Monthly Archives: september 2012

Oedipus

Niets is zo tenenkrommend als een onhandig woordvoerder van je eigen gevoelens. Dat overkomt mij als kritische en liberale katholiek wel eens. Deze week was het weer raak. In de media verscheen een glutenvrije priester, die de Roomse kerk de rug had toegekeerd vanwege haar coeliakiestandpunt (dat bestaat blijkbaar) en die daarover was gaan schrijven. Ik heb begrip voor de jongeman en deel tot op zekere hoogte zijn gevoelens. Hij is hardhandig geconfronteerd met een uitingsvorm van de harteloosheid en van de periodieke verstandsverbijstering van het Romeinse opperbevel. Alleen vraag ik me af hoe het komt, dat de goeierik niet veel eerder in de gaten heeft gehad dat hij diende onder een liefdeloos en kortzichtig commando. Hij is toegetreden tot de priesterkaste op een moment, dat hij beter kon en dus moest weten.

Ik kom vaker katholieken tegen die zich een tijd lang gretig voor het Romeinse karretje laten spannen – tot de dag komt dat dat karretje over hun eigen tenen rijdt. Hun kritiekloosheid slaat dan om in moord-en-brand-geroep. Beter laat dan nooit, natuurlijk. Alleen is het jammer dat zij pas dankzij schade en schande solidair worden met hen die al veel eerder de noodklok luidden. Jammer is het ook dat zij de weeffouten van het systeem niet eerder konden (wilden?) zien, verblind als ze waren door de charmes van die zich zo fraai opdoffende moederkerk. Betreurenswaardig vind ik het tenslotte dat zij soms demonstratief het huis verlaten terwijl veel dappere strijders de moed en het geduld nog niet opgeven om het te verbouwen.

Naast deze spijtoptanten heb je dan nog de van-de-regen-in-de-drup-gelovigen. Van de koude kerkelijke kermis thuisgekomen – tot zover begrijp ik hen – leggen zij kritiekloos hun lot in de handen van de nieuwe spirituele spullenbazen met hun geluksmachines. Opeens menen zij de heilige graal te hebben gevonden bij de esoterie, bij de op hedendaagse smaak gebrachte gnostiek of bij een op westerse wijze getemde en verminkte Oosterse religie. Als Jehova’s getuigen gaan zij door het vuur voor een nieuwe dogmatiek, die vaak helaas de diepgang heeft van een kopje Japanse thee of een Tibettaanse klankschaal. In hun euforie over het nieuwe systeem klinken echter onveranderd de bitterheid en rancune door over het oude.

Bij veel ontwortelden (die je overigens in alle christelijke stromingen tegenkomt) moet overigens niet alleen de kerk, maar ook de medische stand het ontgelden en het veld ruimen voor alternatieve heilbrengers. In hun complottheorieën wedijveren de priester en de arts in kwaadaardigheid. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Aan de buitenkant vertonen de instituten van kerk en medische wetenschap immers opvallende parallellen. Dat ligt vooral aan de gelijkenis van de priesterkaste met de kaste van de artsen: de witte mantels, de initiatierituelen, de ingewijdenleer, de geheimtaal etc. En er zijn altijd wel vertegenwoordigers van deze kasten, die er een potje van hebben gemaakt.

Volgens mij is er echter meer in het spel dan woede over een oplichterscomplot. Achter die woede schuilt ten diepste een Oedipus-drama. De opstand tegen de priester en de arts (hier als archetype of pars pro toto bedoeld) lijkt op een vadermoord, een vadermoord die nogal paradoxaal is gemotiveerd. De vader wordt niet aan de kant geschoven omdat hij oppermachtig is, maar juist omdat hij zwak is – zoals een oud en ziek dominant mannetjesdier wordt uitgestoten uit de kudde. Wie goed luistert naar de opstandigen, hoort het verhaal van een teleurstelling. De teleurstelling dat de priester en de arts niet de verwachting hebben waargemaakt dat zij alwetend en alvermogend zijn.

