We zijn ons eigen zwarte gat.

Als in de populaire media over wetenschap wordt gesproken, lijkt het alsof mensen vooral zijn geïnteresseerd in disciplines over de meest excentrieke gebieden van ons bestaan. Zelden gaat het over de bosmier in de Peel of het functioneren van de galblaas (afgezien van gezondheidsprogramma’s, maar dat is een ander genre). Het publiek zit echter op het puntje van zijn stoel als het gaat over het heelal of de menselijke hersenen. In de populaire theologie valt overigens iets vergelijkbaars op. Lezers verslinden gretig boeken over het begin (de schepping) en het einde (het zogenaamde ‘leven na de dood’). Wat God en mensen in de tussentijd doen, is aan hen niet zo besteed.

De belangstelling voor de neurowetenschap, die menige hersendokter tot BN-er heeft gemaakt, heeft overigens een merkwaardig kantje. Er valt mij in dit verband in toenemende mate een bepaald woordgebruik op. In dit woordgebruik worden de hersenen – of ook wel ‘het brein’ – opgevoerd als subject van uitspraken, bijvoorbeeld in de veel gebezigde formule ‘De hersenen denken dat … ‘ En dat woordgebruik gaat er op één of andere manier bij mij niet in. De vergelijkbare uitspraak dat ‘mijn benen een wandeling maken’ of ‘mijn ogen bekijken een film’ zouden we lachwekkend vinden. Toch komt de uitspraak dat ‘de hersenen iets denken’ op hetzelfde neer. Ze weerspreekt onze fundamentele intuïtie, dat ‘ik’ het ben die loopt, kijkt en dus ook denkt etc. Uiteraard doen we dat allemaal niet als onlichamelijke wezens. Daarom kun je wel zeggen: ‘Ik kijk met behulp van of dankzij mijn ogen’ en dus ook: ‘Ik denk met behulp van mijn hersenen’. Maar dat is iets anders dan die ogen zelf te laten kijken of die hersenen zelf te laten denken.

Het punt is, dat er achter of in de uitspraak, dat ‘de hersenen denken’, een verborgen subject zit, een subject dat door de onhandige formulering aan het oog wordt onttrokken. Het zijn altijd íemands hersenen – jóuw hersenen, míjn hersenen – waarover we iets beweren. In de bewering is altijd dat ‘iemand’ geïmpliceerd als het verborgen, eigenlijke subject. Het duidelijkst is dit, als er een bezittelijk voornaamwoord wordt gehanteerd: ‘Mijn hersenen denken…’ Deze formulering roept onmiddellijk de vraag op, wie dan dat ‘ik’ is, dat de hersenen in een bewustzijnsakt op zichzelf betrekt – en dus blijkbaar degene is die denkt. Als je daarop antwoordt, dat dit de hersenen zelf zijn, kom je in een cirkel terecht, want de vraag ‘wiens hersenen dan?’ kan dan opnieuw worden gesteld enzovoorts. De hersenen kunnen dus nooit samenvallen met het ‘iemand’ dat de hersenen op zichzelf betrekt en dat dus het eigenlijke subject van de bewering over de hersenen is.

Blijkbaar moeten we accepteren dat bewustzijnsakten als denken, handelen, beslissen etc. voortkomen uit een bron, die zich voortdurend aan ons onttrekt als we ernaar graven: het ik. Het menselijk subject kunnen we niet ‘verdingelijken’ of vastpinnen door het te vereenzelvigen met het biologische vehikel ervan. Het is een raadsel, dat ons als zodanig blijkbaar dwars zit. Het populair-wetenschappelijke gepraat over de hersenen als subject slaat dit geheim echter ten onrechte plat, zoals we een schoenendoos platslaan, die hinderlijk in de weg staat.

Nu kan het bovenstaande de verdenking oproepen, dat ik als theoloog vecht tegen levensbeschouwelijk materialisme en terug zou willen naar het geloof in de onsterfelijke ziel. Niets is minder het geval. Ook en juist de vulgaire opvatting van de ziel, die in het lichaam ‘huist’ als de chauffeur in een auto – een opvatting die heerst in de volksreligiositeit of in de zogenaamde nieuwe spiritualiteit – begaat de fout om het menselijk subject te ‘verdingelijken’. Ook in het praten over de ziel kan ik immers niet om de oneindige dynamiek heen, die wordt ontketend door de vraag over wiens ziel we dan spreken.

