Monthly Archives: december 2012

We hebben een aandachtprobleem.

Opvoeders en bestuurders weten één ding heel goed: onwenselijk gedrag ontmoedig je niet door er veel aandacht aan te geven. Integendeel. En toch trappen ze herhaaldelijk in die valkuil.

Ouders reageren op dreinende en dreigende kinderen veelal door bestraffend of vermanend optreden – of juist door toegeven. In beide gevallen wordt het ongewenste gedrag beloond en bevestigd. Het krijgt immers aandacht – en daar zijn wij mensen verzot op. Ja zeker: ook op onaangename aandacht. Anders dan dieren ervaren mensen zelfs een tik op de vingers als een ‘incentive’ – zolang er maar een vorm van aandacht is en zolang het alternatief van de positieve aandacht maar ontbreekt.

Voor bestuurders geldt de zelfde les: als je repressief reageert op wangedrag van een groep of een individu, stimuleer je dat gedrag juist. En des te meer moedig je het aan, als je er begripvol op reageert.

Wat opvoeders en bestuurders vaak verzuimen, is het besteden van aandacht aan positief gedrag. Juist als iemand zich ‘goed gedraagt’ moet zij of hij worden bevestigd, op het schild worden geheven en met aandacht worden verwend. Dit zal niet alleen bekrachtigend en aanmoedigend werken, maar het zal het wenselijke gedrag ook aanstekelijk maken voor anderen. Het devies is dus: negeer onwenselijk gedrag en zet opbouwend gedrag in de schijnwerpers.

Wellicht ligt hier een sleutel voor een paar slepende kwesties te onzent. Zowel politiek correct, ‘links’ Nederland als het law-and-order-georiënteerde deel der natie belonen tot op heden vooral negatief gedrag met aandacht. Zo zijn beide stromingen verantwoordelijk voor het wangedrag van bepaalde minderheidsgroepen. ‘Rechts’ heeft dit versterkt door de exclusieve focus op repressie. ‘Links’ heeft dit gedaan (in elk geval tot voor kort) door een al te begripvolle benadering.

***

Zo is ook het stigmatiserende en rancuneuze populisme (vaak een reactie op het geschetste falen) door beide stromingen voorzien van een vruchtbare kweekbodem. ‘Links’ reageerde lange tijd hierop door moord en brand te schreeuwen. ‘Rechts’ (en inmiddels ook een groot deel van links) gaf respons door het populisme al te serieus te nemen en door begripvol luisterend het verongelijkte volksdeel toe te knikken.

De burger is niet gek en weet inmiddels feilloos de weg naar de aandachtsuikerpot te vinden. En zo verschaft het peuterpuberpopulisme ter linker- en ter rechterzijde zichzelf nu voortdurend een podium. De vele semi-officiële meldpunten die ons land sinds 2012 rijk is, zijn daarvan een uitingsvorm. Als de politiek deze klaag-en kliklijnen al niet zelf in het leven roept, neemt ze hen op zijn minst veel te serieus. Elk kort lontje en elke overgevoelige traanklier heeft zodoende inmiddels zijn eigen meldpunt.

De meldpunten zijn de evenknie van de intussen tot een volksgericht verworden stille tochten. Ooit begonnen als oprecht getuigenis van rouwende en bezorgde burgers, zijn deze discrete betogingen gekaapt door betweters en gedevalueerd tot morrende marsen: demonstraties van geclaimd slachtofferschap, vermoorde onschuld en morele zelfgenoegzaamheid.

***

Ik stel in al mijn kinderlijke eenvoud voor, om een aandachtpunt in het leven te roepen: een aandachtpunt voor goed gedrag. In plaats van een klaag- en kliklijn is dit een adres om goede ideeën, constructieve vormen van maatschappelijke inzet en lofwaardige initiatieven te deponeren en aan te bevelen. Een ‘open source’ van ‘good practices’, die mensen eindeloos mogen kopiëren.

