Monthly Archives: juni 2012

Stoute dochters en onmogelijke vaders

De grootste Nederlandse componisten zijn Duitsers. In de passietijd hangen we massaal aan lippen van Bach; Haitinks Mahler (een Oostenrijker, soit!) is ons beste exportproduct en de laatste jaren is Wagner niet weg te slaan uit onze muziektheaters en concertzalen. Merkel zal ook wat dit betreft trots op ons zijn. Zolang ze niet voetballen, knuffelen we Duitsers dood. En zodoende genoten we afgelopen week live of via de radio van Parsifal en Lohengrin. Intussen verdiep ik me weer, zoals elk jaar, in de Ring des Nibelungen.

Vorige week had ik het met u over Das Rheingold, de proloog van de Ring des Nibelungen. Deze eindigt met een cliff-hanger, die ons vol spanning doet uitzien naar deel twee: Die Walküre. Brünnhilde is de hoofdpersoon van dit deel. Zij is de dochter van Wotan. De Opper-Overspelige heeft haar verwekt bij Erda, op het moment dat aan het slot van het Rheingold het doel viel. Brünnhilde is inmiddels opgegroeid en de aanvoerster geworden van de Walküren: het vrouwelijke elitekorps van Wotan.

Vader en dochter zijn ‘twee zielen en één gedachte’ of ‘twee handen op één buik’. Wat vader wil, doet Brünnhilde. Maar wat moet je als dochter, als je vader zelf niet meer weet wat hij wil, als hij verstrikt raakt in tegenstrijdige wensen en verplichtingen? Bij zo’n onmogelijke vader doe je het nooit goed. En zo kan Brünnhilde niet anders dan partij kiezen vóór Wotan tégen Wotan. Concreet: zij wil haar bastaardhalfbroertje Siegmund voor de dood behoeden, terwijl Wotan juist met tegenzin aan de druk van zijn Jaloerse Echtgenote heeft toegegeven, om Siegmund op te offeren. (Bent u er nog?) En dat komt de Stoutmoedige Dochter duur te staan. Wotan neemt rigoureus afstand van haar – maar met bloedend hart want hij snijdt in zijn eigen vlees.

Die Walküre staat te boek als het meest geslaagde deel van de Ring. Zij vertoont meer samenhang dan de overige drie afleveringen. Vanuit één gegeven (het innerlijke conflict van Wotan) wordt organisch het hele verhaal ontwikkeld. Ook muzikaal is de opera één grote, meeslepende beweging. Bovendien heeft Die Walküre meer psychologische diepgang. Ze is ‘menselijker’. Er komen minder malle bordkartonnen sprookjeswezens in voor (zoals nimfen, dwergen en reuzen), die onbedoeld op de lachspieren werken – of hooguit serieus kunnen worden genomen door diegenen die zich door de esoterie van het verstand hebben laten beroven. De Walküren kunnen er nog net mee door, wat dit betreft.

Het belangrijkste is natuurlijk – alle gepraat van Wagner over een ‘totaalkunstwerk’ ten spijt – de muziek. Die Walküre bevat de mooiste momenten uit de Ring: het liefdesduet van Sieglinde en Siegmund, de doodsaankondiging van Brünnhilde aan Siegmund en vooral Wotans Abschied: de climax waarin de in drie uur opgebouwde spanning zich ontlaadt. Eigenlijk is die overbekende ‘Walkürenritt’ (zo geliefd als filmmuziek) nog het minste. En ik ben ook niet kapot van het gekrioel van de hoge stemmen van de Walküren, waardoor het begin van de derde akte klinkt als een nest hongerige cavia’s. Maar dat vergeef je Wagner snel.

Mijn persoonlijke geschiedenis met Die Walküre is merkwaardig. Ik maakte voor het eerst kennis met de opera door een geschreven tekst: de novelle Wälsungenblut van Thomas Mann. Dit is een ironisch-decadent verhaal over de incestueuze escapade van twee verwende kinderen uit een rijk Münchens milieu (geënt op Manns schoonfamilie). Mann roept hierin met woorden feilloos de bitterzoete klankwereld van de eerste akte van Die Walküre op. Toen ik de muziek jaren later voor het eerst ‘in het echt’ hoorde, herkende ik haar meteen. Een groter compliment voor een schrijver is niet denkbaar, toch?

