Monthly Archives: november 2012

De Vijftig Tinten Grijs van de snob

Neuschwanstein: Tristan en Isolde

Neuschwanstein: Tristan en Isolde

Het wisselen van de jaargetijden heeft een bijzondere magie. Dat wil zeggen: vooral datgene wat de overgang van het ene getijde naar het andere markeert, heeft die eigenschap: een bepaalde geur, kleur of klank van de natuur; de geur van een seizoensgerecht of de klank van kalendergebonden muziek.

Vooral de muziek heeft de kracht om een nieuw seizoen te bezweren – misschien dankzij haar rituele herkomst. De donkere hartenklop van de dans waarmee de Mattheüspassie opent, is bijvoorbeeld het sein voor de lente. En als in Messiah (nee: niet ‘The’!) de tenor de woorden Troost mijn volk laat schallen: dan weet ik dat het echt december is. Als je het hele jaar door naar ‘de Matthëus’ of ‘Messiah’ zou luisteren (zoals buiten Nederland overigens gewoon gebeurt) zou die magie trouwens verdwijnen. De muziek hoort af en toe een tijd in de mottenballen te liggen: des te groter is het feest van de dionysische wederkomst.

Ik maak van deze eigenaardigheid van de muziek graag gebruik, om mijn eigen seizoensassociaties te creëren. Zo ben ik een groot Wagnerliefhebber (nou niet weglopen!) en heb ik lang gekampt met het alom onderschatte probleem van iedere Wagnerverslaafde (want van Wagner houd je niet: je bent eraan verslaafd, zoals aan alles wat lekker maar ongezond is): Waar haal je de tijd en de motivatie vandaan om al die dure CD’s te draaien? Je bent geneigd het telkens uit te stellen. Ik heb daar iets op gevonden. In de zomer (de tijd van het festival in Bayreuth) ga ik zitten voor de Ring des Nibelungen; in het voorjaar haal ik de paasopera’s Lohengrin en Parsifal uit de kast en in de donkere novembermaand Tristan und Isolde. En iedere keer als ik de bastoon hoor waarmee het Rheingold opent en het daarop volgende waterballet van de rijndochters, voel ik een zelfde huivering als bij de Siciliano van Sions dochters in Bachs Mattheüspassie.

***

Ik kom nu natuurlijk in de verleiding om u op de valreep van november te molesteren met een liefdesverklaring aan Tristan: dit Zwarte Gat van de Duitse romantiek. Ik raad u aan om datgene wat u eventueel nog weerhoudt van een duik in dit Zwarte Gat te overwinnen – en bijvoorbeeld de ouverture eens tot u te nemen. Wellicht wordt u door deze obsessieve, gefrustreerde klanken over de schreef getrokken en overgehaald om de opera in haar geheel te beluisteren. Dat hoeft niet op één dag. U kunt, zoals ik, op drie achtereenvolgende avonden telkens een akte beluisteren. Na elke akte gunt u uw mentale gestel een uurtje voor de spijsvertering. En na drie dagen is het leed geleden.

Eerste akte. De eerste akte vormt de grootste beproeving. Als u het redt om die tot het einde toe te beluisteren, dan bent u voorgoed ingewijd in de mysteriën van Bayreuth. Dan heeft u immers dat vermoeiende, verongelijkte haat-liefde-gekibbel achter de rug van twee onvolwassen mensen, die niet willen en mogen toegeven dat ze elkaar willen bezitten en die pas in elkaars armen vallen als ze van de placeboliefdesdrank hebben gedronken. Ja: een placebo is het, want Wagner is te veel psycholoog om écht te geloven dat het om een toverdrank gaat (zoals hij ook aan de ring van de neveling natuurlijk niet letterlijk magische kracht toekent). – Hoe het echt zit: dat is te ingewikkeld om nu uit de doeken te doen. Later misschien.

Tweede akte. Na de akte van opwinding en frustratie komt de akte van de extase en het gemankeerde orgasme. Hier raken niet alleen de twee geliefden in elkaar verstrengeld, maar ook de Liefde en de Dood. Deze samenloop bereikt zijn diepste symbolische intensiteit als Isolde bij het vallen van de nacht het ontnuchterende licht van de fakkel dooft: een regieaanwijzing die uitdrukkelijk verwijst naar het iconografische motief van de genius des doods. We horen hier het mooiste en meest erotische duet uit het hele operarepertoire, het Je t’aime moi non plus van de klassieke muziek. De overweldigende spanning is vooral te danken aan de wanhopige waarschuwingen van de bediende Brangäne, die het taboe belichaamt. Het hachelijke liefdesspel wordt ten slotte ruw geïnterrumpeerd en de twee in de liefdesnacht ondergedoken schuinsmarcheerders worden tot de orde van de meedogenloze dag geroepen.