Het is menselijk om zaken te willen begrijpen, ook de raadsels van denken, bewustzijn, handelen, kiezen. Begrijpen doen we echter niet door op een willekeurig punt op te houden met nadenken en dan te denken dat we er zijn. Als we de hersens (of de ‘ziel’, wat dat ook moge zijn) in kaart hebben gebracht, begrijpen we nog niet wat het betekent dat wij denken etc. En misschien lukt ons dat wel nooit. We zijn ons eigen zwarte gat.

Alles is vorm. – Susan Sontag herlezen

Of we nu zielzorger zijn of denker, leerkracht of kunstenaar: we moeten minder gaan uitleggen en meer gaan verleiden. We moeten meer inzetten op de aantrekkelijkheid van datgene wat we willen overbrengen en minder op het begrijpen en doorgronden ervan. Ik bedoel iets anders dan het afzweren van het verstand ten gunste van het gevoel – zoals een gemakzuchtige trend wil. Het gaat om iets veeleisenders:  het afleren van de dodelijke tegenstelling tussen inhoud en vorm, binnenkant en buitenkant, kern en buitenlaag. Sterker nog: het gaat om de erkenning dat er buiten die zogenaamde vorm of buitenkant niets anders bestaat dat onze aandacht verdient.

Laat ik concreet zijn en de hand in eigen boezem steken. In de prediking of de liturgie gaan wij zielzorgers ervan uit, dat het ‘wezenlijke’ ergens diep verstopt zit in de bijbel of in symbolen en rituelen. En we zien het dan als onze taak – en niet zelden ook als ons privilege of monopolie – om dat ‘wezenlijke’ los te peuteren uit de oude ‘vormen’ en het zodoende ‘duidelijk’ te maken. ‘De mensen’ snappen het immers allemaal niet meer. Door achterhaalde vormen ontgaat hun de inhoud. Gelukkig weten wij zielzorgers wel waarin de kern bestaat. Dus beginnen wij al die ouderwetse lagen af te pellen. We leggen aan de mensen geduldig uit wat er ‘eigenlijk’ met een verhaal of een ritueel is ‘bedoeld’. Om dat ‘duidelijk’ te maken gaan we liefst nog aan de tekst of de symboolhandeling sleutelen, zodat die eindelijk uitdrukt wat er ‘eigenlijk wordt bedoeld’.

Het resultaat is vaak tenenkrommend. De liturgische voorganger laat dingen weg of verzint zelf nieuwe dingen. Er worden bijbels in gewone taal of omgangstaal geschreven, door mensen die beter menen te weten wat de tekst bedoelt dan die tekst zelf. Of er worden gewoon hele stukken geschrapt of nooit gebruikt. Hiermee wordt niet alleen het ritueel geweld aangedaan of de tekst verkracht. Het is ook nog eens bevoogdend. In plaats van ‘de mensen’ te helpen om een toegang te vinden tot liturgie en bijbel, bepalen wij voor hen wat ze mogen zien en horen en schotelen wij hun voorgekauwd voedsel voor (En dan hebben we het nog niet eens over de wansmakelijke vertoning dat we tot alles bereid zijn om de ‘inhoud’ te redden en daarvoor onze toevlucht nemen tot ‘vormen’ die gewoon kitsch zijn.)

Behalve pijnlijk is het allemaal ook gewoon vergeefs. We zijn immers bezig met het afpellen van een ui: laag na laag. Tot er niets over blijft. Want er is helemaal geen ‘kern’. Er is alleen de buitenkant, die voor zichzelf spreekt, waar niets ‘achter’ of ‘onder’ moet worden gezocht, maar die we geduldig moeten aftasten. De tekst of het ritueel zijn niet voor niet precies zo geformuleerd en georganiseerd zoals ze zijn. Dit betekent dat we niet dichter bij de ‘inhoud’ komen, als we sleutelen aan de ‘vorm’, maar dat we gewoon de ene vorm vervangen door andere – en dus iets nieuws scheppen, meestal iets slechters trouwens. Misschien ligt het niet aan de teksten en rituelen, dat ze niet meer tot ons spreken, maar gewoon aan onszelf en aan de afstomping van onze zintuiglijkheid ofwel ons ‘esthetisch’ vermogen .

