Monthly Archives: april 2012

Naar rechts kijken, jongens!

Met politieke analyses ga ik u niet lastig vallen. Dat is mijn fort ook niet. Maar de politieke gebeurtenissen in Nederland van de afgelopen week hebben mij niet onberoerd gelaten. Ik vraag me nu hoe dat komt.

Nog even de zaken op een rijtje: op 21 april kwam een einde aan het gijzelingsdrama in het Catshuis, doordat de gijzelnemer Geert W. de handdoek in de ring gooide. De marechaussee hoefde niet uit te drukken. In plaats van de kersverse, nog geen twee jaar oude Tweede Kamer te gebruiken als een basis voor een nieuwe coalitie, ging de MP naar de koningin. Die heeft inmiddels de slag wel te pakken en nam het aangeboden ontslag routineus in overweging. De broodnodige bezuinigingsronde voor 2013 viel in het water. Donkere wolken pakten zich samen. En terwijl Marc onthand voor zich uit stond te staren als iemand die een IKEA-kast niet in elkaar krijgt, kwam Jan-Kees langs en stelde voor dat hij het even zou overnemen. Hij zette de gedemonteerde politieke situatie handig en snel in elkaar – met een beetje veel hulp van de goede vrienden Alexander, Arie en Jolanda. En buiten in de regen stond muurbloempje Diederik. De man van mijn partij. Auw.

Zoals al bij de keuze van de tijdelijke partijleider, scheidden de PvdA-geesten zich. De activisten en aanhangers van Samsom gaven hem groot gelijk, dat hij zijn huid te duur had willen verkopen en dat hij afstand nam van de begroting. Anderen betreurden het. Had de PvdA weer zijn hand overspeeld? Was de traditionele dramtruc weer mislukt? Hadden we weer te veel naar links gekeken en was ons daardoor weer de kans op rechts ontgaan? Ik zong mee in dat laatste koor. En ik vroeg me weer eens af: zou ik toch maar overstappen naar D66? Die neiging bekroop me al toen sociaalliberaal Martijn van Dam het tegen Samsom had afgelegd in de leiderschapsverkiezingen. En nu?

Ik houd er niet van om van partij te wisselen. Dat heb ik namelijk al eens gedaan. Ik duik even mijn levensloop in. Ik kom uit een kleinburgerlijk, CDA-stemmend gezin. Toen ik in 1982 voor het eerst mocht stemmen, keek het ouderlijk gezag denkbeeldig mee over mijn schouders. Ik stemde toen op het CDA maar zocht wel de meest progressieve persoon op de lijst uit, één van die kernwapendissidenten. Veel hielp het niet. Ik leerde toen al dat de dissidenten binnen het CDA een alibi vormen voor de consequent rechtse koers van die partij. Een schijnvertoning dus. Nooit meer CDA dus.

Toen ik na enkele jaren lid werd van een partij, was dat de PSP. De combinatie van pacifisme en onversneden socialisme leek me wel wat. Ik ging horen tot het partijkader. Dat wil zeggen dat ik in het bestuur zat van de afdeling Oostelijke Mijnstreek. Klonk stoer. Concreet kwam het erop neer, dat ons bestuur ledenvergaderingen organiseerde, die om acht uur begonnen en om half negen naar de kroeg werden verplaatst, omdat er niemand kwam opdagen. Onze afdeling hoorde overigens tot de linkervleugel van de partij, die in 1991 via een congresmotie nog de opheffing van de partij probeerde te verijdelen. Het partijbestuur bewoog ons op pacifistische wijze ertoe, de motie in te trekken. En zo zaten we weldra met Groen Links, samen met wollige PPR-ers, ongrijpbare EVP-ers en spijtbetuigende CPN-ers die ooit nog een vorkje hadden geprikt met Honnecker.

Ik werd slapend lid van GL en in mijn slaap werd ik rechtser, zeg maar: links- of sociaalliberaal. In 1994 stemde ik op Van Mierlo, want ik wilde dat paarse kabinet ook wel. Toen dat er was zette ik mijn slaap voort in de PvdA. Ook wel een beetje uit nostalgie, want de historicus in mij apprecieerde de Limburgse en de katholieke wortels van de PvdA (Willem Vliegen, Van Duinkerken, Sjeng Tans). En in mijn slaap ging ik dromen van een grote links-liberale partij: een fusie van D66, het linkse deel van de VVD en het rechtse van de PvdA. Een combinatie van welbegrepen individualisme enerzijds en van aan de romantiek ontgroeid gemeenschapsdenken anderzijds: daar loop ik wel warm voor. Steeds meer.