Derde akte. U hoeft nu nog maar één akte: de akte van de overgave en de berusting, waarin Tristan sterft aan de gevolgen van de schermutseling die niet kon uitblijven. Het is de akte die eindigt met de liefdesdood van Isolde. Met deze liefdesdood mondt ook de rusteloos kolkende muziek zelf uit in een oceaan van harmonie. De beide geliefden zijn nu geborgen in het duister-onbewuste van de dood: de dood die de onlosmakelijke keerzijde van de liefde is en haar uiteindelijke thuishaven.

***

Ik zie ijverige vingers omhoog gaan: Schopenhauer! Inderdaad: Tristan und Isolde is Schopenhauer op muziek. Dat heb ik ook maar ergens gelezen, maar het was inderdaad Wagners opzet. Laten we dit allemaal echter niet te serieus nemen. (Dat moet je bij Duitse romantiek sowieso überhaupt nooit doen.) Op de keper beschouwd vertolkt Wagner een wijsheid van de koude grond: de liefde heeft een pikzwarte schaduwzijde. De taboes waarmee de liefde is omgeven waarschuwen ons daarvoor – en maken tegelijk de verleiding des te sterker om een duik te nemen in de donkere nachtzijde ervan. En het maakt niet zo gek veel uit, of het gaat om de erotische liefde, de mystieke liefde of de liefde voor zoiets verfoeilijks als Wagners muziek. Want die laatste is gewoon de Vijftig Tinten Grijs van de snob.

Een eenvoudig recept voor een aanvaardbaar bestaan

Er zijn mensen met engelengeduld, zitvlees en een lichte neiging tot autisme, die in staat zijn om de brieven van Beroemde Wereldburgers te verzamelen, te ontcijferen, over te tikken, in de goede volgorde te zetten, van voetnoten te voorzien en ze vervolgens als boek uit te geven. (Om dit monnikenwerk te verrichten moet je overigens ook gespeend zijn van smetvrees, want vaak leefden Beroemde Mensen in Beroerde Tijden, waarin ze zich moesten behelpen met flarden afgedankt papier of hun brieven noodgedwongen schreven op de zelfde tafel waaraan ze de maaltijd nuttigden.) In de afgelopen tijd las ik twee op deze manier tot stand gekomen brievenbundels. De eerste was een verzameling brieven van Albert Vigoleis Thelen. De tweede was een bundel met brieven van Hedwig Pringsheim aan een door haar geadoreerde publicist.

Albert Vigoleis Thelen (1903-1989)

Ik raakte geboeid door de persoon van Thelen dankzij zijn roman Het eiland van het tweede gezicht. Ik heb dit boek twee keer gelezen – met toenemende verbazing en groeiende bewondering. Het is een irritant boek, omdat Thelen dankzij zijn eruditie over een Duits vocabulaire beschikt dat buiten de oevers van de meest academische dictionaires treedt – en daardoor vaak geheimtaal blijft. Deze omstandigheid draagt echter mede bij aan de oneindige kleurschakeringen in Thelens boek en aan de glinsterende ironie, die soms ontaardt in hilariteit.

In zijn autobiografische roman komt Thelen naar voren als een onzichtbare spin in het web van de Duitse en Nederlandse literatuur van de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij zette zich dienstbaar in voor andere auteurs: als vertaler (ook uit en naar het Nederlands!), secretaris, lobbyist en recensent. Eerst relatief laat brak hij door met zijn eigen roman. Ook in zijn brieven zien we de alomtegenwoordige, nederige (en daardoor ook door tijdgenoten verwaarloosde) stille kracht. Thelen schreef ze onder dreigende politieke en barre economische omstandigheden. Je verbaast je dat deze brieven überhaupt tot stand kwamen, omdat Thelen voortdurend op de vlucht was voor Hitlers sluipmoordenaars en in gevecht met honger en papiergebrek.

