stil door de regen loopt, met een lichtelijk gebogen rug en een afgedragen jas. Daar ben ik dan misschien weer sentimenteel in. Maar wellicht duidt het er gewoon op, dat ik toch niet door en door slecht ben.

***

Ik vind ‘medelijden’ in elk geval best een geschikte categorie. Het hiermee aangeduide gevoel is enerzijds op een tegenstrijdige manier behaaglijk en – soit – wellicht wat hautain. Medelijden ‘voelt goed’. Dat is misschien verdacht. Anderzijds is medelijden ook beangstigend – zoals aangeduid – en heilzaam destabiliserend. Door medelijden word ik immers een wereld binnengeroepen, waar ik helemaal niet wil zijn. Dit ‘gevoel’ weet dingen, die ik niet wil weten en zegt mij dingen die ik niet wil horen. Namelijk dat mijn wereld groter is dan mijn ik. Gevoelens van medelijden spreken boekdelen: ze vullen de atlas van mijn bestaan.

Yunus en de gelovigen

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.

De schijn van deze overbekende prachtregels van Gerard Reve bedriegt. Vaak wordt het gedicht gelezen als de ontboezeming van iemand die zich, vanuit ongeloof of twijfel aan God, toe worstelt naar een paradoxaal geloof-tegen-wil-en-dank. Als je het goed leest, ontdek je echter dat het gedicht niet gaat over een ongelovige. Het gaat over een scepticus. De dichter zegt niet, dat hij aan God twijfelt, maar dat twijfel zijn fundamentele levenshouding is. Hij twijfelt ‘aan alles’, God incluis.

De verrassende wending bestaat er ook niet in, dat de dichter het bestaan van God erkent. Met geen woord wordt er gerept over Gods ‘bestaan’. Er wordt hooguit in een bijzin gezegd dat de dichter af en toe veronderstelt dat God leeft en dat de dichter binnen die hypothese iets meent te weten over de inhoud van dat leven. De nadruk ligt niet op het bestaan van God maar op diens bestaanswijze: de bestaanswijze van een minnaar die op zoek is naar zijn geliefde.

Kortom: het gedicht gaat niet over het contrast ongeloof-geloof of over de ‘bekering’ van een ongelovige tot een gelovige. Het gaat over een scepticus, die soms troost vindt in het gedachte-experiment dat er een God is die leeft – en die dat doet op de wijze der liefde.

***

Zonder me verder ook maar iets aan te matigen, herken ik me wel in deze Reviaanse ‘performance’, in dit metterdaad uitproberen van wat geloven kan zijn. En daarbij blijf ik dan ook nog eens vaak steken bij die eerste woorden: “Eigenlijk geloof ik niets”. Ik ben een scepticus. Een van de velen die niets voor zoete koek aannemen en die dagelijks de bittere pil slikken van het vermoeden dat niets zeker is. Natuurlijk droom ik graag weg – in muziek, verhalen, hemelbestormende fantasieën, inwendige dialogen met fictieve anderen en gedichten – maar dat gaat altijd gepaard met het bitterzoete besef dat het allemaal maar een spelletje is.

Wat zo jammer is, is dat veel andere mensen dergelijke spelletjes zo bloedserieus nemen. Ik krijg het dan ook geregeld aan de stok met de zekerweters, de aanhangers van alternatieve geneeswijzen bijvoorbeeld of van intelligent design of complottheorieën. Toegegeven: ik ben in dergelijke discussies ook niet altijd even ontspannen en mild. Maar wie ernst maakt van een spel, kan ik nu eenmaal op mijn beurt niet serieus nemen. Ik vind bovendien dat hij of zij schade lijdt aan haar of zijn ziel. Zelfindoctrinatie is beneden de menselijke waardigheid. Dat roept een zekere verontwaardiging in mij wakker.

Er gebeurt in dergelijke discussies overigens vaak iets opvallends. De zekerweters beschikken over een merkwaardige dooddoener. Die dooddoener bestaat erin, dat ze zeggen: ‘Ja, jij bent scepticus. Maar dat is ook een geloof!’ Een variant hiervan is het ‘argument’ van de ID-aanhangers, dat de evolutietheorie ook een religie is – waarbij zij er gemakshalve aan voorbijgaan dat de evolutietheorie gewoon een wetenschappelijke theorie is, die zichzelf door falsificatie verfijnt en corrigeert. (Maar wie weet nog wat falsificatie is?)