Nee, van partij veranderen kan altijd nog. Maar ik wacht wel af hoe een en ander zich gaat ontwikkelen de komende tijd. Dus: naar rechts kijken, jongens! Daar staat de realiteit druk te zwaaien om aandacht.

Stuurlui aan de wal

Je hoeft je niet te vervelen als ‘zinprof’, zoals mijn beroep geloof ik tegenwoordig heet. Als je het even niet weet, meld je je gewoon aan voor een symposium. Daarvan is er elke week wel één, ergens in het land. Het is goed voor je netwerk, je steekt weer eens wat op en je spaart op de stookkosten thuis. En als het goed is pik je weer eens een broodje met Rucola, rare kaas en zongedroogde tomaten mee. Deze week had ik er twee. Symposia dan (geen broodjes). Eén over ontwikkelingssamenwerking en één over de zorg. Dus deze week twee onderwerpen. U mag eruit kiezen of ze allebei lezen.

Ontwikkelingssamenwerking doet er toe

Vanochtend was ik in Den Bosch, bij een ‘inspiratiebijeenkomst’ van Mensen met een Missie, een kleine katholieke NGO. Deze brengt kleine gemeenschappen op krachten en versterkt het sociale weefsel in wat nu nog de Derde Wereld is. Daardoor breken mensen door de muren van persbreidel en corruptie heen, doorbreken kansarme jongeren de vicieuze cirkel waarin zij zitten gevangen en nemen vrouwen het heft in eigen handen. Om maar een paar voorbeelden te noemen. (Vooruit, naar www.mensenmeteenmissie.nl!)

Agnes van Ardenne (jawel, de voormalige minister) liet zien hoe diep de betrokkenheid bij de Derde Wereld is geworteld in onze traditie en cultuur – en hoe groot nog steeds de betrokkenheid is van ons Nederlanders bij ontwikkelingssamenwerking. Dat werd levendig bewezen door het ervaringsverhaal van een jonge uitgezondene, die jonge mensen in Kameroen ondersteunt, om hun lot en dat van hun gemeenschap te verbeteren. En een oude broeder vertelde hoe hij al meer dan vijftig jaar de locale landbouw en voedselproductie een duwtje geeft in dat zelfde land. Ontwikkelingssamenwerking doet er toe, zo bleek maar weer eens. Maar daarvoor moet je wel de finesses kunnen zien, zei Van Ardenne: iets wat sommige stuurlui in Den Haag lijkt te ontgaan.

Zorgethiek als stuurvrouw aan wal

Eerder van de week was ik gast bij een symposium over Franciscaanse spiritualiteit in zorg en bestuur. Jawel, we zijn nog niet door onze heiligen heen. Benedictus doet het goed als managementgoeroe: waarom Franciscus niet ook eens laten Covey-en? – dachten de organisatoren. Het kwam aardig uit de verf – al vind ik het soms ook wat gekunsteld, zo’n ‘vertaling’ van de religieuze traditie. Soit.

Op het symposium werd ook gesproken over zorgethiek. Wat dat nu weer is? Zorgethiek is het antwoord op de vragen en moeilijkheden, die de mondige zorgontvanger oplevert voor de zorg. Want een patiënt met kapsones en praatjes: dat moeten we natuurlijk niet hebben. Dat zadelt ons maar op met dilemma’s en denkwerk. De zorgethiek biedt dan uitkomst en wijst de mondigerd er fijntjes op dat autonomie niet het alfa en omega is. We zijn ‘ingebed’ in relaties en gemeenschappen. We zijn geen zelfstandige individuen, maar ‘relationele wezens’, op elkaar aangewezen. Ja, met deze wolligheid kun je natuurlijk alle dilemma’s in slaap wiegen.

Maar is de autonomie dan niet doorgeschoten? Ik zie dat soms ook wel, maar niet als trend. Ik denk dan aan mijn ouders die drie en vier jaar geleden overleden. Zij knikten nog altijd braaf tegen de Dokter, tegen wie ze ‘u’ zeiden terwijl hij hen tutoyeerde. Mijn moeder durfde zelfs geen radio aan te zetten bij het sterfbed van mijn vader, die een groot muziekliefhebber was. Uit angst voor de Verpleegster. Hoezo doorgeschoten autonomie? Meestal zijn het trouwens goed gebekte mensen die het over dat  ‘doorschieten’  hebben.

