Monthly Archives: oktober 2012

Leve Constantijn de Grote!

Het was de week van de door mand vallende bestuurders en van hun voetstuk vallende idolen. Nee, ik heb het nu even niet over Berlusconi. Laten we in Nederland blijven. In Groningen bijvoorbeeld moest de PvdA de Augiasstallen van de partij uitmesten, waarin haat en nijd de lucht verpestten. En in Limburg bliezen in de hoek gedreven, corrupte VVD-ers zichzelf op – in een poging om tot het laatst zoveel mogelijk schade toe te brengen aan het plaatselijke bestuur.

En dan de wielersport: de sportdiva’s en hun sponsoren schrobden ijverig het vuil van de handen, dat ze in ruim vijftien jaar tijd de kans hadden gegeven om vast te koeken. Naïeve sportjournalisten, die in dit tijdvak een andere kant hadden opgekeken, gaven toe dat ze nu ‘ambivalent’ waren ten opzichte van deze zwarte bladzijde van de sportgeschiedenis – het understatement van de week.

Andere door-de-mand-vallers bleven vooralsnog buiten schot. De bij het oud vuil gezette Jolande Sap bleef weg bij haar afscheid van de Tweede Kamer. Ze bedankte voor de krokodillentranen van haar voormalige fractiegenoten en bespaarde aldus haar laffe ex-collega’s gezichtsverlies. En op zaterdag likte het CDA-congres zijn wonden en maakte de balans op van de averij, waarvoor uiteindelijk drama-queen Maxime verantwoordelijk is. De laatstgenoemde kan echter zijn handen blijven wassen in de onschuld van zijn toneelschooltranen.

Gaat het hierbij om falende systemen of verziekte partijculturen, om een ‘onduidelijke partijkoers’ of grillig gedrag van de kiezer, om ‘interne verdeeldheid’ of een ‘klimaat’ van corruptie? Nee, het gaat niet om anonieme sociologische mechanismen. Het gaat om concrete mensen met een te groot ego of een ‘dik ik’ (Kunneman). Om narcisten die ‘houden van’ hun club of hun achterban zolang zij daarvan kunnen profiteren en daarop kunnen parasiteren. Als zij zelf ten val komen, slepen zij hun partij, hun gemeente, hun sportcollega’s etc. mee in hun val. – En ach, wij Gewone Mensen kunnen de idolen van gisteren wel missen als kiespijn. Wij hijsen net zo makkelijk nieuwe helden op het schild, desnoods zware jongens uit Amsterdam.

Ik ben in de vulgair-marxistische jaren zeventig en tachtig opgegroeid met de gedachte dat dingen fout gaan door structurele oorzaken en ‘systeemfouten’. Dat was en is nog steeds een nuttige gedachte. Ze voorkomt dat wij ons er gemakkelijk van afmaken, door bij een ernstige crisis de poppetjes te vervangen en de kaarten opnieuw te schudden, zonder vragen te stellen bij de spelregels. Inmiddels lopen we echter het risico van een omgekeerde luiheid. De nieuwe dooddoener luidt: ‘It’s the system, stupid.’

Ook op de theologenschool maakte ik mij deze denkwijze eigen. Het christendom, meer specifiek: de kerk was een boevenbende geworden – en wel door de dodelijke omhelzing met het politieke en economische ‘systeem’. Als er al sprake was van individuele verantwoordelijkheid, lag die bij één man: keizer Constantijn de Grote. Bij hem werd op 28 oktober 312 de kiem gelegd voor de fatale verstrengeling van christendom en wereld. Dit feit werd overigens op zondag 28 oktober herdacht (en als u even rekent, snapt u waarom).

Alles wat misgaat, zo heb ik dus geleerd te geloven, gaat terug op die ‘systeemfout’. Het zwarte lijstje is bekend: de inquisitie (waarvan de meesten onder ons overigens alleen weten dat ‘het erg was’); de heksenvervolging (die, zoals bekend, op haar hoogtepunt was in de ‘duistere middeleeuwen’ …. nee dus: het was een vroegmodern verschijnsel; weet u dat ook weer); de belangenverstrengeling van kerk en staat (ook en vooral in dictaturen); de starheid van kerkelijke structuren; het misbruik van minderjarigen; de weigerambtenaar; de veroordeling van Galilei en Pussy Riot (bien étonnés de se trouver ensemble) etc.

