Belgen

In mijn jeugd was ik omgeven door Belgen. Mijn familie bestond deels uit met elkaar getrouwde Vlamingen en Walen – een reden waarom ik nooit echt iets van de taalstrijd heb willen begrijpen. Ook twee van mijn jeugdidolen waren Belgen: Kuifje en Jacques Brel. De laatste tijd zoek ik hen weer op. Ik herlees alle stripverhalen van Kuifje en herbeluister de liedjes van Brel.  De aanleiding tot deze autobiografische herbronning  is in beide gevallen heel concreet.

Als ik Kuifje herlees, doe ik niet alleen vanwege de charme van de minimalistische tekenstijl met zijn milde coloriet. Ik wil vooral achterhalen, of ik nog steeds sympathie voel voor de jonge ‘reporter’. Is Kuifje – of liever gezegd: zijn geestelijk vader – inmiddels niet ontmaskerd als het toonbeeld van racisme? Worden de inwoners van Congo in ‘Kuifje in Afrika’ niet afgeschilderd als dom, achterlijk, lui en gretig om onderdanig  te zijn? Zijn de Arabieren en Aziaten in Hergés stripverhalen niet doorgaans decadent of kwaadaardig? Zo kan ik wel doorgaan, want uiteindelijk blijft geen enkel werelddeel buiten schot van Hergés West-Europese superioriteitsdenken.

Destijds slikte ik de neerbuigende voorstelling van het vreemde als zoete koek en ging ik gewillig mee in het verhaal van Kuifje als de Witte Messias. Nu wilde ik de verhalen dus lezen met een nieuwe, kritische bril. Is het echt zo erg, als de racismebestrijders het voorstellen? Ja, zo stelde ik vast. De zwarten worden niet alleen afgeschilderd als achterlijk. In hun uiterlijk lijken ze ook nog eens meer op apen dan op mensen. Tegelijk echter ligt dit kortzichtige racisme er zo dik bovenop, dat het eerder lachwekkend en pijnlijk is dan kwaadaardig. Ik zou ‘Kuifje in Afrika’ nooit cadeau doen aan een kind, maar zou het ook een slecht idee vinden om het boek te verbieden –  misschien ook omdat Kuifje, uiteraard binnen een erg paternalistisch kader, ook de vanuit het Westen aangestuurde grondstofroof blijkt te bestrijden. Zoals iedereen, is ook Kuifje iemand met twee gezichten.

Ook Jacques Brel was en is voor mij iemand met twee gezichten. Zijn veertigste sterfdag was voor mij de aanleiding om zijn liedjes nog eens te beluisteren. Zoals onder andere blijkt uit de film ‘Jacques Brel, fou de vivre’ van Philippe Kohly (2007 ), was Brel enerzijds een egomane en egocentrische persoonlijkheid, die anderen (vooral vrouwen) en zichzelf opofferde aan zijn ambities en obsessies. Anderzijds komt hij, in zijn leven en teksten, ook over als iemand met een groot hart voor de zwakken en voor zijn vrienden, iemand die in staat was tot bescheiden zelfreflectie en zelfkritiek en voor wie materieel gewin niet op de eerste plaats kwam.

Opgegroeid in een Franstalig-Vlaams, christelijk milieu, schrok Brel er niet voor terug om sarcastische karikaturen neer te zetten van alles wat Vlaams en katholiek was. Het religieuze vormt in zijn werk een rode draad – maar vooral in een ironische verpakking. In ‘Les Bigottes’ (1962) sneert Brel bijvoorbeeld: ‘Als ik God was, en ik zou die kwezels horen bidden, zou ik subiet van mijn geloof vallen!’ En in de rouwzang ‘Fernand’ (1965) klaagt hij: ‘Als ik God was, zou ik me kapot schamen. Ik weet wel: je doet wat je kunt. Maar is ook nog zoiets als fatsoen!’ Het bittere en donkere cynisme van zijn teksten komt bij niet-Franstaligen niet altijd over, maar de intonatie van de zanger spreekt vaak boekdelen.

De verbittering is uiteindelijk echter niet met Brel op de loop gegaan. Waar God volgens Brel in gebreke blijft, doet hij in zijn teksten des te meer een appel op de hoop en de liefde – twee begrippen die herhaaldelijk in zijn liedjes opduiken. Brel gelooft dat we de menselijke goedheid altijd kunnen vinden, als we maar goed zoeken. In één van zijn laatste liedjes, ‘Le Bon Dieu’ (1977) herneemt hij de zojuist geciteerde hypothetische formulering – om er dan een positieve, humanistische wending aan te geven: ‘Als jij de goede God was, zou je banketten aanrichten voor bedelaars. Als jij God was, zou je niet zo zuinig zijn met blauwe luchten. Maar jij bent de goede God nu eenmaal niet. Jij bent iets veel beters. Jij bent een mens!’  Zie de mens… dan zie je het geloof van Brel.

***

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

De zielen van kunst en kitsch in mijn borst

Veel zielzorgers gaan er prat op dat ze geen onderscheid maken tussen hoge en lage cultuur. Dat is immers hoogmoedig en neerbuigend ten opzichte van de eenvoudigen van geest. Bovendien is het onderscheid uit pastoraal of evangeliserend oogpunt contraproductief. De menigte bereik je immers niet met hooggestemde muziek of literatuur. De ‘Passion’, het jaarlijkse smartlappenoratorium van de EO, brengt tenminste de mensen op de been en de handen op elkaar voor de Blijde Boodschap. Dat kun je van de Mattheüspassie niet meer zeggen. Is de grens tussen hoge en lage cultuur dus irrelevant, ja: schadelijk in gelovig verband?

Zelf herberg ik op cultureel gebied twee zielen in mijn borst. Enerzijds probeer ik zoveel mogelijk tijd te besteden aan klassieke muziek, literatuur en kunst. Het leven is immers maar kort. Anderzijds gun ik mezelf ook af en toe een ontspannen ‘guilty pleasure’ op het terrein van de populaire cultuur. De boog kan immers niet altijd gespannen zijn. Nu heb ik niet de behoefte deze tegenstrijdigheid te verantwoorden of te rechtvaardigen. Ik wil wel een manier vinden om er zorgvuldig mee om te gaan. Wanneer ga je te ver in snobisme? Wanneer zak je te ver af in de banaliteit?

