Monthly Archives: mei 2012

Vakantietip

2011-08-08-15-51-52

In mijn kring wordt nogal veel vakantie gehouden op uitgelezen plekjes. Tijdens de eerste verjaarsdagsfeestjes na de zomer steken mensen elkaar de loef af. Men vertelt dat men dit jaar op een nog geheimer plekje in Toscane heeft vertoefd. En het was weer heel authentiek en apart tegelijk. En men heeft de auto dit keer ook eens volgeladen met het plaatselijk gebottelde mineraalwater. De wijn: dat spreekt natuurlijk vanzelf. Al jaren.

Toen ik vorig jaar een vakantie op Mallorca boekte, ontweek ik vooraf dan ook alle vragen naar onze vakantiebestemming. Als er niet aan te ontkomen viel, mompelde ik binnensmonds (en het liefst op het moment dat er een luidruchtige motorrijder langskwam) iets als ‘de Balearen’ – dankbaar als ik was voor de beschikbaarheid van dit geografische eufemisme.

De enkeling die ik aldus noodgedwongen in vertrouwen nam liet zich niet in het ootje nemen en keek mij vol anticiperend medelijden aan. Ik dacht dat het wel zou meevallen. Nee dus. Dat wil zeggen: de keuze voor een betaalbaar arrangement brak ons op. Ons hotel was gelegen in een berucht ressort voor nachtbrakers, met disco’s en een rijk aanbod aan karaokefeesten. Van slapen kwam er weinig: daar komt het op neer.

Dat was echter maar één kant. De jonge toeristen maakten ’s nachts dan wel veel lawaai: ze maakten overdag op het strand doorgaans veel goed door hun fraaie lijven (enkele uitzonderingen daargelaten). Maar bovenal: Mallorca is een prachtig eiland, met schitterende kloven en kusten, citrusboomgaarden en nostalgische vervoermiddelen. Het meest was ik onder de indruk van Palma: het kleine knappe zusje van Barcelona. De stad heeft een fraai historisch centrum, met interessante kerken en musea, serene straten en voorname winkels.

Palma was – naast de behoefte aan zongarantie – dan ook de reden van mijn keuze voor Mallorca. Met veel smaak begon ik vorig jaar namelijk voor de tweede keer aan Vigoleis Thelens roman Het eiland van het tweede gezicht. Dit autobiografische boek speelt zich af op Mallorca in de vooroorlogse jaren. Het is een siervuurwerk van de Duitse taal, een stilistische verwennerij vol historische doorkijkjes, melancholieke humor, weemoedige spot en hilarische anekdotes.

Thelen is een zwaarmoedige Nederrijnlander en een volbloed Duits romanticus. De buitenkant is een verlegen ‘meneer Foppe’. De binnenkant is een in de kosmos verdwaalde eenzaat, die zich een weg baant door het onherbergzame bestaan dankzij het wapen van de tong en de pen. En zo vertelt hij ‘de geschiedenis van het exquise gevoel dat eenzaamheid heet’. Hij vertelt het verhaal van iemand die van jongs af aan is vervreemd van God, de mensen en zichzelf en die dan zegt: ‘Nu knappen we onze zaakjes zelf op en het loopt niet gesmeerd, maar het is uit te houden’. Een man naar mijn hart.

In de steegjes van Palma liep ik door het decor van Thelens boek. Onvergetelijk. Er zijn mensen, die een misluktere vakantie op Mallorca hebben doorgebracht. Chopin bijvoorbeeld. Niet de minste, toch? En met deze snobistisch gestileerde vakantie-ervaring kon ik toch voor de dag komen op de terugkeerfeestjes in september.

Mijn tip: ga naar Mallorca. En lees in de slapeloze nachten dan dat boek van Thelen.

2011-08-08-15-51-31

De strijd der eenzijdigheden

Het was feest! We leven in een dermate Bijbels doordesemd en christelijk doordrenkt land, dat we ieder jaar op een voorjaarsdonderdag de bedrijven sluiten, om ongestoord te kunnen mediteren en jubelen over de hemelvaart van Jezus. Ik bracht deze dag van bezinning en uitzinnige religieuze vreugde door in Haarlem. Terwijl mijn wederhelft de tijd met zangvrienden verdreef in een repetitielokaal (tja), liep ik drie musea af. (Ik ben ongedurig en ongeduldig, dus als ik alleen ben schiet een museumbezoek altijd lekker op.) Zo stond ik in het Teylers Museum enkele minuten, overmand door emoties, te kijken naar de stoffelijke resten van een heuse Plesiosaurus (jawel). Een lang en hevig gekoesterde hunkering was daarmee in vervulling gegaan. Daarna ging ik spoorslags naar het Frans Hals Museum en de Hallen.

