Monthly Archives: augustus 2012

De bitterzoete cocktail die geloof heet

De afgelopen tijd was Onze Lieve Heer weer eens met het verkeerde been uit bed gestapt. In ieder geval gaven Zijn handlangers op aarde er weer eens blijk van, nogal korte lontjes en lange tenen te hebben.

Om te beginnen: de Russisch Orthodoxe kerk – u weet wel: die fabrikant van zoetsappige zwijmelkoormuziek en van kleurrijke iconen die menige huiskamer opfleuren – was not amused door de bliksemactie van het aan lager wal geraakte meidenbandje Pussy Riot. En ze leverde maar al te graag indirect haar geestelijke gezag aan de draconische maatregel van een aan Poetins leiband lopende rechter. Ik hoef er verder geen woorden aan vuil te maken: er is voldoende aandacht aan besteed in de gewone en social media. Het plaatste de pruilerigheid van onze eigen folkloristische weigerambtenaars gelukkig even in de schaduw.

In de nabijheid stak echter een nieuwe storm op – in een glas water dan. In mijn nabuurdorp Waalre – waar velen nog rouwen bij Brabants eigen ground zero, het in de as gelegde gemeentehuis – bleken we een heuse weigerpastoor te hebben. Een lesbisch stel mocht niet zijn zuigeling laten dopen – althans niet op de eigen voorwaarden van de ouders. Dat zou in de gevoelige katholieke gemeenschap van Waalre te ver gaan. Het sloeg in als een bom – als ik me van deze in dit verband misschien wat pijnlijke metafoor mag bedienen. (Ze doen overigens de laatste tijd iets goed qua publiciteit, in dat welvarende groene dorpje, a.k.a. de VIP-skybox van Eindhoven.)

In de publiciteit rond al deze kerkelijk feiten vlogen de nuances ons om de oren en het hele pastorale repertoire werd uit de kast gehaald. De top van de Russische kerk pleitte voor clementie voor de brutale versie van K3 en de Brabantse pastor zei dat hij een tussenvoorstel had gedaan om kool en geit te sparen. Concreet: een doopritueel achter gesloten deuren. Deze handelwijze is overigens een eerbiedwaardige traditie, die teruggaat tot het Nieuwe Testament: “Zorg eerst dat er geen haan naar kraait en er ‘aanstoot’ aan neemt en doe dan wat je goed dunkt in dit concrete geval.”

Daar is op zich wat voor te zeggen. Wie ben ik? Toch roepen deze concrete gevallen bij mij  het negentiende-eeuwse beeld op van de moeder die de zoon des huizes in de keuken een met troost gevulde pannenkoek geeft, nadat deze van zijn vader een geduchte uitbrander heeft gekregen. Het herinnert mij aan het treurige einde van Fontanes Effi Briest, waarin de door fatsoensrakkers en schuinsmarcheerders erin geluisde en uitgerangeerde hoofdpersoon het moet hebben van over hun hart strijkende ouders en een vroege dood.

Kool en geit sparen en veel koek en ei opdienen: zie daar de bitterzoete cocktail die geloof heet. Maar…

Gelukkig zijn er in de katholieke kerk nog niches van onversneden liberalisme. In Spanje gaf een pastoor aan een Toegewijde Vrijwilligster alle ruimte om eigenhandig en eigenzinnig een fresco te restaureren. Wat vrijwilligers doen is immers altijd goed: als ze maar hun engagement en ijver tonen, als het maar authentiek is wat ze doen – zo moet de moderne zielzorger hebben gedacht.

Ik geloofde eerst mijn ogen niet, toen ik de beelden zag van het resultaat. Het zoetsappige negentiende-eeuwse plaatje was vervangen door onvervalste postmoderne art brut. Even dacht ik nog dat het Onontdekte Restauratietalent een oudere laag had ontdekt onder het romantische plaatje van de Kwijnende Christus. Een afbeelding uit de vierde eeuw welicht, waaruit eindelijk het onomstotelijk bewijs was af te leiden dat Jezus inderdaad een in ons midden neergedaalde extra-terrestrial was. Ik zag Dan Brown zijn vingers er al bij aflikken. Helaas ging het echt om een staaltje Beeldenstorm van eigen kweek. (Katholieken en kunst: dat is sowieso een gecompliceerd huwelijk. Maar daarover misschien een andere keer.)

Wie had dat gedacht? Cecilia Gimenez – de katholieke iconoclaste – en de dames van Pussy Riot – de godslasteraarsters – vochten de afgelopen dagen om een plaats op de voorpagina’s van de kranten, bien étonnées de se trouver ensemble! Oecumene kan heel ver gaan.

