Monthly Archives: januari 2013

Het Emo-Pad van de Nieuw-Spirituelen

Afgelopen vrijdag begaf ik mij op weg om bij iemand iets op te halen. De man had een voor mij raadselachtige straatnaam opgegeven: ‘Celeborn’. Nu duidt een aanduiding zonder ‘straat’ of ‘weg’ erin er al meteen op, dat het gaat om een nieuwbouwwijk. Meestal hebben dergelijke wijken straatnamen die zijn ontleend aan kruiden en grassoorten – bedoeld als een schuldbewust postuum eerbetoon voor de aan de verstedelijking opgeofferde braakliggende akkers, velden en drooggelegde broeklanden. Door deze associatie vatte in mijn hoofd de gedachte post, dat Celeborn wel zo’n in de vergetelheid geraakt, ongetwijfeld geneeskrachtig kruid was. Deze misvatting werd bevestigd toen Google – nadat ik de naam in de zoekmachine had ingevoerd– terugvroeg of ik wel zeker wist of het geen ‘sleedoorn’ moest zijn.

Enfin. De navigator accepteerde de geheimzinnige straatnaam  zonder tegenspraak en loodste mij vanuit de Kruidenbuurt in Stratum – met zijn ouderwetse namen als Koriander- en Laurierstraat – naar de groene suburbs rond Geldrop. Daar wachtte mij een surrealistische ervaring. Zonder blikken of blozen kondigde de stem uit de draagbare bijrijder aan, dat ik weldra de ‘Laan van Tolkien’ zou naderen. Nauwelijks was ik bijgekomen van mijn verbazing, toen ik vaststelde dat alle straten en hofjes die door de wijk kronkelden (want voor een duidelijk stratenplan hoef je in in een dergelijke wijk niet te zijn) waren benoemd naar wezens uit het oeuvre van de Britse cultauteur. Er zijn dus, stelde ik met enige bezorgdheid vast, mensen die wonen in (op, aan?) ‘Frodo’, ‘Gandalf’ en ‘Sam Gewissies’ – en ‘Celeborn’ dus.

Nu ben ik wel wat gewend. In Eindhoven bestaat ook een buurt met namen als ‘Roodkapje’ en ‘Gelaarse Kat’ en niet ver daarvandaan kun je zomaar verzeild raken in de ‘Count Bassie Gracht’.  Leuk voor de Jazzliefhebbers. Degenen die van opera houden, kunnen overigens een paar straten verderop terecht in ‘Aida’. Bovendien: ik snap ook wel dat je in nieuwbouwwijken niet meer de straten kunt noemen naar burgemeesters, zeventiende-eeuwse schilders en heiligen. Maar nu moest ik toch wel even slikken. In welk natuurtroebel-appelsapbrein was de ingeving opgeborreld, om een hele wijk te benoemen naar de wezens van Tolkien?

Ach, wellicht is er ergens in Nederland ook wel een wethouder die dweept met Kuifje of Dostojevski en zijn er in zijn of haar gemeente straten en pleinen met namen als ‘Bobby’ en ‘Karamazow’. Moet kunnen. Zolang zo’n fascinatie voor een auteur en zijn of haar oeuvre maar gepaard gaat met de nodige zelfspot, vind ik haar eerder vertederend. Ik bezondig me er ook te pas en te onpas aan om – ‘tongue in cheek’ – te verwijzen naar passages uit Der Ring des Nibelungen of Der Zauberberg. Dus waarom zou je zo’n grap van een wethouder (of wie daar ook over gaat) niet kunnen waarderen?

***

En toch lijkt het erop, dat men hier de passie voor een fictieschrijver wat al te serieus heeft genomen. Vanuit mijn eigen denkraam – om het woord ‘frame’ maar te vermijden – zie ik uiteraard meteen een verband met het verschijnsel van de ‘nieuw-spirituelen’. Dat zijn degenen die het tekort van onze onttoverde samenleving compenseren met allerlei nieuwe cults.