Ik was in het Frans Hals Museum – nu even serieus – erg onder de indruk van een klein doek van Saenredam, dat net zo goed van Lissitzky had kunnen zijn. Ook trof mij een grote lap van de late Hals, die niet zou misstaan in een collectie met sociaal realisme. Dat vind ik nou mooi aan kunst: ze haalt je verwachtingspatroon onderuit en drijft de spot met elke categorie. Hebt u al het minimalisme gehoord in F. Couperins Barricades mystérieuses? Hebt u de jazz al gehoord in Beethovens laatste pianosonate? Dat bedoel ik dus. Kunst laat altijd een onverwacht gezicht zien. Als we dat tenminste willen zien. Als we ons tenminste niet laten manipuleren door het gezichtsbedrog van onze voorkennis en onze aangeleerde indelingen.

In die zin is een schrijver als Thomas Mann (ja hoor, daar is hij weer!) ook zo ongrijpbaar. Mann was een mens van tegenstrijdigheden en tegenspraken. Hij koesterde verschillende zielen in zijn borst, die elkaar hinderlijk in de weg zaten. Hij was niet zozeer ‘veelzijdig’ (want veelzijdigheid kan gepaard gaan met innerlijke harmonie) als wel een vat van eenzijdigheden die allemaal de overhand wilden krijgen. De boventoon werd daarbij gevoerd door de twee gezichten van de kunstenaar en de moralist.

Daarin zat overigens wel een ontwikkeling: de politiek abstinente en hautaine estheet legde het – na het nodige tegenstribbelen – uiteindelijk af tegen (of moet ik zeggen: ‘bij met’?) de politiek betrokken ethicus. Maar de twee gezichten bleven tot het eind herkenbaar. Helemaal gewonnen gaf de estheet in Mann zich nooit. Daarom zijn de Zauberberg en Dr Faustus ook zo bipolair van opzet – zij het ieder op een eigen manier. Sommigen verdedigen ook de stelling dat Dr Faustus is geënt op Dr Jekyll en Mr Hyde. In de twee hoofdpersonages toont zich, beweren ze, de Januskop van Mann zelf.

Nu is er iets eigenaardigs. Tijdens het werken aan Dr Faustus ontdekte Mann een hoofdwerk van Kierkegaard. Dat was Of-Of (tja, zo heet dat nu eenmaal). Hij verwijst in zijn roman terloops naar de muziektheorie in dit boek. Nu ik zelf Of-Of herlees, frappeert me dat er meer parallellen zijn. Dat was Mann zelf niet ontgaan. Er kon echter geen sprake zijn van beïnvloeding (want Mann las Kierkegaard pas in een laat stadium van het schrijven). De overeenkomsten zijn dus een kwestie van louter toeval of  – zoals Mann het liever zelf zei – van onbewust onderling verband. Opmerkelijk is in elk geval dat Dr Faustus zowel qua vorm als qua inhoud veel gemeen heeft met Of-Of.

Dat heeft nu precies te maken met die ‘twee gezichten’. Met enige goede wil (of met op hol geslagen interpretatiedrang, zo u wilt) zie je in beide boeken, hoe de burgerlijke ethicus – vanuit sympathie – probeert om de wereldvreemde (en zelfs wereldvijandige) estheet overstag te doen gaan ten gunste van zijn eigen standpunt. De ernst probeert het spel te bedwingen. De boeken zijn een weergave van de worsteling van Kierkegaard en Mann zelf. Bij Mann is dat het gevecht met en van de eenzijdigheden in zijn borst: de onderlinge strijd van zijn ‘gezichten’. Het is een strijd of – beter – een moeizaam vredesproces met een toenemend, maar nooit onaangevochten overwicht van de ethiek.