Toch ben ik wel blij dat het christendom zich dankzij de keizer (en als hij het niet had bewerkstelligd, dan was het wel iemand anders geweest) heeft gevoegd in de polis en is geïnstitutionaliseerd.  Juist doordat de kerk een ‘gewone’ menselijke organisatie is geworden, kunnen zij en haar bestuurders tot verantwoording worden geroepen – al gebeurt dat in onze geschiedenis vaak veel te laat. En los daarvan zijn er ook witte bladzijden in de kerkgeschiedenis, die we regelrecht danken aan de institutionalisering van het christendom. Er waren en zijn ook instituties die de kerk hebben gedwongen en geholpen om het open gesprek met de samenleving aan te gaan, zoals de theologische wetenschap en de christelijke maatschappelijke organisaties. Natuurlijk heeft het christendom door Constantijn zijn onschuld verloren en is het blootgesteld aan de verleidingen van de macht. Maar om nou te spreken van een ‘zondeval’? Het zijn uiteindelijk de concrete mensen die de verleiding niet kunnen weerstaan.

Ik moet er niet aan denken, dat de kerk een louter charismatische ‘beweging’ was gebleven. Dan zaten we opgescheept met schimmige goeroes en met verborgen machtsmechanismes, waarmee vergeleken de kerkelijke instituties een toonbeeld zijn van transparantie. Liever een systeem, dat voor corruptie gevoelig is, maar waarin de bestuurders vroeg of laat aan de kaak worden gesteld, dan een ongrijpbaar ondergronds netwerk. Liever een instituut met een waterhoofd en stroeve gewrichten, dan een Al-Qaida-light.

Voor mij mag 28 oktober een vaste feestdag worden op onze kalender. Leve Constantijn!

Sentiment en piëteit

Ik ontbeer veel talenten. Een van die talenten is historisch sentiment. Mij ontbreekt het vermogen om iets te ‘voelen’ bij herinneringen, laat staan bij iets wat deze herinneringen activeert of – zoals dat tegenwoordig heet – triggert: een foto, een stuk muziek, een gebouw, een plaats etc. Ik probeer dit ‘gevoel’ wel eens uit te lokken. Dan ga ik bewust naar een plaats waaraan bepaalde persoonlijke herinneringen zijn verbonden – bijvoorbeeld de straat waar ik ben opgegroeid of een gebouw waar ik heb gewerkt. Of ik zet een CD met muziek op, waarvan mijn vader zo hield. Maar het ‘doet’ me dan niet echt iets.

Zo vergaat het me trouwens ook als ik op een heilige plaats ben, die boven mijn armzalige biografietje uitgaat: het huis van een beroemd kunstenaar, diens graf of een gebouw waarin een Historische Gebeurtenis plaatsvond. De stenen blijven dan doen wat ze al toch al lagen te doen: zwijgen. Ik kom niet verder dan het interessant vinden van die plek. Hooguit voeg ik door mijn bezoek aan de plaats iets toe aan mijn kennis over de historische persoon of gebeurtenis: die krijgt dan iets meer couleur locale of fysieke context. Ik heb een weetje erbij, maar geen ‘gevoel’. Kortom: ik ben niet in de wieg gelegd voor pelgrim.

Ik ben onmiddellijk bereid om toe te geven dat het ‘wel aan mij zal liggen’. Blijkbaar hebben anderen een zintuig dat ik mis. Daarop kan ik oprecht jaloers zijn. Ik ben overigens wel in staat om stil te vallen, te huiveren of te wenen – als niemand het ziet wel te verstaan. Ik doe dat echter eerder bij een mooi kunstwerk dat overweldigend mijn leven binnendringt – zonder dat er noodzakelijk sprake is van biografische of historische connotaties of associaties. Het overkomt me bijvoorbeeld bij een schilderij van Velazquez, bij een zin uit de Titan van Jean Paul of bij een passage uit de Ring des Nibelungen

Ik geloof trouwens dat er zekere objectieve oorzaken zijn voor het feit dat een ‘historische plek’ mij niet heel diep ‘raakt’, in tegenstelling tot een indringend kunstwerk. Zo heeft Wotans Abschied uit de Walküre een onmiddellijkheid waaraan een bezoek aan Bayreuth op een stil moment niet kan tippen. Bij dat laatste moet je jezelf iets (laten) vertellen. Dat overweldigende en directe van de kunst hebben ook historische getuigenverslagen, in onderscheid tot historische plaatsen. Ik was jaren geleden bijvoorbeeld niet extreem onder de indruk van Auschwitz als plek. Van de verhalen die de gids vertelde raakte ik echter ondersteboven – maar ik ben altijd en overal kapot als ik lees of hoor over Auschwitz.