Wie mij kent, weet dat ik dit fenomeen ook betreur. In plaats van dankbaar gebruik te maken van de aangenaam koele ruimte die de secularisatie ons biedt; in plaats van met de moed der stoïcijnse gelatenheid in te gaan op de uitdaging tot volwassenheid, die hoort bij ons tijdsgewricht: in plaats daarvan vullen de nieuw-spirituelen de ruimte met hartverwarmende nieuwe geloofjes en nieuwe magie. Geloof komt nu uit een potje of wordt ‘ervaren’ via aangename tintelingen of via ‘mediums’. Het articuleert zich in een magische Eftelingwereld, een virtuele Droomvlucht. Religie nieuwe stijl is de warme chocolademelk die ons de seculiere winter doorhelpt en bouwt het weidse seculiere landschap vol met Fallertempeltjes.

Ook hier weer: als nieuwe dweepzucht gepaard gaat met zelfspot; als we toegeven dat we soms gewoon de biologische behoefte hebben om ons dagelijks leven aangenaam en draaglijk te maken door terug te vallen op kinderlijke patronen: soit. Er is ook niets tegen als volwassenen stiekem kinderspeelgoed en kinderboeken verzamelen. Ik ben zelf bijvoorbeeld een groot fan van Sesamstraat – en dan met name van Bert en Ernie. Maar als deze biologische behoefte wordt opgehemeld tot een serieus te nemen opvolging van of aanvulling op de traditionele religie: dan kan ik er niets anders in zien, dan de drup die volgt op de regen.

Het authentiek spirituele was en is immers altijd datgene wat begint, als al onze gedachten en gevoelens, redeneringen en fantasieën, woorden en beelden zijn uitgeput. Als zodanig was en is het ook een kritisch correctief op infantiele vormen van religie – en een boezemvriend van de secularisatie. De nieuwe spiritualiteit lijkt haar onderwerp echter te willen reduceren tot datgene wat past binnen het zoeklicht van onze subjectiviteit. Het goddelijke wordt gevangen binnen het home theater van ons voorstellingsvermogen. Ik wil dit alles overigens niet demoniseren – zoals veel orthodoxen doen – maar ik kan het gewoon niet serieus nemen (behalve sociologisch). Het spijt me.

Hoewel ik open sta voor de gekste dingen (zie mijn log van de vorige week), vind ik het te naïef om elke vogel tot wijze uil te verklaren, zoals Manuela Kalsky in Trouw van 25 januari lijkt te doen. Ze kan dan wel zeggen dat ze ‘nieuwsgierig’ is en onbevangen staat ten opzichte van de ‘nieuwe spiritualiteit – zolang iemand maar ‘bij zijn goede verstand’ blijft en zolang er geen geweld uit voortvloeit. Ik vrees niettemin dat hier de kritische onderzoeksgeest wordt gesmoord door de politiek correcte mantel der liefde. Natuurlijk: ze wil het ‘van geval tot geval’ bekijken – maar dat is een klassieke conversation stopper om het niet te hebben over de kern van een probleem. Maar het is toch gewoon een kwestie van vrije ‘keuze’? –  aldus Kalsky weer. Ze lijkt echter eerder een ‘zelf  gekozen onmondigheid’ (Kant) te omarmen. Dat mensen daarmee – al worden ze geen terroristen – schade toebrengen aan hun eigen ziel, vind ik ernstig genoeg  om er serieus een punt van te maken.

Of gaan we met zijn allen het Emo-Pad op? Dat ligt trouwens ook in de Tolkienwijk in Geldrop.

Twijfelen is zo gek nog niet.