Tegen deze achtergrond herlas ik onlangs twee klassieke essays, die indirect gaan over het probleem van de populaire cultuur: één van de Oostenrijkse denker en schrijver Hermann Broch (1886-1951) en één van zijn jongere Amerikaanse collega Susan Sontag (1933-2004). Broch benaderde in 1950 het thema via het concept van de kitsch. Sontag schreef in 1964 over de deftige, ironische vorm van kitsch: de ‘camp’. Er zijn opmerkelijke parallellen tussen de twee zeer compacte teksten, zowel qua  vorm als qua inhoud. Dit hangt er vermoedelijk mee samen, dat de uiterst erudiete Sontag de tekst van Broch kende. In zekere zin zijn de teksten echter ook elkaars spiegelbeeld.

Sontags innemende pleidooi voor de ‘camp’ blijft wat mij betreft onweersproken. Van ‘camp’ is sprake – dit ter toelichting – wanneer op zich fijn besnaarde mensen zich met een knipoog te goed doen aan schijnbaar oppervlakkige schoonheid. Het gaat en ging vaak gepaard met dandyisme. In Nederland was bijvoorbeeld Gerard Reve bij wijlen het voorbeeld van dat laatste. Sontag rechtvaardigt, ja bepleit de ‘camp’ omdat deze tegemoet komt aan een menselijke behoefte. Cultuur mag toch ook een vorm van levensvreugde zijn? Van alleen maar vuistdikke romans met hooggestemde ethiek of zwartgallig pessimisme kan de mens niet leven. Daarom is het goed dat er cultuuruitingen zijn, die zichzelf niet al te serieus nemen en de werkelijkheid ook wat lichter opvatten. Liefde voor het leven en het mensdom heeft soms afstand en ironie nodig. Cultuur mag ook een spel zijn. Laten we daarom gerust af en toe tranen met tuiten huilen bij Puccini of meedeinen op Johann Strauss.

Broch is argwanender. Hij laat zien dat er ook een platte vorm van populaire cultuur is: de kitsch. In deze variant  is er juist geen ironie. Ze is sentimenteel en neemt zichzelf veel te serieus. Denk aan de smartlappenkoning, in wiens oeuvre en persoon al het leed van de wereld lijkt te zijn samengebald; aan de al te geaffecteerde religieuze muziek of aan de esoterische schilderkunst. In deze gevallen verliest de kunstenaar uit het oog, dat zijn werk de realiteit van het menselijke innerlijk of het goddelijke geheim slechts benadert. Hij pretendeert dat zijn werk ermee samenvalt. Deze uitingen van populaire cultuur zijn gesloten en dogmatisch, want ze blokkeren de onvermoeibare verdere zoektocht naar de realiteit, de radicale openheid en meerduidigheid waardoor echte kunst wordt gekenmerkt. En áls de kitsch al ‘speels’ wordt, wordt ze een naar binnen gekeerd, autistisch spel, waarin we zozeer opgaan dat we de realiteit buiten onszelf vergeten en zelfs sociaal en moreel afstompen. Het spel staat dan, met andere woorden, de liefde voor het mensdom juist in de weg.

Sontag heeft ons ontspannen leren omgaan met het fenomeen van de populaire cultuur. De profetische waarschuwing van Broch, die de keerzijden laat zien, klinkt op de achtergrond echter altijd mee. Het is niet alleen de krampachtige snobist van de high culture, die niet te genieten is. Ook de populaire cultuur kan zo eendimensionaal worden, dat ze verarmend en geestdodend werkt in de samenleving en de religie. Onderscheiding der geesten blijft al met al belangrijk, ook als het gaat om cultuur.

***

Hermann Broch, Zum Problem des Kitsches, 1950. (Zie hier de tekst in vertaling van Piet Meeuse: Enkele opmerkingen over het probleem van de kitsch een voordracht).

Susan Sontag, Notes on camp, 1964. (zie hier de tekst).

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Litanie voor het slapen gaan

Litanie voor het slapen gaan

Als ik ’s avonds niet kan slapen
Dan maak ik graag in mijn gedachten
Een lange lijst van alle zaken
Die eeuwig van mij mogen wachten.

Wat ik eerbiedig prevel is
Een omgekeerde bucketlist,
Want de gedachte is rustgevend,
Dat ik niets mis en niets mij mist.

Zie hier de plannen die ik afzweer,
Voordat ze ook maar kunnen rijpen,
De kansen die ik laat ontsnappen,
Voordat ik ze heb kunnen grijpen.

***

Vogels gaan spotten in Nieuw-Zeeland,
Een kroeg beginnen in Maastricht,
Fotosafari op de steppen,
Op zoek gaan naar die ene nicht.

Vloeiend Bulgaars gaan leren spreken,
Dan echter wel met het accent
Van iemand die verhuisde naar
En jaren woonde in Tasjkent.

Alsnog piano leren spelen,
Al is het maar opdat ik dan
Een Beethovensonate matig,
Maar tot het einde spelen kan.

Een reünie organiseren
Van kind’ren uit mijn eerste klas
En boeken vol gaan schrijven over
Het drama dat mijn jeugd echt was.

Een vuistdikke roman gaan schrijven,
Zoals men er nog nooit één las.
Hij gaat over de lange zoektocht
Naar wie mijn vader nu toch was.

Een vlammend schrijven publiceren
Voor een gerenommeerde krant,
En dan verschijnen in een talkshow
Waar niemand ooit zat van mijn stand.

Dan zijn er nog wat speelse dingen:
Een selfie maken met de koning
Of rozen kweken zonder gif,
En bijen houden voor de honing.

Een tatoeage laten zetten
Met een citaat van Thomas Mann,
Mijn oren laten corrigeren,
En piercings zetten waar ’t maar kan.