Was Thomas Mann een existentiefilosoof tegen wil en dank? In elk geval blijft het lezen van Mann – zijn biografie en zijn werk – een heilzame confrontatie. Hij behoedt me ervoor om hem als kunstenaar in een schema te plaatsen. Hij houdt me ook een spiegel voor, evenals Kierkegaard: een spiegel waarin ik mijn eenzijdige gezichten herken. Hij confronteert me bovendien, net als Kierkegaard, met de urgentie om niet te blijven steken in de oppervlakkigheid van de estheet of (bescheidener) de speler in mezelf. Hij daagt me uit: niet om de speler in mij de nek om te draaien, maar wel om deze te brengen tot de liefdevolle omhelzing door de ethicus en hem zo op een hoger plan te brengen.

Ga er maar aan staan. Ik hoop maar dat ik net zo oud word als Thomas Mann.

Er is niet veel te vieren, maar wel het nodige te eren

Onderhoudsbeurt of verkopen?

Er zat zomaar weer een feestje in de afgelopen week: de Dag van Europa. Hebt u ook de vlag uitgehangen? Ik wel – in overdrachtelijke zin dan. Niet dat er iets te vieren viel. Maar er was wel iets te eren. Te vieren valt er even niets, omdat Europa op dit moment niet optimaal functioneert. Te eren valt er wel iets, omdat het Europese project nog altijd garant staat voor veiligheid, vrede, welvaart en culturele verrijking. We kunnen en mogen dat project niet ongedaan maken. We moeten het uiteraard wel vervolmaken. De halfslachtigheden van onze muntunie bijvoorbeeld moeten we toch eens corrigeren, ten gunste van een echt geïntegreerd monetair systeem. Mutatis mutandis geldt het zelfde voor het Europese parlement etc.

Op weg dus naar de Verenigde Staten van Europa, wat mij betreft. Dan kan ik als kiezer ook op een wereldleider stemmen in plaats van op een dorpsburgemeester die in het dagelijks leven sigarenboer is. Wat mij betreft mogen we ook een – ooit door Thijs Wöltgens z.g. bepleite – tussenstap zetten en een deelstaat van Duitsland worden. Dan maken we tenminste ook deel uit van een cultuur en een taalgebied, die internationaal iets voorstellen (al zullen we ons deltadialect in onze vrije tijd wel blijven gebruiken).

Een eerbewijs is nu ook gepast, omdat hele volksstammen Europa bij het oud vuil willen zetten. Alsof er een alternatief is! Mensen zijn kort van memorie. Het feit dat we even in de malaise zitten doet ons verworvenheden vergeten die decennia lang wel hebben gewerkt. Zoals we wel meer zaken verguizen waarvoor martelarenbloed heeft gevloeid. Onze meerpartijendemocratie bijvoorbeeld, de veelstemmigheid van onze cultuur, onze verzorgingsstaat. Voor al die dingen is een APK dringend nodig, maar inruilen doe ik ze toch maar even niet. Waartegen immers?

Maar ja: opgeven is natuurlijk gemakkelijker dan onderhoud. En het is moeilijk om iets in te brengen tegen de populisten van links en rechts die luidruchtig Grootmoeders Koektrommel roeren voor de Goede Oude Tijd. Een koektrommel die wel eens akelig leeg kan blijken te zijn – wat muffe lucht daargelaten.

Thomas Mann

Toevallig las ik deze week een toespraak van Thomas Mann uit 1922, waarin hij de jonge generatie toesprak, die reeds blasé en vermoeid neerkeek op de Weimardemocratie, terwijl deze nog maar in de kleuterschoenen stond. Heel actueel klinken de volgende woorden:  “Wat is demagogie anders dan de vulgaire manipulatie die erin bestaat de huidige malaise van het land te misbruiken om het afgedane te verheerlijken – zonder dat men ook maar in het minst wegen en middelen kent, hoe de pracht van weleer kan worden hersteld en zonder dat men een troonsopvolger kan aanwijzen voor de verlaten troon, waaromheen met zich zo beschermend schaart.”

Ik las deze tekst, omdat ik me voorbereid op een studieproject rond de Toverberg van Mann, waarmee we de komende winter starten in de remonstrantse kerk in Eindhoven. Een mooi vooruitzicht. Het geciteerde essay is ontstaan in het kielzog van deze grote roman. En het wijst vooruit naar Dr Faustus.

