Monthly Archives: februari 2012

Na het ziekenhuis

En we maken de balans op van een week ziekenhuisporno in de Nederlandse media. Overschreeuwd door het nieuws daarover, is in betrekkelijke stilte afscheid genomen van Anil Ramdas, die overleed op de dag van Het Skiongeluk – en in een iets minder oorverdovende stilte van Job Cohen als politicus.

Het voyeurisme ten aanzien van prins Friso was niet van de lucht. De verontwaardiging over uit de school klappende artsen terecht – evenals de verbijstering over de faux-pas van het VUMC en RTL om patiënten op de spoedeisende hulp te filmen. Ik ben niet degene om hier cultuurwetenschappelijke en ethische bespiegelingen te houden. Wel had ik natuurlijk mijn volstrekt subjectieve en perspectivische gedachten, reflexen en reflecties naar aanleiding van één en ander.

Wat betreft de prins: het nieuws van vrijdag dat zijn hersenen waarschijnlijk onomkeerbaar en ernstig zijn aangetast kwam emotioneel bij me aan. In mijn familie is ooit jarenlang gezorgd voor iemand die na een lange hartstilstand was gereanimeerd. Een geliefde te zien ontwaken in een andere zijnswijze, als een ‘levende dode’, is verbijsterend, ontregelend en een drama voor de partner, de kinderen, de moeder en de andere familieleden. Je hebt de neiging om – zo niet verontwaardig dan toch – cynisch te spreken over traumaverpleegkundigen die iemand reanimeren tegen beter weten in. Professionele reflex, impuls – maar niet meer. Vrijdag was mijn reflex op Twitter in elk geval: “Ik laat morgen nog een niet-reanimeerverklaring op mijn voorhoofd tatoeëren.”  Ach, de neurologen en medisch-ethici zullen er wel genuanceerder over spreken.

Over de – inmiddels ten dele gecorrigeerde – misgreep van RTL en het VUMC is ook genoeg geroepen en gezegd. Uit eigen ervaring en uit verhalen van anderen meen ik wel één ding met stelligheid te kunnen beweren. Namelijk dat je heus niet een rustige afweging maakt om toestemming te geven voor filmopnames, als je in paniek, angstig, verdoofd door pijn e.d. jezelf inlevert en overlevert aan de hulpverleners. Wat is die veel bezworen toestemming dan waard? Ik laat me verder maar niet uit over het hier aan de dag tredende voyeurisme en exhibitionisme van onze sentimentele cultuur… Lees Dalrymple (een irritante man overigens, maar een Man Met Een Punt).

Dat gezegd zijnde dan een eerbewijs voor Anil Ramdas. Ik volgde hem niet intensief. Maar zijn naam heeft zich medio jaren negentig in mijn geheugen geprent. Hij schreef toen – in de NRC meen ik – een essay dat rechtstreeks mijn hart raakte. Hij verwoordde daarin het levensgevoel van mijn generatie, de generatie van ‘na de babyboom’. Het levensgevoel dat ethiek combineert met ironie: goed leven zonder veel ophef van woorden, geluk en schoonheid nastreven zonder utopische kramp. Daarbij hoorde de naam van Richard Rorty, die ik gretig begon te lezen. En Ramdas gaf me de ‘leestip’ van Susan Sontags ‘Notes on camp’. (Vergeefs graaf ik nu in mijn boekenkast.)

En tenslotte: respect voor Job Cohen. Ik geloofde ook dat hij ‘mijn’ partij weer kleur zou geven. Dat mocht niet zo zijn – waardoor dat ook kwam. Ik blijf nog maar even lid, in de hoop dat de PvdA haar bronnen opzoekt. Het beetje historicus in mij herinnert me eraan, dat bij die bronnen ook het sociaal-katholicisme, het vrijzinnige protestantisme en het sociaal-liberalisme horen. Dat zou tot een spannende ontdekkingstocht moeten uitnodigen. Banning, De Kadt en Tans staan gelukkig wel nog in mijn boekenkast.

Dit van me af (en naar u toe) geschreven hebbende, ga ik eens een preek schrijven over de tien geboden. Iets tijdloos. Een mens moet wat.

Genade voor Thomas Mann

De laatste dagen ben ik in mijn vrije uren weer veel gedoken in mijn Thomas-Mann-boekenkast. Ik leid namelijk in de Remonstrantse kerk van Eindhoven een leesgroep rond de Duitse schrijver. Het begon vier jaar geleden met het gedurfde plan om met een groep, stapsgewijze de vier delen van de ‘Jozefromans’ te lezen. In dit vierluik onderwerpt Mann op zijn humoristische en breed uitwaaierende wijze het aartsvaderverhaal uit Genesis aan een revisie. Het is in meerdere opzichten een reis door de tijd.