***

Zo, werkend aan mijn not-to-do-list,
Slaap ik dan kalm en vredig in.
Het geeft veel rust om niets te hoeven
En al te stoppen voor ’t begin.

Maar soms, dan schrik ik plotsklaps wakker,
Van twijfel badend in het zweet,
En hoor: “Zeg nooit dat je iets nooit
Zult doen! Omdat je dat nooit weet.”

 

Respect en bewondering – en de grenzen daarvan

De komkommertijd bevat dit jaar bij nader inzien toch nieuwspareltjes, die een theoloog uitdagen tot reflectie. In deze column wil ik er twee, die zich kort na elkaar voordeden, uitlichten: de uitspraak van de Raad van State over de Pastafaribeweging en het drama van Maarten van der Weijden.

I. Religieuze uitingen in soorten en maten

Vorige week sprak de Raad van State een beslissend woord over de religie-satirische beweging van de Pastafari. Dier geloof in het Vliegend Spaghettimonster werd door de Raad van State niet erkend als godsdienst of levensovertuiging – met als gevolg dat de Pastafari zich niet kunnen beroepen op de vrijheid van godsdienst en de bijbehorende rechten. Mij verraste de uitspraak niet. Deze beweging is immers duidelijk een parodie op bestaande religies en geen religie op zichzelf.

Dit heeft uiteraard gevolgen voor de omgang met de uitingen van de beweging. De ironische uitingen van de Pastafari – zoals het dragen van een vergiet bij wijze van hoofddeksel – zijn eerder bedoeld als een statement of commentaar dan als een expressie van een overtuiging. Ze zijn eerder gericht op iets wat anderen vinden, dan op datgene wat iemand zelf vindt. Dat laatste is voor mij een cruciaal onderscheid tussen enerzijds de Pastafari en anderzijds mensen die een bindi , keppeltje, hoofdoek of kruisje dragen. Dat soort symbolen of uitingen komen als het ware van binnen uit, vanuit de behoefte om de innerlijke overtuiging te tonen, zonder dat daarmee iets wordt gezegd over de overtuigingen van anderen. Ze verdienen daarom ook een ander soort respect en erkenning.

En toch denk ik vanaf dit punt ook verder. De grens tussen een symbool als uitdrukking van je overtuiging enerzijds en als statement of commentaar op de wereld om je heen anderzijds: die grens is ook vloeiend. In katholieke kringen kennen we – om een analogie aan te halen – allang het vervloeien van deze scheidslijn als het gaat om het dragen van klerikale kleding. Een priester die Nederland vanaf de jaren zeventig een boord droeg, drukte niet op de eerste plaats zijn identiteit uit, maar vooral ook een kerkpolitiek standpunt. Welnu: ik sluit niet uit, dat ook algemene religieuze uitingen steeds meer de lading krijgen van een stellingname en positionering, met daarin inbegrepen de kritiek op de samenleving om je heen – hetgeen voor mij overigens een reden is, om zeer terughoudend te zijn met het dragen van symbolen.

Ik denk al met al dat het goed is dat aanhangers van religies zich steeds weer afvragen, waarom ze een bepaald kledingstuk of symbool dragen. Is het bedoeld als expressie van wie je bent? Of is het eerder een manier om jezelf en anderen ten opzichte van elkaar neer te zetten? Is het een markering van posities en grenzen? En vertroebelt dit niet de discussie over respect voor en erkenning van religieuze uitingen?

II. De Maartencultus

Afgelopen maandag moest de zwemmer Maarten van der Weijden zijn poging onderbreken om 200 kilometer te zwemmen voor het goede doel. Na 163 kilometer te hebben afgelegd en 55 uur in het water te hebben gelegen, kwam hij gebroken, ziek en uitgeput aan land. Hij werd terstond en in de dagen erna als een held op een voetstuk geheven om zijn ‘bovenmenselijke prestatie’ die op bewonderenswaardige wijze ‘zijn grenzen had verlegd’.

Ikzelf had vooral te doen met de man, die zichzelf dit had aangedaan en bovendien was gedreven door een merkwaardig soort behoefte aan zelfkastijding en boetedoening. Ik kwalificeerde en her-frame-de zijn actie dan ook als een onmenselijke vorm van zelfkwelling in plaats van een ‘bovenmenselijke prestatie’. Waarom moest ik bewondering hebben voor een absurde en riskante actie, waarom niemand had gevraagd? Waarom doen we onszelf en anderen in het kader van fundraising dit soort onnodige, bizarre acties aan?

Mijn tweets in deze zin werden mij niet in dank afgenomen. Vooral in Friesland waren er nogal wat aangeschoten wieken. Ik had hun held bespuugd en daarenboven nog eens het befaamde gemeenschapsgevoel te kort gedaan. Ik deed ook geen recht aan de nobele en doorleefde motivatie van Van der Weijden, die als overlevende van kanker een extra offer wilde brengen in de strijd tegen de ziekte, uit respect voor degenen die niet hadden overleefd.

De geprikkelde en gekwetste reacties versterken eerlijk gezegd mijn behoefte om dit fenomeen cultuurkritisch verder te doordenken. Er heerst blijkbaar een taboe op kritiek op dit soort helden, die een in zichzelf zinloze en absurde prestatie leveren ten koste van zichzelf en al dan niet in dienst van een op zich zinvol doel, waarmee de prestatie echter geen intrinsieke relatie heeft. (Van zelfkwelling wordt iemand anders niet beter). Dergelijke helden moeten vooral worden vereerd en bewonderd. Meeleven is niet voldoende – en kritiek al helemaal uit den boze. Het doet me denken aan de lijdenscultus in het decadente katholicisme van de 19e en 20e eeuw, waarin werd gedweept met masochistische heiligen. Hoe meer bloed, zweet en tranen, hoe liever en heiliger.

