Rationele emoties

Sinds de tweede wereldoorlog zijn er in de politieke bewegingen globaal drie tijdperken te onderscheiden: het tijdperk van het visioen en de utopie (1945-1989), het tijdperk van het nuchtere pragmatisme en realisme (1989-2008) en het tijdperk van de emotie. In dat laatste tijdperk leven we nu. Zowel de grote blauwdrukken hebben afgedaan, als het liberale geloof dat het vanzelf wel goed komt als we de maatschappelijke en economische krachten hun gang laten gaan. Aan het eerste is een eind gekomen door het debacle van het communisme, aan het tweede door de financiële crisis. Teleurstelling en argwaan zijn sindsdien de boventoon gaan voeren.  Kortom: het gevoel is leidend geworden.

Degenen die dit het best begrijpen zijn de zogenaamd populistische stromingen ter linker- en rechterzijde. Onbelast door een verleden in de idealistisch-linkse beweging en/of onbezoedeld door vuile kapitalistische handen, kunnen zij zich onbekommerd tot woordvoerder maken van de ‘verliezers’ van de geschiedenis en dier verontwaardiging – daarmee een westerse (en vooralsnog goddank geweldloze en democratische) versie introducerend van de retoriek van de ‘globaliseringsverliezers’, die ons vanuit de ivoren toren van hun morele gelijk sinds 9/11 teisteren met terreur.

Soms slaan de volksen een waarschuwende toon aan: als we de gevoelens van de verliezers niet serieus nemen, riskeren we wanorde, verzet en burgeroorlog. Uiteraard is dat geen directe bedreiging – haasten ze zich te zeggen – doch eerder een voorspelling van wat er zal gebeuren ‘als’. Niettemin is het indirect wel degelijk intimiderend en chanterend – al is het maar omdat de volkstribunen ook niets doen om hun eigen achterban te kalmeren. Het lijkt erop dat ze het vuur onder de pan aanzetten, de keuken verlaten en de soep laten overkoken – waarbij ze natuurlijk niet verantwoordelijk zijn voor wat die rare soep doet.

De populisten hebben een goede neus voor de emoties. En in zekere zin hebben ze gelijk als ze het daarvoor opnemen. Emoties zijn immers meer dan ‘buikgevoelens’, meer dan graadmeters van de temperatuur van de ingewanden. Het zijn ook – en denkers als Martha Nussbaum wijzen hierop – uitingen van waarden, visies, denkbeelden, waarnemingen. Boosheid is een uiting van rechtvaardigheidsgevoel, om maar een voorbeeld te noemen. Angst duidt op een rechtvaardige behoefte aan veiligheid. Gekrenktheid is een uiting van gevoel van eigenwaarde en waardigheid. In die zin hebben emoties een eigen redelijkheid. Ze verdienen het, dat er naar wordt geluisterd. Maar dan wel uiteraard met de inzet om die diepere laag aan te spreken. De inzet om – hoe ingewikkeld en paradoxaal ook – rationeel met emoties om te gaan. En om zo op het spoor te komen van waarden en inzichten die we delen en die ons verbinden – of die in elk geval het gesprek gaande houden.

Dit betekent echter ook dat emoties in toom moeten worden houden. Om het met Aristoteles te zeggen: ze moeten het juiste midden houden. Te weinig of te vlakke emotie betekent apathie en desinteresse. Te veel of te heftige emotie schiet aan het doel voorbij. En dat dreigt momenteel te gebeuren, zowel ter ‘linkerzijde’ (bijv. de gekrenktheidscultus die bij het minste of geringste de racismekaart trekt) als ter ‘rechterzijde’ (bijv. de rancune die niet weet hoe snel het establishment moet worden afgebrand, te beginnen bij de media en de cultuursector).

Laten we van ons hart geen moordkuil maken. Laten we onze emoties het woord geven. En laten we daarover vervolgens redelijk in gesprek gaan.

***

Deze column, gebaseerd op een uitgebreider artikel in het remonstrants maandblad Ad Rem, verscheen ook op #ikbenverbonden.

De nederlaag van de wreedheid

Voor bepaalde beroepen is een zekere hardheid vereist. Soms wordt er al in de opleiding bewust een pantser van gevoelloosheid opgebouwd – bijvoorbeeld bij chirurgen, sporters en beroepsmilitairen. Soms ook ontstaat in de loop der tijd een eeltlaag. Verpleegkundigen, leraren en politiemensen bijvoorbeeld verleggen geleidelijk hun pijngrenzen of dempen bij wijze van overlevingsstrategie hun emoties. Het opbouwen van een pantser of het vormen van een eeltlaag is nuttig. Het maakt iemand weerbaar en houdt haar of hem overeind. Indringende gebeurtenissen kunnen niet uitgroeien tot psychotraumata. De beschermingsstrategie komt ten goede aan de nachtrust – zolang de trauma’s tenminste niet via nachtmerries en spookbeelden alsnog binnensluipen en de psychische stabiliteit ondermijnen. Vroeg of laat is deze inwendige tactiek van de verschroeide aarde echter uitgewerkt. Dat blijkt dan uit een burn-out of compensatiegedrag – zoals misbruik van drugs en alcohol, roekeloos rijgedrag en geweld tegen familieleden.