Gelukkig zijn er auteurs als Frits de Lange, die de retoriek en de romantiek van de zalige afhankelijkheid ontmaskeren. Autonomie zien zij weliswaar niet als axioma van de zorg, maar wel als perspectief. (Zoals zij dat ook is voor de ontwikkelingssamenwerking. Zo hangt alles weer met alles samen.) Van De Langes voortreffelijke boekje over dit onderwerp verscheen overigens onlangs een recensie van mijn hand in Zin in Zorg (zie de knop ‘publicaties’). Die maakt een en ander hopelijk nog wat duidelijker.

Goed, zorgethiek is niet helemaal mijn kopje thee, merkt u al. Maar de spreekster op het symposium zei ook wel behartigenswaardige dingen, die ik dan ook gretig behartigde. Zoals: luister door de woorden heen, luister naar datgene wat mensen niet durven of kunnen zeggen. (Prima, zolang het geen buiksprekerij wordt.)

Gaandeweg kwam zo ook de ‘presentiebenadering’ ter sprake: wees nabij en laat het verhaal van zorgontvangers naar boven komen. Mooi gezegd. Jammer alleen dat die ‘presentie’ en dat ‘verhaal van de ander’ dan meteen weer moraliserend worden uitgespeeld tegen de zorgverleners. Die gaan volgens mij altijd met schuldgevoelens weg bij dit soort symposia. Ze doen het niet gauw goed in de ogen van de presentiebenaderaars, die een berispend toontje aanslaan.

De zorgverlener roeit veelal eenzaam rond op de wilde golven van de zorgpraktijk: tussen de klippen van enerzijds het management en anderzijds de presentiebenaderende zorgethica; vanaf de wal aangemoedigd door de ‘aanstuurder’  en de geleerde mevrouw, die allebei zo goed weten hoe de zorgverleners het eigenlijk moeten zien. (Geen wonder dat die laatsten dan niet opgewassen zijn tegen die ook nog eens mondiger wordende patiënt.)

Op zo’n symposium zitten de zorgenden meestal op de achterste rij, hun gefnuikte eigenheid te verbijten en hun eigen verhaal in te slikken. Jammer. Want die mensen doen het toch maar. En wij theologen kunnen het maar niet laten om mensen te infantiliseren, linksom of rechtsom. O Bonhoeffer…

Het leven als stoelendans

Een juweeltje: dat boek van Ludwig Marcuse over Heinrich Heine (1797-1856), dat ik dezer dagen herlas. Het houdt je een spiegel voor. Heine wordt door Marcuse beschreven als een man van het ‘tussen’. Hij staat of hangt voortdurend ergens ‘tussen in’: tussen de partijen, tussen de stromingen, tussen de tijdperken, tussen gevoel en rede, tussen dweperij en ironie, tussen het reddeloos voorbije en het hopeloos toekomstige. Wat bedoelt Marcuse hiermee?

Heine leeft in een tijd, die veel lijkt op de onze. Mensen voelen zich ontheemd (maar wanneer voelen mensen zich dat niet?). Ze komen daardoor in de verleiding om in één bepaalde hoek te vluchten en te schuilen: in nostalgie of utopie, in een systeem of beweging, in een gedachte, gevoel of gemeenschap. Een tijdgenoot van Heine – een tot het katholicisme bekeerd romanticus – drukt het als volgt uit: “Ik zing wiegenliedjes voor mezelf, om het huilende kind in mezelf eindelijk tot bedaren te brengen.”

Heine herkent deze verleiding van het warm wiegende vruchtwater – en drijft er de spot mee. Dat is dus vooral zelfspot. Hij kent zelf de verlokking van de dweperij, het groepsdenken en de droom – en realiseert zich tegelijk dat de mens gedoemd is tot wakkerheid en denken. Hij weet tegelijk dat het ‘bewustzijn’ (onze menselijke adeldom én onze vloek) een scherpe snee trekt tussen droom en werkelijkheid. Het is daarom vergeefs als we proberen om onbekommerd op te gaan in iets, als we pogen om ergens bij te horen of om op andermans liedje mee te deinen. Ons bewustzijn heeft onherroepelijk de navelstreng doorgeknipt.