God achter prikkeldraad

straatsburg-munster-2012

Het munster van Straatsburg

Het stond al lang op mijn verlanglijstje: een bezoek aan de kathedraal van Straatsburg. Dat werd dus het toetje van onze vakantie, genoten op de thuisreis vanuit Zwitserland. Ooit heb ik Goethes beschrijving van de kerk gelezen. Zijn confrontatie met dit tegelijk massieve en sierlijke, verheven en toegankelijke bouwwerk is een klassieke gebeurtenis. Het was voor hem een stap op de weg om vriendjes te worden met de gotiek, de door hem aanvankelijk zo verfoeide kunststroming. De schijnbare grilligheid en onevenwichtigheid van de middeleeuwse bouwkunst kon hij nu verzoenen met zijn obsessie voor het harmonische en organische. Althans: dat vond de new-age-controlfreak Goethe zelf. Ik ben er niet uit. Ik verdenk hem er toch van, dat hij zich stiekem meer thuis heeft gevoeld bij de tuttigheid van de vakwerkhuizen, waar blozende Elzasmeisjes hun blonde vlechten uit het raam lieten hangen – zo fantaseer ik maar even.

Ik was in elk geval weg van de stad en van de sympathiek opdringerige voorgevel, waarmee de kathedraal haar schip verlegen aan ons oog onttrekt. Na het geweld van de gletsjers en de hoekige bergtoppen onderging ik de menselijke ordening van de elementen als een verademing. (Ben ik dan toch meer door Goethe ‘angehaucht’ dan ik wil toegeven?) Ik ging vervolgens over tot een bezoek aan de kerk. Gedwee volgde ik de stoet van cultuurpelgrims die de pijlen volgden van het toeristische parcours. Uiteraard nam ik bij de ingang kennis van de niet mis te verstane voorschriften voor de bezoeker: geen naaktloperij, niet picknicken en roken, geen spreekkoren of ghettoblasters enzovoorts.

In de kerk zelf werd op de inachtneming der voorschriften toegezien door toegewijde werkkrachten. Er liep een oude dame rond, met een gehaakt vestje, een spiedende blik en de handen op de rug – als een surveillant die moet voorkomen dat er wordt gespiekt tijdens een proefwerk. Om haar nek bungelde een bordje met daarop in grote letters het woord ‘accueil’, ‘gastvrijheid’. Een kwartier voor aanvang van een mis deed haar collega, een zich gejaagd voortbewegende toneelknecht, de ronde. Hij spande linten rond de zitplaatsen voor de gelovigen, verjoeg de kijkers uit de aldus afgebakende zone en verwijderde bezoekers uit zijkapellen. Andere toezichthouders maanden bezoekers om hun mobiel gesprek te beëindigen of om hun hoofddeksel af te nemen.

Overigens neem ik tijdens een bezoek aan een kathedraal altijd mijn verrekijker mee. Ik raad het u aan. De hoge gebrandschilderde ramen, de plafondversieringen en kapitelen kun je dan goed bekijken. Destijds hebben kunstenaars ze immers aangebracht voor de adelaarsogen van Onze Lieve Heer zelf en niet voor nieuwsgierige menselijke blikken. Bovendien bevinden veel kunstschatten zich in het priesterkoor en dat domein is in katholieke kerkgebouwen niet toegankelijk voor de Gewone Mens. Je kunt vaak wel voor een kwartje een lampje laten branden in de apsis, maar dat is het dan. De tussenetage van het priesterkoor is een no-go-area, een Sperrgebiet voor de Heilige Himself. God achter prikkeldraad.

Ik volg dat tot op zekere hoogte wel. Het is goed dat bepaalde voorwerpen, handelingen, personen en stukjes aarde worden gemarkeerd als heilig en dat er afstand wordt geschapen. Dat doordringt ons van het besef dat niet alles eender is. Het behoedt ons voor de onverschilligheid en de nivellering. En toch…

Zeker sedert de tijd van Goethe is er een ander besef van het heilige ontstaan. Het heilige is ook (en voor veel mensen bij uitstek) te benaderen via schoonheid. Veel toeristen en kunstminnaars bezoeken een kerk dan ook om via de kunst een flakkerende glans van het heilige op te vangen. Ze komen heus niet alleen uit voyeurisme of met het oogmerk om de kerk te profaneren. Ze herkennen zich dan misschien niet in de katholieke opvatting van het heilige: maar ze komen wel uit respect voor het verhevene dat ligt verscholen in de schoonheid. Vaak is kunstgenot hun enige weg om het overstijgende, boven-individuele te benaderen. Is het dan wel verstandig om deze weg te versperren of te bemoeilijken?