Het samen lezen van deze minst bekende cyclus is een ervaring op zich. De leeservaring is indringender. Ik las zelf de romans voor de derde keer en onderging dankzij de groep de humor, de opstandigheid en de eruditie van de boeken op een ongekende, nieuwe manier. (En dan heb ik het niet eens over de indrukwekkende levensverhalen van de deelnemers: een oude dame die als studente germanistiek nog een handtekening van Mann wist te bemachtigen tijdens diens laatste, fatale verblijf in Nederland; een man wiens ouders voor de oorlog het cabaret van Erika Mann bezochten etc.)

Na de laatste bladzijde was ik niet van de groep (die geleidelijk aan was gegroeid) af. Men wilde meer. Na enige aarzeling (altijd stoppen als er nog een restje hongergevoel over is) gaven we toe aan de verleiding om een nieuw boek ter hand te nemen. Het werd Dr. Faustus, ook al zo’n theologisch doordesemd boek, ook al geschreven in de grootste crisistijd van de twintigste eeuw – en beslist niet makkelijker dan Jozef. Een brandend actueel boek, gezien de problematiek van de verleiding door het totalitarisme. (We hebben niet voor niets Rob Riemen gevraagd om als gast de laatste bijeenkomst toe te spreken.) Maar ook een theologisch interessant boek. In Faustus en de ermee samenhangende essays mondt de bespiegeling van Thomas Mann altijd uit in de roep om ‘genade’. Niet dat de cultuurlutheraan (en overigens door de ‘poppenkast’ van de RKK geïntrigeerde humanist) berouwvol tot een traditioneel geloof kwam. Wel raakte hij aan de grens van het morele vermogen van de mens, wel besefte hij dat juist de grootste adeldom in zich de kiemen van het kwaad bevat, kortom: wel raakte hij doordrongen van de noodzaak van een omvattend ‘Verständnis’. De kanselpreken uit de marsepeinstad Lübeck hadden blijkbaar diep hun sporen achtergelaten in deze grote geest.

En het doet je de clichévraag stellen: wat zou Thomas Mann vandaag zeggen over onze ‘Weltlage’? Er helpt maar één ding. Lezen en herlezen van dat mooie Duits. Lezen en herlezen van de biografie van deze dubbelzinnige persoonlijkheid, die wist dat het goede zo makkelijk kan perverteren en dat het andersom nooit te laat is om tot inzicht te komen. Lezen en herlezen… en je laten inspireren; en zelf gaan geloven in de adeldom van de geest; en zelf de risico’s van een onbekommerd humanisme gaan inzien.

Speelruimte

“De HEER zei tegen Mozes en Aäron: ‘Omdat jullie niet op mij vertrouwd hebben, en in het bijzijn van de Israëlieten geen ontzag hebben getoond voor mijn heiligheid, zullen jullie dit volk niet in het land brengen dat ik het geef.’” (Numeri 20,12).

Het volkje van Mozes ging nogal een avontuur aan. Een survivaltocht van veertig jaar. Met voor ogen het verre perspectief: het Land van Melk en Honing. Wat tijdens de tocht op de proef werd gesteld, dat was vooral het geloof, het vertrouwen. Zou dit geloof de tocht overleven? Af en toe werd het Mozes en zijn entourage te machtig. Dan gaven ze toe aan de wanhoop en de twijfel van het volk. Dan sloten ze compromissen en stelden ze de doelen naar beneden bij. En op één van die momenten kregen ze het bovenstaande verwijt te horen. ‘Jullie hebben niet genoeg vertrouwen gehad, om het op te nemen voor mijn heiligheid.’ Modern vertaald: ‘Om compromisloos te zijn en te volharden in je ideaal, moet je de toekomst krediet geven.’

De komende veertigdagentijd kan een survivaltocht zijn voor ons vertrouwen in de toekomst. En we treden daarbij in het voetspoor van grote voorgang(st)ers. Mensen die – met vallen en opstaan weliswaar – trouw bleven aan hun ideaal: onze bijbelse ‘helden’, de hooghouders van de ‘adeldom van de geest’ (Rob Riemen), de ‘helden’ die Susan Neiman enkele jaren geleden in Morele Helderheid portretteerde of de ‘dagelijkse helden’ die volgens Gabriël van den Brink c.s. een grote meerderheid vormen in onze samenleving. (Lees dat boek van hem; het heet De Lage Landen en het hogere en het rolde pas van de pers.)

Ze waren en zijn allen radicaal en compromisloos in hun ideeën en idealen. Ze waren en zijn overigens tegelijk zeer pragmatisch en flexibel in het zoeken naar vormen en wegen, deze ‘helden’. Voor beide is vertrouwen absoluut vereist. Voor de volharding in het ideaal. Maar ook voor de soepelheid wat betreft de vorm. Geloof is niet alleen de bron van vasthoudendheid, maar ook van beweeglijkheid. Alleen angst maakt star. Geloof zoekt juist speelruimte – en speelt. Daarbij gaat soms iets mis en blijven we ook achter bij het ideaal en de nagestreefde adeldom. Dan heb je gelukkig nog de genade en het Begrip Van Hogerhand – een categorie die (zelfs) Thomas Mann aan het eind van zijn loopbaan herontdekte.