Zo’n aandachtpunt maakt al die de meldpunten op den duur overbodig, omdat het volume aandacht gelijk blijft, maar wel anders wordt verdeeld. Het is ook het antwoord op de kwestie of we een ‘puntje-puntje-puntje-probleem’ hebben of niet. We hebben gewoon een aandachtprobleem. Mensen snakken naar aandacht. Altijd. Waarom onthouden we die dan aan diegenen, die die aandacht echt verdienen?

***

(De gedachte van de parallel van opvoedigkundige en politieke aandacht ontleende ik aan de TED-lezing van de cineaste Julia Bacha in 2011.)

Laten we de paus niet onderschatten

Als ik paus was, zou ik beter op mijn woorden letten. Je zit als opvolger van Petrus immers niet alleen in een futuristische glazen auto, maar ook permanent in een glazen huis. (Dat is geen privilege van fundraisende diskjockeys.) Alles wat je als paus doet of zegt, wordt uitvergroot en versterkt waargenomen. Op elke slak wordt zout gelegd. De huidige paus is echter in de wieg gelegd als wetenschapper. Hij is een man van de inhoud en de redenatie. Daardoor realiseert hij zich vaak onvoldoende, dat spreken in het openbaar tact vereist en gevoel voor de samenhang waarin een uitspraak wordt gedaan. Het gaat daarbij om de context van de actualiteit, de context van de positie van waaruit je spreekt, de context van de media-realiteit en de context van datgene wat je zelf allemaal eerder hebt gezegd.

Meteen aan het begin van zijn Petrinische loopbaan – in 2006 – ging Benedictus op deze manier de fout in. Het was met zijn Regensburger lezing. In het kader van een academisch, historisch betoog deed hij feitelijke uitspraken, die konden worden opgevat als een directe aanval op de islam – terwijl hij die kritiek hooguit indirect leverde aan de hand van slechts exemplarisch bedoelde citaten. Dat was uiteraard koren op de molen van bevolkingsgroepen die klok en klepel niet kunnen onderscheiden en die bij het minste of geringste in hun wiek zijn geschoten. Hem was het zelfde lot beschoren als Philipp Jenninger, die op 10 november 1988 in het Duitse parlement ook even vergat dat je aanhalingstekens nu eenmaal niet kunt horen en dat een politiek podium nu eenmaal geen collegezaal is – met als gevolg boegeroep en zaalverlaters.

Als je gevoel voor de context je in de steek laat, is verontwaardiging vaak je deel. Je kunt in minder ernstige gevallen ook milde hilariteit oproepen of meewarige en sarcastische reacties. Dat gebeurde na het verschijnen van het meest recente Jezusboek van paus Ratzinger, waarin hij, netjes kleurend binnen de historisch-kritische lijntjes, onze kerststal leek te willen ontluisteren. Dat de paus er als geboren kamergeleerde een tweede bestaan als boekenschrijver op nahoudt om het proza van het bestuurlijke bestaan te compenseren en dat hij in zijn boeken uitspraken doet die niet dezelfde pretentie hebben als de uitspraken die hij doet in zijn rol als zielenherder en als bestuurder: dat alles laten onwelwillende waarnemers zich maar al te graag ontgaan. Ze  doen of hun neus bloedt en wrijven de paus zijn (niet leerstellig bedoelde) uitspraken plagerig onder de neus. Dat is hun uiteraard aan te rekenen. Het is echter ook naïef om te denken dat je als bestuurder en publiek persoon ontkomt aan dit soort onwelwillendheid – en dat je dus zonder risico neutraal bedoelde boeken kunt schrijven.