Hedwig Pringsheim (1855-1942)

Ik ben – ik zal u er nog vaak mee vervelen – ook gefascineerd door Thomas Mann. Daarom kocht ik enige tijd geleden een boekje met de brieven van Manns schoonmoeder aan Maximilian Harden. Ze zijn geschreven in een boeiende periode van de Duitse geschiedenis (1900-1922) en – voor mij een extra smaakmaker – gedurende de ontstaansgeschiedenis van De Toverberg. We zijn er dankzij deze brieven van nabij getuige van, hoe de libertair ingestelde schoonmama haar neus ophaalt voor haar puberaal-nationalistische schoonzoon, die zich verschanst in zijn werkkamer terwijl leeftijdsgenoten bij bosjes sneuvelen in de loopgraven – een dodendans die Thomas door zijn aanstellerij ontspringt. Pringsheims brieven getuigen van een sfeer van dreiging, van de dagelijkse aanwezigheid van de sneuveldood en van de bittere armoede die tijdens en na de oorlog ook de rijken treft – met als merkwaardig dieptepunt de ‘Dienstbotennot’: het gedoe met dienstmeisjes die veel noten op hun zang krijgen omdat zij een schaars goed zijn.

Compensatie en vriendschap met jezelf

Een gemeenschappelijk element in deze twee bundels is het wonderlijke verschijnsel, dat de briefschrijvers in de door hen beschreven omstandigheden het beste van hun leven weten te maken. Het is verleidelijk om hierover te spreken in modieuze, pseudopsychologische en spirituele termen (‘resiliëntie’, ‘mindfulness’ etc.). Deze begrippen zijn hooguit in zoverre van toepassing, dat Thelen en Pringsheim beschikken over de nodige vindingrijkheid – ondanks de telkens weer de kop opstekende aanvechting door wanhoop (die bij Thelen soms op het suïcidale af is).

De veerkracht van Thelen en Pringsheim is echter geen kwestie van diepzinnigheid of verheven autosuggestie. Ze uit zich ook en vooral in datgene wat wij neerbuigend wel eens compensatie noemen: het genieten van concrete dingen als een klein cadeautje, een groet van een vriend, een uitstapje, een uitgedunde kerstboom, de lichamelijke nabijheid van de geliefde, een mooi boek. En niet te vergeten: humor. Pringsheim geeft hooguit met enige gêne toe dat deze dingen haar overeind houden. En laten we eerlijk zijn: ook wij voelen ons hier vaak te goed voor.

De veerkracht van Thelen uit zich bovendien hierin, dat hij uit de voeten kan met de eenzaamheid en dat hij vrede sluit met zijn ontworteld bestaan. Hij geeft een voorbeeld hoe je vriendschap kunt sluiten met de enige die er altijd is, met je intiemste boezemvijand: met jezelf. En hij drukt dit kernachtig uit in de zin, die de redacteur van zijn brieven als titel voor zijn bundel heeft gekozen: Meine Heimat bin ich selbst.

Compensatie niet versmaden en het goed kunnen vinden met jezelf: het zijn tactieken om de onuitroeibare melancholie telkens een slag voor zijn. Het is een eenvoudig recept voor een aanvaardbaar bestaan. Daar is niets mis mee. Ik houd me natuurlijk altijd aanbevolen voor iets extra’s.

***

Albert Vigoleis Thelen, Meine Heimat bin ich selbst. Briefe 1929-1953. Dumont 2010.

Hedwig Pringsheim, Meine Manns. Briefe an Maximilian Harden. Aufbau Verlag 2006.

De troost van realiteitszin

Ik ben wel eens jaloers op mensen die het Israëlisch-Palestijnse conflict zo goed doorgronden, dat ze in luttele woorden de schuldige kunnen aanwijzen en bij elke raketinslag binnen een minuut partij kunnen kiezen. Dat is handig als je twittert. Zo benijd ik ook mensen die nog niets hebben gelezen van Louise Fresco en nog steeds verantwoord consumeren, er rotsvast in gelovend dat ze daarmee de levensduur van de aarde verlengen. En helemaal zou ik af en toe graag in het vel zitten van al die blijmoedige mensen die dwepen met Covey en Tiggelaar: mensen wier levenshouding één grote stralende glimlach is en die uitgrijnzen dat ze slechts een steenworp zijn verwijderd van het Geluk.

Aartstwijfelaar die ik ben, heb ik soms het gevoel dat ik als een uitgeprocedeerde asielzoeker rondloop in een Paradijs van Zekerheden, in een soort opgewekte hippiekolonie waarin iedereen elkaar gelukzalig, zelfgenoegzaam en liefdevol aankijkt. In dit paradijs ben ik slechts een gast, die hooguit kan rekenen op mededogen omdat hij ‘nog niet zo ver is’ en nog niet is ingewijd in het zeker-weten.