Het fenomeen van de Maartencultus herinnert me ook aan de grenzeloze verering van paus Johannes Paulus II, die al tijdens zijn leven werd heilig verklaard voor het feit dat hij over de pijngrens heen zijn ambt bleef vervullen. Hij dronk de kelk van het lijden tot de laatste druppel leeg en zag juist dat als de invulling van zijn ambt – dat hij op wezenlijke onderdelen moest delegeren aan anderen, met het risico van interne anarchie. Ik herinner me nog dat dit zelfs aan conservatieve katholieken de verzuchting ontlokte: ‘Hij hóeft dit toch niet te doen? Ik heb er niet om gevraagd.’

Nogmaals: ik heb met Van der Weijden te doen. Ik wens hem beterschap. Maar ik wens ook ons als cultuur toe, dat we genezen van een pathologische verheerlijking van zinloos lijden. We hebben geen ‘bovenmenselijke prestaties’ nodig van mensen die ‘over hun grens’ gaan. We hebben menselijke en realistische inzet nodig voor een betere wereld. Dat is al lastig genoeg.

We zijn ons eigen zwarte gat.

Als in de populaire media over wetenschap wordt gesproken, lijkt het alsof mensen vooral zijn geïnteresseerd in disciplines over de meest excentrieke gebieden van ons bestaan. Zelden gaat het over de bosmier in de Peel of het functioneren van de galblaas (afgezien van gezondheidsprogramma’s, maar dat is een ander genre). Het publiek zit echter op het puntje van zijn stoel als het gaat over het heelal of de menselijke hersenen. In de populaire theologie valt overigens iets vergelijkbaars op. Lezers verslinden gretig boeken over het begin (de schepping) en het einde (het zogenaamde ‘leven na de dood’). Wat God en mensen in de tussentijd doen, is aan hen niet zo besteed.

De belangstelling voor de neurowetenschap, die menige hersendokter tot BN-er heeft gemaakt, heeft overigens een merkwaardig kantje. Er valt mij in dit verband in toenemende mate een bepaald woordgebruik op. In dit woordgebruik worden de hersenen – of ook wel ‘het brein’ – opgevoerd als subject van uitspraken, bijvoorbeeld in de veel gebezigde formule ‘De hersenen denken dat … ‘ En dat woordgebruik gaat er op één of andere manier bij mij niet in. De vergelijkbare uitspraak dat ‘mijn benen een wandeling maken’ of ‘mijn ogen bekijken een film’ zouden we lachwekkend vinden. Toch komt de uitspraak dat ‘de hersenen iets denken’ op hetzelfde neer. Ze weerspreekt onze fundamentele intuïtie, dat ‘ik’ het ben die loopt, kijkt en dus ook denkt etc. Uiteraard doen we dat allemaal niet als onlichamelijke wezens. Daarom kun je wel zeggen: ‘Ik kijk met behulp van of dankzij mijn ogen’ en dus ook: ‘Ik denk met behulp van mijn hersenen’. Maar dat is iets anders dan die ogen zelf te laten kijken of die hersenen zelf te laten denken.

Het punt is, dat er achter of in de uitspraak, dat ‘de hersenen denken’, een verborgen subject zit, een subject dat door de onhandige formulering aan het oog wordt onttrokken. Het zijn altijd íemands hersenen – jóuw hersenen, míjn hersenen – waarover we iets beweren. In de bewering is altijd dat ‘iemand’ geïmpliceerd als het verborgen, eigenlijke subject. Het duidelijkst is dit, als er een bezittelijk voornaamwoord wordt gehanteerd: ‘Mijn hersenen denken…’ Deze formulering roept onmiddellijk de vraag op, wie dan dat ‘ik’ is, dat de hersenen in een bewustzijnsakt op zichzelf betrekt – en dus blijkbaar degene is die denkt. Als je daarop antwoordt, dat dit de hersenen zelf zijn, kom je in een cirkel terecht, want de vraag ‘wiens hersenen dan?’ kan dan opnieuw worden gesteld enzovoorts. De hersenen kunnen dus nooit samenvallen met het ‘iemand’ dat de hersenen op zichzelf betrekt en dat dus het eigenlijke subject van de bewering over de hersenen is.

Blijkbaar moeten we accepteren dat bewustzijnsakten als denken, handelen, beslissen etc. voortkomen uit een bron, die zich voortdurend aan ons onttrekt als we ernaar graven: het ik. Het menselijk subject kunnen we niet ‘verdingelijken’ of vastpinnen door het te vereenzelvigen met het biologische vehikel ervan. Het is een raadsel, dat ons als zodanig blijkbaar dwars zit. Het populair-wetenschappelijke gepraat over de hersenen als subject slaat dit geheim echter ten onrechte plat, zoals we een schoenendoos platslaan, die hinderlijk in de weg staat.

Nu kan het bovenstaande de verdenking oproepen, dat ik als theoloog vecht tegen levensbeschouwelijk materialisme en terug zou willen naar het geloof in de onsterfelijke ziel. Niets is minder het geval. Ook en juist de vulgaire opvatting van de ziel, die in het lichaam ‘huist’ als de chauffeur in een auto – een opvatting die heerst in de volksreligiositeit of in de zogenaamde nieuwe spiritualiteit – begaat de fout om het menselijk subject te ‘verdingelijken’. Ook in het praten over de ziel kan ik immers niet om de oneindige dynamiek heen, die wordt ontketend door de vraag over wiens ziel we dan spreken.

Het is menselijk om zaken te willen begrijpen, ook de raadsels van denken, bewustzijn, handelen, kiezen. Begrijpen doen we echter niet door op een willekeurig punt op te houden met nadenken en dan te denken dat we er zijn. Als we de hersens (of de ‘ziel’, wat dat ook moge zijn) in kaart hebben gebracht, begrijpen we nog niet wat het betekent dat wij denken etc. En misschien lukt ons dat wel nooit. We zijn ons eigen zwarte gat.