Soms benijd ik al die mensen die rotsvast ergens in geloven: in de schepping, bijvoorbeeld, of homeopathie of wielrennen. Bij elke afslag van het leven weten ze of ze links- of rechtsaf moeten. Ze zijn vaak ook best aardig en gemoedelijk. Ze kunnen immers altijd terugvallen op een soort bankgarantie. Die geruststelling stelt hen in staat tot uiterlijke onbevangenheid en irenische omgangsvormen. Wie doet hun wat?

Ja. Ik benijd hen wel eens. Dankzij hun anker dobberen de gelovers ontspannen rond op de strakke waterspiegel van hun leven. Ze zitten er maar warmpjes bij, terwijl ik in mijn sceptische adamskostuum in de kou sta.

Hun onbevangenheid heeft echter grenzen.  Je mag elke steen in hun bouwwerk ter discussie stellen – zolang het maar niet die ene onderste steen is, waarop de hele constructie rust. Dan verstrakken ze en worden ze militant. Het ankerpunt blijkt een erg teer punt te zijn. Het rustanker is veelal feitelijk een krampachtig om denkbeeldige zekerheden geklauwde vuist.

***

Mensen willen ergens in geloven, denk ik wel eens. Gewoon omdat de rusteloosheid van de eeuwige twijfel vermoeiend is en omdat we ergens een haven willen projecteren voor ons eeuwige gedool. Liever geloven we wat-dan-ook, dan helemaal niets. Die reflex was ook merkbaar in het vorige week hier besproken artikel van de Trouw-hoofdredacteur over het duurzaamheidsgeloof. Er bestaat kennelijk zo iets als ‘wishful believing’. Dit is vooral sterk waarneembaar bij al die afvallige of dissidente christenen die zich na hun ‘ontworsteling’ en ‘ontworteling’ wanhopig storten in de vaderarmen van de esoterie.

Zo vaart de Fliegende Holländer eeuwig over de zeeën: de ene bedrieglijke haven verlatend voor de andere. Geen benijdenswaardig lot. Twijfelen is misschien zo gek nog niet.

***

Scepsis kan echter ook gemakzucht zijn. Vaak valt me op dat zelfverzekerde gelovigen zo goed hun huiswerk maken en zich op discussies voorbereiden. Menige scepticus beperkt zich dan tot schouderophalend gemurmel.

En als twijfelen tot kunst wordt verheven, kan het makkelijk op zijn beurt tot een denkbeeldig anker worden. Scepsis is dan niet meer dan een stoere levensfilosofie, bedoeld om houvast en troost te bieden en de show te stelen met zichzelf overschreeuwende dapperheid. Haar zekerheid wordt weliswaar niet gedekt door ‘kennis’, maar wel door een in de smaak vallende, heroïsche pose.

Terecht komt de moedwillige twijfelkunstenaar over als een snob. Evenals de gelover doet hij zich sterker voor dan hij is, maar hij voelt zich ook nog eens verheven boven de kudde. Een meelijwekkende vorm van hoogmoed drijft hem: hij is een eenzaam, blasé geworden schaap – maar nog steeds een schaap.

***

Graag laat ik dus naar mezelf kijken als scepticus. De tegen zichzelf gekeerde scepsis blijft echter altijd scepsis. Ze heft zichzelf niet op en wijst niet de weg terug naar de good old religion. Min maal min wordt – in dit geval – geen plus. Wat de aan zichzelf twijfelende twijfel wel oplevert, is een bredere horizon.

Met enige goede wil ontwikkelt ze zich zelfs tot een ‘omgekeerde scepsis’, een scepsis die open staat voor verrassingen en die onmogelijkheden voor mogelijk houdt – om een formulering van Thomas Mann te parafraseren. Deze ‘positieve twijfel’ maakt het leven tot een ontdekkingstocht en de drager ervan tot een aangenaam mens. Ze reduceert het leven niet, maar voegt er veel aan toe.