In de kunst is deze problematiek al sedert lang een punt van discussie. Ruim vijftig jaar leden wees de Amerikaanse geleerde en schrijver Susan Sontag (1933-2004) in haar  bundel Tegen interpretatie  al op het fatale onderscheid tussen ‘inhoud’ en ‘vorm’. Die leidde er volgens haar toe dat de kunst wordt aangerand door het intellect, dat de ‘inhoud’ achter de ‘vorm’ wil blootleggen. Bij kunst gaat het erom, wat er te zien, te horen, te voelen valt aan de zogenaamde buitenkant, de vorm, de stijl. Het is vooral de huid die de geheimen van de schoonheid bevat. Een kunstwerk is wat het is en zegt wat het zegt – en is geen raadsel dat ons wordt opgegeven of een doos die moet worden uitgepakt. Een symfonie van Haydn, een schilderij van Vermeer of een gedicht van Kemp zijn geen fraai ingepakt geschenk. Ze zijn het geschenk zelf.

Het ‘uitpakken’ of ‘uitleggen’ is de makkelijkste weg. De moeilijke weg – bij kunst, maar mijns inziens ook bij bijbellezen en eredienst – bestaat erin om met toeleg stil te staan bij de buitenkant, die boekdelen spreekt. Toch hebben we geen keus. We moeten onze tastzin in de brede zin van het woord weer tot leven wekken en verfijnen. Voorgangers en predikanten moeten hierin voorop gaan.

Wat we nodig hebben is, zegt Sontag, erotiek in plaats van hermeneutiek. Wat mij betreft ook in de omgang met bijbel en eredienst.

***

Sontag, S. Against interpretation – and other essays. Penguin Books Ltd, ISBN 9780141190068 (2009)

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Vergeefsheid en berusting – terugblik op een Surinaamse reis- en leeservaring

Op het moment dat ik dit schrijf bevind ik mij in het vliegtuig van Paramaribo naar Amsterdam, met diep onder mij de oceaan van heimwee die Suriname scheidt van Nederland, de oceaan die vanuit Suriname wordt gevoed door de vele rivieren die ik in de afgelopen tien dagen heb bevaren en ben overgestoken, waar ik langs heb gewandeld en waar ik heb gespeurd naar de schichtige tropische dieren. Het doel van mijn reis was, om de leefwereld te leren kennen van Peerke Donders (1809-1887), de beroemde Tilburgse missionaris zich met stille heldhaftigheid en taaie volharding inzette voor de verschoppelingen in de toenmalige kolonie. Ik heb echter ook het veelkleurige volk beter leren kennen en bewonderen, dat iets prachtigs weet te maken van zijn complexe land, ondanks tegenspoed en tegenwerking, een volk dat sterk en veerkrachtig is als de tropische natuur van zijn land.

Staande aan de oever van de traag stromende Commewijne, uitkijkend op de raffinaderijen aan de overzijde, liet ik als mantra de woorden van Heraclitus door me heen gaan: Panta rhei. Alles stroomt. Alles beweegt. Alles verandert voortdurend. De rivier zelf is een metafoor voor het hiermee uitgedrukte levensgevoel. Ook de tropische vegetatie van Suriname, die zich voortdurend en zienderogen verjongt, verbeeldt deze woorden. Na een festival komt een platgetreden grasveld binnen enkele dagen tot leven. Verlaten industrieterreinen, onafgebouwde huizen en plantages zijn overwoekerd. Ze lijken te worden overwoekerd door de plantenrijkdom als door een traag verterende python. De natuur is oppermachtig en onverslaanbaar…

Dat leek tenminste eeuwenlang zo te zijn. Inmiddels dreigt de menselijke, economische veroveringsdrang haar te machtig te worden, ook in het Amazonebekken waarvan Suriname deel uitmaakt. Olie-, hout- en goudwinning plegen roofbouw, slaan onheelbare wonden in het regenwoud en verstoren de ecologische balans. De ook in dit deel van de wereld gevoerde campagnes voor duurzaamheid zijn niet opgewassen tegen de door corruptie gevoede exploitatie van de bodem en de bossen. Niet de eeuwig groene wouden, niet de onverstoorbaar stromende rivier, doch de niet te stuiten opmars van de economie illustreert in onze tijd de woorden van Heraclitus.