***

En dan zijn er de uitspraken ‘tegen het homohuwelijk’ of ‘tegen de homo’s’, die de critici maar al te gretig destilleerden uit de pauselijke boodschap voor wereldvredesdag en uit de toespraak die hij afstak tijdens de kerstborrel van de curie op 21 december. Letterlijk staan deze gewraakte uitspraken er eenvoudigweg niet. De paus verdedigt slechts met vuur de maar al te vertrouwde standpunten over seksuele identiteit, huwelijk en gezin. De eenduidige identiteit als man of vrouw, het heteroseksuele huwelijk en het vruchtbare gezin zijn volgens hem verankerd in de door God geschapen menselijke natuur en zijn op hun beurt dus ankers voor een stabiele samenleving en cultuur. Het is dus niet eerlijk als niet-pauselijk gezinden of sensatiebeluste journalisten de uitspraken zodanig isoleren, aandikken en ombuigen dat ze een anti-homoseksuele pointe krijgen. Het is echter tevens op zijn minst argeloos om hierop niet voorbereid te zijn.

Ik zeg: op zijn minst. Want ik denk eerlijk gezegd dat in dit laatste geval wel degelijk meer aan de hand is dan argeloosheid, contextongevoeligheid of tactloosheid. Met name door de bewuste verwijzing naar Gilles Bernheim mengt de paus zich wel degelijk in het actuele ‘debat’ (of wat daarvoor doorgaat) over de openstelling van het huwelijk voor gelijkgeslachtelijke paren. In de context van het hele pauselijke oeuvre beschouwd, zou het bovendien van de naïveteit van de lezers en toehoorders getuigen, als ze de paus niet zouden verdenken van een indirecte aanval op het homohuwelijk (wat overigens nog iets anders is dan een aanval op de homo’s). Misschien onderschatten we het gegroeide tekstpolitieke besef van de paus, als we de polemische gelaagdheid van zijn kersttoespraak niet onderkennen.

***

Toevallig – en om redenen die er niet toe doen – las ik dezer dagen een uit 1925 daterend essay van Thomas Mann over het huwelijk. Mann schrijft hierin over de crisis van het huwelijk en weidt in dat verband – anders dan de paus nu – wel uitdrukkelijk uit over homoseksualiteit. De gelijkgeslachtelijke erotiek wijst hij niet categorisch en ethisch af, al plaatst hij er wel de tijdgebonden kanttekening bij dat ‘Homoerotik’ een vrijblijvende en ontwortelde beleving van seksualiteit is. Mann evenaart in zijn pleidooi voor het heteroseksuele huwelijk – voor hem een universeel en ‘eeuwig’ instituut en een uiting van verantwoordelijke liefde – de stelligheid van de katholieke moraalleer.

Tegelijk – en daar zouden we tot op de dag van vandaag nog veel van kunnen leren – wijst Mann er op dat het ‘eeuwig-menselijke’ van het huwelijk en het gezin maar al te zeer zijn vervlochten met burgerlijke normen en vormen uit de negentiende eeuw, normen en vormen die volgens hem goddank aan kritiek worden onderworpen. Van deze knellende en beklemmende omstrengeling van universele waarden enerzijds en tijdgebonden normen en vormen anderzijds moet het huwelijk worden bevrijd, stelt Mann. De enige redding van het huwelijk uit zijn actuele crisis bestaat er in, zich verder te ontwikkelen. Immers:  ‘Das Ewig-Menschliche ist wandlungsfähig.’ Restauratie en verdringing van de natuurlijke ontwikkeling zijn de doodssteek voor het huwelijk en eindigen in de zielloosheid ervan. Het huwelijk hervindt zijn volledige waarde, glorie en bezieling pas, als het zich laat verruimen en verrijken door de ontwikkeling van het menselijk leven. Ontwikkeling is niet de vijand van het goede. En het homohuwelijk hoort daar gewoonweg bij – zeg ik maar even op eigen rekening.

Ach, Thomas Mann zegt het zelf allemaal veel beter en mooier, daarbij puttend uit een hegeliaans vocabulaire: ‘We moeten de weg van de Geest ten einde gaan, opdat er weer bezieling kan komen.’