Een project rond dat laatst genoemde boek sloten we deze week af met een vlammende toespraak in ons kerkgebouw door Rob ‘Nexus’ Riemen. Deze deed de Grote Waarden en Woorden van de Europees-humanistische traditie weer even voor ons glanzen. Met zijn provocerende, associatieve en doorleefde pleidooi toonde hij zich een plek in de apostolische successie van Thomas Mann waardig. (Misschien begeeft Riemen zich soms wat te ver boven de boomgrens en verwacht hij de inspiratie voor een humane cultuur te exclusief van verfijnde strijkkwartetten en vuistdikke, epische ‘Bildungsromane’. Ik zie toch ook veel eerlijk ethisch en humaan besef uit de populaire cultuur opborrelen – al is dat niet mijn element. Maar dit terzijde.) Zo hadden we dus toch een klein Europees feestje.

Religieuze vrijheid

Over feestjes gesproken: dit najaar wordt in de katholieke wereld herdacht dat vijftig jaar geleden het grote hervormingsconcilie begon. Inmiddels komen we van een kille kermis thuis en is de vrije ademhaling in de kerk gesmoord. Leg echter de schuld daarvan niet alleen bij de despoten aan de top! Wij religieuze mensen geloven maar al te graag in het ‘sprookje van de zekerheid’ (Ludwig Marcuse) en betalen voor onze gemoedsrust maar al te graag met het inleveren van onze mondigheid. En onze buiging voor het zelfbenoemde gezag komt niet alleen voort uit beleefdheid, angst of berusting. Vrijheid en verantwoordelijkheid – ze zijn vaak vermoeiend en kosten onderhoud. Overgave aan de leider of goeroe is dan heel verleidelijk. Psychologisch zie ik hier een parallel met ons vermoeide loslaten van het Europese project en van onze democratische en culturele verworvenheden.

Dit aan de kapstok hangen van de mondigheid observeer ik – God betere het – ook bij vrijzinnige groeperingen en in de ‘nieuwe spiritualiteit’. Er wordt meer geloofd en kritiekloos aanvaard dan ooit. En het is toch van de gekke dat mijn kwaliteitskrant Trouw in alle ernst een podium verleent aan lijkwadefetisjisten en mayakalendervolgers. Natuurlijk: er worden kritische vragen bij gesteld. Maar sommige onzin is zelfs het weerleggen niet waard. Niet wat mensen willen geloven moet aan de kaak worden gesteld, maar het feit dat zij allerlei zoete koek slikken. (Uit ervaring weet ik echter dat je in beide gevallen boze brieven van de New-Age-Inquisitie krijgt.)

De aangename koelte van mondigheid en gezond verstand: daartoe moeten wij onszelf en onze tijdgenoten blijven verlokken. Zoals Ovidius schreef in zijn Metamorphosen: de mens is geboren en geroepen om rechtop door het leven te gaan. Dat heeft de wereld definitief een ander aanzien gegeven. We zijn geen apen, zoals één van de zaterdagsbijlagen van mijn krant nu kopt. Laten we dan niet kruipen – en zeker niet terug in de richting van de moederschoot.

Vrijheid is ondeelbaar

Et par le pouvoir d’un mot 
Je recommence ma vie 
Je suis né pour te connaître 
Pour te nommer:

Liberté

(En door de kracht van één woord /Begin ik opnieuw mijn leven / Ik ben in de wieg gelegd om je te kennen / Om je bij naam te noemen / Vrijheid)

P. Éluard

***

Vrijheid is ondeelbaar. Ze behoort – zou de oude Van Mierlo hebben gezegd – niet tot onderhandelbare zaken. Op een dag als vier mei voel ik deze compromisloosheid in alle woede naar boven komen. De doden die wij dan herdenken: zij zijn ook slachtoffer van het feit dat een volk stukje bij beetje zijn vrijheid had prijsgegeven en zich daarmee op een zwaar hellend vlak had begeven.

Want laten we eerlijk zijn: mensen zijn vaak geneigd om te marchanderen met die vrijheid. Er is geen woord, waarachter zo vaak een komma wordt gezet en waarop zo vaak ‘ja maar’ volgt. In politieke, maatschappelijke en religieuze groeperingen wordt vaak lippendienst bewezen aan de vrijheid, om er vervolgens allerlei ‘nuances’ aan toe te voegen. “Vrijheid, OK, maaaar het mag geen ongebondenheid worden, maaaaar we moeten ook rekening houden met anderen, maaaaar het moet niet doorschieten, maaaar we zijn ook ‘gemeenschapswezens’ die ‘ingebed’ zijn ‘in relaties’…”  En zo wordt de glasheldere omlijning van de vrijheid vertroebeld tot een obscuur sfumato.