Hoezeer de vaderfiguren deze verwachting ook hebben aangewakkerd: de onfeilbaarheid is ook en vooral een projectie van hun kinderen. Geen wonder dus dat de vader van zijn voetstuk valt, als hij faalt of aan het eind van zijn (potjes-)Latijn komt. Zelfs als bijvoorbeeld de arts ruiterlijk toegeeft dat hij ‘ook maar een wetenschapper’ is, als hij waarschuwt dat zijn kennis en kunde zich slechts met horten en stoten kunnen vervolmaken: zelfs of juist dan druipen de volgelingen af. Wat de instituties en hun vertegenwoordigers verder ook te verwijten valt: de overspannen verwachtingen van hun aanhangers zijn dat maar ten dele. Wie als volwassene blijft happen naar een fopspeen, kiest daar zelf voor.

Maar goed, ik wilde het dus eigenlijk  hebben over teleurgestelde katholieken. Ik moet dan denken aan mijn moeder z.g. Uiteraard haalde de goede vrouw geregeld herinneringen op aan de Roomse kerk uit haar Maastrichtse jeugd, die kerk met al haar potsierlijke gedachtespinsels en met al haar bizarre en genante rituelen (variërend van het omkopen van heiligen met worsten en andere nutteloze cadeaus tot de reinigingsceremonie van kraamvrouwen). In dat verband sprak zij steevast de woorden: “Ze  hubbe’n us toch get wiesgemaak!” (“Ze hébben ons toch veel wijsgemaakt!”) Ze sprak deze woorden uit op een licht ironische en melancholieke toon, waaruit eerder medelijden met de ‘daders’ sprak, dan zelfbeklag of rancune. Mijn moeder zocht inmiddels immers reeds lang haar eigen weg in het geloof. Ze wist dat je van je religiositeit zelf iets kunt en moet maken.

En dat je er zelf bij bent, als je je verstand op nul zet.

Kijken

Vandaag zette ik een punt achter de affaire met mijn vakantieliefde. Voorlopig dan. Ik las de laatste bladzijde van Der grüne Heinrich, de sleutelroman van de Zwitserse schrijver Gottfried Keller (1819-1890)*. Ik had dit boek meegenomen op vakantie – en wel om verschillende redenen.

Ten eerste houd ik ervan een boek te lezen dat iets zegt over het land waar ik mijn vakantie doorbreng (dit keer dus Zwitserland). Ten tweede was ik op het boek geattendeerd door mijn favoriete schrijver Thomas Mann, die dit boek naar eigen zeggen op latere leeftijd herontdekte. Ik wilde dus wel eens weten wat Mann fascineerde in Kellers vertelling. Ten derde staat het boek in de traditie van de ‘Bildungsroman’. Dat is het genre roman dat vertelt “hoe een jongen tot man wordt” doordat hij het gevecht en het liefdesspel met de wereld al dan niet glansrijk doorstaat. Ik verken dit genre, nu ik me voorbereid op een leesgroep die ik in januari start en die zich gaat buigen over Manns eigen ‘Bildungsroman’ Der Zauberberg.

Het werd een aangename ontdekkingstocht. Keller weet het oubollige genre op zijn manier glans te geven.  Zo is de erotiek naar omstandigheden expliciet en zijn de psychologische observaties raak. Bovendien steekt Keller op vinnige wijze de draak met de dweperige kanten van de Duitse romantiek. De schrijver ‘speelt’ ten slotte op bijna postmoderne wijze met zijn gegeven, bijvoorbeeld door af en toe samen met de lezer buiten en boven het verhaal te gaan staan en er relativerend commentaar op te leveren (‘gefundenes Fressen’ voor Mann, denk ik dan).

Nu wilt u natuurlijk weten ‘waar het over gaat’. Terecht. Heel kort dan: De jonge Heinrich Lee verlaat op een goede dag zijn vaderland, om in de kunststad München zijn droom waar te maken: kunstschilder worden. Dat wordt een koude kermis – net als zijn vele liefdesaffaires overigens – en na de symbolische periode van zeven jaren keert Heinrich terug naar zijn moeder. Die heeft hem al die tijd gesteund, als een stille financiële en morele muze op de achtergrond. (Een goede verstaander herkent hier reeds enkele motieven, waarvoor Thomas Mann moet zijn gevallen: de artistieke metropool München, de worsteling tussen roeping en gebrek aan talent, het zevenslapersmotief etc.)