Het wordt ronduit problematisch als de onverschilligheid voor de eigen gevoelens gepaard gaat met gebrek aan invoelingsvermogen; als hardheid jegens zichzelf de keerzijde is van hartvochtigheid jegens anderen. Om maar geen water bij de wijn van doelen en denkbeelden te hoeven doen, onderdrukt een functionaris de empathie met de eventuele slachtoffers van haar of zijn rechtlijnigheid – zelfs als dat betekent dat naasten moeten worden opgeofferd. De geschiedenis, de literatuur en de filmgeschiedenis staan vol met voorbeelden hiervan: de rechter Jefta die zijn dochter offert, de orthodoxe dominee die zijn homoseksuele zoon verstoot, de generaal die zijn kinderen de dood in jaagt, de bewindspersoon die via bezuinigingen de zorg voor zijn eigen bejaarde ouders op het spel zet enzovoorts. Extreme voorbeelden zijn natuurlijk de oorlogszuchtige dictatoren die bereid zijn alles, maar dan ook alles op het spel te zetten. Deze mensen houden met een stalen gezicht vast aan hun denkbeelden en besluiten, hun koers of bevelen – ook en juist als het hun allernaasten raakt.  Ze maken zichzelf immuun voor datgene wat hen nog aan het twijfelen zou kunnen brengen: liefde. Het feit dat ze bereid zijn hun naasten op te offeren, zien ze zelfs als een legitimatie van hun visie of doel. Ze betalen de rekening immers zelf.

De Bijbelse icoon van deze houding is de Farao, wiens spreekwoordelijke hardheid de uittocht van Gods volk tegenhoudt en die zodoende een escalerende krachtmeting met de bevrijdende God aangaat. Zelfs als zijn eigen volk murw is gemaakt door negen plagen, blijft de Farao onverbiddelijk. Zijn hart versteent en hij is blijkbaar bereid om tot het uiterste te gaan. Het dieptepunt van de strijd wordt bereikt als de eerstgeborenen worden getroffen, het oudste kind van de Farao voorop (Ex. 12, 29). Dan geeft hij Mozes en zijn volk een vrije aftocht – om zich overigens alsnog te bedenken en (weliswaar te laat) de achtervolging in te zetten. Blijkbaar heeft hij zelfs van de dood van zijn kind nog niets geleerd – niet onverwacht, natuurlijk, want hij heeft het er zelf op aan laten komen.

Op zijn schilderij ‘De dood van Farao’s eerstgeborene’ legt Lourens (Lawrence) Alma Tadema (1836-1912) het moment vast, dat de Farao de rekening gepresenteerd krijgt. Alma Tadema gunt de koning nog een schijn van gevoel. Hij vecht met zijn tranen. Zijn misplaatste fierheid en de overtuigdheid van zijn eigen gelijk houden zich echter staande. Wij weten dat die laatste het zullen winnen van het verdriet. En dat Farao in alle opzichten de verliezer is.

***

De tentoonstelling “Alma Tadema, Klassieke verleiding” is te zien in het Fries Museum tot en met 7 februari 2017.

Het bovenstaande verscheen eerder als Column op De Bezieling.

Het elite-frame

Je zou verwachten dat ze in een overwinningsroes zouden verkeren na 8 november, al die Nederlandse populisten en hun schapen. In plaats daarvan uiten ze zich vooral ‘strijdbaar’. Het is een strijdbaarheid van de verbitterde en verbeten soort. Sterker dan voorheen slaan ze hun wraakzuchtige toon aan en beloven ze af te rekenen met establishment en elite.

Ook ik – als lid van de groep waarmee blijkbaar een appeltje moet worden geschild (PvdA-lid, actief in ontwikkelingssamenwerking en cultuurconsument) – voel me in toenemende mate geïntimideerd, maar vooral geïrriteerd. Ja: ik wordt ronduit chagrijnig te worden over de gemakzucht waarmee mensen en groepen als elite worden gelabeld – en vervolgens vogelvrij worden verklaard. De emotionele lading van mijn irritatie heeft een heel persoonlijke achtergrond.

Ik kom uit een hard werkend lager-middenklasse milieu – in die zin ben ik een atypische remonstrant. Dat betekende concreet het volgende. De weinige, maar wel reële kansen die we hadden om ons te ontplooien, moesten we goed benutten. We mochten niet klagen, maar moesten problemen oplossen en eraan werken. Voor de kansen moesten we niet slaafs dankbaar zijn, maar wel erkentelijk, ze niet als een vanzelfsprekend recht beschouwen. Mensen die het slechter hadden – en die waren er altijd – die moest je helpen. Je moest niet passief voor de TV hangen, maar je blik en geest verruimen, naar concerten gaan en als het even kon een boek lezen. Kortom: leven en samenleven was iets waar je moeite voor deed.

Dit was allemaal te vinden op mijn paplepel. Het heeft me gemaakt tot wat en wie ik nu ben. Het heeft mijn ‘levensvorm’ bepaald. Bij deze ‘levensvorm’ horen ook bepaalde opvattingen en keuzes, ook politieke. Ik ben er overigens niet arm door geworden, maar zeker ook niet rijk. Ik ben een gewone ‘hard werkende’ Nederlander. En hier komt mijn toorn: ik laat mijn levensvorm en opvattingen nu niet meer wegzetten als elitair, omdat ze voor anderen ongemakkelijk zijn. Het is gewoon burgerfatsoen, de ethiek van gewone mensen. Niks elite.