Tot heil van mijn ontroostbare ziel ontdekte ik afgelopen jaar een boekje van Ludwig Marcuse: ‘Das Märchen von der Sicherheit’. Marcuse (1894-1971) beschrijft op melancholische toon, hoe wij onszelf in slaap wiegen met de illusie van onze religieuze, politieke en wetenschappelijke ‘zekerheden’. We verhullen onze naaktheid en eenzaamheid ermee. Ze dienen ons tot loopgraven, van waaruit we ons verdedigen tegen alles wat ons onderuit wil halen in onze mentale overlevingsstrijd. Nee: zekerheid is bij nader inzien niet iets om jaloers op te zijn. Je gunt niemand om in sprookjes te geloven.

Met zijn ‘zekerheden’ doelt Marcuse overigens niet slechts op de in het oog springende sektarische dogma’s of dweperige waandenkbeelden. Zekerheden zijn wijd verbreid en hebben juist iets heel vanzelfsprekends; ze zaten al in onze Brinta en zitten in de lucht die we inademen sinds onze eerste ademtocht. Ik ga dus evenmin vrijuit: ook ik ben ermee behept. Vergeet u dus even het narcistische zelfbeklag in de intro. Ik hoopte vergeefs te kunnen schuilen in de aura van de authenticiteit, in de zekerheid van de zelfstilering. (Dank aan Marcuse voor deze genadeloze introspectie.)

Zekerheden gaan bovendien – zegt Marcuse – gehuld in een respectabel kleed van traditie, politieke correctheid en wetenschappelijkheid. Daarbij worden ze voorzien van het gezag van de intellectuelen: de priesters van deze tijd. Geen wonder dat de barbaren – zo zegt Marcuse in een hachelijke passage van zijn boekje – deze intellectuelen af en toe de wacht aanzeggen, hoezeer ze zelf ook ongelijk hebben. Het ressentiment van de horden weet de achilleshiel van de intellectuelen immers goed te vinden: hun neiging om de werkelijkheid mooier te maken dan zij is. Daardoor dragen de intellectuelen bij aan de institutionalisering van de leugen.

Na dit dilettantistische portret van Marcuse zou u kunnen gaan denken dat hij een sceptisch, ja zelfs nihilistisch schrijver is die – blasé geworden door alles wat hij heeft meegemaakt – bij elke discussie verzucht: ‘Wat is waarheid?’ Of dat hij zo’n discussiemijdende New-Age-er is die zich steevast van de dooddoener bedient dat ‘iedereen zijn eigen waarheid heeft’. U zou ten slotte ook kunnen gaan denken dat Marcuse zich pessimistisch en gemakzuchtig terugtrok in een Schopenauerachtige schulp.

Alleen al zijn strijdbare levensgeschiedenis logenstraft deze perceptie. Marcuse was een potentieel Nazislachtoffer en zijn denkbeelden waren ook en vooral polemisch gericht tegen de nazidictatuur. Maar afgezien daarvan: Marcuse trekt haarscherp de streep tussen waarheid en leugen. Op Nietzscheaanse wijze is hij gedreven om de realiteit onder ogen te zien – en dan precies de realiteit van de zwakte en naaktheid die ons voortdurend krampachtig doen grijpen naar schijnzekerheden.

En Marcuse is zéker niet pessimistisch en lui. Hij koestert de ouderwetse hartstocht voor een pedagogisch en emancipatorisch ideaal. Hij wil de lezer helpen om het aangeboren kleed van zekerheden, zwart-wit-denken en zelfgenoegzaamheid af te leggen. Hij daagt ons uit tot de volwassen moed om onszelf onder ogen te zien in onze naaktheid en complexiteit, in onze zwakte en zelftegenspraken. Hij roept op tot de durf om het dwingende labyrint van schijnzekerheden te verlaten, waarin maar één weg naar het doel leidt (het labyrint is niet voor niets een geliefd motief in het dwangdenken van de esoterie), en om te gaan dwalen.

Ook heroïsche zelfstilering helpt niet tegen de onzekerheid, zoals ik zijdelings al toegaf. Marcuse pleit voor de moed om onaf te worden. Dat is een troostrijk troosteloze gedachte. En – voeg ik als theoloog eraan toe – als er Iemand bestaat, die ons ooit wil afmaken: Soit. Ik ga daar niet over. Niemand trouwens.