Maar Thomas Mann was dan ook helemaal doordesemd met de muziek van Wagner en de Ring des Nibelungen. Zijn oudste dochter Erika noemde hij zijn ‘Wotanskind’. Wat hijzelf met Wotan gemeen had was het narcisme. Dat is sleutelwoord in de Die Walküre: alles in Wotans wereld is slechts een spiegel van hemzelf. Zelfs de opstandige Brünnhilde lijkt slechts een ‘uitvloeisel’ van zijn tegenstrijdige wil. (Daar vind ik het mijne van, maar daarover later meer.)

Nu wéét Wotan wel wie in staat zal zijn om zijn ‘omsingeling door zichzelf’ te doorbreken. Het is dezelfde die ook door de vuurcirkel heen kan breken, die Brünnhilde omgeeft als Wotan haar achterlaat. Het leidmotief van deze held klinkt als een profetische belofte in de slotmaten van Die Walküre.

Alwéér een cliffhanger. Kijk en luister intussen naar Wotans Abschied.

De wurghypotheek van Wotan

Misschient trekt u in deze crisisperiode de haren uit uw hoofd, omdat u een hypotheek heeft gesloten in de dure tijd. In dat geval bevindt u zich in goed gezelschap. En dan doel ik niet op mijzelf (hoewel wij dan wel lotgenoten zijn), doch op Wotan, het alfamannetje onder de goden in Wagners opera Rheingold.

Rheingold? Ok, even ons geheugen opfrissen. Richard Wagner wilde een groot episch werk scheppen over het tragische lot van Siegfried. Dat liep uit de hand en het werd een vierdelig werk waarop hij gedurende enkele decennia ploeterde. Om precies te zijn: het is eigenlijk een drieluik met een uitvoerige proloog. Die proloog nu is Rheingold. Het is met ruim twee uur de kortste opera van de Ring des Nibelungen, die cyclus die binnenkort weer ‘gaat’ in Bayreuth.

Waar gaat de Ring over? Op het eerste oog over niks. Het is moeilijk om je goed te houden, als je je bij de Ring tot de plot en de tekst beperkt. Je moet het doen met een Tolkienachtige poppenkast, bemand door bordkartonnen personages met malle namen. En Wagner mag zich dan hebben bescheurd om de muziek van zijn vereerder Nietzsche: met zijn eigen gewichtigdoenerige rijmelarij valt de zelfoverschatter Wagner behoorlijk door de mand.

Het ligt echter gecompliceerd. Zeker in de tweede opera, de Walküre, bereikt Wagners verhaal een grote filosofische en psychologische diepgang. Maar eigenlijk kent de Ring als ‘totaalkunstwerk’ (dus als meer-dan-tekst-alleen) reeds vanaf het begin een behoorlijke diepgang en gelaagdheid. Dat komt doordat Wagner de muziek en de tekst als het ware boven elkaar plaatst als twee notenbalken of ‘tekstlagen’. De muziek zegt – plat gezegd – soms iets anders dan de tekst.

En dat heeft dan weer alles te maken met die beroemde ‘leidmotieven’. Als luisteraar weet je bijvoorbeeld dat zo’n muzikaal motief, door het orkest gespeeld, naar iets onheilspellends verwijst. En dat klinkt dan door de gezongen woorden van de personages heen, terwijl deze zich van geen kwaad bewust zijn. Voorbeeldje. Als de goden in het Rheingold elkaar moed inspreken en luidkeels bezweren dat hun problemen zijn opgelost, klinkt in het orkest heel zacht het motief van de haat van de Nibelung die op wraak zint. Van dit soort gelaagdheden en dubbelheden staat de Ring vol.

Maar nu weet u nog niet waarover de Ring gaat en waarom Wotan wakker ligt van een hypotheek.

Welnu. Wotan heeft de reuzen (niet lachen!) een burcht laten bouwen waar hij op zijn lauweren wil gaan rusten: het Walhalla. Hij heeft dat op krediet gedaan en als onderpand de sexy godin Freia prijsgegeven. Intussen zint hij er natuurlijk op, hoe hij zijn schuld gaat inlossen bij de uit de kluiten gewassen aannemers. Hij gaat te rade bij zijn persoonlijke hypotheekadviseur, de leugenachtige en doortrapte Loge. Die weet wel een oplossing: Wotan kan het onderpand inlossen met het rijngoud. Dat goud is echter nog in het bezit van de Nibelung Alberich, die het op zijn beurt weer  heeft gestolen van de Rijndochters. Wotan, ten einde raad, belooft aan de reuzen dit goud: goud dat hij nog niet heeft en dat hij eerst nog zal moeten ontfutselen aan de dwerg.