Het eigenaardige en verontrustende van de dooddoener bestaat erin, dat hiermee elk absurd standpunt zichzelf kan immuniseren tegen kritiek en dat in beginsel elk verzinsel onbetwistbaar wordt. Als morgen iemand beweert dat er op Venus een groot Rose Pluchen Konijn leeft dat de kosmos bestiert en als ik daar vervolgens mijn vraagtekens bij plaats, kan de gelovige de discussie verlammen door te zeggen dat mijn vraagtekens ‘ook maar een geloof zijn’. De scepsis staat bij voorbaat op achterstand. Alles, maar dan ook alles heeft het voordeel van de twijfel.

De dooddoener gaat ook voorbij aan het feit dat hier twee volstrekt ongelijksoortige zaken tegen elkaar worden weggestreept. Scepsis is weliswaar een basishouding, maar juist per definitie geen geloof. Het is ‘twijfelen aan alles’. Het is het scheppen – of liever het erkennen – van ruimte. Een ruimte die overigens aan gelovige gedachte-experimenten alle vrijheid geeft – de vrijheid van het spel. Dit is van een heel andere orde, dan in alle ernst de ruimte beperken voor jezelf en anderen. Het is iets kwalitatief anders, dan het huis van je geest volstouwen met de meubels van je gedachtenspinsels, zodat aan die geest elke bewegingsruimte en groeimogelijkheid is ontnomen.

***

De dooddoener kwam dezer dagen in een heel ander verband en een verraderlijke gestalte weer te voorschijn. Een Nederlands, lesbisch stel nam de Turkse jongen Yunus als pleegkind op. In Turkije stak een storm van verontwaardiging op, die deze kant uit raasde. Yunus werd blootgesteld aan de verfoeide, westerse, losbandige denk- en leefwereld, zo hoorden wij. Veel Nederlandse diversiteitsfetisjisten uitten begrip voor deze verontwaardiging en kwamen op de proppen met een retorisch en suggestief ‘argument’, dat een variant is van de hierboven geschetste dooddoener: ‘Hoe zou jij het vinden als een Nederlands kind zou worden opgenomen door een fundamentalistisch moslimgezin?’

Deze redenering – als de denkwijze überhaupt deze kwalificatie verdient – veronderstelt dat het moederstel in kwestie in staat, bereid en van plan is om Yunus in zijn denk- en bewegingsvrijheid te beperken, zoals een streng gelovig gezin dat zou doen. De ‘westerse’ ruimdenkendheid – die zich onder andere uit in het feit dat gelijkgeslachtelijke relaties een optie zijn onder andere – wordt hier op één lijn geplaatst met een geborneerd religieus systeem, dat het aantal opties voor de vormgeving aan het leven drastisch inperkt. Plat gezegd: hier worden appels met peren vergeleken (of liever: een ruime fruitmand met één soort fruit). Of zouden de lesbische ouders echt van plan zijn om Yunus als een meisje op te voeden en vervolgens in tuinbroeken te laten rondlopen?

Nee: het pleegouderstel wil maar één ding: Yunus een liefdevolle omgeving bieden. Ze geloven niet in obscure richtlijnen waaraan bloemetjes en bijtjes zich moeten houden. En ze dringen ook geen ander geloof op. Ze doen wel iets anders. Ze leven en ze hebben lief.

Honderd jaar geleden

from-ethelethel

 In mijn boekenkast staat een boek dat ik nooit zal lezen. Het is een werk van de negentiende-eeuwse, religieuze Amerikaanse schrijfster Susan Warner en is getiteld Say and Seal. Ik zal het nooit lezen en wel om meerdere redenen: omdat het genre mij niet aanspreekt; omdat het boek uit elkaar valt als ik het vastpak; omdat de lettertjes minuscuul zijn en eerlijk gezegd vooral omdat ik niet zo graag Engels lees. Redenen te over om het boek als curiosum op Boekwinkeltjes.nl te plaatsen, zou u zeggen. Ik bewaar het echter zorgvuldig en wel – u vermoedt het al – uit piëteit.