De koningin zucht – en terecht.

Ik verwed er een lief ding om, dat Hare Majesteit dit jaar weer voorkomt in de kerstcitatenpuzzel van dagblad Trouw. Ik gok dat het dan is met de uitspraak: ‘Anders wordt het zo’n toneelstukje.’ De koningin sprak deze woorden afgelopen week uit op de zuchtende wijze die we inmiddels van haar gewend zijn – en die maar al te invoelbaar begint te worden. Het was haar antwoord op het verzoek van de regisseur van de live uitzending van de kabinetsbeëdiging om het allemaal nog even over te doen.

Want – tja – die openbare beëdiging was natuurlijk een kijkcijferkanon van jewelste. En als de verbindingsofficieren van de publieke omroep in Hilversum hebben zitten slapen en te laat hebben ‘overgeschakeld’, dan laat je de koningin niet zo maar ontglippen naar één van haar privévertrekken. Nee, ze zal en moet ervoor zorgen dat de kijker alsnog live getuige is van de belofte of de eed van onze bewindslieden. Deze kijker heeft immers speciaal gebak laten bezorgen en zijn of haar beste vrienden uitgenodigd om samen te genieten van dit televisiehoogtepunt – uiteraard niet zonder van tevoren een weddenschap te hebben afgesloten over het aantal paarse bewindslieden dat net niet paars genoeg is om demonstratief een belofte af te leggen in plaats van een eed. (Bestaan er trouwens paarse tompouces? Soit.)

Ik sloot me aan bij de vorstelijke verzuchting. Niet dat ik een héél erg grote fan ben van de monarchie en het koninklijk huis. (Ik hoop overigens dat ik me van de juiste woorden bedien, want voordat ik het weet tikt een staatsrechtgeleerde of een redacteur van Blauw Bloed me corrigerend op de vingers en wijst hij of zij me subtiel op het verschil tussen de begrippen ‘koninklijke familie’, ‘koninklijk huis’, ‘koningshuis’ etc.) Al met al laat het koningschap mij koud. Misschien is dit terug te voeren op een Limburgs-katholieke onwennigheid tegenover de NCRV-opgewektheid, waarmee ik als jongeling de vorstin associeerde door toedoen van de grote boterbabbelaar Dick Passchier. Of dit echter een afdoende verklaring is, betwijfel ik echter. Ten diepste is de Limburger immers niet eens katholiek, maar vooral nihilistisch. Dit nihilisme verklaart mijn onverschilligheid tegenover Hare Majesteit misschien nog wel eerder.

Toch zal ik al met al geen voet verzetten voor het afschaffen van het koningshuis, al is het maar omdat ik het republikeinse ideaal bleek en bloedeloos vind. Maar… als onze halfslachtige bestuurders en journalisten blijkbaar vinden dat wij Nederlanders de monarchie zijn ontgroeid: laten ze dan eerlijk zijn, lef tonen en morgen nog de republiek uitroepen. Pak de vorstin niet sluipenderwijs haar informele bevoegdheden af, zoals bij de afgelopen kabinetsformatie. En dwing de koningin niet in de rol van een ceremoniemeesteres. Span haar niet voor het karretje van de mediatisering van de politiek. Ofwel je neemt Beatrix serieus – als persoon en als functionaris – of je geeft haar voorgoed vrijaf.

Wat nog wel het belangrijkste is: neem alsjeblieft onze instituties serieus. De beëdiging is geen ludieke ceremonie van het genre linten-doorknippen of oceaanstomers-dopen, doch een ritueel dat ons als zodanig even heilig moet zijn als andere rituelen in ons leven. De betekenis en de werking van een dergelijk ritueel hangt niet af van de toevallige verbinding met Hilversum en van de kijkdichtheid. De beëdiging is geen toneelstukje: als theoloog kan ik het Beatrix nazuchten. En als het dat wel is: vraag dan Yvon Jaspers om het te doen.

Het Knusprich-syndroom of het ressentiment van de kleine zielen tegen de grote geesten

Ik geef toe dat ik soms wel iemands bloed kan drinken. Dat overkomt me uiteraard alleen, als die ander eerst mij mijn eigen bloed onder de nagels vandaan haalt. Hij of zij zit bijvoorbeeld te manipuleren in een bespreking of haalt me onderuit. Ik ben nogal secundair en voel me in dergelijke omstandigheden afgetroefd. Zoals meer secundaire mensen begin ik dan rancunehormonen aan te maken en te zinnen op subtiele wraak. Je bent Limburger of je bent het niet.