Waarom heb ik dan bijgedragen aan het boek Aan plaatsen gehecht dat afgelopen vrijdag werd gepresenteerd? Omdat er een andere reden is om plaatsen en objecten te koesteren, waaraan een herinnering zich heeft gehecht. Die reden is ‘piëteit’. Piëteit is echter niet een ‘gevoel’: het is een ethische, soms zelfs politieke categorie. We houden materiële en immateriële plekken of objecten in ere, omdat daar of daarvoor het bloed, het zweet en de tranen hebben gevloeid van anderen – en omdat we daarvoor dankbaar zijn. Natuurlijk ook omdat deze plekken en objecten onze eigen identiteit stutten: maar dan wel onze identiteit als iets wat ons door de geschiedenis in de schoot is geworpen. Onze identiteit houden we paradoxaal genoeg in ere, omdat en voor zover ze ook ‘het andere’ is ten opzichte van ons ‘zelf’.

Piëteit kan uiteraard politiek worden misbruikt. Dat gebeurt als deze ethische categorie wordt geperverteerd tot een sentimentele en als de herinneringsplaatsen en –objecten worden omgeven met religieus pathos en taboes. Een slagveld wordt dan de moeder van nieuwe slagvelden en een vlag of een heilig boek wordt dan een moloch. Het waken bij de kwetsbare herinnering aan de ander wordt dan tot een mars voor het eigen gelijk. We staan niet meer stil bij het ‘andere’, maar slaan luid op de trommel voor het ‘eigene’. Dat laatste komt doordat we de slachtofferrol in het drama van de geschiedenis opeisen en monopoliseren. In plaats van nederig te buigen voor de herinnering aan anderen, projecteren we onze eigen tekortgedaanheid op de vernederden van weleer en ons eigen oproer op hun heldhaftigheid. Dat is zelfs geen sentiment meer: het is ressentiment. Dat heeft niets, maar dan ook niets meer te maken met de sprakeloze aangedaanheid door het andere van de herinnering – ofwel met piëteit.

***

Ellen Brok, Jan Jacobs, Lodewijk Winkeler, Albert van der Zeijden (red.) Aan plaatsen gehecht. Katholieke herinneringscultuur in Nederland. Uitgeverij Valkhof Pers, Nijmegen 2012.

Zuinig met idealen en zuinig op idealen

Ik ben geboren aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Toen ik de leeftijd bereikte waarop het bij een jongen begint te dagen in zijn hoofd en te borrelen in zijn onderbuik, braken de sombere jaren tachtig aan. De utopieën werden aan de straat gezet tussen de wiebelende rotan meubeltjes, mitsgaders de kledingzakken vol hemden en colberts met van die veel te brede revers. Ik vond ze wel charmant, die vergezichten, en rommelde er in – op zoek naar wat bruikbaars. Ik werd niet van de weeromstuit rechts, zoals veel leeftijdsgenoten, maar selectief links.

Ze waren wel verbleekt, futloos en grijsgedraaid, die toekomstdromen – en soms in opspraak geraakt. Een jaloezie vatte post bij mij op de generatie die getuige was geweest van de dageraad van de utopieën en die in de gloed van het ochtendgloren had gebouwd aan Het Nieuwe. Jaloezie op hen die de idealen nog zagen van hun frisse, onbedorven kant en nog niet van de sleetse en bedenkelijke zijde. Sindsdien koester ik een paradoxale vorm van nostalgie. Ik kan nog altijd genieten van teksten en beelden uit die ‘doorbraaktijd’, waarin De Betere Wereld nog ongerept was en waarin het patina van voortschrijdend historisch inzicht zich nog niet over het visioen had uitgebreid (ongeveer zoals ik ook kan genieten van vooroorlogse moderne architectuur).

Als katholiek theoloog vervullen mij vooral de beelden en verhalen over het Tweede Vaticaanse Concilie met weemoed. Het is nu vijftig jaar geleden dat deze revolutie in de katholieke kerk begon. Symposia en andere soms wat plichtmatige samenkomsten worden momenteel aan dit jubileum gewijd. Historici openen bij deze gelegenheid het familiefotoalbum, voorzichtig erop toeziend dat de fotohoekjes niet loslaten en de polaroidfoto’s eruit vallen. (Zo kwetsbaar is herinnering aan iets dierbaars immers.) Toen ik in 1982  theologie ging studeren waren de golven reeds lang tot bedaren gekomen. En sindsdien is de kerk – die in 1962 onder leiding van paus Joannes nog de ramen openzette – zelfs geworden tot een oud, achterdochtig vrouwtje dat zich in zijn appartement opsluit voor de boze buitenwereld.