Ik heb dit altijd sterk gevoeld aan de linkerkant van de kerk. Als je in de jaren tachtig of negentig opkwam voor slachtoffers van mensenrechten in de Arabische wereld, in een Idealistisch-Derde-Wereld-Land of in China: dan werd dat bij ons meteen gedempt onder een deken van nuances. ‘Ja maar, de mensen hebben er tenminste te eten.’ ‘Ja maar ons model van democratie en mensenrechten is cultuurgebonden.’ ‘Ja maar die mensen hebben wel wat anders aan hun hoofd.’ Als een dictator zijn volk te eten gaf, dan werd een oogje dichtgeknepen als in zijn gevangenissen homo’s of mensenrechtenactivisten crepeerden.

In de theologieopleiding leerden we, om dit allemaal mooi te formuleren. We zeiden braaf bij tentamens dat ‘sociale mensenrechten’ veeeeeel belangrijker waren dan die verfoeide burgerlijke politieke rechten. Het was en is echter maar de vraag of in die Landen-Die-Nog-Niet-Aan-Mensenrechten-Toe-Zijn de bevolking genoeg te eten heeft. Als je daar immers zegt dat je honger hebt, wordt je de mond gesnoerd. In die zin zijn politieke vrijheidsrechten primair, denk ik toch maar. (‘Gelukkig’ heeft rechts sindsdien dit thema overgenomen en is links bezig met een inhaalslag op dit gebied, moeizaam maar toch.)

Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat de kerken wel het minste recht van spreken hebben als het gaat over vrijheid. Het woord vrijheid moet je met tien paarden uit de mond van kerkelijke leiders en theologen trekken – ook bij de gematigden. En het is dan altijd een concessie. Vrijheid wordt alleen vrijgegeven met veel mitsen en maren, onder veel ontbindende voorwaarden. In de praktijk wordt de vrijheid toegestaan, maar dan wel in het verborgene (don’t ask, don’t tell). In theologisch opzicht wordt vrijheid voorgesteld als een compromis dat God – en dus zijn zelfbenoemde handlanger, de kerk – sluit met onze menselijke onverbeterlijkheid. Of vrijheid wordt zo gedefinieerd dat het niet meer veel voorstelt (‘Authentieke vrijheid’, heet dat dan.) Dat vrijheid wel eens Gods oogappel kan zijn, daarop komt men niet. Misschien nog wel in de Arminiaanse traditie, bij de remonstranten.

Maar het is te gemakkelijk om de leiders en ideologen de schuld te geven. De ‘schapen’ doen niets liever dan terugkruipen in de Moederschoot en hun denk-verantwoordelijkheid delegeren. Dat gebeurt in de politiek (op Twitter stak iemand deze week de loftrompet over de partijdiscipline bij de SP) en in de religie. En vaak juist in nieuwe ‘spirituele’ bewegingen, waar mensen wegkruipen onder de rokken van de goeroes en de engste dogma’s slikken als zoete koek.

Ik snap de allergie wel. Vrijheid is – het is een cliché – een gave maar ook een opgave. Ze is lastig. Geen wonder dat ons immuunsysteem zich ertegen verzet. Vrijheid is leven op een harde ondergrond en in een onbeschutte ruimte. Ik hunker natuurlijk ook soms naar die Moederschoot. Die bestaat echter niet.

En je moet het niet willen.

Nagalm

De klokken van Pasen galmen nog na voor een goed verstaander. Het kan dus nog wel: iets schrijven naar aanleiding van dit feest. Op 18 maart stelde ik in cryptische termen al iets dergelijks in het vooruitzicht. Welnu: hier is het dan. Ik werd door een goede vriendin in het mooie noorden uitgenodigd om iets te schrijven over de paasklokken in Goethes Faust. Daaruit kwam een associatief geschreven artikel voort, dat u kunt vinden onder publicaties. Het gaat over passie en pasen in de Faustboeken van Goethe en Thomas Mann. Als u wilt worden gesterkt in de nog kwetsbare voorjaarsstemming, nu deze lente maar schoorvoetend op gang komt, is het misschien iets voor u.