De wanhoop over onstuitbare machten die ons boven het hoofd groeien, zowel letterlijk als figuurlijk, is bepalend voor één van de klassieke ‘Surinameromans’ uit onze letterkunde: De Stille Plantage (1931) van de Surinaamse schrijver Albert Helman (1903-1996). Het is het verhaal van een idealistische groep Hugenoten, die Europa ontvlucht en op een plantage in de jonge kolonie aan zichzelf en anderen een beter bestaan wil verschaffen – en daarin faalt.

Het boek is voor onze generatie inmiddels minder leesbaar en verteerbaar, onder andere door de achterhaalde stereotypen en het meanderende en bloemrijke taalgebruik. Daar staat echter veel moois en goeds tegenover: de heilige verontwaardiging over de slavernij; de inlevende manier waarop de lotgevallen van de hoofdpersonen worden beschreven en de inkijk in de rol van de religie bij zowel de bestrijding als de rechtvaardiging van de slavernij. Uiteindelijk word je als lezer vooral getroffen door de tragiek en de vergeefsheid van alle menselijke pogingen om de aarde tot een betere wereld te maken. Het idealisme van de hoofdpersonen, die de slaven als gelijkwaardige mensen willen behandelen, wordt gefrustreerd door de boosaardigheid, de corruptie of het tot cynisme ontaard realisme van de tegenspelers: het koloniale bestuur, de concurrerende plantage-eigenaren en de rancuneuze opzichters. Uiteindelijk kijken de idealisten berustend neer op de scherven van hun ideaal. De tropische natuur, in Helmans ogen nog oppermachtig, is de metafoor bij uitstek om het tragische levensgevoel uit te drukken. De utopische plantage wordt uiteindelijk verlaten en is na verloop van tijd niet meer vindbaar, overwoekerd als zij is. Berusting en mildheid, toewijding aan bescheiden plichten en verzoening met het onvermijdelijke vormen het slotakkoord.

Met oplettende ogen gelezen is De Stille Plantage echter ook een bitter en strijdbaar boek. De niet vereffende rekening van het onrecht vormt een onopgelost, dissonant slotakkoord. Nu de discussie weer is opgelaaid over het door Nederland onverwerkte slavernijverleden, klinken de volgende woorden bijna profetisch: “Dom als de mensen weten de vogels niet hoe dagelijks diepere wonden geslagen worden en er binnen de negers een wrok groeit, die eenmaal verschrikkelijk ontploffen moet, al is er geen volk ter wereld dat zo weet te lijden als deze zwarten met blikken zó strak en naar binnen gekeerd, dat eeuwen nog nodig zijn om hun geheime gepeins te achterhalen.”

***

Foto’s: sporen van de voormalige suikerfabriek op plantage Mariënburg in Suriname

Angstvallig verzwijgen of beschroomd zwijgen? – Wat is waarheid?

De waarheidsliefde heeft het moeilijker dan ooit. Nu lijkt dit goed nieuws voor vrijzinnigen, die niet zo houden van stelligheid en zekerheid. Waarheidsliefde is echter niet het zelfde als onwankelbaar geloof in een eenmaal gevormde mening. Ze is integendeel juist de openheid en ontvankelijkheid voor inzichten die op ons toekomen, ook langs de wegen van de twijfel, en de bereidheid om daarvoor op of in te staan, ja: eventueel om het hoofd ervoor te buigen. En juist aan deze openheid en bereidheid schort het steeds meer. Op alle niveaus van het samenleven is er sprake van een pragmatisch relativisme. Weinigen wagen zich aan de verfijning en verdediging van een doordachte en een met gerijpte overtuiging aangehangen waarheid.