***

Daarmee is de scepsis natuurlijk nog niet gelegitimeerd. Waarschijnlijk zal een radicale en consequente scepticus echter ook niet vragen naar zo’n legitimatie. Misschien is er wel zoiets als een morele legitimatie. Scepsis is een houding van eerlijkheid en eerbied, van dappere bescheidenheid –  een deugd dus. De scepticus wordt geboren als een mens erkent dat hij slechts een kikkerperspectief op de werkelijkheid heeft, als hij inziet dat de werkelijkheid groter en anders is, dat zij per definitie boven hem uitgaat.

Ook en juist voor de ‘gelovige’ in strikte zin geldt dit. Als tot je doordringt wat er schuil gaat achter dat schamele, beschaamd uigesproken woordje ‘god’, ga je beseffen dat er gewoon niks over te zeggen valt. Wie zichzelf als gelovige serieus neemt, wordt agnost. Dat is eerlijk tegenover jezelf en tegenover Diegene in wie je pretendeert te geloven. Twijfel is een bestaanswijze van het geloof – en misschien ook wel de enig legitieme. Enfin, daarover zijn boeken vol geschreven. Door mystici bijvoorbeeld. Ik bedoel dan wel de echte mystici, niet de Zoete-Koek-Goeroes van de esoterie met hun dogmatische jip-en-janneke-catechismus.

***

De rust van zekerheid roest. De twijfel houdt ons gaande – tenzij ze voortkomt uit gemakzucht of snobisme. Ze maakt het leven tot een ontdekkingstocht. Voor de gelovige is zij bovendien de bestaanswijze die ons in beweging houdt in de richting van Diegene in Wie we zo graag zouden willen geloven. De eeuwige reis is het onderpand van de bestemming. Daarom ben ik niet jaloers op al diegenen die rondjes varen rond hun ankerpunt en die daarom nooit volle zee kunnen kiezen.

Keller zei het mooi, toen hij over hen sprak: „Der Zweifel fehlt, der alte Wanderstab.“

Trouw: soms het domme blondje onder de kranten

In 2012 won ochtendblad Trouw de missverkiezing van de Europese kranten. De christelijke verzetskrant werd namelijk verkozen tot European Newspaper Of The Year – met name vanwege de vormgeving. Zoals het een echte ‘miss’ betaamt, moet de krant natuurlijk ook aantonen dat ze niet alleen vanwege haar aantrekkelijke vormen in aanmerking kwam voor deze prijs, maar dat ze ook iets zinnigs kan zeggen over de vraag waar het met de wereld naar toe moet. Welnu: volgens mij heeft de hoofdredacteur in de wekelijkse bijlage Letter & Geest van 12 januari jl. elke miss-kandidate voorbijgestreefd wat betreft politiek-correcte oppervlakkigheid en platitude-fabricage.

Laat ik even de context aangeven. Het katern begint met wat hoogstwaarschijnlijk is bedoeld als een pastiche. De vaste medewerkers Dros en Van de Poll smeden het gedachtegoed van een aantal duurzaamheidsgoeroes om tot een ‘Kleine Catechismus van het Groene Geloof’, die enkele pagina’s vult. Uit het daaropvolgende commentaar van de auteurs blijkt, dat het allemaal parodistisch en ironisch bedoeld is. Ze vegen de vloer aan met het ideologische en mystificerende karakter van het duurzaamheidsgeloof.

Maar dan komt het. Willem Schoonen – de hoofdredacteur dus – vult twee pagina’s van de wekelijkse sjamanenbijlage met een pleidooi voor het religieuze ophemelen van de duurzaamheidsideologie.  Met droge ogen beweert hij dat duurzaamheid niet is gebaat bij fact-based, wetenschappelijke ondersteuning alleen. Nee: het ‘streven naar duurzaamheid’ is vooral gebaat bij overtuigingen die ‘verder gaan’ dan ‘wetenschap (…) met alle twijfel en onzekerheid die daarbij horen’. Het ‘gevoel voor het collectief’ en de aanhankelijkheid aan het ‘collectieve goed dat de aarde is’ moeten het vooral hebben van ‘rotsvaste overtuigingen’ – en kunnen het eventueel stellen zonder wetenschap. Door ‘geloof’ krijgt het duurzaamheidsstreven immers meer overtuigingskracht. Bovendien berust het ‘groene geloof’ wat betreft zijn ‘religieuze component’ op ‘kernwaarden van het christendom’, waarden die dit christendom deelt met – onder andere – ‘het natuurgeloof van de Germanen’. Tenslotte: als het duurzaamheidsstreven op deze manier religieus wordt doordesemd, kan het ook een ‘verbindend idealisme’ leveren aan een samenleving die is beroofd van de grote verhalen.