Bedoeld of onbedoeld spat de maatschappijkritiek ervan af – hetgeen ons niet verbaast bij een componist die in zijn jonge jaren een revolutionair was. Loge als de beschermgod van de bedenkers van ingewikkelde financiële producten: als dat ons niet ironisch in de oren klinkt? En zoals velen ons zich hebben verstrikt in financiële wanconstructies, zo wordt ook de machtige Wotan een marionet van een pervers, ingewikkeld financieel systeem.

Het bovenstaande is een versimpelde weergave van het Rheingold en slechts één aspect ervan. Het hele verhaal is natuurlijk veel ingewikkelder: in vijftien uur muziekdrama filibustert Wagner er immers lustig op los. Hij kan daarin een complex verhaal kwijt, dat niet past in het bestek van dit blogje.

Dus: wordt vervolgd. Ik eindig nu met dezelfde kloofbungelaar als Wagner zelf in het Rheingold. Als Wotan aan het eind van de opera ‘een besluit neemt’ (meer staat er niet) klinkt het zwaardmotief. Mijns inziens is dit bijna een soort van muzikaal fallussymbool. Wij luisteraars ‘weten’ daardoor dat de Opperschuinsmarcheerder van plan is een kindje te gaan verwekken bij Erda – nogal zo’n personage met een onmogelijke naam.

En dat wordt niet zo maar een kindje. O nee.

Mijn vakantiebaantje: luisteren naar de Ring des Nibelungen

Nu ik dit schrijf zitten veel mensen te kijken naar het begin van de wedstrijd Nederland-Portugal. Naar dat rituele moment waarop het Wilhelmus uiterst onverstaanbaar wordt gezongen. Dit moment roept bij de meesten van ons een plechtig gevoel in de onderbuik op, een lichamelijk-mystieke vervoering.

Hoe cerebraal ik verder ook ben: ik herken dat gevoel wel. Ik onderga het bijvoorbeeld als ik in de lente voor het eerst die uit het donker opdoemende, eerste maten van de Matteüspassie hoor. Het plechtige onderbuikgevoel is vooral te danken aan het rituele en ritornel-achtige karakter van de muziek. Het zijn klanken die horen bij dit bepaalde moment van de jaarcyclus. Als ze ten gehore worden gebracht, is dat een feest van terugkeer, een viering van zalige herhaling. Onbewust is ons verwachtingspatroon immers op die herhaling gespitst. En als de verwachting wordt vervuld, begroeten we dat moment als een religieuze wederkomst: een dyonysisch lentefeest in het klein. 

Velen delen dit gevoel als ‘de Matteüs’  in maart of april voor het eerst klinkt op Radio, CD of in de concertzaal. Maar er zijn ook privérituelen op muzikaal gebied. Of rituelen die beperkt zijn tot een kleine groep. Zo weet ik bijvoorbeeld sinds kort dat ik niet de enige ben die iedere zomer de tijd neem om (van CD weliswaar) de hele Ring des Nibelungen van Wagner te beluisteren.

Waarom ieder jaar? Welnu: omdat ‘de Ring’ niet voor niets ‘Ring’ heet. Het is niet alleen het verhaal over een ‘ring’: het is ook als kunstwerk zelf een ring, een cyclus, waarvan het einde het begin raakt. Het is als een slang die in zijn staart bijt. Wagner bedoelde het natuurlijk ook als een religieus ritueel (maar de zelfoverschatting van Wagner als religieus totaalkunstenaar neem ik niet echt serieus). Het werk geeft bovendien – en dat is voor mij het voornaamste – zijn muzikale en inhoudelijke geheimen pas prijs als je het meerdere malen beluistert. Dat hangt samen met die beroemde ‘Leitmotive’ (daar kom ik misschien nog een keer op terug). Los daarvan: ieder gelaagd kunstwerk vraagt er natuurlijk om, om meerdere malen te worden beluisterd, bekeken, gelezen etc. Je hoort en ziet dan gewoon meer.

De timing in de zomer is trouwens toevallig en prozaïsch van aard. In de zomer heb ik gewoon meer tijd en kan ik me permitteren om af en toe een uur met de koptelefoon op in de tuin te gaan zitten. Het is dan mooi meegenomen dat ik weet dat tegelijkertijd in Bayreuth het jaarlijkse festival plaatsvindt: dat quasireligieuze rituele spel van de Wagnerclan.