Alles is vorm. – Susan Sontag herlezen

Of we nu zielzorger zijn of denker, leerkracht of kunstenaar: we moeten minder gaan uitleggen en meer gaan verleiden. We moeten meer inzetten op de aantrekkelijkheid van datgene wat we willen overbrengen en minder op het begrijpen en doorgronden ervan. Ik bedoel iets anders dan het afzweren van het verstand ten gunste van het gevoel – zoals een gemakzuchtige trend wil. Het gaat om iets veeleisenders:  het afleren van de dodelijke tegenstelling tussen inhoud en vorm, binnenkant en buitenkant, kern en buitenlaag. Sterker nog: het gaat om de erkenning dat er buiten die zogenaamde vorm of buitenkant niets anders bestaat dat onze aandacht verdient.

Laat ik concreet zijn en de hand in eigen boezem steken. In de prediking of de liturgie gaan wij zielzorgers ervan uit, dat het ‘wezenlijke’ ergens diep verstopt zit in de bijbel of in symbolen en rituelen. En we zien het dan als onze taak – en niet zelden ook als ons privilege of monopolie – om dat ‘wezenlijke’ los te peuteren uit de oude ‘vormen’ en het zodoende ‘duidelijk’ te maken. ‘De mensen’ snappen het immers allemaal niet meer. Door achterhaalde vormen ontgaat hun de inhoud. Gelukkig weten wij zielzorgers wel waarin de kern bestaat. Dus beginnen wij al die ouderwetse lagen af te pellen. We leggen aan de mensen geduldig uit wat er ‘eigenlijk’ met een verhaal of een ritueel is ‘bedoeld’. Om dat ‘duidelijk’ te maken gaan we liefst nog aan de tekst of de symboolhandeling sleutelen, zodat die eindelijk uitdrukt wat er ‘eigenlijk wordt bedoeld’.

Het resultaat is vaak tenenkrommend. De liturgische voorganger laat dingen weg of verzint zelf nieuwe dingen. Er worden bijbels in gewone taal of omgangstaal geschreven, door mensen die beter menen te weten wat de tekst bedoelt dan die tekst zelf. Of er worden gewoon hele stukken geschrapt of nooit gebruikt. Hiermee wordt niet alleen het ritueel geweld aangedaan of de tekst verkracht. Het is ook nog eens bevoogdend. In plaats van ‘de mensen’ te helpen om een toegang te vinden tot liturgie en bijbel, bepalen wij voor hen wat ze mogen zien en horen en schotelen wij hun voorgekauwd voedsel voor (En dan hebben we het nog niet eens over de wansmakelijke vertoning dat we tot alles bereid zijn om de ‘inhoud’ te redden en daarvoor onze toevlucht nemen tot ‘vormen’ die gewoon kitsch zijn.)

Behalve pijnlijk is het allemaal ook gewoon vergeefs. We zijn immers bezig met het afpellen van een ui: laag na laag. Tot er niets over blijft. Want er is helemaal geen ‘kern’. Er is alleen de buitenkant, die voor zichzelf spreekt, waar niets ‘achter’ of ‘onder’ moet worden gezocht, maar die we geduldig moeten aftasten. De tekst of het ritueel zijn niet voor niet precies zo geformuleerd en georganiseerd zoals ze zijn. Dit betekent dat we niet dichter bij de ‘inhoud’ komen, als we sleutelen aan de ‘vorm’, maar dat we gewoon de ene vorm vervangen door andere – en dus iets nieuws scheppen, meestal iets slechters trouwens. Misschien ligt het niet aan de teksten en rituelen, dat ze niet meer tot ons spreken, maar gewoon aan onszelf en aan de afstomping van onze zintuiglijkheid ofwel ons ‘esthetisch’ vermogen .

In de kunst is deze problematiek al sedert lang een punt van discussie. Ruim vijftig jaar leden wees de Amerikaanse geleerde en schrijver Susan Sontag (1933-2004) in haar  bundel Tegen interpretatie  al op het fatale onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vorm’. Die leidde er volgens haar toe dat de kunst wordt aangerand door het intellect, dat de ‘inhoud’ achter de ‘vorm’ wil blootleggen. Bij kunst gaat het erom, wat er te zien, te horen, te voelen valt aan de zogenaamde buitenkant, de vorm, de stijl. Het is vooral de huid die de geheimen van de schoonheid bevat. Een kunstwerk is wat het is en zegt wat het zegt – en is geen raadsel dat ons wordt opgegeven of een doos die moet worden uitgepakt. Een symfonie van Haydn, een schilderij van Vermeer of een gedicht van Kemp zijn geen fraai ingepakt geschenk. Ze zijn het geschenk zelf.

Het ‘uitpakken’ of ‘uitleggen’ is de makkelijkste weg. De moeilijke weg – bij kunst, maar mijns inziens ook bij bijbellezen en eredienst – bestaat erin om met toeleg stil te staan bij de buitenkant, die boekdelen spreekt. Toch hebben we geen keus. We moeten onze tastzin in de brede zin van het woord weer tot leven wekken en verfijnen. Voorgangers en predikanten moeten hierin voorop gaan.

Wat we nodig hebben is, zegt Sontag, erotiek in plaats van hermeneutiek. Wat mij betreft ook in de omgang met bijbel en eredienst.

***

Sontag, S. Against interpretation – and other essays. Penguin Books Ltd, ISBN 9780141190068 (2009)

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Vergeefsheid en berusting – terugblik op een Surinaamse reis- en leeservaring

Op het moment dat ik dit schrijf bevind ik mij in het vliegtuig van Paramaribo naar Amsterdam, met diep onder mij de oceaan van heimwee die Suriname scheidt van Nederland, de oceaan die vanuit Suriname wordt gevoed door de vele rivieren die ik in de afgelopen tien dagen heb bevaren en ben overgestoken, waar ik langs heb gewandeld en waar ik heb gespeurd naar de schichtige tropische dieren. Het doel van mijn reis was, om de leefwereld te leren kennen van Peerke Donders (1809-1887), de beroemde Tilburgse missionaris zich met stille heldhaftigheid en taaie volharding inzette voor de verschoppelingen in de toenmalige kolonie. Ik heb echter ook het veelkleurige volk beter leren kennen en bewonderen, dat iets prachtigs weet te maken van zijn complexe land, ondanks tegenspoed en tegenwerking, een volk dat sterk en veerkrachtig is als de tropische natuur van zijn land.