Tot zover Schoonen. Ik voorspel dat hij maandag de deur van zijn kantoor niet open krijgt, vanwege de stapel brieven die zich daarachter heeft opgehoopt van om zijn intellectuele zindelijkheid bezorgde lezers – al zal zich daaronder ook een enkele Germaanse steunbetuiging bevinden. Waarom zou een ethisch ‘streven’ niet kunnen worden gemotiveerd door fact-based analyses? Om een handelwijze te ervaren als goed is het noodzakelijk, maar ook voldoende, dat op inzichtelijke wijze wordt aangetoond dat zij goed is, door de verbanden tussen oorzaak en gevolg aan te wijzen. Als redelijke wezens hebben wij mensen de plicht tot en het recht op geloofwaardigheidsstichtende argumenten – en dus ook op de eventuele ‘twijfels en onzekerheden’ waarmee deze gepaard gaan.

Ik raad de heer Schoonen aan om toch maar eens serieus het recent verschenen boek van Louise Fresco te (her-)lezen, waarin zij bepaalde duurzaamheidsuitgangspunten (in haar geval op het terrein van voedselproductie) op een sympathieke en zakelijke wijze in het juiste perspectief plaatst en zo nodig relativeert, zonder de verdenking op zich te laden dat ze wordt bezoldigd door de magnaten van de grootschalige, moderne voedingsindustrie en zonder enige polemische anti-milieubewegingretoriek (zoals die van Jaffe Vink, waaraan Letter & Geest overigens wel ruimte geeft in het zelfde katern). Om bevlogen te zijn, hoef je je verstand niet op nul te zetten en om goed te leven hoeven we ons niet te verstoppen voor twijfels en onzekerheden.

Wat nog erger is – te meer bij een hoofdredacteur van een krant met een eerbiedwaardige protestantse traditie – is dat Schoonen geloof of religie (elke theologische fijnproeverij ten spijt en voor het gemak hier ook door mij op één hoop gegooid) enerzijds en wetenschap anderzijds hun spel laat spelen op elkaars speelveld. Iedereen die een beetje wetenschapsfilosofie heeft genoten, voelt op zijn duurzame klompen aan dat Schoonen hier wel erg dicht in de buurt komt van een beruchte categoriefout. Geloof en religie kunnen geen uitspraken en aanspraken doen gelden op een gebied dat is voorbehouden aan de empirie. De duurzaamheid is zo’n gebied. Gelovige uitspraken over de empirie zijn al even uit den boze als empirisch bedoelde uitspraken over het onderwerp van de het geloof. Schoonen wil blijkbaar echter van zijn krant – en dat is niet de eerste keer – een podium maken voor de esoterische grensvervagers op dit punt. (Gelukkig wordt dit door enkele schrandere columnisten goedgemaakt. Dat moet gezegd.)