(Als de kerk tegenwoordig al naar buiten treedt, is het soms eerder als een courtisane op leeftijd, die zich opdirkt en parfumeert voor haar esthetiserende bewonderaars. Deze laten zich op hun beurt – bedwelmd door wierook, verblind door geblikker en getemd door haar barse stem als zij zijn – maar al te graag door haar vernederen. Ja, ik weet het: de kerk is meer dan haar gezagsdragers. ‘Wij zijn zelf de kerk.’ Maar die uitspraak klinkt inmiddels eerder als een wanhopige bezwering. Een boek over de afgelopen vijftig jaar zou mijns inziens ‘vijftig tinten grijs’ moeten heten – ware die titel niet reeds vergeven. Maar dit allemaal terzijde.)

Ook maatschappelijk idealisme ziet mijn generatie vooral van de treurige kant. Ik werd in de jaren tachtig actief lid van de PSP en belegde afdelingsvergaderingen tijdens de welke  het bestuur vergeefs ging zitten wachten op de leden om zich vervolgens moed in te drinken in een uitgestorven links café. Het decor van de afgetakelde mijnstad Heerlen zorgde voor de nodige sfeer. De partij verzamelde uiteindelijk haar restjes idealisme en investeerde die in een fusie die  – zoals veel fusies dat zijn – vooral een facelift was om de teloorgang te verdoezelen. Het resultaat was een strakker vel met minder inhoud en zonder overtuigingskracht. Dat wreekt zich nu alsnog.

Zoals gezegd: deze ervaringen hebben bij mij geleid tot de paradox van een terugverlangen naar het onbeschreven blad van de toekomst. Een en ander heeft mij ook opgezadeld met het onvermogen tot enthousiasme. Ik ben zelfs wat argwanend ten opzichte van mensen in wier ogen de lichtjes branden van hoop en idealisme. Vaak ervaar ik dat als een hectische opflakkering van tanende levensenergie en als dweperigheid. De ermee gepaard gaande heldenverering kan ik al helemaal niet delen. Bij Obama kwam ik vier jaar geleden niet verder dan de verzuchting: ‘Wat een spreker is die man!’ – de titel van één van de weinige liedjes uit de jaren zeventig die ik me kan herinneren.

Ik ben dus zuinig met idealen. Maar ik ben er ook zuinig óp. Alle nostalgie en scepsis ten spijt ben ik ook behept met een al even paradoxale behoudzucht. De idealen zijn getemperd, niet getemd. Ik ben ironisch en behoedzaam, maar niet cynisch. Ik sta van harte aan de kant van hen die zich niet hebben laten wegmanipuleren door het kerkelijke en maatschappelijke neoconservatisme. Ik werd blij van de verkiezingsuitslag van 12 september; als ik Amerikaan was zou ik op Obama stemmen en ik ben in mijn nopjes met die Nobelprijs voor de Europese Unie. En ik zal samen met anderen onvermoeibaar de ramen blijven openzetten van de kerk en de theologie, als anderen die uit smetvrees telkens weer potdicht doen.

Ik heb zoals gezegd geen talent voor heldenverering. Ik heb wel mijn identificatiefiguren. De ambivalente persoonlijkheid van Thomas Mann hoort daarbij: Mann die op zijn manier ook inzat over het feit dat hij was geboren aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Vooral is hij voor mij de man die geleidelijk ontdekte dat een mens niet uit zelfbeklag bij deze ervaring mag blijven staan. Op een beslissend moment van zijn leven ging Mann dan ook de hardnekkige optimist Walt Whitman lezen.

En Whitman zei het goed: ‘Dit ogenblik, dat mij na triljoenen eerdere bereikt: er is niets beters dan dit en nu. (…) De weg ligt voor ons! Hij is veilig – ik probeerde hem uit – mijn eigen voeten probeerden hem duchtig uit – treuzel niet langer!’

Er is geen bron: er zijn alleen maar rivieren. Over traditie als metamorfose

Dat ik – op het eenkennige af – houd van klassieke muziek, kan ik niet verdedigen. Ik voel ook niet de aandrang tot een apologie. Het is een kwestie van smaak, zoals zo veel voorkeuren. Zelfs een politieke voorkeur is uiteindelijk esthetisch van aard. Maar al kan ik mijn muzikale voorkeur niet verdedigen: ik kan wel proberen haar te verklaren. Dat ga ik doen.