Extra diepgang krijgt Der grüne Heinrich doordat Keller er zijn eigen wijsgerige leerproces in verwerkt. Onder invloed van Feuerbach ging Keller zich namelijk steeds meer richten op de ‘Diesseitigkeit’ (slechts ontoereikend weergegeven met ons begrip ‘immanentie’). In een beroemde brief uit 1851 betoogt Keller op klassieke wijze, dat het ‘aardse leven’ niets aan glans inboet als het ‘hemelse uitzicht’ ontbreekt. Integendeel: het leven krijgt daardoor juist meer ernst, diepgang en intensiteit. Plat gezegd: het wegvallen van de religieuze parallelwereld (‘Seiten-, Neben- und Hintergedanken’) concentreert al onze toewijding, aandacht en piëteit op het leven zoals het nu eenmaal is. In de roman laat Keller zijn personage moeizaam dezelfde les trekken uit het leven.

Keller bezondigt zich niet aan antireligieus fanatisme en onverdraagzaam atheïsme. Ook met atheïstische dweperigheid en opdringerigheid veegt hij de vloer aan. Hij gunt ieder het zijne – ook als dat een traditioneel geloof is. Wat hij zichzelf en anderen echter vooral gunt is de gave om de wereld argeloos en onbevangen te zien zoals zij is: in haar volle glorie. Dat leert ook de schilder Heinrich van zijn leraren. Hij wordt hierin echter vooral onderwezen door zijn laatste grote liefde, de onbevangen vondeling Dorothea (‘godsgeschenk’). Hij ziet de wereld door de ogen van deze ‘uit het niets komende’, erfelijk onbelaste jonge vrouw. De wereld glanst dan dieper en intenser dan ooit – en vraagt meer dan ooit zijn toewijding.

Het gaat kortom om de heiligheid in en van het dagelijkse leven – zoals sommige hedendaagse theologen het enigszins flets uitdrukken. We hoeven niets te denken ‘bij’ het leven of de werkelijkheid. Die is op zichzelf diep genoeg. Als je maar uit je ogen kijkt. Wat de werkelijkheid dan doet, heeft Kellers Amerikaanse tijdgenoot Walt Whitman treffend uitgedrukt: ‘it shames the silliness out of me’. Ze zet ons op onze plaats en brengt ons zo bij zinnen.

* Ik las overigens de eerste versie en begin nu aan de tweede. Dat ik een Kellerkenner ben, matig ik me geenszins aan.

De speelruimte van symbolen

Naar aanleiding van Prinsjesdag

En hij was er weer: de Derde Dinsdag van September, dat jaarlijkse mengsel van onheilsprofetie en calvinistencarnaval dat de welluidende, atavistische naam Prinsjesdag draagt. Er is op deze dag één ding, waarop ik me ieder jaar in het bijzonder verheug. Wij noemen dat thuis ‘de Glimp’. Dat moet ik even uitleggen.

De makers van het televisiejournaal (dat weten u en ik) hebben de teksten voor het commentaar op het ceremoniële deel van deze dag natuurlijk al het hele jaar op de plank liggen. Het enige waar ze rekening mee moeten houden, is de wispelturigheid van ons zeeklimaat. Met het oog daarop hebben ze enkele varianten voorgekookt.  Als het op Prinsjesdag slecht weer is en er een gesproken commentaar moet worden toegevoegd aan beelden van Oranjeklanten die met regenkapjes en poncho’s staan te blauwbekken achter de dranghekken, kun je er gif op innemen dat de nieuwslezer(es) min of meer letterlijk de volgende klassieke zin uitspreekt: “Duizenden belangstellenden trotseerden vandaag de weersomstandigheden, om een glimp van de vorstin op te vangen.” Bij redelijk tot goed weer – zoals dit jaar – moeten we het helaas doen zonder dat ‘trotseren’. Maar de ‘glimp’ komt gegarandeerd enkele malen voor in de voice-overs. Dat is dan de teerspijze waarmee we het voor een jaar moeten doen, in de hoop dat het volgend jaar wel weer oudhollands regent en stormt.