In de marge van de eerste pagina staan handgeschreven de volgende woorden: ‘To Alice, from Ethel. Xxx’. In het boek ligt verder als bladwijzer een foto van deze Ethel, gemaakt door ene Herbert J. Wilson,  wiens winkel was gelegen aan de Marketstreet in Leicester. De enige die ik ken van deze personen, is Alice. Ze was mijn grootmoeder van moederskant. Als Belgische vluchtte ze in de Eerste Wereldoorlog met haar ouders en broertje naar Engeland, waar ze enkele jaren van haar jeugd doorbracht. Ethel was in die tijd haar hartsvriendin. Het boek is waarschijnlijk een afscheidsgeschenk, meegegeven toen mijn oma terugkeerde naar het continent. Waarom Ethel aan Alice precies dit boek meegaf is mij onbekend. Wilde ze mijn grootmoeder een stichtelijke boodschap meegeven? Was het haar lievelingsboek? Of wilde ze juist van het boek af? Het feit dat het boek is stukgelezen  geeft geen uitsluitsel. Misschien is het wel van hand tot hand gegaan, voordat het de Noordzee overstak.

Ik nam dit boek dezer dagen weer eens voorzichtig in mijn handen – om sentimentele redenen. Het sentiment in kwestie hecht zich niet in de eerste plaats aan de mooie herinneringen aan mijn lieve oma. Het is eerder een historisch sentiment. Je komt er immers niet omheen. Van diverse zijden worden we er aan herinnerd dat we staan aan de vooravond van een bijzonder herdenkingsjaar. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon: één van die grote keerpunten in de Westerse geschiedenis.

***

Uit historische en commerciële belangstelling wordt de aanloop naar het herdenkingsjaar uitgebuit door uitgevers, schrijvers en filmmakers. Er is zelfs een heel boek gewijd aan het jaar negentiendhonderdertien. Deze aandacht voor het ‘antebellum’ heeft o.a. te maken met de traditie om de Grote Oorlog te beschouwen als een ontlading; als een onweer dat wel moest uitbreken, gezien de grote politieke spanning die zich in Europa had opgebouwd; als een onweer dat een einde moest maken aan de verstikkende, zwoele atmosfeer in de cultuur. De rotte, gistende vrucht moest een keer openbarsten. De belangstelling voor het vooroorlogse tijdperk komt ook voort uit de voorstelling van het eerste decennium van de twintigste eeuw als een tijd van al dan niet schandaal veroorzakende doorbraken in wetenschap en kunst – met als iconisch geworden voorbeeld de première van het ballet ‘Le sacre du printemps’ van Stravinsky en Diaghilev.

Dergelijke interpretaties van het tijdperk voor de oorlog zijn natuurlijk projecties achteraf van mensen die wisten ‘hoe het afliep’. De gedachte van de oorlog als de Grote Opluchting was overigens op zichzelf een vorm van decadente esthetisering (ja, ik gooi vandaag graag met woorden). En er is ook veel mythevorming in het spel rondom schandaal veroorzakende premiers en vernissages. Het neemt echter allemaal niet weg dat het ‘antebellum’ een belangwekkende tijd was.

Ikzelf voel overigens sterk de verleiding om parallellen te zien tussen ‘toen’ en ‘nu’, vooral in politiek opzicht. Doordat de visie op de vooroorlogse jaren zo sterk wordt bepaald door achteraf gevormde ‘frames’, is een dergelijke vergelijking echter hachelijk. Natuurlijk: toen en nu stond en staat Europa politiek onder grote spanning. Maar de aard van de problematiek was een heel andere. Als we al parallellen zoeken, zie ik die eerder in de balkanisering en de verbrokkeling van Europa, die pas door de oorlog werden veroorzaakt of bespoedigd. Maar ik zwijg en geef hierover graag het woord aan historici.

***

Los van dit alles ontleen ik aan het tijdvak van de eerste decennia van de twintigste eeuw wel een inspiratiebron voor onze generatie. Dat heeft te maken met een ander sentiment – of liever: met een literaire voorkeur. Wie mij kent, weet dat in een stukje als dit vroeg of laat Thomas Mann te berde komt. Welnu: precies honderd jaar geleden begon de Duitse schrijver aan zijn Zauberberg – het boek dat hij in 1924 zou voltooien.