Aan boud te berde gebracht stelligheden is er daarentegen geen gebrek. Die zijn er echter juist niet op gericht, om nederig lerend de werkelijkheid te doorgronden. Ze zijn louter bedoeld om al imponerend de eigen belangen te ondersteunen of om vooroordelen en bijgelovigheden voor kritiek te vrijwaren. Met een vulgair perspectivisme wordt de eigen zienswijze nog eens extra geïmmuniseerd tegen twijfel. In het dagelijks verkeer worden bijvoorbeeld discussies over gedrag, levensvisie of wereldbeeld verlamd door de vaak op intimiderende wijze ingebrachte dooddoener, dat ‘jij jouw waarheid hebt en ik de mijne’. Deze gemakzucht is de ware waarheidsliefde vreemd.

Gelijk krijgen is tegenwoordig belangrijker dan het hebben van goede redenen en argumenten. Je verschansen in het hutje van je eigen kleine ‘waarheid’ wint het van het bouwen aan een gemeenschappelijk huis van de authentieke waarheid. Dit is godbetert ook op staatkundig en geopolitiek gebied een patroon aan het worden. Politici brengen liever een nergens op gebaseerd frame de wereld in, om de positie van hun tegenstanders te ondermijnen, dan dat zij door middel van onderzoek en bewijsvoering proberen om anderen te overtuigen van een met toeleg verworven inzicht of om hun eigen standpunten en visies te verfijnen en te veredelen. In plaats van met argumenten en feiten te reageren op kritiek, betichten ze bovendien hun critici van moedwillige leugenachtigheid en de media van een verdraaiing van de werkelijkheid. Door de ander van onoprechtheid te betichten leggen ze effectief een rookgordijn rond je eigen leugens. De fans vinden het overigens allemaal prachtig. Wie zich boven de waarheid verheven wacht is cool en stoer. Liegen is spierballentaal.

Het is echter niet altijd eindeloos vol te houden. Op pijnlijke wijze vallen bestuurders door de mand, als ze zich verstrikken in hun web van onwaarheden. Aanvankelijk hebben leugens voor hen nog een groot retorisch nut. De politici in kwestie kunnen de opinie er ingrijpend mee beïnvloeden. Vroeg of laat echter keren de onwaarheden zich tegen de bedenkers. De tegenstanders ruiken lont en laten geen kans onbenut om de fantasten te ontmaskeren. Deze zakken almaar dieper weg in het moeras, door hun leugens zo lang mogelijk te verzwijgen, ze te verdoezelen of te bagatelliseren – of door ingewijden het zwijgen op te leggen. Totdat het kaartenhuis van leugens en halve en hele onwaarheden niet meer houdbaar is. Dan rest er maar één ding: zo oprecht mogelijk berouw tonen, met alle emoties die daarbij horen. En dan maar hopen dat het niet te laat is en dat je niet alle krediet kwijt bent.

Het roept natuurlijk de vraag op waarom mensen van statuur de leugen nodig hebben als redmiddel. Deze vraag gesteld hebbende, werd ik positief verrast toen mij een theologisch pareltje uit 1960 onder ogen kwam: het artikel Over de waarachtigheid van de grote katholieke theoloog Karl Rahner (1904-1984). Een kleine zestig jaar geleden stelde deze al, dat de waarheid in zwaar weer verkeerde. Hij weet dit mede aan de opkomst en explosieve groei van de massamedia – lang voordat wij ons zorgen begonnen te maken over de social media. Rahners geniale artikel kan ik van harte aanbevelen. Ondanks de volgens sommigen wellicht achterhaalde wijsgerige achtergrond, waarin Thomas van Aquino via Heidegger tot ons spreekt, zijn de gedachten erin het overdenken nog steeds waard.

Zo wijst Rahner erop dat we de waarheid te zeer hebben teruggebracht tot fact-checking ten behoeve van het manipuleren van de werkelijkheid. Zo’n armoedige opvatting van de waarheid gaat op den duur ten koste van het respect ervoor. Echte waarheid is immers ten diepste communicatie met de werkelijkheid in haar wezen, op een niveau waarop ze niet meer te instrumentaliseren is. De gedachte om op dat punt terecht te komen is echter ook beangstigend, want op dit niveau omvat de werkelijkheid ook ons eigen wezen, met zijn licht- en schaduwzijden. Moed tot de waarheid is daarmee ook de moed onszelf onder ogen te komen – en daarmee de bereidheid tot radicale zelfkritiek. Dat maakt de waarheid tot een onwelkome gast in ons leven en verklaart dat wij zo makkelijk vluchten in de leugenachtigheid …