Staande aan de oever van de traag stromende Commewijne, uitkijkend op de raffinaderijen aan de overzijde, liet ik als mantra de woorden van Heraclitus door me heen gaan: Panta rhei. Alles stroomt. Alles beweegt. Alles verandert voortdurend. De rivier zelf is een metafoor voor het hiermee uitgedrukte levensgevoel. Ook de tropische vegetatie van Suriname, die zich voortdurend en zienderogen verjongt, verbeeldt deze woorden. Na een festival komt een platgetreden grasveld binnen enkele dagen tot leven. Verlaten industrieterreinen, onafgebouwde huizen en plantages zijn overwoekerd. Ze lijken te worden overwoekerd door de plantenrijkdom als door een traag verterende python. De natuur is oppermachtig en onverslaanbaar…

Dat leek tenminste eeuwenlang zo te zijn. Inmiddels dreigt de menselijke, economische veroveringsdrang haar te machtig te worden, ook in het Amazonebekken waarvan Suriname deel uitmaakt. Olie-, hout- en goudwinning plegen roofbouw, slaan onheelbare wonden in het regenwoud en verstoren de ecologische balans. De ook in dit deel van de wereld gevoerde campagnes voor duurzaamheid zijn niet opgewassen tegen de door corruptie gevoede exploitatie van de bodem en de bossen. Niet de eeuwig groene wouden, niet de onverstoorbaar stromende rivier, doch de niet te stuiten opmars van de economie illustreert in onze tijd de woorden van Heraclitus.

De wanhoop over onstuitbare machten die ons boven het hoofd groeien, zowel letterlijk als figuurlijk, is bepalend voor één van de klassieke ‘Surinameromans’ uit onze letterkunde: De Stille Plantage (1931) van de Surinaamse schrijver Albert Helman (1903-1996). Het is het verhaal van een idealistische groep Hugenoten, die Europa ontvlucht en op een plantage in de jonge kolonie aan zichzelf en anderen een beter bestaan wil verschaffen – en daarin faalt.

Het boek is voor onze generatie inmiddels minder leesbaar en verteerbaar, onder andere door de achterhaalde stereotypen en het meanderende en bloemrijke taalgebruik. Daar staat echter veel moois en goeds tegenover: de heilige verontwaardiging over de slavernij; de inlevende manier waarop de lotgevallen van de hoofdpersonen worden beschreven en de inkijk in de rol van de religie bij zowel de bestrijding als de rechtvaardiging van de slavernij. Uiteindelijk word je als lezer vooral getroffen door de tragiek en de vergeefsheid van alle menselijke pogingen om de aarde tot een betere wereld te maken. Het idealisme van de hoofdpersonen, die de slaven als gelijkwaardige mensen willen behandelen, wordt gefrustreerd door de boosaardigheid, de corruptie of het tot cynisme ontaard realisme van de tegenspelers: het koloniale bestuur, de concurrerende plantage-eigenaren en de rancuneuze opzichters. Uiteindelijk kijken de idealisten berustend neer op de scherven van hun ideaal. De tropische natuur, in Helmans ogen nog oppermachtig, is de metafoor bij uitstek om het tragische levensgevoel uit te drukken. De utopische plantage wordt uiteindelijk verlaten en is na verloop van tijd niet meer vindbaar, overwoekerd als zij is. Berusting en mildheid, toewijding aan bescheiden plichten en verzoening met het onvermijdelijke vormen het slotakkoord.

Met oplettende ogen gelezen is De Stille Plantage echter ook een bitter en strijdbaar boek. De niet vereffende rekening van het onrecht vormt een onopgelost, dissonant slotakkoord. Nu de discussie weer is opgelaaid over het door Nederland onverwerkte slavernijverleden, klinken de volgende woorden bijna profetisch: “Dom als de mensen weten de vogels niet hoe dagelijks diepere wonden geslagen worden en er binnen de negers een wrok groeit, die eenmaal verschrikkelijk ontploffen moet, al is er geen volk ter wereld dat zo weet te lijden als deze zwarten met blikken zó strak en naar binnen gekeerd, dat eeuwen nog nodig zijn om hun geheime gepeins te achterhalen.”

***

Foto’s: sporen van de voormalige suikerfabriek op plantage Mariënburg in Suriname

Angstvallig verzwijgen of beschroomd zwijgen? – Wat is waarheid?

De waarheidsliefde heeft het moeilijker dan ooit. Nu lijkt dit goed nieuws voor vrijzinnigen, die niet zo houden van stelligheid en zekerheid. Waarheidsliefde is echter niet het zelfde als onwankelbaar geloof in een eenmaal gevormde mening. Ze is integendeel juist de openheid en ontvankelijkheid voor inzichten die op ons toekomen, ook langs de wegen van de twijfel, en de bereidheid om daarvoor op of in te staan, ja: eventueel om het hoofd ervoor te buigen. En juist aan deze openheid en bereidheid schort het steeds meer. Op alle niveaus van het samenleven is er sprake van een pragmatisch relativisme. Weinigen wagen zich aan de verfijning en verdediging van een doordachte en een met gerijpte overtuiging aangehangen waarheid.

Aan boud te berde gebracht stelligheden is er daarentegen geen gebrek. Die zijn er echter juist niet op gericht, om nederig lerend de werkelijkheid te doorgronden. Ze zijn louter bedoeld om al imponerend de eigen belangen te ondersteunen of om vooroordelen en bijgelovigheden voor kritiek te vrijwaren. Met een vulgair perspectivisme wordt de eigen zienswijze nog eens extra geïmmuniseerd tegen twijfel. In het dagelijks verkeer worden bijvoorbeeld discussies over gedrag, levensvisie of wereldbeeld verlamd door de vaak op intimiderende wijze ingebrachte dooddoener, dat ‘jij jouw waarheid hebt en ik de mijne’. Deze gemakzucht is de ware waarheidsliefde vreemd.