Dezer dagen begin ik dat weer aan die ruim vijftien uur muziek, die ik als een vervolgverhaal over de zomer uitsmeer. Ik zal de lezeressen en lezers, die door een schikking van het noodlot (of door mijn opdringerige oproep op Twitter) op deze website verzeild zijn geraakt, er nog wel vaker mee vervelen. Ik zal weer zwelgen in mijn vervoering over de liefdesduetten. Ik zal de vinger leggen op de narcistische tragiek van Wotan en op de manier waarop hij de kredietcrisis veroorzaakt. Ik zal mijn stokpaardje berijden dat Siegfried maar een dom blondje is en dat de eigenlijke messiaanse heldenrol is weggelegd voor Brünnhilde. Ik zal mijn enthousiasme de vrije loop laten over de vondst van Wagner, om de slotwoorden van zijn heldin weliswaar in de partituur op te nemen, maar ze uitsluitend te laten ‘zingen’ door het orkest.

Maar nu ga ik eerst naar die diepe bastoon luisteren, die kiem waaruit Wagners megalomane drama ontspruit. Die begintonen van Das Rheingold, die ons doen afdalen in de diepe ‘Brunnen der Vergangenheit’ (Thomas Mann). En ik zal die rillingen weer voelen, dat mystieke gevoel in mijn darmen en nog lager.

U zou het ook een keer moeten proberen. Mooi hoor.

De ironie is de zuster van het heilige

De in Madrid verkrijgbare knuffeljezus

De in Madrid verkrijgbare knuffeljezus

De inwoners van Madrid hebben het toch maar goed. Dat gevoel houd ik over aan de bliksemvakantie die ik daar onlangs doorbracht.

Ten eerste mogen ze zichzelf aanduiden met een uiterst elegante benaming. Als inwoner van Eindhoven ben je gewoon Eindhovenaar. Prozaïsch hoor. De inwoner van Madrid heet Madrileen: wat een muzikaal en slank woord! Het rolt van de tong als je het uitspreekt. Dat wil ik ook. Maar maak maar eens iets moois van dat gortdroge ‘Eindhoven’.

Vervolgens hebben de Madrilenen een juweel van een kunstverzameling. Ze koesteren bovendien jaloers makende opvattingen over kunsteducatie. In El Prado trof ik – voor de grote werken op de vloer neergevlijd – hele peuterklasjes aan. De kinderen waren soms niet ouder dan drie jaar. Ze zaten – gekleed in t-shirtjes van een zelfde, opvallende kleur – oplettend te luisteren naar de uitleg van een El Greco, Velazquez of Titiaan.

Zo kan ik wel doorgaan. Madrid heeft bijvoorbeeld El Escorial: de geestelijke burcht, het melancholieke buitenverblijf waar Philips II zijn sombere devotie en introverte gevoelsleven botvierde. Je kunt daar fantaseren hoe onze erfvijand vanuit zijn vertrekken peinzend uitkeek over het weerbarstige landschap, hoe hij vanuit zijn slaapkamer het misoffer gadesloeg, hoe hij zijn religieuze verbeelding voedde aan de hand van een wandbekleding bestaande uit Vlaamse gobelins en schilderijen. (Oranje bloemen neerleggen bij zijn graftombe is trouwens niet geoorloofd. Bepaalde vormen van humor worden als tactloos ervaren.)

Over devotie gesproken: daar hoef je de Madrilenen niet altijd om te benijden. Deze neemt soms merkwaardige vormen aan. In de kerk van Jesús de Medinaceli leggen boetelingen in processie en vaak op hun knieën de moeizame weg af naar het miraculeuze Jezusbeeld boven het hoogaltaar. Ze kussen om beurten de voeten van dit beeld, waarna hun zonden door de Heiland (en de nagelaten zoenplekken door een aan deze lopende-band-arbeid toegewijde schoonmaakster) worden uitgewist. Soms loopt de boetedoening hoog op. Ik zag hoe een penitente halverwege haar boetetocht plotseling opstond uit haar geknielde houding, omdat haar GSM afging. Druk pratend beende ze de kerk weer uit. Zou ze nou weer helemaal opnieuw moeten beginnen? – vroeg ik me medelijdend af.

Ik schat dat deze devotie voor de Madrilenen even gewoon is als voor ons het aansteken van een kaarsje, maar toch… Mijn scepsis werd versterkt toen ik in de etalage van een religieuze boekhandel een knuffeljezus aantrof voor de kleintjes. Deze Jesusito was er in verschillen maten. Ook Maria was overigens in knuffelvorm verkrijgbaar. Voor elke smaak en elke bestedingsruimte wat wils.