In deze roman schetst Mann o.a. het pessimistisch stemmende beeld van het decadente Europa, dat ongezond zwelgt in zijn navelstaarderij en tot een stilstaande poel van verderf is geworden. Het verhaal evoceert indirect de broeierige sfeer waarin en waarvan ook de jonge Thomas leefde en waarin ‘achterwaarts gerichte’, brandbare politieke fantasieën konden ontkiemen en woekeren. Doordat Mann zolang over het boek deed – en tegelijk een innerlijke metamorfose onderging – heeft hij in de vertelling echter ook een bevrijdende ontwikkeling kunnen beschrijven.

Deze ontwikkeling mondt weliswaar niet uit in een glorieus en hoopgevend einde – tenminste niet wat de uiterlijke verhaallijn betreft. (Deze eindigt juist bij de loopgraven.) De hoofdpersoon bereikt echter wel het punt waarop hij schoorvoetend een vergaande keuze maakt. De Zauberberg eindigt met een aarzelend gloren van het geloof in de menselijkheid, van hoop en van liefde. De dampen van de schoonheidscultus worden even doorschenen door het licht van de ethiek. Geen militaire ontlading, maar humanistisch inzicht is het antwoord op de decadentie.

Hierin weerspiegelt zich – als aangeduid – een louteringsproces van de schrijver zelf. In de periode 1913-1924 liet Mann de verstikkende, ziekmakende sfeer van de lagune uit Dood in Venetië achter zich. Als persoon en als kunstenaar ‘raffte’ Mann sich ‘zusammen’, ‘vermande’ hij zich. Hij was een onverbeterlijke esthetiserende narcist, maar ontwaakte geleidelijk (en met de nodige terugvallen) uit de roes van zijn romantische, ‘achterwaarts gerichte’ dromen – die hem ontvankelijk hadden gemaakt voor politiek obscurantisme – en stond in toenemende mate open voor het licht uit de toekomst en de nuchterheid van de ethiek.

***

In 1913 kwam de eerste letter van Manns ‘sleutelroman’ op papier. Dit vormt misschien de voornaamste sentimentele reden, waarom ik dezer dagen uitdrukkelijk stil sta bij datgene wat honderd jaar geleden begon: bij die grote ramp, die fundamentele breuk in de geschiedenis en die harde les, die dertig jaar zou duren. Thomas Mann was in dit leerproces geen held – in tegendeel – maar wel één van de velen die dit proces van binnen uit meemaakten, zich erdoor lieten vormen, over deze ontwikkeling getuigenis aflegden en er mede gestalte aan gaven. Juist doordat hij zich aanvankelijk had gecompromitteerd met duistere culturele krachten, zich daaraan moeizaam had moeten ontworstelen en over die strijd rekenschap aflegde: juist daardoor kon hij een voorbeeld worden. Hij is nog steeds een identificatiefiguur voor ons, als we ons dreigen in te graven in nostalgische en sentimentele identiteitscultussen en ertoe neigen ons op te sluiten in ons kleine, opgeblazen zelf – als individu en als collectief.

Ik zal nooit weten wie Ethel was. En waarom ze bijna honderd jaar geleden Say and Seal meegaf aan mijn oma. Het boek ‘gaat’ mij ook weinig ‘aan’, om het met een onvertaalbaar germanisme uit te drukken. Maar Der Zauberberg staat naast de Bijbel in mijn boekenkast en wordt na honderd jaar door mij gelezen en herlezen. Het gaat over ons. Over mij.

Van droom en inspiratie naar alertheid en nuchterheid

Als er een wedstrijd was voor het verzamelen van zoveel mogelijk gemeenplaatsen op een zo klein mogelijk oppervlak, dan zou het Nationaal Comité Inhuldiging deze glansrijk winnen met zijn ‘droom voor ons land’ en ‘inspiratie voor onze koning’.

Ik zie het helemaal voor me, hoe Hans Wijers tijdens de eerste vergadering van zijn werkgroep bierviltjes te voorschijn haalde, deze vervolgens uitdeelde en tenslotte de leden vijf minuten gaf, om de achterkant zo creatief mogelijk te vullen met suggesties voor het ‘thema’. Daarna werden, zo stel ik me verder voor, de meest voorkomende woorden op een white board of een flip-over in kaart gebracht.