Dit is het universele tragische lot van de mens. De echt grote denkers en kunstenaars van de negentiende eeuw hebben ons daarvan doordrongen. Sindsdien hebben we (als het goed is) argwaan tegenover elk partijlidmaatschap, elk gemeenschapsgevoel, elke groepsidentiteit, elk groepstoebehoren, elk ‘opgaan in’ kortom: elk religieus of politiek reversspeldje. Het leven is een grote stoelendans. Je bent altijd te laat om je eigen, ongestoorde zitplaats te vinden. Je ‘staat’ er ‘tussen in’. Dit te aanvaarden is volwassenheid.

Heine is iemand die niet voor één ideologisch gat is te vangen. Een mens die ‘staat’ voor zijn tussenpositie en individualiteit. Een man die leeft voor eigen rekening. Hij doet dat niet uit heldhaftigheid, maar omdat dit nu eenmaal zijn lot is. Hij durft dus ook ‘auw’ te zeggen als het hem te machtig wordt. Maar nooit laat hij zich een rad voor ogen draaien door welk wiegenliedje dan ook. Dan liever de spot drijven met je eigen kleinzerigheid. En sportief meedoen met de stoelendans – als de eeuwige, lachende verliezer.

***

kessels-genius

Als hommage geef ik een minder bekend gedicht van Heine weer, gepaard aan een sculptuur van de Maastrichtse kunstenaar Matthieu Kessels. Het beeld staat in Brussel. Het op klassieke leest geschoeide gedicht laat de melancholieke kant van Heine goed zien: het andere gezicht van de hedonist die hij ook was, met volle teugen en uit volle overtuiging overigens. – Onder het gedicht staat een vertaling van de hand van M. Sunderman

 

Morphium

Groß ist die Ähnlichkeit der beiden schönen
Jünglingsgestalten, ob der eine gleich
Viel blässer als der andre, auch viel strenger,
Fast möcht ich sagen viel vornehmer aussieht
Als jener andre, welcher mich vertraulich
In seine Arme schloß – Wie lieblich sanft
War dann sein Lächeln und sein Blick wie selig!
Dann mocht es wohl geschehn, daß seines Hauptes
Mohnblumenkranz auch meine Stirn berührte
Und seltsam duftend allen Schmerz verscheuchte
Aus meiner Seel – Doch solche Linderung,
Sie dauert kurze Zeit; genesen gänzlich
Kann ich nur dann, wenn seine Fackel senkt
Der andre Bruder, der so ernst und bleich. –
Gut ist der Schlaf, der Tod ist besser – freilich
Das beste wäre, nie geboren sein.

Wat lijkt dat tweetal welgevormde knapen
Toch op elkaar, al ziet de een er wel
Veel bleker dan de ander uit, en ook
Veel strenger, en ik zou haast zeggen veel
Voornamer dan de ander die mij zo
Lief in zijn armen sloot – hoe mooi en zacht
Was dan zijn glimlach, en hoe blij zijn blik!
Dan kon het wel gebeuren dat de krans
Papavers om zijn hoofd, ook mij het voorhoofd
Beroerend, alle smart met hun vreemd geuren
Verbande uit mijn ziel – maar zulk vertroosten
Is maar kortstondig; echt genezen zal
Ik pas wanneer de andere broer, de bleke
En ernstige, zijn fakkel dalen laat.
Slapen is goed, dood zijn is beter – maar
Het beste is toch nooit geboren worden.

Bavianen en de gave des onderscheids

“Het kan allemaal wat vrolijker.” Aldus de kort-maar-krachtige recensie, die ik dezer dagen mondeling in ontvangst mocht nemen van een bezoeker van mijn weblog. Oei. Ik schijn er dus op los te somberen hier. Ergens herken ik dat wel, eerlijk gezegd. Hoewel ik wars ben van elk ressentiment en dualisme (‘wij’ de goeien versus ‘de anderen’, de kwaaien), bekruipt me regelmatig toch een vlaag van pessimisme over waar het allemaal heen gaat in cultuur, maatschappij en politiek. Ik wil maar niet begrijpen waarom de meeste mensen (mijzelf incluis) na een dag hard werken niet zo snel mogelijk hun avondmaal achter de kiezen werken, om vervolgens te gaan zitten lezen in Goethe en te luisteren naar een strijkkwartet van Beethoven. (Het moet trouwens Von Goethe zijn en Van Beethoven, dat weet ik ook wel, maar anders wordt deze bijdrage zo lang.)