Enfin, de ‘kleurrijke’ traditie als zodanig blijft fier overeind. Nu is er met deze ‘eeuwenoude’, uit de negentiende eeuw stammende tradities wel iets merkwaardigs aan de hand. Enerzijds geven we ons er gretig aan over en dompelen we onszelf onder in een uit onze hersenstam opwellend patriottisme. Anderzijds doen we dat ook met een knipoog. Met enige ironie slaan we onszelf gade en becommentariëren we meedogenloos onze eigen kuddekoningsgezindheid. Daar heeft de Vaderlandse televisie zelfs iemand voor ingehuurd: Herman Pleij. Namens ‘Ons Allen’ mag hij deze sinterklasoloog de voyeur zijn van onze collectieve gevoelens. Ook dit jaar stond hij naast een microfoonmevrouw op veilige afstand de ‘balkonscene’ te observeren en gaf hij bespiegelingen ten beste over wat wij met zijn allen nu collectief zaten te voelen. De reflexieve gelaagdheid bereikte een extra complexiteit doordat Pleij – in en vanuit zijn waarnemersrol – op droge toon bij zichzelf vaderlandse zielenroerselen constateerde, op het moment dat Hare Majesteit de voor haar paleis toegestroomde menigte toewuifde.

Ik houd wel van symbolen, ceremoniën en rituelen – in dit geval en in het algemeen. Daarom ben ik – een rudimentaire rest republikeins verleden als PSP-er ten spijt – onze monarchie gunstig gezind. Het mooie van symboliek is immers de paradox, die ik hierboven aanroerde. Enerzijds staan symbolen onder stroom en zijn ze geladen met betekenis en gevoelens. Dat is een riskant aspect. Aan de andere kant zijn symbolen echter ook en vooral relicten en uitgeholde vormen, waaruit de oorspronkelijke betekenis en gevoelswaarde zijn weggevloeid. Zij herinneren aan iets, wat allang afscheid heeft genomen. Daardoor zijn symbolen veel minder gevaarlijk dan het lijkt. Wij zijn het – als je het goed bekijkt – zelf die er stroom opzetten (bijvoorbeeld door moord en brand te roepen als er iemand met zijn vingers aan komt). Symbolen bijten dus niet en dringen zich niet op. Ze bieden zelfs de speelruimte om er onze betekenis aan te hechten en nieuwe betekenissen aan te verbinden – eventueel met de nodige ironie. Zo kan bijvoorbeeld – om bij het oorspronkelijke onderwerp te blijven – onze koningin het symbool worden van onze democratische staatsvorm met zijn constitutionele ankers. Kortom: de kracht van symbolen zit in de vorm, niet in de inhoud.

Ik vergelijk het wel met monumentale kerkgebouwen die – om een recent begrip uit de architectuur te gebruiken – ‘intelligente ruïnes’ zijn. Ze trotseren de eeuwen door hun openheid voor ‘polyvalentie’  – een door Vlamingen gebezigd woord, dat treffend uitdrukt wat wij wat ook wel aanduiden met het zwakkere woord ‘multifunctionaliteit’. Het is alsof de bouwmeesters ze expres zo hebben ontworpen, dat ze ook hun waarde blijven houden als de oorspronkelijke bestemming wegvalt. Een nieuwe functie zit hun als gegoten. De architecten zijn het verval van de geschiedenis te slim af geweest. Hun gebouwen zijn daarmee een mooie metafoor voor religieuze symbolen in het algemeen.

Des te meer verwondert het me overigens dat kerkvernieuwers vaak eerder bezig zijn met het vervangen van symbolen en vormen, dan met het opladen ervan met nieuwe betekenis en inhoud. Ik observeer dit ook een beetje in de onrust die de laatste tijd heerst in de Protestantse Kerk in Nederland. We hebben in de zomer verhitte discussies gehad rond manifesten en dezer dagen werd de noodklok geluid over de verburgerlijking van de zondagse preek, welke verburgerlijking mede debet zou zijn aan de kerkverlating. (Bij deze analyse kon ik als halve historicus overigens een déjà-vu-gevoel niet onderdrukken, zo min als bij de jonge dominees die afgelopen zomer kortstondig en waarschijnlijk vergeefs aan de grondvesten rammelden). De suggestie bij dat al is dan veelal, dat we iets moeten doen aan de ‘vorm’ (i.c. die inruilen voor een nieuwe) en dat we moeten terugkeren naar de ‘eigenlijke inhoud’ en de ‘kern’ – terwijl ik denk dat we die inhoud juist zeer grondig ter discussie moeten stellen en daarbij diep moeten snijden in ons theologische vlees. Zover durft trouwens ook niet de vrijzinnige Tom Mikkers te gaan in zijn Religiestress.