Laat de wetenschap dus in Godsnaam haar domein behouden. Ik zeg dit ook als theoloog. Geloof en religie gaan niet over duurzaamheid – of over welk empirisch domein dan ook. Ze gaan wel over verantwoordelijkheid. En wie zich verantwoordelijk weet, zal zijn of haar oor te luisteren leggen bij de wetenschap om te vernemen welke de gevolgen van haar of zijn handelen zijn – om daaraan hopelijk consequenties te verbinden. De inhoud van oorzaak-gevolg-beweringen is echter niet religieus van aard – of het nu beweringen zijn met betrekking tot duurzaamheid, economie, politiek, gezondheid of wat dan ook. Het geloof gaat haar boekje te buiten, maar is er vooral ook zelf niet mee gebaat als zij wordt opgezadeld met het corvee om uitspraken te doen over de empirie (in dit geval over het empirische domein van de duurzaamheid). Geloof – en dus ook het denkende geloof: de theologie – gaat uitsluitend over de radicale oproep tot verantwoordelijkheid die tot ons komt van de Gans Andere, van Hem over wie ons geen uitspraak toekomt tenzij een uitspraak die ten diepste geen ‘uitspraak over iets’ is, doch een eer-biedig ‘antwoord op Iemand’. Daar heeft het geloof zijn handen vol aan.

Wat mij ten diepste verontrust, is dat Schoonen het onderscheid der domeinen moedwillig negeert, omdat hij de bruikbare, glasheldere zekerheid des geloofs prefereert boven de lastige rafelranden en aarzelingen der wetenschap. Misschien is hij ook wel creationist – je weet het nooit. En de vragen zijn hiermee niet uitgeput. Zo mag hij nog eens uitleggen hoe hij het verantwoordt dat hij de religie voor een sociologisch karretje spant en dat hij het geloof instrumentaliseert om het ‘gat’ te vullen dat de Grote Verhalen hebben achtergelaten. Daarnaast zou hij in het hol van de protestantse leeuw toch beter moeten weten, dan dat hij de aarde op een paganistische manier tot cultusobject maakt. En laat hij in elk geval een volgende keer zulke dommigheden achterwege laten als het fact-free fantaseren over een ‘Germaans natuurgeloof’, dat verwant zou zijn met de grote religies. Dat zou zelfs een welgeschapen Miss-Holland-kandidate punten kosten.

De discreet zwijgende zwakte van het oude

Afgelopen weekend leverde ik weer een bijdrage aan de liturgie in de kloosterkerk van Wittem. Ik ben theoloog, maar geen priester. Mijn bijdrage beperkt zich daarom altijd tot de uitleg van de Bijbelteksten. Van de rituelen, formules en gebaren die zijn voorbehouden aan de ambtsdrager blijf ik af: noodgedwongen en van harte. Collegiaal verdelen een pater en ik het eervolle werk.  Hoe vrijmoedig ik ook de eeuwenoude teksten uitleg voor de toehoorders: met respect maak ik ruimte voor de priester en voeg ik me in het sacrale protocol.

Dat protocol zit de priester als gegoten en wordt door hem in een vloeiende beweging voltrokken. Hij treedt in de sporen die generaties voor hem uitgeslepen hebben en gaat met een soort heilige slordigheid en eerbiedige verveeldheid te werk. De gebaren en formules zijn sleets geworden: daarom zijn ze een glad kolfje naar zijn hand. Hij vraagt zich niet af wat hun bedoeling en oorsprong is. Ze zijn er gewoon en zitten goed.

Ik houd van die door veelvuldig gebruik glad gepolijste rituelen – als van glimmende, organisch gevormde keien op de bodem van een beek. Overigens beperkt mijn liefde voor versleten ceremoniën zich niet tot de katholieke liturgie. Ik geniet even goed van de stugge protestantse anti-rituelen met hun uitdrukkelijke soberheid – en zelfs van de officiële handelingen van onze vorstin of haar plaatsbekleders.

Natuurlijk weet ik dat er geleerden zijn, die al dat eerbiedwaardig ouds meedogenloos ontmaskeren. Veel liturgische handelingen hebben – zo onderwijzen ze – hun oorspronkelijke functie en zeggingskracht verloren, omdat de oorspronkelijke context ontbreekt. Al dat gebuig, al die wierook en al dat kwistig gebruik van water bijvoorbeeld: ze stammen af van lang vergeten hofrituelen of uit tijden dat hygiëne in de kerkelijke samenkomst geen overbodige luxe was. Toch houd ik ervan.