Het kan opgewekter. Maar ja, waar haalde ik zo snel een dosis vrolijkheid vandaan?

Ik werd warempel op mijn wenken bediend. (Verdraaid, dat is nog eens een mooi ouderwetsch woord, dat ‘warempel’, maar dit terzijde.) Het vrolijk stemmende nieuws werd mij op een presenteerblaadje aangeboden. De integere stem van de mevrouw van het radiojournaal deed het ons allen kond. Houd u vast: Bavianen kunnen lezen. Jawel: U leest het goed. (Een teken dus dat u zelf op zijn minst het IQ van een baviaan hebt – zo niet meer; niet dat ik daaraan twijfelde, maar u begrijpt me wel.) Bavianen schijnen, aldus de mevrouw op de radio, zinvolle woorden te kunnen onderscheiden van zinloze kreten. Deze blijde tijding werd vele twitteraars even te machtig en vormde meteen de aanleiding tot tal van schoten voor open doel: ‘Ja, de bavianen wel, nu de mensen nog’ etc. Ik deed zelf gretig mee trouwens.

Het werd nog mooier. De gijzelnemer van onze regering, Geert W. te V. gebruikte in een tweet het moeilijke woord ‘prematuur’. (Ook al een bron voor hilariteit trouwens, zelfs bij onze premier.) Geert schat zijn achterban blijkbaar hoog in: “Naast viaduct kan prematuur er nog wel bij!” – moet hij hebben gedacht en ook: “Wat een baviaan kan, kan de Gemiddelde Nederlander ook.” Ik vat het op als een hoopgevend signaal, dat de Volksaanvoeler Geert een dergelijke observatie doet. Het culturele peil van ons land stijgt blijkbaar zienderogen.

Zo eindigde de week in majeur. Ik vergat daardoor even dat de linkerhelft van de parlementaire rancunetweeling SP-PVV deze week nogal wat gezichtsverlies leed. Eerst legde de Sinterklaas Partij de zwarte piet voor de staatschuld neer bij de voormalige minister van financiën, die ons land enkele jaren geleden van de ondergang redde. Dat deed de SP met name bij monde van haar ideale schoonzoon Irrgang (what’s in a name). En later in de week ontvouwde een raadslid van de Schonehanden Partij concreet uitgewerkte moordplannen, gericht tegen enkele BN-ers. Enfin, het goede nieuws was dat de partijleiding ondubbelzinnig afstand nam van deze aan de partijdiscipline ontsnapte huis-TBS-er. (En de partijdiscipline kennende zal het niet goed met de arme man aflopen…)

Vooral goed nieuws dus, zoals het hoort in de week na Pasen. En nu een borrel. Ik ga nu heus geen Goethe meer lezen. En ook geen Beethoven meer luisteren. Maar misschien nog wel een stukje van de CD ‘Bavianen en slijkgeuzen’ van Camerata Trajectina. Deze CD behelst een opname van strijdliederen uit de tijd dat de ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ elkaar naar het leven stonden in ons land. Bavianen was de bijnaam die de rechtzinnigen gaven aan de Arminianen of remonstranten. Knap hoor. Een kostelijke woordspeling. Zo subtiel zijn orthodoxen immers in hun humor.

Onthoud mijn woorden: het woord ‘baviaan’ wordt nog eens de geuzennaam voor iedereen die de gave des onderscheids bezit, alsmede smaak en oordeelsvermogen, zoals de vrijzinnigen in religie en samenleving. (Laat de rechtzinnigen en rechtlijnigen het woord ‘onderscheiden’  maar blijven operationaliseren als ‘discimineren’. Zijn zij op hun beurt weer goed in.)

Passie

Er zit een knop op de TV. Het is een oubollig cliché, maar waar. Ik verbaas me nog steeds over mensen die via Twitter klagen over het bedroevende peil van het TV-programma waarnaar ze zitten te kijken. Zet het dan af. Nog treuriger vind ik mensen die zich een week lang verheugen op een ‘belangrijke’ (sic!) voetbalwedstrijd – en dan een week lang niet zijn te genieten omdat de afloop anders was dan gehoopt. Neem het dan op en kijk dan later – en natuurlijk alleen dan, als je je hebt laten vertellen dat het goed is afgelopen. (Maar ik begrijp waarschijnlijk niet goed, waar het om gaat bij voetbal, toegegeven.)