Beste ‘volksmensen’: monopoliseer niet je ‘gewoon zijn’. En houd alsjeblieft op met het dreigen met bijltjesdagen en afrekeningen. Met alle respect: je wekt en bevestigt alleen maar het vermoeden, dat je verwend en rancuneus bent. Zo verwend dat je alleen maar kunt afpakken en afbreken in plaats van opbouwen. Ik wil je zorgen delen en je serieus nemen. Maar help me daarbij dan ook. Diva-gedrag helpt in elk geval niet.

***

 

De bovenstaande column verscheen eerder op de website van de remonstranten.

De hemel op aarde

In de week van 10 oktober werd op NPO Radio 4 weer eens de onverwoestbaarheid van de klassieke muziek aangetoond. Onder de naam Hart & Ziel wordt jaarlijks een klassieke ‘Top 300’ uitgezonden. Hoewel de formule gemakkelijk (en zelfs wat gemakzuchtig) lijkt, wordt het programma door velen ervaren als een feestje – ook door mij.

Dat laatste ligt ongetwijfeld aan de interactieve opzet en aan het feit dat mensen bij de toelichting van hun keuze hun enthousiasme kunnen uiten. Ze kunnen muziek laten horen waarvan ze blij worden – of exacter: die hen hoe dan ook ontroert, verstilt, raakt. Muziek die – zoals de metaforen ‘hart’ en ‘ziel’ suggereren – de weg naar binnen vrijmaakt of die je juist uit je koker bevrijdt en je boven jezelf uittilt. Je vraagt je al luisterende af, waarom luisteraars niet elke week de baas mogen zijn over de programmering. De radio is er immers toch voor de mensen?

Om op die laatste retorische vraag te antwoorden, leg ik maar meteen mijn ouderwetse kaarten op tafel. Ik vind dat de publieke media ook de taak hebben onze smaak en kennis te verheffen, te verdiepen en te verbreden. En daarmee heb ik juist niet mijn medemensen op het oog – voor u me voor snobist gaat verslijten – maar in de eerste plaats mijzelf. Die ‘verheffende’ functie is juist de reden dat ik naar Radio Vier luister als ik bezig ben en op reis ben. (In mijn vrije tijd ga ik heus wel zitten voor een liveconcert of een cd.) De zender brengt me op ideeën, legt onvermoede lagen in het repertoire bloot, daagt me uit om het onbekende te leren kennen en leert me het weerbarstige waarderen. Mijn smaak heeft zich ontwikkeld door de zender die – met alle schaduwkanten die hij ook heeft – enerzijds een warm bad van welluidendheid en herkenbaarheid is en anderzijds een verfrissende wandeling door een zonovergoten gletsjerlandschap.

De klassieke radiozender verrast en verbaast me dus. Bij verbazing hoort echter soms ook teleurstelling en een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Juist tijdens de ‘Hart-en-ziel-week’ werd dit jaar mijn ruimdenkendheid op de proef gesteld. Waarom, bijvoorbeeld, kwamen Haydn, Beethoven en Brahms er zo bekaaid af? Ze stonden er wel in, maar haalden niet de top tien. Waarom wel de populist Simeon ten Holt? Waarom wel de knuffelcomponisten Fauré en Pärt – en dan uitgerekend vertegenwoordigd door de meest zoetige stukken uit hun oeuvre?

Dit hangt weer samen met een ander soort verbazing. Het werd ook al door de presentatoren opgemerkt: de voorkeur van de luisteraars voor religieuze muziek (vijf van de eerste tien) of muziek met een spirituele pretentie (twee van de eerste tien) is opvallend. Ongeseculariseerder kan de publieke omroep niet voor de dag komen. Op zich is dat geen slecht nieuws.

En toch knaagt er iets bij ’s lands voorkeur voor religieuze pathetiek, voor muziek die zichzelf tot spiritueel uitroept of muziek waar het spirituele er duimendik bovenop ligt. Deze roept een zekere achterdocht bij me op. Is hierbij geen sprake van een eigenmachtige bezwering van het transcendente, een bezwering die het Heilige eerder verjaagt dan oproept, die eerder zichzelf op de voorgrond plaatst, dan deemoedig een stap terug te doen ten gunste van de Ander?

Ach, ik ben te Barthiaans… In elk geval zou ik in de top tien van Hart & Ziel plaats willen maken voor componisten met minder pretenties: voor het humanisme van Beethoven (op zich al pretentieus genoeg natuurlijk), voor het melancholieke agnosticisme van Brahms – en vooral voor de aardse humor van Haydn. Uitgerekend diens twee bekende oratoria (De Schepping en De Jaargetijden) zijn door en door aards.

Ja, Haydn op één. Haydn die de muziek niet geforceerd naar iets ‘hogers’ laat verwijzen, maar die door, met en in zijn muziek zegt: “Het is maar muziek. Meer niet. Maar wat wil een mens meer? Muziek is toch al de hemel op aarde?”

Luisteren… en dan?