Het navelstaarlabyrint

Op de lange mars van de evolutie hebben wij mensen ergens iets verkeerds gegeten. We hebben verboden vruchten geplukt en van giftig fruit gegeten. Sindsdien zitten we opgezadeld met dat onzalige vermogen, dat we zelfbewustzijn noemen. Dit ‘vermogen’ (wat een eufemisme!) is ons noodlot.

Duitsers hebben voor ‘noodlot’ trouwens mooie equivalenten: Schicksal en Verhängnis. Deze woorden betekenen zoiets als: datgene wat hogere machten voor ons hebben beschikt, de loer die de schikgodinnen ons hebben gedraaid.

In die zin is ook het ‘ontwaken’ van het zelfbewustzijn en de reflectie een trauma. (Daarbij is het woord ‘ontwaken’ overigens eveneens een eufemisme. Er is immers sprake van een hardhandig wakker worden geschud.) We vallen niet meer dromend met ons zelf samen, maar zijn ‘entzweit’ en staan oog in oog met ons zelf.  We kunnen niet meer voor ons uit dommelen als een grazende koe, maar zijn onze zalige onwetendheid en onze onschuld kwijt. Het ‘geschenk’ van het zelfbewustzijn is een kat in de zak.

Niet alleen mythologische verhalen (zoals het Bijbelse paradijsverhaal), maar ook de grote filosofen duiden en ontleden de heilloze ‘schikking’, die ons heeft gedoemd tot reflectie en die ons tot droefgeestige narcisten heeft gemaakt. We kijken in de spiegel en we weten onherroepelijk te veel – want we zien via de spiegel ook onze sterfelijkheid en onze tekorten onder ogen. Als een splinter zijn wij in ons eigen vlees gestoken en we hebben knap veel last van de parasiet die we voor onszelf zijn. Kortom: we liggen met onszelf overhoop. Dat vertellen deze verhalen en deze wijsgeren.

Ze vertellen ook dat het een kansloze onderneming is, als we proberen terug te keren tot het zalige onbewuste bestaan van een foetus in het vruchtwater. We zullen ons lot onder ogen moeten zien en omarmen. Daar helpt geen moedertje lief aan – ook niet als dat moedertje lief de gedaante aanneemt van een infantiliserend soort religiositeit.

***

Ik zie het inderdaad allemaal groot, zoals u terecht opmerkt. En in dit overweldigende perspectief plaats ik ook de sociologische waarneming, dat het narcisme onze cultuur beheerst. Het collectieve narcisme is onszelf helemaal niet kwalijk te nemen – juist omdat het onze ongeneeslijke erfelijke belasting is. Het is dus ook alles behalve nieuw. Eerder kun je zeggen dat het narcisme te onzent minder een luxeproduct is dan ooit en elders.

Tot pakweg 1950 was reflectie en ‘met jezelf bezig zijn’ een privilege van de hogere standen. Een voorrecht van hen die veel tijd over hadden en die geletterd genoeg waren om woorden te geven aan het gewroet in zichzelf. De rest had het te druk en hield noodgedwongen zijn mond – al zal het diep van binnen hebben gevreten en geknaagd.

Sindsdien is het in onze cultuur echter in toenemende mate gemeengoed geworden om ‘over jezelf na te denken’. Met als gevolg dat ieder van ons wel eens op de sofa ligt, gedichten schrijft of een weblog bijhoudt. Én dat iedere opleiding tegenwoordig voor de helft uit ‘zelfreflectie’ bestaat. We zitten allemaal gevangen in het navelstaarlabyrint.