Hoe dan ook: de woorden ‘droom’ en ‘inspiratie’ haalden de eindstreep van de brainstormorgie. Ik vraag me af, welke begrippen dan de verliezers waren. Dat moeten wel meelijwekkende kneuzen van clichéwoorden zijn geweest. We kunnen alleen maar vermoeden, welke gruwelen van banaliteit te berde zijn gebracht tijdens de co-creatieve mentale vrijpartij, die ongetwijfeld in zo’n ‘sfeervol’ vergadercrematorium op de Veluwe plaatsvond. Wellicht vielen er woorden als ‘passie’ en ‘visioen’,  ‘enthousiasme’,  ‘bezieling’ en ‘charisma’. Te vrezen valt zelfs dat ten minste één persoon nietsvermoedend het woord ‘leiderschap’ te voorschijn mind-map-te.

We zullen het nooit weten, want Wijers heeft ongetwijfeld alle papieren ter plekke door de shredder gehaald en ieder lid van zijn comité bij het verlaten van het praat-hotel laten fouilleren, om te voorkomen dat er ook maar iets van de platitudebrij ooit tot de buitenwereld zou doordringen.

***

U merkt wellicht argwanend op, dat ik misschien wat al te goed op de hoogte ben van de orakeltaal van organisatiegoeroes. En terecht. Ik heb inderdaad geregeld de moerasdampen ingeademd van het managementboekenmilieu. Soms rollen ook bij mij, op een onbewaakt moment, woorden als de bovengenoemde van de tong. Ook ik heb wel eens in gesprekken en lezingen een pleidooi gehouden voor ‘enthousiaste’, ‘gepassioneerde’ en ‘iconische’ ‘leiders’, die ‘gedreven’ door hun ‘visioen’ hun kudde de weg wijzen. Ik betuig daarvoor nu mijn oprechte spijt.

Nu komt de populariteit van het geschetste taalregister niet uit de lucht vallen. Wij eenentwintigste-eeuwers zijn nog steeds erfgenamen van de Romantiek. Dat uit zich ook in het levensgevoel dat zich van het managersdialect bedient. Maar we zijn ook epigonen. Het hooggestemde en geestverruimende idealisme van de romantici hebben wij getemd tot pretfilosofie en peptalk. De vuistdikke dundrukboeken, waarvan elke bladzijde glinsterde van finesses, nuances en extravaganties: ze hebben plaatsgemaakt voor managementboeken met kartonnen kaften die dikker zijn dan het binnenwerk en die vol staan met juichkreten en vuistregels. De romantici wilden boven zichzelf worden uitgetild door het sublieme. Wij, hun gedegenereerde nazaten, willen worden gedragen door ons ‘goede gevoel’. Tijdgeest werd mode.

Die vulgarisering is nog tot daaraan toe. En zolang de feelgoodfilosofie, die achter al de genoemde modieuze kreten schuilgaat, er alleen toe dient om ons privéleven draaglijk te maken, zal ik er de staf niet over breken. En desnoods ‘leuken’ we er een royalty-feestje mee ‘op’. Dat zij ’s lands ceremoniemeester gegund.  Het goeroe-geronk bepaalt echter ook steeds meer de dosering en de kleur van onze maatschappelijke betrokkenheid. Het wordt ook de norm waaraan we onze bestuurders meten.

Voor betrokkenheid is echter iets anders nodig dan burgers die graag ‘hun ding doen’ omdat ze daartoe een ‘drive’ voelen. En voor bestuur is iets anders nodig dan ‘leiders’ met priemende blikken, aanstekelijke woorden en opzwepende zeepkistredevoeringen. Juist als er grote zaken op het spel staan – zoals op dit moment – zullen het gloedvolle woord en het grote gebaar door de mand vallen als communicatieve cosmetica (als de falende ‘leiders’ ze al niet hebben meegenomen in de val van hun voetstuk).

Ikzelf heb in elk geval meer vertrouwen in een andere levenshouding: niet de modieuze levenshouding van ‘inspiratie’, ‘enthousiasme’ en ‘passie’, maar de ouderwetse van ‘geweten’, ‘plicht’, ‘geduld’ en ‘volharding’. Niet de droom, maar de alertheid werpt gewicht in de schaal. Niet de bezieling, maar de nuchterheid is duurzaam. Mensen die zich door deze ‘oncharismatische’ houding laten leiden: die zijn pas echt begenadigd en die zijn pas echt een zegen voor de mensheid.