En dan de onvermijdelijke Mart-Smeetsvraag: ‘Mag ik dat zeggen? Als katholiek?’ Ja. Dat mag ik zeggen. En ik durf het ook te zeggen, omdat ik erop vertrouw dat de onderzoeks- en discussiecultuur in protestantse kring vitaler en stressbestendiger is, dan in de kerk waarin ik ben opgegroeid: die ‘intelligentie ruïne’ die momenteel bezet is door krakers die een iets te hoge dunk hebben van zichzelf en de deurknoppen onder stroom hebben gezet.

Tragisch levensbesef

Het geluk is niet maakbaar. Al die zelfhulpboekjes met hun stappenplannen en lijstjes van vijf P’s of tien A’s  (ik verzin het niet: ik heb het écht ergens gelezen): ze kunnen beloven wat ze willen, maar volgens mij abstraheren ze gemakshalve van negentig procent van de realiteit. Dat deze boekjes niettemin als warme broodjes en zoete koek van de hand gaan, is natuurlijk vooral te danken aan de naïveteit van de klant. Of aan zijn wanhoop. Menige scepticus grijpt bij ziekte in zijn radeloosheid een laatste strohalm aan en wendt zich (als niemand toekijkt) tot een kwakzalver. Zo zoekt de onverbeterlijke tobber tegen beter weten in zijn of haar heil bij die goed boerende goeroes. Hij of zij kan terecht bij de betere management- of spiritualiteitsboekwinkel. Daar liggen de troostrijke boekjes – waarvan de omslag vaak dikker is dan het binnenwerk – bij de vleet.

Misschien ben ik te gemakzuchtig om aan mijn geluk te werken of om mijn succes ‘af te dwingen’. Maar ik kan en wil ook gewoon niet geloven dat mensen de smid zijn van hun eigen welzijn. Tegen bepaalde factoren die je geluk in de weg zitten is nu eenmaal geen kruid gewassen: een knoop in je hersenen, intellectuele beperkingen, een diep geworteld hinderlijk gedragspatroon, lichamelijke kwalen, de haat van medemensen of gewoon de domme pech dat je je op het verkeerde moment op de verkeerde plek ophoudt.

Dat iemand in de moeilijkste omstandigheden probeert om er het minst slechte van te maken en om te overleven: respect. Maar het talent en de energiereserves die je daarvoor nodig hebt: ze zijn niet iedereen gegeven. Ook het vermogen om te ‘kunnen omgaan met pech’ is een kwestie van geluk hebben. Ik feliciteer iedereen die dat lot heeft getrokken, maar maak er geen heilsleer van die anderen moeten slikken. Bovendien: misschien ontbeert de rasoptimist wel juist dat broodnodige stukje DNA dat hem of haar in staat stelt gevaar te herkennen en grenzen waar te nemen. Op lange termijn is dat niet per se een ‘evolutionair voordeel’.

Ik help u graag om hier het etiket ‘tragisch levensbesef’ op te plakken. Dat is mij inderdaad met de paplepel ingegeven. Het is een stukje genetisch materiaal of ‘immaterieel erfgoed’ (dat schijnt tegenwoordig te bestaan). Ik wil graag toegeven dat de melancholie in mijn geval haar voedingsbodem heeft in het cultureel milieu waarin ik ben opgegroeid (en dat ik zo goed verwoord vind bij de schrijver A.V. Thelen). Dit neemt niet weg dat ze qua inhoud een universele of tenminste maatschappelijke reikwijdte heeft. Er is maar een kleine of grote aanleiding nodig, opdat het tragische levensbesef gemeengoed wordt. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat de huidige ‘crisis’ tot een verdere verspreiding van het weemoedig levensgevoel leidt.