Gelijk krijgen is tegenwoordig belangrijker dan het hebben van goede redenen en argumenten. Je verschansen in het hutje van je eigen kleine ‘waarheid’ wint het van het bouwen aan een gemeenschappelijk huis van de authentieke waarheid. Dit is godbetert ook op staatkundig en geopolitiek gebied een patroon aan het worden. Politici brengen liever een nergens op gebaseerd frame de wereld in, om de positie van hun tegenstanders te ondermijnen, dan dat zij door middel van onderzoek en bewijsvoering proberen om anderen te overtuigen van een met toeleg verworven inzicht of om hun eigen standpunten en visies te verfijnen en te veredelen. In plaats van met argumenten en feiten te reageren op kritiek, betichten ze bovendien hun critici van moedwillige leugenachtigheid en de media van een verdraaiing van de werkelijkheid. Door de ander van onoprechtheid te betichten leggen ze effectief een rookgordijn rond je eigen leugens. De fans vinden het overigens allemaal prachtig. Wie zich boven de waarheid verheven wacht is cool en stoer. Liegen is spierballentaal.

Het is echter niet altijd eindeloos vol te houden. Op pijnlijke wijze vallen bestuurders door de mand, als ze zich verstrikken in hun web van onwaarheden. Aanvankelijk hebben leugens voor hen nog een groot retorisch nut. De politici in kwestie kunnen de opinie er ingrijpend mee beïnvloeden. Vroeg of laat echter keren de onwaarheden zich tegen de bedenkers. De tegenstanders ruiken lont en laten geen kans onbenut om de fantasten te ontmaskeren. Deze zakken almaar dieper weg in het moeras, door hun leugens zo lang mogelijk te verzwijgen, ze te verdoezelen of te bagatelliseren – of door ingewijden het zwijgen op te leggen. Totdat het kaartenhuis van leugens en halve en hele onwaarheden niet meer houdbaar is. Dan rest er maar één ding: zo oprecht mogelijk berouw tonen, met alle emoties die daarbij horen. En dan maar hopen dat het niet te laat is en dat je niet alle krediet kwijt bent.

Het roept natuurlijk de vraag op waarom mensen van statuur de leugen nodig hebben als redmiddel. Deze vraag gesteld hebbende, werd ik positief verrast toen mij een theologisch pareltje uit 1960 onder ogen kwam: het artikel Over de waarachtigheid van de grote katholieke theoloog Karl Rahner (1904-1984). Een kleine zestig jaar geleden stelde deze al, dat de waarheid in zwaar weer verkeerde. Hij weet dit mede aan de opkomst en explosieve groei van de massamedia – lang voordat wij ons zorgen begonnen te maken over de social media. Rahners geniale artikel kan ik van harte aanbevelen. Ondanks de volgens sommigen wellicht achterhaalde wijsgerige achtergrond, waarin Thomas van Aquino via Heidegger tot ons spreekt, zijn de gedachten erin het overdenken nog steeds waard.

Zo wijst Rahner erop dat we de waarheid te zeer hebben teruggebracht tot fact-checking ten behoeve van het manipuleren van de werkelijkheid. Zo’n armoedige opvatting van de waarheid gaat op den duur ten koste van het respect ervoor. Echte waarheid is immers ten diepste communicatie met de werkelijkheid in haar wezen, op een niveau waarop ze niet meer te instrumentaliseren is. De gedachte om op dat punt terecht te komen is echter ook beangstigend, want op dit niveau omvat de werkelijkheid ook ons eigen wezen, met zijn licht- en schaduwzijden. Moed tot de waarheid is daarmee ook de moed onszelf onder ogen te komen – en daarmee de bereidheid tot radicale zelfkritiek. Dat maakt de waarheid tot een onwelkome gast in ons leven en verklaart dat wij zo makkelijk vluchten in de leugenachtigheid …

…. tenzij we de zoektocht radicaal volhouden en terechtkomen op het punt waarop we erkennen, dat de ultieme waarheid over de werkelijkheid erin bestaat dat wij, als onderdeel daarvan, genadig worden omvat en gedragen, onvoorwaardelijk worden erkend en bemind. Wie op dat niveau komt – of in elk geval in de buurt ervan – zal de angst voor de waarheid afleggen. Hij of zij zal bovendien onbeschroomd voor de waarheid, ook in haar meer dagelijkse uitingsvormen, uitkomen jegens anderen – uit respect voor hen als tochtgenoten op de zoektocht naar waarheid, maar vooral omdat er niets te vrezen valt. Hij of zij zal bovendien ook niet bang zijn voor de dialoog en het gesprek, want hij of zij kan tegen een stootje, in de vorm van vragen, kritiek en tegenspraak. Hij of zij geeft ten slotte ook gul het gelijk van de ander toe, die immers ook deel heeft aan de waarheid en onvermoede aspecten daarvan laat kennen.

Uiteraard, zo benadrukt Rahner, worden we ook radicaal bescheiden, naarmate we dichter bij de waarheid komen. Hoe meer we de waarheid menen te onthullen, hoe meer we de sluiers zien waarin ze zich hult. We stuiten op een geheim, dat wij niet kunnen omvatten, doch dat integendeel ons omvat. Op dat moment geven we ook de pretentie op, dat we veel weten en veel te vertellen hebben. Naarmate we leren dat de werkelijkheid zich meer verbergt dan prijsgeeft, leren we schroomvallig te zwijgen – en uiteindelijk alleen nog maar te spreken vanuit dit zwijgen, uiteraard nadat we dit zwijgen grondig hebben doorleefd.

Deze mystieke houding – want dat is het – is uiteraard iets anders dan angstvallig zaken verzwijgen omdat we iets te verbergen hebben. Dat laatste leren we juist af op onze zoektocht naar de waarheid. Want het laatste woord is aan de onvoorwaardelijke geborgenheid. Dankzij haar zijn we voor de duvel niet bang.