We moeten meer en beter  luisteren naar de achterban van populistische politici, zo wordt ons de laatste tijd steeds vaker onder de neus gewreven. De verkiezingsoverwinning van Trump heeft dit geluid versterkt. Het klinkt zowel uit de mond van de aanhangers van populisten als uit de mond van boetvaardige voormalige critici. Als vertegenwoordiger van datgene wat blijkbaar de ‘elite’ is, weet ik eerlijk gezegd geen raad met dit advies.

Om te beginnen – zo vraag ik me af – doen we toch niet anders dan ruimte geven aan de stem van bezorgd rechts? Godzijdank is in ons land de ‘achterban’ voldoende vertegenwoordigd, onder andere door een jaloersmakend grote fractie in ons parlement. Deze volksvertegenwoordigers nemen toch gewoon deel aan de politieke processen – en daarbuiten aan het maatschappelijk debat?  Zelfs in de programma’s van de vermaledijde ‘linkse’ publieke omroep schuiven ze geregeld aan in talkshows – tenzij ze natuurlijk zelf weigeren te komen, zoals kennelijk het geval is. Wat is er dan nog meer nodig? 

Natuurlijk moeten we de achterban van politici serieus nemen – maar wat betekent dit anders, dan dat er vrije verkiezingen plaatsvinden en dat de verkozenen mogen meedoen aan het politieke spel en het maatschappelijke debat? Of geldt dit alleen voor de andere partijen en hebben de populisten recht op iets extra’s? En wat is dat dan?

O, misschien worden ze geboycot?! Daarvan zie ik echter geen tekenen. Politici van de PVV of verwante partijen zijn, als gezegd, niet van het televisiescherm weg te branden. Vervolgens zijn er nog de commentatoren in talkshows en de columnisten van kwaliteitsbladen, die het opnemen voor de PVV. Uiteraard beweren en bezweren zij, dat ze slechts opkomen voor het goed recht van de PVV om zich te uiten. Begrijpelijkerwijs willen ze zich niet inhoudelijk branden aan partijstandpunten. Niettemin blijkt vaak bij het doorvragen of doorlezen (of als je hen volgt in de social media) dat ze gewoon standpunten van de PVV en haar zusterpartijen delen. Dat mag natuurlijk, maar zeg dan niet dat je club wordt genegeerd.

Maar wacht. Ik maak me er waarschijnlijk te makkelijk van af. Het gaat er natuurlijk niet om, dat we standpunten voor kennisgeving aannemen, maar dat we de laag daaronder aanboren en de motieven opdiepen. Dit wordt me echter wel erg moeilijk gemaakt door de dubbele boodschap van de klagers. Enerzijds wordt geroepen, dat je moet luisteren naar de emoties en ‘zorgen’ die er schuilen ‘achter’ het stemgedrag van mensen. Zeg dan echter niet van PVV-stemmers, dat het bange en boze mensen zijn uit bepaalde achtergestelde milieus, wier grieven je best wel serieus wilt nemen. Dan klinkt namelijk als weerwoord, dat je geen recht doet aan de rationaliteit van deze kiezers – waarbij wordt verwezen naar de evenwichtige demografische samenstelling van de groep, waarvan ook hoogopgeleiden deel uitmaken.

Los van het merkwaardige feit, dat de hoogopgeleiden erbij moeten worden gehaald om het denkniveau van de PVV-achterban te onderbouwen – hetgeen niet van veel respect getuigt voor de bewoners van achterstandswijken in deze achterban – roept dit verweer de vraag op, wat ‘meer en beter luisteren’ dan precies betekent. Als mensen rationeel kiezen voor de PVV, kiezen ze toch gewoon bewust voor het programma en de erin vervatte standpunten van die partij? En dat programma en die standpunten zijn toch gewoon bekend, duidelijk en ondubbelzinnig? Daarvan nemen we toch kennis en daarmee gaan we toch in discussie? Is dat dan geen luisteren? Wat is er dan meer nodig?

Ik vermoed eerlijk gezegd dat men met luisteren in dit verband gewoon bedoelt ‘gelijk geven’. Blijkbaar is kritiek niet gewenst. Blijkbaar kan men niet ermee leven dat onze samenleving is gebaseerd op een veelvoud aan opinies – en dus ook op de bereidheid je verlies te incasseren als je in de minderheid bent. Je mag van mij heus wel begrip en erkenning vragen, maar dat is iets anders dan gelijk eisen. (Je mag van mij  – om concreet te zijn – vergen dat ik de problemen in bepaalde wijken onderken – dat doe ik – maar dat betekent nog niet dat jouw ‘oplossingen’ de juiste zijn.) Er zijn overigens wel meer mensen en groeperingen, voor wie ik begrip heb, zonder dat ik het recht opgeef een (eventueel fel) oordeel te hebben over hun opvattingen en gedragingen – zoals DENK, het spiegelbeeld van de PVV, of andere slachtoffer-  en complotdenkers.

Wat het luisteren tenslotte bemoeilijkt is, dat er vaak zo weinig te beluisteren valt. Als woordvoerders of beschermers van de PVV optreden in de media bestaat hun boodschap vooral in de autoreferentiële klacht dat er zo weinig wordt geluisterd. Verder dan het herhalen van deze meta-boodschap komen ze vaak niet. Als je wilt dat er naar je wordt geluisterd, help me dan en kom met de inhoudelijke uitspraken waarnaar ik moet luisteren – en blijf niet steken in het herhalen van de klacht dat er niet wordt geluisterd.