Een signaal daarvan zag ik in de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen van afgelopen woensdag. Het ‘frame’ wil ons doen geloven dat de kiezer massaal strategisch heeft gestemd. Doen we daarmee recht aan de zielenroerselen van de stemmende burger? Volgens mij is er ook iets anders aan de hand. De kiezer lijkt niet meer te geloven in de retoriek van politici die beloven dat morgen alles anders wordt, als de ene stekker maar eruit en de andere maar erin gaat. Men kiest weer voor de grijstinten, paradoxen en dilemma’s van het midden. Vooral de redelijkheid van Diederik Samsom, die weigerde simpele en onmogelijke beloftes te doen, lijkt velen te hebben overtuigd. De kiezer vraagt niet om blauwdrukken, die een antwoord zijn op de problemen van gisteren, maar om improviserende stuurmanskunst. Stuurmanskunst die is opgewassen tegen de onvoorspelbare problemen en dilemma’s die zich kunnen voordoen op open zee. Stuurmanskunst die het risico van averij en offers openlijk incalculeert. Realisme of pragmatisme? Ik vind het gewoon een politieke vertaling van het gezonde tragische levensbesef.

Natuurlijk sluit dit besef geen fundamenteel vertrouwen uit. Het is niet zelfdestructief of suïcidaal. Dat laatste is eerder het geval bij het maakbaarheidsfanatisme, dat snel rancuneus wordt en uit frustratie de confrontatie opzoekt. Het tragische levensbesef daarentegen wordt – paradoxaal genoeg – gedragen door een bescheiden vermoeden dat we globaal in de goede richting gaan. Uiteraard gaat dit behoedzame ‘vooruitgangsgeloof’ gepaard met de aanvaarding van pijn, moeite en terugslagen – en soms met offers. Maar dat zijn niet de bloedige zoenoffers van haat, straf en rancune. Tragisch levensbesef incasseert: het is een verzoende en verzoenende levenshouding.  Op de rancune van de onverzoenlijke maakbaarheidsfetisjisten is deze levenshouding overigens het enige juiste antwoord (Gottfried Keller).

Het lijkt weer een preek te zijn geworden. Als u gelovig bent: zet u er dan zelf ‘amen’ onder? Tenzij u het er niet mee eens bent natuurlijk. Kan.

De theoloog als boekhouder

Kunnen we de secularisering te slim afzijn? Volgens sommige theologen wel. Ze beroepen zich daarbij op de Kodak-casus*. De fotografiereus zag de tendens van de digitalisering wel aankomen, maar waagde de sprong in het diepe niet. Hij miste de aansluiting. Concurrenten die wel inspeelden op de verandering, gingen er met de buit van door. De sleutel van het succes bestond erin, dat deze concurrenten zichzelf niet zagen als ‘makers’ van ‘dingen’ (camera’s en rolletjes), maar als ontwikkelaars van het concept fotografie, los van elke concrete techniek. Dat heft de grenzen van je denken op.

Een aantal theologen nu heeft iets vergelijkbaars willen doen. Ze hebben ooit hun aandacht verlegd of verruimd van religie en geloof naar ‘zingeving’. Daarmee openden ze een heel nieuwe ‘markt’: de markt van de ‘zinvraag’ (met zeer bescheiden succes overigens). Ik kan niet zo gauw reconstrueren, hoe en wanneer dat precies is gebeurd. In elk geval was dat voor mijn tijd, want woorden als ‘zingeving’ en ‘zinvraag’ vielen om de haverklap op mijn theologenschool.

Ik begreep overigens toen al, dat deze grensverlegging niet onomstreden was. Zoals er in een fabriek altijd wel geharde ambachtslieden zijn, die hun neus ophalen voor nieuwerwetsigheid, zo zijn er ook altijd theologen die dat gepraat over ‘zingeving’ maar burgerlijk, opportunistisch en gemakzuchtig vinden. De theologie heeft immers een onverteerbaar en tegendraads product, menen ze. Als de mensen dat niet lusten, is dat jammer voor de mensen. Maar je verwatert je karaktervolle wijn in elk geval niet.