De klassieke toondichter beschikt over een weelderige voorraad aan uitdrukkingsmiddelen, waarmee hij bijna eindeloos zijn betoog uitspint. Hij kan klankkleuren mengen, moduleren en modelleren tot in het schier onbeperkte. Daardoor kan een anderhalf uur durende symfonie van Bruckner je bij de les houden zonder je te vervelen. (Waarmee niet is gezegd dat het in de lengte zit. In het korte bestek van twintig minuten weten Bach en Haydn een hele Odyssee  te vertellen.) Dit alles lukt een popmusicus niet. Die is na een paar minuten uitgespeeld en door zijn materiaal heen. Hij kan er zelfs geen origineel eind aan breien. Uitfaden is meestal de enige uitweg: een verlegenheidsoplossing.

Het merkwaardige nu is dat de componisten van vóór (pakweg) 1900, bij al hun welbespraaktheid, binnen de grenzen bleven van een voorgegeven systeem. Uiteraard hebben zij die grenzen vaak zelf verlegd en opgerekt: maar altijd was er sprake van een conventie, een taal. Daardoor ‘verstaan’ wij ze ook. Vervelen doen ze echter nooit. Ze namen plaats achter het orgel van (op zichzelf eindige) mogelijkheden, maar wisten dat met onuitputtelijke creativiteit te bespelen. Daardoor wisten ze enerzijds de suggestie van vanzelfsprekendheid en logica te wekken en anderzijds te verrassen en te verbluffen. Bij een overgang in een strijkkwartet van Haydn denk je: ‘O ja. Natuurlijk. Waarom is niemand eerder hierop gekomen?’ En toch overvalt en onthutst het je. Voor de hand liggend en onvoorspelbaar tegelijk: dat is de paradoxale kracht van de klassieke muziek.

Haar creativiteit kent verschillende tactieken: de variatie, de modulatie, de meerstemmigheid, het opsplitsen en combineren van motieven, de orkestratie etc. De componist kiest hierbij een bepaald ‘trefwoord’ (een motief, een thema, een melodie) en laat dit vervolgens alle hoeken van de kamer zien. Een oneindige metamorfose is het resultaat. Beethoven is de ikoon van deze kunst. Zijn variatietechniek bijvoorbeeld is onovertroffen.

Het aardige nu is, dat het gebruik van deze techniek op zijn beurt deel uitmaakt van een transformatieproces, dat de individuele componist overstijgt. Beethoven volgde immers de variatiekunst van Bach na (zoals hij dat ook deed met diens fuga’s) en hij werd zelf weer nagevolgd door Brahms en anderen. Ook dat maakt klassieke muziek zo intrigerend: het is een traditio, een verhaal dat mensen van verschillende generaties op een herscheppende wijze doorvertellen. Componisten borduren op elkaar voort, bouwen verder op de erfenis van voorgangers en variëren op elkaars oeuvre. Ze citeren elkaar zelfs. De muziekgeschiedenis is zelf één grote onuitputtelijke ‘variatie op een thema’.

Daarmee is zij een metafoor (en meer dan dat) voor het fenomeen traditie in het algemeen – dus ook voor filosofische, religieuze en politieke tradities. Gelovige en verlichte hoeders van de traditie zouden hiervan moeten leren. Met name is interessant dat de ‘ziel’ van de traditie blijkbaar niet zit in een ‘vaste kern’, maar juist bestaat in haar eindeloze dynamiek. Haar levensvonk is geen onbeweeglijk middelpunt, maar juist haar vermogen tot variatie en metamorfose. Haar vitaliteit is niet gelegen in een ‘kern’ of een ‘canon’ die we door afpellen of ‘herbronning’ moeten blootleggen, maar in de kracht om zichzelf voortdurend te herscheppen.

Dat geldt ook en vooral voor onze westerse ‘verlichtingstraditie’, die geen solide fundament of een vaste maatstaf heeft, maar zich in leven houdt door zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden – zoals Konersmann zo mooi betoogt*. Maar laat ik nu even bij mijn eigen leest blijven, die van de theoloog: onze verantwoordelijkheid als theologen bestaat erin, de hier geschetste opvatting van creatieve traditie overeind te houden en te verdedigen tegenover allen die zo vergeefs op zoek zijn naar de heilige graal – ter linker en ter rechter zijde**.

Er is immers geen ‘bron’: er zijn alleen maar rivieren. En die zijn, zoals Heraclitus zei, nooit eender.

* Cfr. Ralf Konersmann, Kulturkritik. Frankfurt am Main 2008.

** Cfr. mijn bijdrage aan het boek Visioenen van het Tweede Vaticaans Concilie, onder redactie van Jan Jacobs, Martin Hoondert en Franck Ploum, dat op 6 oktober het licht ziet.