…. tenzij we de zoektocht radicaal volhouden en terechtkomen op het punt waarop we erkennen, dat de ultieme waarheid over de werkelijkheid erin bestaat dat wij, als onderdeel daarvan, genadig worden omvat en gedragen, onvoorwaardelijk worden erkend en bemind. Wie op dat niveau komt – of in elk geval in de buurt ervan – zal de angst voor de waarheid afleggen. Hij of zij zal bovendien onbeschroomd voor de waarheid, ook in haar meer dagelijkse uitingsvormen, uitkomen jegens anderen – uit respect voor hen als tochtgenoten op de zoektocht naar waarheid, maar vooral omdat er niets te vrezen valt. Hij of zij zal bovendien ook niet bang zijn voor de dialoog en het gesprek, want hij of zij kan tegen een stootje, in de vorm van vragen, kritiek en tegenspraak. Hij of zij geeft ten slotte ook gul het gelijk van de ander toe, die immers ook deel heeft aan de waarheid en onvermoede aspecten daarvan laat kennen.

Uiteraard, zo benadrukt Rahner, worden we ook radicaal bescheiden, naarmate we dichter bij de waarheid komen. Hoe meer we de waarheid menen te onthullen, hoe meer we de sluiers zien waarin ze zich hult. We stuiten op een geheim, dat wij niet kunnen omvatten, doch dat integendeel ons omvat. Op dat moment geven we ook de pretentie op, dat we veel weten en veel te vertellen hebben. Naarmate we leren dat de werkelijkheid zich meer verbergt dan prijsgeeft, leren we schroomvallig te zwijgen – en uiteindelijk alleen nog maar te spreken vanuit dit zwijgen, uiteraard nadat we dit zwijgen grondig hebben doorleefd.

Deze mystieke houding – want dat is het – is uiteraard iets anders dan angstvallig zaken verzwijgen omdat we iets te verbergen hebben. Dat laatste leren we juist af op onze zoektocht naar de waarheid. Want het laatste woord is aan de onvoorwaardelijke geborgenheid. Dankzij haar zijn we voor de duvel niet bang.

***

Rahner, Karl, ‘Über die Wahrhaftigkeit. Referat auf der Jugendseelsorgekonferenz in Passau 1960’, in: Katechetische Blätter 85 (1960) (Vgl. Schriften zur Theologie VII, 223ff.).

Last is geen grond voor verbieden – over voors en tegens van een vuurwerkverbod

Van het vuurwerk met oud en nieuw heb ik altijd een sterke afkeer gevoeld. Het lawaai, de intimidatie door rotjochies die rotjes voor je voeten gooien, de stank die bij bepaalde weersomstandigheden te lang blijft hangen, de niet opgeruimde rommel in de straat en mijn tuin: dit alles heeft mijn afkeer gevoed en iedere jaarwisseling doen toenemen. Voor een verbod op consumentenvuurwerk ben ik niettemin tot nu toe niet geweest. Ik haalde altijd diep adem, zette de tanden op elkaar en wachtte rustig de stilte van 2 januari af.

Sedert kort ben ik echter overstag – maar dan niet vanwege de genoemde dingen, die onder het begrip ‘overlast’ worden samengevat. Ik ben voor een verbod omdat we niet meer heen kunnen om de aantoonbare samenhang tussen enerzijds consumentenvuurwerk en anderzijds letsel bij mens en dier, materiële schade en dodelijke ongevallen. Het is te gek voor woorden dat we het voor lief nemen, dat er ieder jaar rond oud en nieuw onnodig en met honderd procent zekerheid slachtoffers vallen. Om die simpele reden ben ik inmiddels dus wel voor verbieden.