Maar ach: de verbazing hierover valt in het niets tegen de jaloezie op het genoemde Prado. In het heiligste der heiligen van dit museum vind je Las Meninas van Velazquez: dat sympathiek hoogmoedige, ironische en ontregelende zelfportret van de schilder. Je staat als toeschouwer op de denkbeeldige plek van het koningspaar, dat door de schilder wordt geportretteerd. Je staat in de spiegel te kijken of staat in de spiegel zelf. Volgens mij is de bouw van Madrid ooit door hogere machten gepland, om dit kunstwerk te herbergen: dit werk dat reflecteert op het verschijnsel kunst zelf. In het hart van het allerheiligste ontlokt Velazquez ons een glimlach.

En zo hoort dat: de ironie is de zuster van het heilige.

velazquez-las-meninas

Ik, de gemiddelde Nederlander en vreedzame grazer

Er was post van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ik was uitverkoren. Mijn naam stond blijkbaar geschreven in de hand van het geheimzinnige hoofd van dit gezaghebbende instituut. Deze hand had mij uit de menigte geplukt, om mij te peilen en op basis van die peiling de mentale en materiële toestand van ons volk in kaart te brengen. Daaruit resulteert een kaart waarop beleidsmakers en neringdoenden met blind vertrouwen kunnen varen. De gedachte dat er Iemand is die mijn hart peilt: deze gedachte verwarmt datzelfde hart natuurlijk meteen.

Misschien is het allemaal banaler. Misschien heeft een of andere octopus gewoon blindelings een balletje uit een gigantische ballenbak gevist, waarop dan toevallig mijn naam staat. Een blinde steekproef: pas daarop kan men blindelings koersen, niet waar? Misschien – andere optie – weten de tellers van het CBS stiekem, dat ik over van alles  en nog wat een ongefundeerde mening heb en dat ik dat ook nog eens graag rondbazuin (zoals op dit weblog). Of nog erger: misschien ben ik toch meer die Henk van Ingrid, die stem des volks, dan ik zelf wil toegeven en ben ik daarmee geknipt voor de rol van gemiddelde Nederlander. Het CBS is misschien dus helemaal geen barmhartige God die mijn hart peilt, doch een almachtige, alziende God die mij op mijn nederige plaats wijst.

Nederigheid past ook wel in ontboezemingen – ook in de ontboezemingen die ik me voor deze week had voorgenomen. Ik wilde bijvoorbeeld goede sier maken met het feit dat ik vorige week tot de uitverkorenen hoorde, die het Bachconcert van Masaaki Suzuki in Eindhoven bijwoonden. (Als u hem niet kent: u kunt hem even te voorschijn googlen, nu u toch achter het scherm zit.) Maar zo bijzonder als de uitvoering zelf was, was ik als concertbezoeker helemaal niet. Ik zat namelijk in een volledig uitverkochte zaal te luisteren naar het ensemble dat onder de leiding van Suzuki tot een perfect afgestemd orgel werd. En zoals de musici opgingen in dit levende organon: zo ging ik op in de menigte toehoorders.

Heel bescheiden moet ik voorts bekennen dat ik met volle teugen genoot van het lange Pinksterweekend en dat ik met tegenzin op dinsdagmorgen weer aan het werk ging (hoezeer ik ook met de mond de zelfkastijding prees van de politici die Tweede Pinksterdag wilden opofferen). Het feit dat ik in de tuin een dik boek las en dat ik weer eens mijn CD met Alban Bergs opera Lulu beluisterde: dat woog niet op tegen de wellust waarmee ik mij voor het overige overgaf aan uitslapen, borrelen en royaal bunkeren – te meer daar ik weer mijn verlies moest toegeven tegenover die complexe muziek van Berg (alle wufte expressionistische orkestklank ten spijt).

Maar ach… ‘Hereinspaziert in die Menagerie…’, zo begint die decadente opera. Gaat ze niet over de wereld als een dierentuin en de mens als het ongebreidelde lustwezen? Dat roept ook weer het beeld op waarmee Thelen zijn Eiland van het Tweede Gezicht (zie het logje van de vorige week) besluit. Indringend is dat beeld: de wereld als een omheinde tuin, waarin we ons als grazers vrij en veilig wanen, zolang we niet te dicht bij het hek komen. Verontrustend? Gelukkig laat Thelen ons hier ook mee lachen. Wat rest ons anders?

Maar of het CBS hier wat aan heeft?