Ik ken ook de theologen die van die versleten vormen af willen, omdat ze het zicht zouden benemen op de ‘eigenlijke inhoud’. Ik ken de zielzorgers die terug willen naar de ‘kern’ en daarom naar nieuwe, ‘authentiekere’ vormen zoeken, die dichter bij de ‘inhoud’ liggen en meer zeggingskracht hebben. En toch geef ik de voorkeur aan die glad gepolijste rivierkeien.

Is dit romantiek? Wellicht. Het is echter misschien eerder achterdocht. Veel van de nieuwe vormen verhullen namelijk, dat de scheppers ervan in hun hart eigenlijk zeer behoudend zijn en dat zij aan ons oude wijn in nieuwe zakken willen slijten. Veel moderne voorgangers zijn marktkooplui die in hun denken stil zijn blijven staan, maar hooguit de verpakking hebben gepimpt. Maar ook deze argwaan is niet de kern van mijn bedenkingen. Het gaat me om iets radicalers.

***

Achter de vormvernieuwing schuilt de opvatting, dat we door de vormen héén kunnen kijken, dat we de ‘vorm’ van de ‘inhoud’ af kunnen wikkelen en zo rechtstreeks (of in elk geval dichter) bij de ‘inhoud’ kunnen komen. De vormvernieuwing gaat uit van de opvatting dat er uitdrukkingsmiddelen zijn, die betrouwbaarder, doorzichtiger, authentieker zijn dan de bestaande. En daar zit nu het probleem.

Vormen zijn inderdaad communicatiemiddelen. Maar het woord middel verwijst naar iets cruciaals. Als middel brengen vormen ons in contact met de ‘inhoud’, maar op het zelfde moment staan ze tussen ons en de ‘inhoud’ in. Bemiddeling en belemmering vallen samen. Vormen zijn – zo leren we van taalfilosofen en mystici – als een glasplaat. Ze geven ons enerzijds zicht op datgene wat er ‘achter’ ligt. Aan de andere kant zien we altijd – tegelijk en onafscheidelijk van de ‘inhoud’ – het troebele glas van de vorm. Dat geldt voor oude vormen, maar ook voor nieuwe.

Meer nog: die nieuwe vormen belemmeren juist nog sterker het zicht. Ze hebben immers iets opzettelijks, iets geconstrueerds en bedachts. De oude vormen zijn dan misschien een beslagen of troebele ruit. De nieuwe vormen zijn echter geen haar beter. Door hun grote mate van willekeur en subjectiviteit zijn ze als een spiegelende ruit, waarin we meer onszelf terugzien, dan datgene wat er eventueel ‘achter’ ligt. Zo komen we van de wal in de sloot.

Als ze dan ook nog de illusie wekken, dat ze transparanter of ‘onmiddellijker’ zijn, draaien nieuwe vormen ons bovendien een rad voor ogen. Onmiddellijke middelen bestaan niet.

Daarom geef ik de voorkeur aan de oude, versteende vormen. Ze geven me niet de illusie van directheid en doorzichtigheid. Door hun ondoorzichtigheid en oninzichtelijkheid herinneren zij eraan dat ze slechts middelen zijn. Ze geven als het ware van meet af aan hun eigen beperktheid en vergeefsheid toe – met een knipoog vol zelfspot. De keerzijde is dat oude vormen op discrete wijze het geheim intact laten van datgene waarnaar ze verwijzen. Ze roepen een heilige schroom op: de mystieke kiem van authentieke religiositeit.

Oude rituelen zijn eerlijker en bescheidener. En bovenal laten ze het mysterie met rust. We moeten dus niet zoeken naar vormen met meer ‘zeggingskracht’, doch de discreet zwijgende zwakte koesteren van het oude.