Dus… ik keek op Witte Donderdag niet naar Passion, die Chiel-Montagne-versie van het passieverhaal. Een kwestie van smaak. Anderen mogen met volle teugen genieten: het is aan mij niet besteed. Ieder het zijne. Heb een leuke avond, zou ik zeggen. Ik heb er ook één, op mijn manier.

Maar nu komt het. Mensen met wie ik de zelfde muzikale en theologische smaak deel: die geven mij slechts ten dele gelijk. Voor het andere deel komen ze aanzetten met de diepzinnige gedachte dat het ‘toch wel interessant is’ dat het passieverhaal zo’n brede belangstelling krijgt, dat het blijkbaar een grote collectieve snaar raakt en dat we daar ‘als theologen iets mee moeten’. Als het al niet mooi is (in mijn ogen dan): dan moet ik het in elk geval relevant vinden – of zo iets. Een argument dat je vaak hoort als het gaat over popculturele uitingen van religiositeit.

Dat gaat er bij mij niet in. Volgens mij hangen vorm, inhoud en belang onlosmakelijk bij elkaar. Plat gezegd: wat voor mij geen esthetisch gehalte heeft, is voor mij ook niet relevant. Geniet van je eigen muziek: maar omgeef het niet met het aureool van ‘belangrijkheid’. De Mattheüs van Bach: die is relevant omdat en voor zover hij mooi is. De muziek is goed en dáárom belangrijk. De edele vorm verraadt een edele inhoud. Andersom: een goede inhoud verdient een goede vorm. Een belangrijke boodschap in een goedkoop mandje lekt weg.

Nogmaals: ik ben niet tegen Passion. Zoals ik ook niet tegen GTST of Pauw & Witteman ben. Leuk vertier. Maar ik ga er heus geen diepere dingen achter zoeken of van maken. Ik ben misschien wel een atypische, ouderwetse theoloog, wat dat betreft. Wellicht dat ik daarom ergens wat moeite heb met de theorie van Gabriël van den Brink c.s. in ‘De Lage Landen en het Hogere’ en met andere denkers die van alle huismussen diepzinnig krijsende uilen willen maken. Ik ben in die zin geen ‘theoloog van het dagelijks leven’.

Maar – zo hoor ik al zeggen – is dit nou geen elitair standpunt? Ja, zelfs snobistisch? Danny de Munk en Frans Bauer: het zijn toch van die heerlijk gewone jongens, van en voor de gewone mensen? Ja, gewone jongens, die miljoenen verdienen aan die gewone mensen. Populistische elitisten, noemt Dalrymple dat.

Ik houd erover op. Mij interesseert trouwens vooral dat andere passieverhaal dat zich dezer dagen in het Catshuis afspeelt: ook een soort laatste avondmaal op een afgelegen plaats. Een drama waarbij de heiland Marc Rutte angstig om zich heen kijkt en zich voortdurend afvraagt wie hem gaat verlinken of gaat laten vallen als een baksteen. Vroeger heette zoiets ook wel een gijzeling. En je vraagt je angstvallig af, wanneer de Marechaussee gaat ingrijpen om ons kabinet te redden van de gijzelnemer Geert W.

Onze MP is in elk geval een rasechte lijdende dienaar. In een verwijderde en symbolische zin is hij wellicht de baas, maar zijn regering wordt geregeerd. Geregeerd door het ressentiment en de rancune van een volksdeel dat zijn spreekbuis heeft in de PVV. Nee: ik maak geen vergelijkingen met ‘De Jaren Dertig’. De PVV is een democratische club die ver af staat van racisme, antisemitisme en de verheerlijking van geweld. Maar ze wil wel in overdrachtelijke zin bloed zien en koppen laten rollen. Ze wil dingen kapot maken, die anderen dierbaar zijn, zoals onze toporkesten en zoals ontwikkelingssamenwerking. Om bang te worden van dat nihilisme: daarvoor heb je geen historische vergelijkingen nodig.

Dat is het passieverhaal dat op dit moment voor mij hyperrelevant is.