Kortom: ik wil luisteren en ik doe niet anders. Ik wil het gesprek voeren. Ik ben ook de laatste om processen te voeren. (In die zin was en ben ik ook tegen het strafproces tegen Wilders.) Als er echter meer nodig is, dan hoor ik graag een overtuigend antwoord op de vraag, waarin dat ‘meer’ bestaat.

Goddelijke muziek

Het gouden nazomerzonlicht scheerde over de grachten en klom op tegen de renaissancegevels. Uit de open ramen van een nobel huis klonken de al even gloedvolle klanken van barokviolen en gamba’s die Corelli speelden. Utrecht was eind augustus weer het thuis van het Festival Oude Muziek. De historische binnenstad, die eigenlijk in elk seizoen op haar best is, was een stukje hemel op aarde. Het was ook weer troostrijk voor melomanen als mij, dat de zalen voor de concerten nagenoeg vol zaten. (De aanblik van lege rijen bij concerten baart mij namelijk vaak nog meer zorgen dan die van lege kerken. Het geloof redt zichzelf uiteindelijk wel en vindt wel zijn weg – ook zonder volle kerken. Muziek lijkt echter vooral een kwetsbare onderneming van mensen.)

Indrukwekkend was onder andere de prestatie van de countertenor Philippe Jaroussky, die in Vredenburg-Tivoli 1700 luisteraars in zijn ban wist te brengen, bij hen een ongebroken concentratie afdwong en een uitzinnige slotovatie uitlokte. Hij verleidde als het ware zijn publiek – zoals we dat van hem gewend zijn. Anders dan de eerste generatie zangers met dit stemtype en deze zangtechniek, combineert hij namelijk de engelachtige klank van zijn bovenstem met lenigheid, wendbare uitdrukkingskracht en zelfs mannelijke sensualiteit. Jaroussky is geen quasi-castraat of een geslachtsloze cherubijn, doch eerder een met de zwaartekracht van al het aardse vechtende, gevallen engel. (Deze ambivalentie maakt hem ook zo geschikt voor het decadente Franse liedrepertoire uit het fin de siècle.)

Zoals veel hedendaagse ‘authentieke’ musici belichaamt Jaroussky de revolutionaire ontwikkeling die zijn muziekgenre heeft doorgemaakt in de afgelopen decennia. Was de ‘oude muziek’ aanvankelijk een academische, keurige en soms letterlijk calvinistische bezigheid, die de historische bronnen wilde opdelven en het eruit opwellende water wilde zuiveren: sindsdien is het een beweging waarin speelsheid, samenspel en speelvreugde de boventoon voeren – en waarin zelfs zoiets als cross-over mogelijk is. Noordwest-Europese protestanten als Gustav Leonhardt en de kostschoolcantor Eliot Gardiner deden een stapje terug ten gunste van in de zon gerijpte jong-wilde Fransen (zoals Jaroussky), zuiderlingen en Oost-Europeanen. Het accent is verschoven van verantwoorde reconstructie naar het – soms zelfs improviserend – tot leven brengen van muziek.

En zo krijgt het begrip ‘religieuze muziek’ – een genre dat in de oude muziek is oververtegenwoordigd – een nieuwe betekenis. Het religieuze gehalte van de oude muziek is niet meer beperkt tot het feit, dat componisten indertijd nu eenmaal gelovig waren en vaak religieuze teksten als ‘kapstok’ gebruikten. Het religieuze karakter heeft er precies mee te maken, dat de oude muziek de fase van de ‘historische reconstructie’ voorbij is. Zoals elke goede muziekuitvoering, doet de authentieke uitvoeringspraktijk de muziek herleven. Zij herschept. Meer nog: in haar openbaart de muziek zichzelf als iets goddelijks. Zodoende brengt zij ons in vervoering en voert ons weg ‘naar een betere wereld’, zoals een bekend Schubertlied zegt. Muziek verwijst niet naar religieuze inhouden uit verleden of heden, maar is een uitings- en belevingsvorm van religie tout court.

Misschien is het begrip ‘religieuze muziek’ dus wel een pleonasme. Als er goed muziek wordt gemaakt en als wij op de juiste manier ervan getuigen en ernaar luisteren, worden wij gedwongen om onze religieuze kaarten op tafel te leggen. Daar is niet veel voor nodig en het gaat vanzelf. Alleen al ademloos luisteren is amen zeggen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

 

Onbevangenheid II : Het verlies van onschuld

Over onbevangenheid gesproken… Met betrekking tot één bepaald onderwerp ben ik zelf mijn onbevangenheid inmiddels kwijt geraakt. Tot nu toe heb ik me met betrekking tot dit punt, namelijk Zwarte Piet, wat afzijdig gehouden. Ik vond de discussie erover nogal irrelevant en ‘gegenstandslos’. De emotionaliteit stond in geen verhouding tot het belang ervan. Zelfmedelijden en rancune voerden de boventoon terwijl er onnodig een probleem werd gecreëerd – of in elk geval groter werd gemaakt dan het was – en niet bestaande verbanden werden gesuggereerd. Als ik al iets inbracht in de discussie, dan was het een zucht van verbazing en vermoeidheid.