Volgens mij worden mensen overigens vanzelf stil en nemen ze spontaan hun hoed af, als ze oog in oog staan met een monumentale schildering in de apsis. Hoe dichterbij, hoe overweldigender het immers is. Voor respect is geen politieverordening nodig. Maar los daarvan: laten we even meegaan met het katholieke besef dat het priesterkoor een heilige zone is vanwege het liturgische karakter ervan. Bereiken de hoeders van dat heilige dan eigenlijk wel hun doel? Een roofdier in een dierentuin, omgeven door allerlei voorzorgsmaatregelen, roept geen huiver op doch alleen meewarigheid. Katholieken doen het zelfde met datgene wat zij zien als het heilige: ze plaatsen er een groot hek omheen. Alsof ze God en mensen voor elkaar moeten beschermen. Dat roept geen heilig respect op, maar hooguit een gevoel van veiligheid en beleefde afstandelijkheid. Ik neem dan mijn hoed niet af voor het heilige, maar loop er met een grote boog omheen. Netjes de pijlen volgend. Naar de uitgang.

Over stampvoetende confessionelen en de werking van woorden

Natuurlijk ben ook ik nieuwsgierig genoeg om te willen weten wie me op Twitter ontvolgt – en vooral waarom. Elke keer als ik weer twee of drie volgers zie wegsijpelen, vraag ik me af ‘wat ik nou weer verkeerd heb gezegd’. Een vreemde, narcistische reflex, omdat ik vaak juist wil provoceren. De pijn is overigens te verdragen. In elk geval meld ik me niet aan bij zo’n club, die voor mij het ontvolgpatroon bijhoudt. Ten eerste is dat nooit helemaal belangeloos. Ten tweede moet je aan de dienstverlener toestemming geven om je te hacken en via jouw account reclameberichten te versturen. Ga ik niet doen dus.

Deze week gaf echter voor het eerst iemand aan dat en waarom hij mensen als mij ging ontvolgen. Hij was de kritische tweets over de weigerambtenaren beu. Helder, denk ik dan. Begrijpelijk ook, want op een gegeven moment wordt het voor zo’n man natuurlijk vermoeiend, als het hem maar niet lukt om gelijk te krijgen in een discussie. Dan is weglopen wel zo relaxed. Alsmaar stampvoeten kost nu eenmaal energie.

De twitteraar in kwestie noemde de liberale discussie over de weigerambtenaar ook ‘symboolpolitiek’. Een argument dat merkwaardig detoneert in confessionele mond. Er wordt van deze zijde immers heel wat gepolitiseerd omwille van symbolen: van kruisbeelden en heilige boeken via koningshuizen tot de zelfbeschikking over het eigen domein. Begrijpelijk, want juist de religieuze traditie heeft oog voor de betekenis van symbolen. Daarom maken confessionelen zo’n punt van symbolen, zoals nota bene in dit verband het huwelijk. Symbolen doen er blijkbaar toe.

Natuurlijk: mijn protestantse discussieweigeraar bedoelt natuurlijk dat het gaat om een luxeprobleem. We hebben urgentere problemen, zegt hij velen na: de crisis bijvoorbeeld. Ook dat is een gehaaide manier om af te komen van de argumentatie. Van die truc bediende bijvoorbeeld Links zich tot in de jaren negentig, als je de mensenrechtensituatie in zonovergoten heilsstaten en linkse vakantieparadijzen aan de kaak stelde. Honger was erger en die wist men ginds toch aan te pakken? En die onderdrukte vrouwen in moslimgodsstaten konden toch hun hongerige kindjes voeden? (Dat je in de gevangenis kwam als je bij de regering aanbelde met de boodschap dat er toch nog honger was, is een ander verhaal.)

Maar krijgen we geen Noord-Koreaanse toestanden, met een beroepsverbod? – zo vroeg een andere conservatieve christen en weigerfan mij op Twitter. Natuurlijk, hij bedoelde de woordkeuze ‘slechts retorisch’, voegde hij er kalmerend aan toe. Ook weer zo naief: alsof het kwaad niet reeds is geschied, als men zich met suggestieve beelden opwerpt voor de ‘slachtoffers’. Zo min als er ‘slechts’ symboliek is, zo min bestaat er ‘slechts’ retoriek. De retoriek is juist het probleem. Door rechtse rederijkers bijvoorbeeld is de laatste jaren juist veel bitterheid gezaaid. Dat is harde realiteit; dat gaat verder dan ‘slechts een ongelukkige woordkeuze’. Juist aan woorden hebben we veel kwaad bloed te danken.

Het zou confessionelen sieren als ze blijk zouden geven van politieke en maatschappelijke rijpheid in deze. En overigens ook als ze zouden willen inzien dat ze vanuit dezelfde motieven, van waaruit ze het opnemen voor weigerambtenaren, een ‘beroepsverbod’ mogelijk maken in kerken en confessionele instellingen. Er is dankzij hen sprake van een heuse christelijke sharia. Het getuigt van verwend gedrag om dan ook nog te klagen over een vermeende heksenjacht. Maar dat bedoel ik allemaal natuurlijk slechts retorisch.