In een dergelijke situatie kan er echter iets bevreemdends gebeuren. Mijn Aartsvijand stoot bijvoorbeeld een kop koffie om en bederft daarmee zijn kleding en de A4-tjes die voor hem liggen. Mijn rancuneharmonen maken aanstalten om een triomflied aan te heffen en zich uit te leven in een wave van leedvermaak … en dan vallen ze stil. Mijn maag krimpt samen van medelijden door dit sneue voorval. Ik zie in mijn plaaggeest ineens geen tegenstander meer: hij schrompelt in mijn beeldvorming ineen tot een zielig geval. Merkwaardig genoeg gebeurt dit ook als ik in een gedachte-experiment mijn ‘vijand’ op zijn neus laat lijken en als ik mij daarbij een levendige voorstelling maak van diens beteuterde gezicht.

Nee, leedvermaak is een kunst – en ik beheers haar niet. Daar wens ik mezelf geluk mee. Blijkbaar ben ik niet zo haatdragend en nadragend als ik dacht. Iets in mij dempt mijn wraakreflex. Ik beschik over een soort morele schokbreker: misschien is dat het vermogen om me te verplaatsen in de ander oftewel ‘sympathie’ in de Nussbaumiaanse zin van het woord. Wat kan een mens zichzelf meevallen! Ach, u herkent het wel. U bent geen haar slechter dan ik.

Overigens reageer ik op een vergelijkbare manier, als publieke persoonlijkheden die ik denk te verachten in verlegenheid worden gebracht. Als een ‘rechtse zak’ in een discussie op TV onderuit wordt gehaald en als de camera vervolgens inzoomt op een trillend spiertje in diens gelaat: dan betrap ik me erop dat ik letterlijk een andere kant opkijk. Ik voel eerder medelijden dan triomf of leedvermaak. Vernedering vind ik geen aangenaam schouwspel.

In extreme situaties doet dit mechanisme ook zijn werking: een politicus die wordt uitgejoeld of een taart in zijn gezicht krijgt kan onmiddellijk op mijn sympathie rekenen, al verwerp ik alles waar hij voor staat. En ik herken me – om een nog extremer voorbeeld aan te halen – ook helemaal niet in de verdenking dat Linkse Nederlanders, achter de façade van correcte uitingen van afschuw, heimelijk voldoening smaakten toen Pim Fortuyn werd vermoord. Ik vond het alleen maar erg.

Tot mijn genoegen kan ik het zelfs niet aanzien als ‘schurken’ in het openbaar aan de kaak worden gesteld – of het nu de geboeide Strauss-Kahn is of de door het slijk gehaalde Lance Armstrong, of het nu Van Rey is of Moszkowicz. Ze mogen dan hautaine ego-trippers zijn. Ze mogen dan, verblind door en verslaafd aan hun succes, rare bokkensprongen zijn gaan maken. Ze mogen dan destructief om zich heen slaan naar aanleiding van de tegen hen ingebrachte aantijgingen. Toch kwijl ik niet van hun afgang. En ik hoop van harte dat slechts een kleine minderheid in onze samenleving dat wel doet.

Maar ik vrees dat er een patroon bestaat in de zucht om succesvolle ‘supermannen’ te betrappen op een misgreep. Met dank aan Drs. P. zou ik hiervoor het begrip Knusprich-syndroom willen munten. Inhoudelijk lijkt het om rechtvaardigheidsgevoel te gaan, maar daarachter schuilt niet zelden het collectieve ressentiment van de kleine zielen tegen de grote geesten. Dit ressentiment vindt zijn voldoening (of beter: ontlading) eerder in de openbare vernedering van kopstukken (die weliswaar niet per se grote geesten zijn, maar daar wel symbool voor staan), dan in de nuchtere toepassing van recht, in waarheidsvinding en in het trekken van lessen voor de toekomst. Dat laatste moet gebeuren. Het werd ook tijd in de genoemde gevallen. Publieke ontluistering echter is – voor zover zij het primaire en vooropgezette doel is – slechts de uitkomst van een zero sum game. Daar wordt de samenleving niet beter van. Alleen maar klein- en naargeestig.