Ergens voel ik me wel senang bij deze dwarse ambachtslieden. De orthodoxe en soms zelfs reactionaire nestgeur die ze verspreiden staat me niet aan, evenmin als hun waarheidspretenties. Hun compromisloosheid en kritische zin raken echter wel een snaar bij me. Bovendien koester ik – met hen – een zekere achterdocht tegenover de vraaggerichtheid van het vak. Dit wordt daarmee vaak voor het karretje gespannen van de jacht naar harmonie en geluk. De theoloog zorgt dat de boekhouding klopt, maar mag zich vooral niet de rol aanmatigen van de accountant die kritische vragen stelt en rekenschap vraagt.

Ik heb trouwens ook nooit goed begrepen wat de ‘vraag naar zin’ nu eigenlijk betekent. Het leven heeft voor mij een zo evidente glans, dat die vraag altijd al is beantwoord. Het bestaan is waarde- en betekenisvol in zichzelf – waarmee ik niet wil zeggen dat het helemaal ‘in orde’ en ‘af’ is. Maar misschien wordt de ‘zinvraag’ dan wel ingegeven door bezorgdheid? Door de zorg dat waarde en betekenis in hun kwetsbaarheid op het spel staan? Maar in dat geval is de ‘zinvraag’ ook circulair. Als ik om het leven in al zijn pracht bezorgd ben, houd ik ervan en heeft het blijkbaar al zin voor me – en is de vraag haar eigen antwoord.

Misschien mag ik me tegen die achtergrond dan eens wagen aan een kritische vraag. Als we nu eens afzien van die krampachtige zoektocht naar zin? Als we de verwoede jacht naar het ‘kloppen’ eens opgeven? Als we een keer wat minder claimend en wat meer ontspannen in ons leven staan? Dan gaan onze ogen misschien ook wat makkelijker open voor datgene wat er al is. En vooral ook voor de onvermijdelijke situaties van ongeluk en dubbelzinnigheid, voor het ‘onaffe’. Van een beetje tragisch levensbesef is nog nooit iemand slechter geworden. Integendeel: het scherpt ons inlevingsvermogen en ons altruïsme. Het maakt ons creatief. Een kloppende boekhouding maakt ons daarentegen passief.

Voordat u overigens na mijn bovenstaande orthodoxe flirt gaat denken, dat ik op weg ben om een duik te nemen in het warme bad van de traditie: voor de evidente glans van het leven heb ik – om met Gottfried Keller te spreken- niet de ‘bijgedachten’ nodig van een religieuze parallelwereld. Het bestaan heeft voldoende aan zijn eigen intensiteit.

Maar linksom of rechtsom: wie zijn wij om het rijker te willen maken dan het is? Als God ooit de finishing touch aan ons lieve leven wil geven, dan moet Hij dat vooral doen. Daar ga ik niet over.

***

* Aan deze casus werd ik weer herinnerd door het boekje Religiestress van Tom Mikkers, dat vorige week verscheen. Ere wie ere toekomt.

Oud zeer, kwaad bloed en de vleugels van de vrijheid

Er bestaat zo iets als luxe-stress: jezelf laten opjagen door je voornemen om alles uit het leven te halen of (beter gezegd) erin te stoppen. Zo ontdekte ik rond de jaarwisseling tot mijn schrik dat 2012 het tweehonderdste geboortejaar is van Frederik de Grote. Als germanofiel (je kunt maar een aberratie hebben) moest ik natuurlijk ten minste één boek lezen over deze foute man, die het verstandsverduisterende voorbeeld is geweest van nog foutere mannen. Dus kocht ik zo’n boek en worstelde me de laatste maanden heen door slordig verlopen veldslagen en dynastieke burenruzies en familietwisten. Ik ben een langzame, ongeconcentreerde lezer, dus het was een race tegen de klok. Het boek moest immers uit voor het eind van het jaar. Anders telt het niet, toch?