***

Rahner, Karl, ‘Über die Wahrhaftigkeit. Referat auf der Jugendseelsorgekonferenz in Passau 1960’, in: Katechetische Blätter 85 (1960) (Vgl. Schriften zur Theologie VII, 223ff.).

Last is geen grond voor verbieden – over voors en tegens van een vuurwerkverbod

Van het vuurwerk met oud en nieuw heb ik altijd een sterke afkeer gevoeld. Het lawaai, de intimidatie door rotjochies die rotjes voor je voeten gooien, de stank die bij bepaalde weersomstandigheden te lang blijft hangen, de niet opgeruimde rommel in de straat en mijn tuin: dit alles heeft mijn afkeer gevoed en iedere jaarwisseling doen toenemen. Voor een verbod op consumentenvuurwerk ben ik niettemin tot nu toe niet geweest. Ik haalde altijd diep adem, zette de tanden op elkaar en wachtte rustig de stilte van 2 januari af.

Sedert kort ben ik echter overstag – maar dan niet vanwege de genoemde dingen, die onder het begrip ‘overlast’ worden samengevat. Ik ben voor een verbod omdat we niet meer heen kunnen om de aantoonbare samenhang tussen enerzijds consumentenvuurwerk en anderzijds letsel bij mens en dier, materiële schade en dodelijke ongevallen. Het is te gek voor woorden dat we het voor lief nemen, dat er ieder jaar rond oud en nieuw onnodig en met honderd procent zekerheid slachtoffers vallen. Om die simpele reden ben ik inmiddels dus wel voor verbieden.

Ik onderstreep echter dat de genoemde ‘overlast’ als zodanig in mijn ogen te weinig grond is voor een verbod op luidruchtige uitingen van levensvreugde. Iedere groep en iedere enkeling heeft zijn bijzondere tijden en momenten, die met een zekere uitbundigheid worden gevierd – een uitbundigheid die onvermijdelijk grenst aan bandeloosheid. Als je zelf even niet hoort bij de feestvierende gemeente of de ‘doelgroep’,  ervaar je vooral de hinder en de last. Als je zelf niets te vieren hebt, is het moeilijk om de keerzijden van het feest voor lief te nemen. Mij vergaat dat bijvoorbeeld zo bij de jaarlijkse marathon, op Koningsdag en tijdens de kerstmarkt. Mijn stad wordt er tijdelijk chaotisch en onhanteerbaar, lawaaierig en lelijk van. Het op de kop zetten van de orde irriteert en hindert me. Ik ervaar het als een inbreuk – en soms zelfs als een inperking van mijn bewegingsvrijheid. Toch probeer ik de nodige tolerantie en zelfs begrip op te brengen voor de menigte die van dit soort evenementen geniet. Ik ben op een andere dag misschien weer degene die hinder veroorzaakt. Die overlast zal, gezien mijn voorkeuren en smaak, een wat serener en beschaafder karakter hebben – maar ook klassieke-muziekfestivals of uitmarkten hebben onvermijdelijk iets opdringerigs, om nog maar te zwijgen van politieke demonstraties, religieuze uitingen en stille tochten.

Leven en laten leven dus: dit beschaafde adagium is op zich al een reden om niet te snel over te gaan tot verbieden van ‘overlast’. Bovendien horen ontregeling en ordeverstoring bij onze cultuur en onze samenleving, zolang ze maar zijn gedoseerd en zolang ze – paradoxaal uitgedrukt – worden gereguleerd en ingekaderd. Dat is niet is van vandaag of gisteren. Massaal gevierde feesten waren er altijd al en ze hadden altijd al iets ontregelends en ordeverstorends. Dat was en is zo met carnaval en kermis, bij heiligenfeesten (tot op de dag van vandaag in zuidelijke streken), tijdens festivals en sportevenementen etc. Tijdelijke wanorde hoort erbij en heeft bovendien een sociaal-hygiënische functie: het geeft speelruimte en voorkomt zodoende het klem- en vastlopen van de raderen van de orde.

Verbieden omdat iets mij hindert en omdat het de orde verstoort, is voor mij al met al niet aan de orde. Pas als er grenzen worden overschreden en als daarin een patroon ontstaat, pas als de drempel voor geweld wordt verlaagd, pas als er een structureel causaal verband ontstaat met beschadiging van mensen en zaken: pas dan kan en moet een verbod worden overwogen. In alle andere gevallen is een verbod een uiting van afgunst, humorloosheid en verbittering. Bovendien verlamt het het samenleven. Het verbieden van dingen waarvan we last hebben leidt tot klikgedrag, tot terug pesten en een escalatie van het verbieden. ‘Als jij mij dit niet gunt, gun ik jou dat niet!’ We komen terecht in een angstige kousenvoetencultuur.

Wat betreft het consumentenvuurwerk is mijn standpunt helder. Dat spul moet onmiddellijk worden verboden – en wel vanwege de voorspelbare en aantoonbare schade, die er direct het gevolg van is. Dit mag echter geen stap zijn op een weg waarop steeds meer ‘hinderlijke’ zaken als zodanig worden verboden, totdat onze openbare ruimte een griezelig neutraal en eentonig landschap is van krampachtige correctheid en smetvrees.

Zalig kerstfeest!

Tastend in het duister,
Tegen elkaar uitgespeeld,
Speelbal van het lot
En tegendraadse verlangens:
Zo zouden we voortleven,
Reddeloos verloren,
Had God ons niet
Zijn reddende hand gereikt,
Zijn menselijke gezicht getoond.
Zomaar deed hij dat.
We hadden er niet om gevraagd,
Laat staan het ernaar gemaakt,
Maar we gingen hem
Nu eenmaal aan het hart.
En hij maakte ons nieuw,
Gaf ons opnieuw lucht,
Door toedoen van Jezus.
Onthoud die naam.
Hij betekent immers: God redt.
Vannacht is hij geboren.
Laten we gaan kijken, luisteren
En veel erover praten. Vertellen
Over dat ongelofelijke nieuws.

Titus 3, 3-8

Afbeelding: August Macke, Vlucht naar Egypte (naar Dürer) 1910.