***

Dat het ‘bezig zijn met jezelf’ en je ‘ontwikkeling’ niet zo nieuw is, realiseerde ik me weer toen ik dit najaar Nachsommer las van Adelbert Stifter (1805-1868). Naast Goethes Wilhelm Meister, Kellers Grüne Heinrich (en veel andere dikke Duitse boeken) is Nachsommer een zogenaamde Bildungsroman (‘vormingsroman’). Er wordt in dit genre heel wat ‘gewerkt aan zichzelf’: veelal door ontluikende jongemannen, die hun jeugd doorbrengen met fijn besnaarde, helaas te jong stervende meisjes, met foute vrienden – en vooral met wijze, oudere mannen die hen op hun beurt waarschuwen voor de genoemde foute vrienden.

Ik heb we dit jaar in dit genre verdiept, omdat ik vanaf januari een reeks bijeenkomsten houdt rond Der Zauberberg van oppernarcist Thomas Mann. Mann plaatste zijn boek bewust in de traditie van de Bildungsroman: als eerbetoon en als parodie. De hoofdpersoon van De Toverberg is overigens ook een karikatuur van de moderne verwende snuiter die tijd te over heeft om met zichzelf bezig te zijn.

Goethe en Stifter buigen in hun romans het narcisme overigens om in een positieve richting. De ontwikkelingsgang van de hoofdpersonen is er ook en vooral op gericht, dat zij zich schikken – niet alleen in het menselijke noodlot, maar ook en vooral – in de bindingen en verplichtingen die het bestaan ons cadeau geeft.

Bij Goethe is het sleutelwoord daarvoor Entsagung (zoiets als ‘berustende zelfverloochening’). En bij Stifter is de grote opdracht erin gelegen, zich te voegen in de wetmatigheden van de tijd en in de structuren van werk en gezin. Een mens komt pas tot zijn recht, als hij zich plooit naar zijn verantwoordelijkheden, aldus Goethe en Stifter. In navolging van hen wijst zelfs de egotripper Thomas Mann de hoofdpersoon van de De Toverberg de weg uit het navelstaarlabyrint. (Daarop kom ik zeker nog terug.)

Of er hiermee een rustige thuishaven is voor het onrustige zelfbewustzijn? In elk geval iets waaraan het – om met Stifter te spreken –  ‘eenvoud, houvast en betekenis’ ontleent.

Misschien bestaat de volmaakte samenleving niet eens.

Vroeger was alles beter. Of in elk geval vriendelijker. De lezeressen en lezers die – net als ik – ook vroeger hebben geleefd zullen dit beamen. Vroeger zat als gegoten. Het zat als een warme wintertrui. Soms kriebelde het wat, maar het was al met al behaaglijk, dat vroeger.

Een van de mooie dingen van vroeger was het woord vertrouwen. Je vertrouwde blindelings op instituties en functionarissen. Je had niet de behoefte om alles na te trekken wat ze uitspookten. Ze vormden de ankers van onze samenleving, de axioma’s van de som van ons bestaan. Je had in keurig driedelig grijs gestoken mannen, die stuk voor stuk geknipt waren voor de rol van burgemeester in Swiebertje: ministers, rechters, notarissen, professoren.

Toen kwamen de Armanipakken – en hun vrouwelijk pendant. Het tempo van onze samenleving versnelde. Het neoliberalisme maakte zich meester van onze instituties. Ook de (semi-)publieke sector gooide de ankers los. Hele systemen of onderdelen daarvan werden losgekoppeld of gefuseerd, geprivatiseerd en onderworpen aan – zoals het paradoxaal heette – de ‘tucht van de vrije markt’. Dat speelde zich vooral af in de jaren negentig. Ook dat is inmiddels vroeger. Natuurlijk: het is een vroeger van recentere datum. Maar vroeger is vroeger.

De schaalvergroting en de liberalisering maakten alles onoverzichtelijker. Bovendien wilden we weten wat er met ons geld gebeurde. Zo ontstond er een meer uitdrukkelijk neiging tot controle. Alles moest ‘transparant’ worden gemaakt. Bijvoorbeeld in zorg en onderwijs. De door velen verfoeide papierwinkel kwam op. Critici maakten hiervan graag een karikatuur. Ze maakten de kachel aan met deze papierwinkel en bij dit behaaglijke haardvuur vertelden ze verhalen over het Vroegere Vroeger, toen we nog minder controle hadden en meer vertrouwen in elkaar.