Sinds kort echter kan ik niet meer om de ‘discussie’ heen. De discussie zelf – of datgene wat ervoor doorgaat – heeft Zwarte Piet zijn onschuld, die hij m.i. vóór die discussie wel degelijk had, voorgoed ontnomen. De rancune die de tegenstanders van de schertsfiguur dreef, heeft inmiddels een nog grotere en dubieuzere rancune aan de andere kant opgeroepen. Zwarte Piet is nu zelfs het symbool geworden van het rechtse ressentiment van Pegida e.a. Wat mij betreft is dit voldoende reden om hem dan maar af te schaffen. Om van het gezeur af te zijn – maar vooral om onzindelijke misbruik van symbolen te voorkomen.

Bitter blijft het. De zichzelf bewierokende ‘slachtoffers’ van de geschiedenis hebben ten onrechte een probleem geschapen en op de toch al zo (met belangrijkere zaken) gevulde maatschappelijke agenda geplaatst. Erger nog vind ik dat aan de andere kant een element van datgene, wat men een ‘onschuldige kinderfeest’ noemt, wordt ingezet als een vehikel voor een duistere politieke agenda.

Weg met Zwarte Piet dus. En over tot de urgente orde van de dag.

Onbevangenheid I : Een deugd als conversation-stopper

In het interview met ‘twittertheoloog’ Alain Verheij (Trouw, 24 oktober jl.) stuitte ik op de volgende, een déjà-lu uitlokkende, uitspraak. “Ik merk dat ik niet zozeer interessant ben voor babyboomers, die veelal lijden onder kerkelijke trauma’s en frustratie. Maar bij mensen van pakweg onder de 45 merk ik dat ze vrij onbevangen kunnen luisteren naar wat ik als theoloog te melden heb.” In dit citaat frapperen mij enkele punten.

Op de eerste plaats is dat het feit, dat Verheij zichzelf indirect, maar niet minder nadrukkelijk, identificeert met (exacter: zich verschuilt achter) een generatie en deze generatie vervolgens voorziet van een licht aura van heldendom en slachtofferschap – met als keerzijde een milde banvloek over een andere generatie. Het is een inmiddels door diverse groeperingen toegepaste strategie om zichzelf een voorsprong te verschaffen in geschillen. (Overigens heb ook ik me regelmatig schuldig gemaakt aan deze tactiek. Het is tijd dat ik dit afzweer. Bij dezen.) 

Vervolgens rekt Verheij de categorie babyboomers nogal royaal op. Hij verlengt het einde van de geboortegolf gemakshalve met zo’n twee decennia – uiteraard zorgvuldig erover wakend dat hij zelf aan de goede kant van de streep blijft staan. Hij zelf is natuurlijk eeuwig jong.

Vooral echter valt mij op dat Verheij zich bedient van een nogal sleets geworden retorische zet: het beroep op de deugd der ‘onbevangenheid’. Opmerkelijk genoeg kwam ik dit beroep namelijk al tegen in de jaren negentig van de vorige eeuw. In die tijd ontmoette ik – vooral in mijn eigen, katholieke milieu – zowel neo-conservatieven als moegestreden en capitulerende ex-progressieven, die oude vormen en inhouden herontdekten en die voldaan of opgelucht vaststelden dat een jongere generatie, die zich zogenaamd niet had hoeven te ontworstelen aan allerlei al dan niet denkbeeldige knechtende omstandigheden, openstond voor dogmatische en rituele tradities.

Niet specifiek bij Verhey – die hier slechts zetten van anderen herhaalt – doch in het algemeen ervaar ik het beroep op de ‘onbevangenheid’ als nogal onbehaaglijk. Hiermee wordt in theologische debatten namelijk een retorische manoeuvre uitgehaald. De lof van de onbevangenheid (in feite vooral een impliciet verwijt jegens de ‘getraumatiseerden’ en ‘gefrustreerden’, dat zij bevangen zijn) gaat een inhoudelijke discussie over tradities uit de weg. Niet de inhoudelijke argumenten doen er toe, doch de stijl waarin en de houding waarmee gesprekken worden gevoerd, de esthetische en ethische kwaliteit ervan.

Concreet: de verbitterde oude generatie is ‘bevangen’ en speelt daardoor het spel niet fraai. Ze diskwalificeert zich daarmee bij voorbaat in de discussie. De ‘onbevangenen’ daarentegen (anders gezegd: degenen die ‘naar mij luisteren’, zoals Verheij het onthullend genoeg formuleert) hebben een voorsprong in de discussie en kunnen rekenen op een fors tegoed aan welwillendheid van de gesprekspartners. De strijd is dus al beslecht voordat voors en tegens zijn uitgewisseld.

Het beroep op de onbevangenheid is al met al een retorische conversation-stopper. Dat achter de ‘trauma’s en frustraties’ van de oudere generaties ook opvattingen schuilgaan, die de moeite van het gesprek waard zijn – en dat die achterliggende opvattingen soms ook naar voren worden gebracht en om antwoord of weerwoord vragen: dat wordt niet serieus genomen. Het gaat immers lang niet altijd om ongearticuleerd gebrom. 