Maar het lukte me deze week dan uiteindelijk toch om het boek dicht te slaan. Even tijd voor iets luchtigers dus, qua lectuur. Het aantal luchtige boekjes had zich inmiddels echter op ontmoedigende wijze opgestapeld. Bovenop ligt nu Religiestress van Tom Mikkers. Dit boekje verscheen dezer dagen. Door voorpublicaties wist ik er al iets van. Het thema leek me een schot in de roos. Ik ben werkzaam in de zingevingsbusiness, dus ik ken het fenomeen, waarover Mikkers schrijft, door en door. Door onze opvoeding en onze gezamenlijke Nederlandse geschiedenis is religie een angel in ons vlees en een gedeeld trauma. Religiestress is overigens allesbehalve een luxevariant van stress, want het gevecht met de religie is diep geworteld in onze persoonlijkheidsstructuur en ons ‘volkskarakter’. Of dat nu komt door onze socialisatie of door het feit dat religie ons menselijke noodlot is (zoals Eliade beweert in zijn onlangs opnieuw vertaalde Het religieuze en het dagelijks bestaan).

‘In de buurt van het gevaar groeit ook het geneeskrachtige kruid’ (Hölderlin) en waar trauma’s zijn komen ook de therapeuten als paddenstoelen uit de grond. In het geval van het collectieve religieuze trauma zijn dat politici die zich opwerpen als de antireligieuze Heiland. Over die personen (en hun erger-dan-de-kwaal-middelen) hoef ik in concreto niet uit te weiden (ja ja, met ‘ei’; ik heb het gecheckt). De voedingsbodem is echter een feit. Het feit dat we met zijn allen reageren als door een wesp gestoken, zodra de SGP een afgezaagd standpunt herhaalt, spreekt boekdelen. Dat gebeurde deze week voor de zoveelste keer. Een oude, zeventiende-eeuwse strijd vertoonde weer één van zijn vele stuiptrekkinkjes.

Merkwaardig genoeg stelt overigens nauwelijks iemand onthutst vast, dat de confessionelen in de huidige verkiezingscampagne een marginale rol spelen. Een lijsttrekkersdebat zonder een C-partij: dat is voor iemand van mijn generatie iets bizars. Misschien is er toch een keerpunt bereikt? Van Mierlo draait zich volgens mij van vreugde om in zijn graf: een stressfactor minder immers.

Enfin. Ik ga dat boekje van Mikkers nu dus lezen en zal t.z.t. melden of ook ik lijd aan religiestress. Ach, de uitkomst weet ik al: dat is zeker het geval. Ik doe wel stoer en ik demonstreer consequent een diepe afkeer van rancune en slachtoffergedrag. Ik heb echter ook mijn oud zeer en mijn kwaad bloed. Ik kan me erg opwinden over het bagatelliseren van de weigerambtenaarkwestie bijvoorbeeld. Omdat ik  – met vele anderen – in de katholieke kerk mijn beroep als theoloog niet volwaardig kan uitoefenen – om maar iets te noemen. En dan klaagt een gereformeerde ambtenaar uit Barneveld over een dreigend ‘beroepsverbod’? Kom toch. Of omdat ik het bijna beledigend vind, dat mensen door een beroep op ‘gewetensbezwaren’ mijn levenswijze in de zelfde categorie plaatsen als het doden van een medemens. U vindt dat ik zeur? OK, ik houd er nu echt over op.

Gelukkig is er een ruimte waarin ik me als theoloog kan ontplooien: de Remonstrantse Broederschap (die club van Tom Mikkers dus). Ik zal nooit een ‘remonstrants theoloog’ worden (zoals VolZin mij deze week noemde), maar ik ben wel ‘remonstrants’ (in elk geval in mijn vrije tijd) en nog steeds ‘theoloog’:  een ‘remonstrantse theoloog’ dus. Dat vind ik al mooi genoeg. En ik zal het, denk ik, ook wel blijven als er in de katholieke kerk ooit weer iemand opstaat als de dezer dagen overleden kardinaal Martini: de man die zich niet liet bang maken door de lieve buitenwereld (RIP).

Niet dat u nu gaat denken dat ik de remonstrantse gemeenschap zie als een warm bad of als een baarmoeder waarin ik kan schuilen. Integendeel: een vrijzinnige groepering is geen huis of een onderdak, maar een plek boven op een berg waar de koele wind vrij spel heeft en de zon onbelemmerd schijnt. (Dat beeld zal ik wel van Nietzsche hebben.) Ofwel – zoals G. Keller het onnavolgbaar formuleert – we koesteren ons niet onder de vleugels van de vrijheid, maar we bewegen ons op haar vleugels.

Mooi gezegd door Keller, toch? Hiermee vlieg ik de week weer in.