Soms hadden de criticasters toch wel gelijk. Doordat we verpleegkundigen, agenten, leraren etc. (en natuurlijk ook hun bestuurders) voortdurend en op gestandaardiseerde wijze om rekenschap vroegen, ging hun arbeidstijd grotendeels op aan rapportage. Gevangen in hun transparante glazen huis, verkrampten en verstrakten ze. Ze verrichtten hun werk gespannen, stroef en futloos.

Begrijpelijkerwijs  kwam daarom rond de eeuwwisseling in de organisatiekunde het woord vertrouwen als aansturingsbeginsel weer op – vooral in christelijk-sociale kring. Professionals, bestuurders en overheden moesten – zo luidde het credo – kunnen werken met een voorschot van vertrouwen, met een sociaal krediet. Ze zouden dan vanzelf dat vertrouwen belonen en terugverdienen door betrouwbaarheid. Het zou immers hun eer te na zijn, om er slordig mee om te gaan. Lang heb ik daarin geloofd. En ik wil nog steeds geloven dat vertrouwen de ‘smeerolie’ is van de samenleving.

In het afgelopen jaar is dat geloof wel danig op de proef gesteld. Ik zie het jaaroverzicht van 2012 al voor me. 2013 is een slagveld van lege voetstukken. Rechters verschijnen voor de rechter. Om notarissen in de onroerend-goed-sector hangt soms een louche luchtje. Hoogleraren zuigen dingen uit hun duim. Bestuurders in overheid en publieke sector halen – verblind door de macht – rare streken uit. Bij sportmensen en topadvocaten stijgt de roem naar het hoofd. Bewindslieden treden af vanwege de rommel in de bonnetjes-la van hun bureau. En de beroepsmatige op-het-matje-roepers en op-de-vinger-tikkers (zoals inspecties, toezichtorganen en accountants) moeten op hun beurt op de vingers worden getikt omdat ze werken met beslagen brillenglazen.

Moeten we dan toch terug naar een gezond ‘georganiseerd wantrouwen’ en naar grotere alertheid? Of vergroten we de incidenten en ‘rotte appels’ te veel uit? Zijn we overgevoelig en intolerant geworden, zodat we ook de spaanders die we tot voor kort nog met de mantel der liefde bedekten, niet meer door de vingers zien? Het lijkt er echter op, dat de deconfiture van de alfamannetjes niet in de eerste plaats een kwestie is van meer of minder controle of vertrouwen.  Er is iets anders aan de hand. We laten ons wellicht te veel intimideren door grote mannen met een overweldigende ‘span of control’ (cfr. de ‘duizenden’ clïenten van Moszkowicz). Het kleine en kleinschalige is misschien toe aan een herwaardering. Het is immers vaak juist onder druk van onze hoog gestemde verwachtingen dat de ‘grote jongens’ hun hand overspelen. Kwantiteit gaat dan ten koste van kwaliteit, zorgvuldigheid en ethiek.

Ik ben wel op mijn hoede voor de mystificaties van de kleinschaligheidsfans. Want ik heb te veel kleine organisaties in zorg en onderwijs gekend, waarin kleine potentaten meer kwaad deden dan goed – waarin de dorpspolitiek het personeelsbeleid bepaalde bijvoorbeeld. Niets is zo verstikkend dan een gesloten locaal systeem. Zo’n systeem is dan misschien geen glazen huis en geen prooi voor megalomane Armanimannen, maar wel vaak een dichtgetimmerd schuurtje.

Ik ben er niet uit. Misschien bestaat de volmaakte samenleving toch niet. Nou ja: bij Swiebertje of in Star Trek. Maar daar woon ik niet.