In zekere zin is de manoeuvre die Verheij hier uithaalt begrijpelijk. Leden van een oudere generatie – ik kan erover meepraten – kunnen soms inderdaad nogal opvliegend reageren als hun ‘verworvenheden’ ter discussie worden gesteld. Ze moraliseren met taboes wel eens het gesprek – en bemoeilijken in die gevallen op hun beurt een kalme en zakelijke discussie. Zoals gezegd vertegenwoordigen de genoemde verworvenheden echter wel degelijk veel waardevols. Hopelijk durft een ‘nieuwe generatie’ ook de inhoudelijke discussie over die waarden aan te gaan.

Brompotten zeggen soms wel degelijk iets zinnigs. Je moet wel wat geduld met hen hebben. Anders blijven ze grommen en snauwen. In termen van Verheij: Zolang ‘wij’ ons niet voor hen interesseren, zijn ‘wij’ ook niet interessant voor hen. 

De gebodsman

Toen ik de zaal betrad, dacht ik aanvankelijk dat ik oog in oog stond met een godenbeeld uit een verdwenen cultuur. Een stevig gebouwde mannelijke figuur zit in een vorstelijke en imponerende houding, omhelsd door een door hem getemde slang. Op zijn rechterhand draagt hij een kleine vrouwengestalte die zich tegen zijn borst aanvlijt. Het bleek een sculptuur te zijn van Max Beckmann (1884-1950), getiteld ‘Adam en Eva’. Dit verwarde mij. Wij hebben toch geleerd om het Bijbelse verhaal over het eerste mensenpaar heel politiek correct te lezen? De vrouw lijkt in Genesis weliswaar in eerste instantie slechts een afgeleide van de man te zijn. Bij nader inzien benadrukt het verhaal echter de gelijkwaardigheid van de twee partners: Adam herkent en erkent in Eva zijn gelijke. Hoe is het dan mogelijk dat Beckmann in 1936 de man als een oppermachtige mannetjesputter weergaf, die de vrouw als een hulpeloos poppetje onder zijn hoede neemt?

Het zij een kunstenaar echter gegund om op een politiek incorrecte manier met zijn onderwerp aan het werk te gaan. Politieke correctheid in de ethiek, de samenleving en de politiek is een vereiste (wat baldadige cynici ter rechterzijde ook beweren), maar kan verstikkend werken als het héél ons leven, denken en voelen doordringt. We hebben speelruimte nodig, om soms de teugels van de correctheid te laten vieren. De kunst is zo’n ruimte, zolang zij zichzelf maar serieus neemt als een vrijplaats voor dubbelzinnigheid en ironie – met andere woorden: zichzelf juist niet te serieus neemt. In die zin waag ik een ironische duiding van Beckmanns beeld.

Wat we hier zien is de weergave van een heimelijke droom van menige man of vrouw: de droom van de King-Kong-Man die ons optilt en tegen zijn borst drukt, ons beschermend tegen de gevaren die op de loer liggen. De slang, symbool van die sluipende gevaren, heeft hij getemd, ja: misschien betoverd. Zolang het kwetsbare mensenwezentje zich aan hem vastklampt, heeft het niets van die slang te duchten. De reus is een fetisj, die op magische wijze veiligheid garandeert. Zo gezien is het beeld een weergave van de droom van de sterke man, die momenteel in de politiek weer zo’n griezelige opkomst beleeft.

De geborgenheid is echter uiterst dubbelzinnig. Het beschermende gebaar is tegelijk uiterst intimiderend. De hand die beschermt kan tegelijk fijnknijpen en vermorzelen. De bescherming laat niet vrij, maar houdt gevangen. Veiligheid is slechts zolang gegarandeerd als de aanraking duurt. Wie zich losmaakt van de beschermer, verliest het magische contact dat de veiligheid waarborgt – en is vogelvrij. Geborgenheid is slechts mogelijk in de kooi van de omhelzing. Zo gezien is het beeld ook de weergave van het alfamannetje dat zijn vrouw, dochter of zus gebiedt of verbiedt om bepaalde kleding te dragen – om haar eigen bestwil en om haar te behoeden voor onheil. Of van de man die vrouwen, die vrijwillig bepaalde kleding dragen, meent te helpen door hen dat te verbieden.

Als ik een titel zou mogen geven aan deze sculptuur, zou ik het ‘De Gebodsman’ noemen. Het is de weergave van de zichzelf tot afgod verheffende man, die geborgenheid biedt tegen de prijs van onderwerping. Met Adam en Eva heeft het beeld niets te maken, eerder met het patriarchaat dat de bijbel – ja, elke religie –  voor zijn karretje heeft gespannen. Alfonso de Liguori, een 18e-eeuws moraaltheoloog en de stichter van de kloosterorde der redemptoristen waarvoor ik mag werken, wees er in een theologisch gedachte-experiment al op, dat in het paradijs juist een grote onbevangenheid heerste en dat de vrije mens het voordeel van de twijfel had. Regels en wetten – ook de goed bedoelde, veiligheid biedende regels – kwamen er pas veel later. Voor De Liguori was dit zelfs de reden om de gelovigen, waar het maar even kon, vrij te laten in hun morele keuzes. De vrijheid had immers het eerstgeboorterecht. Dat verkoop je niet voor het bord linzen van schijnveiligheid.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling. Het beeld van Max Beckmann staat in de Kunsthalle in Hamburg

Waarom historische vergelijkingen afleiden van de kern van het probleem PVV

Het is tenenkrommend. Je zit op een feestje waar een felle discussie woedt. Je bent het met iemand hartgrondig eens in die discussie en voelt je dus gesteund. Plotseling begint die persoon echter argumenten in te brengen of tactieken te hanteren, die je standpunt schade toebrengen en je positie ondermijnen.

Zo vergaat het me geregeld bij de debatten over het populisme in het algemeen en de PVV van Wilders in het bijzonder. Bij het koffieapparaat, tijdens borrels, op de social media en – God betere ‘t – zelfs in de grote-mensen-media wordt de positie van de PVV-tegenstanders voortdurend verzwakt doordat een deel van die critici de plank misslaat. Dat gebeurt mijns inziens als de PVV rechtstreeks, zonder enige analytische onderbouwing en nuance, één op één wordt vergeleken met neofascistische of neonazistische bewegingen, ja: met het nazisme zelf, of als ze een racistische beweging wordt genoemd. Een onderdeel van deze misleidende retoriek bestaat erin, dat de doelwitten van de populisten op dezelfde simplificerende manier gelijk worden gesteld met de slachtoffers uit het verleden en dat bijvoorbeeld de moslims of de Marokkanen de ‘Joden van nu’ worden genoemd.

Misleidende vergelijkingen
Dergelijke vergelijkingen sluiten de weg af voor elke analytische discussie – en zijn ook gewoon onwaar. De PVV is op zich al griezelig genoeg: ik kan deze beweging en haar leden echter niet betrappen op stelselmatige en statutair verankerde discriminatie op basis van huidskleur of herkomst – laat staan op plannen voor een systematische uitroeiing van een bepaalde bevolkingsgroep. Uiteraard kan een sombere waarnemer voor allerlei hellende vlakken waarschuwen, maar dat is argumentatief altijd een zwaktebod.

En wat de doelwitten van de populisten betreft: zelfs als de PVV (dit bij wijze van gedachte-experiment aannemend) de moslims als groep zou willen verdrijven of verdelgen, dan hebben we altijd nog te maken met een groep die – bij alle interne verschillen – landelijk en mondiaal in een heel andere positie verkeert dan de Joden in het begin van de 20e eeuw. We hebben niet te maken met een in de verstrooiing levende, opgejaagde minderheid die zich koest moet houden, doch met een weerbaar, aanzienlijk deel van de wereldbevolking dat – om met Abel Herzberg te spreken – geopolitiek geenszins een ‘ongedekte cheque’ is. Moslims van de meeste stromingen in ons land kunnen zich bijvoorbeeld vrijwel altijd verschuilen achter een hand aan het uiteinde van een lange arm, die vanuit een ver of nabij land wordt uitgestrekt. Dat zij hun tot op zekere hoogte gegund. Hun heiligverklaring tot vogelvrije slachtoffers is in elk geval misplaatst.

De kern: rancune
Het helpt niet echt om Wilders te vergelijken met Mussert of Hitler of om zijn doelwit, de moslimgemeenschap te vergelijken met het opgejaagde Joodse volk in de diaspora. Daarmee ga je voorbij aan de kern. Die kern is onder meer, paradoxaal genoeg, benoemd door Sybe Schaap. (Ik zeg paradoxaal omdat Schaap dezer dagen juist is aangevallen op vergelijkingen met het Derde Rijk en de NSB. Daarbij hebben die vergelijkingen in hun retorische context echter juist betrekking op enkele specifieke details en zijn ze niet bedoeld als globale één-op-één-gelijkstellingen.) Het probleem van de populisten en van Wilders zit niet in hun haat jegens de islam en zelfs niet in de onzalige provocaties van moslims – die waarschijnlijk alleen maar tot meer terrorisme zullen leiden. Ik waag zelfs te betwijfelen of dit voor Wilders zelf het hart van de zaak is. Want aan wie heeft hij nu ècht een broertje dood?

Het essentiële probleem zit in de rancune jegens diegenen die door Wilders en de zijnen worden bestempeld als de elite of als het establishment. De kern zit in de haat versus diegenen die het niet met hen eens zijn als het gaat over o.a. de Islam. Het probleem zit in het voortdurend gedreig – door Wilders en mensen als Bosma en Baudet – met een grote afrekening: een afrekening waarvan een voorproefje bestaat in het treiteren van de ‘elite’ door moreel, cultureel en sociaal erfgoed ter discussie te stellen. Het probleem zit in het dreigen met een directe democratie, waarin straks uw boze buurman zonder rekenschap te hoeven afleggen rechtstreeks over uw en ons aller lot gaat beslissen, en waarin ‘begrip’ bestaat voor in lichamelijk geweld ontaardende opstanden. Het probleem zit hem in het sluipenderwijs opbouwen van een lynchmaatschappij – een opbouw die mogelijk is doordat sidder-alen als VVD-er Zijlstra in het stof kruipen voor Wilders c.s.

De laatsten willen van Nederland een zwaar bewaakt openluchtmuseum maken – bewaakt tegen mensen van buiten, maar vooral ook op subtiele wijze tegen dissidenten van binnen. Wilders en zijn beweging zijn daarom op zich en in zich al kwaadaardig genoeg. Een vergelijking met wat dan ook uit de geschiedenis voegt daar niets aan toe en leidt alleen maar af van de echte discussie.