Ik onderstreep echter dat de genoemde ‘overlast’ als zodanig in mijn ogen te weinig grond is voor een verbod op luidruchtige uitingen van levensvreugde. Iedere groep en iedere enkeling heeft zijn bijzondere tijden en momenten, die met een zekere uitbundigheid worden gevierd – een uitbundigheid die onvermijdelijk grenst aan bandeloosheid. Als je zelf even niet hoort bij de feestvierende gemeente of de ‘doelgroep’,  ervaar je vooral de hinder en de last. Als je zelf niets te vieren hebt, is het moeilijk om de keerzijden van het feest voor lief te nemen. Mij vergaat dat bijvoorbeeld zo bij de jaarlijkse marathon, op Koningsdag en tijdens de kerstmarkt. Mijn stad wordt er tijdelijk chaotisch en onhanteerbaar, lawaaierig en lelijk van. Het op de kop zetten van de orde irriteert en hindert me. Ik ervaar het als een inbreuk – en soms zelfs als een inperking van mijn bewegingsvrijheid. Toch probeer ik de nodige tolerantie en zelfs begrip op te brengen voor de menigte die van dit soort evenementen geniet. Ik ben op een andere dag misschien weer degene die hinder veroorzaakt. Die overlast zal, gezien mijn voorkeuren en smaak, een wat serener en beschaafder karakter hebben – maar ook klassieke-muziekfestivals of uitmarkten hebben onvermijdelijk iets opdringerigs, om nog maar te zwijgen van politieke demonstraties, religieuze uitingen en stille tochten.

Leven en laten leven dus: dit beschaafde adagium is op zich al een reden om niet te snel over te gaan tot verbieden van ‘overlast’. Bovendien horen ontregeling en ordeverstoring bij onze cultuur en onze samenleving, zolang ze maar zijn gedoseerd en zolang ze – paradoxaal uitgedrukt – worden gereguleerd en ingekaderd. Dat is niet is van vandaag of gisteren. Massaal gevierde feesten waren er altijd al en ze hadden altijd al iets ontregelends en ordeverstorends. Dat was en is zo met carnaval en kermis, bij heiligenfeesten (tot op de dag van vandaag in zuidelijke streken), tijdens festivals en sportevenementen etc. Tijdelijke wanorde hoort erbij en heeft bovendien een sociaal-hygiënische functie: het geeft speelruimte en voorkomt zodoende het klem- en vastlopen van de raderen van de orde.

Verbieden omdat iets mij hindert en omdat het de orde verstoort, is voor mij al met al niet aan de orde. Pas als er grenzen worden overschreden en als daarin een patroon ontstaat, pas als de drempel voor geweld wordt verlaagd, pas als er een structureel causaal verband ontstaat met beschadiging van mensen en zaken: pas dan kan en moet een verbod worden overwogen. In alle andere gevallen is een verbod een uiting van afgunst, humorloosheid en verbittering. Bovendien verlamt het het samenleven. Het verbieden van dingen waarvan we last hebben leidt tot klikgedrag, tot terug pesten en een escalatie van het verbieden. ‘Als jij mij dit niet gunt, gun ik jou dat niet!’ We komen terecht in een angstige kousenvoetencultuur.

Wat betreft het consumentenvuurwerk is mijn standpunt helder. Dat spul moet onmiddellijk worden verboden – en wel vanwege de voorspelbare en aantoonbare schade, die er direct het gevolg van is. Dit mag echter geen stap zijn op een weg waarop steeds meer ‘hinderlijke’ zaken als zodanig worden verboden, totdat onze openbare ruimte een griezelig neutraal en eentonig landschap is van krampachtige correctheid en smetvrees.

Zalig kerstfeest!

Tastend in het duister,
Tegen elkaar uitgespeeld,
Speelbal van het lot
En tegendraadse verlangens:
Zo zouden we voortleven,
Reddeloos verloren,
Had God ons niet
Zijn reddende hand gereikt,
Zijn menselijke gezicht getoond.
Zomaar deed hij dat.
We hadden er niet om gevraagd,
Laat staan het ernaar gemaakt,
Maar we gingen hem
Nu eenmaal aan het hart.
En hij maakte ons nieuw,
Gaf ons opnieuw lucht,
Door toedoen van Jezus.
Onthoud die naam.
Hij betekent immers: God redt.
Vannacht is hij geboren.
Laten we gaan kijken, luisteren
En veel erover praten. Vertellen
Over dat ongelofelijke nieuws.

Titus 3, 3-8

Afbeelding: August Macke, Vlucht naar Egypte (naar Dürer) 1910.

Verlaat de verlammende identiteitsmanie en wees weer gewoon altruïstisch.

Op mijn paplepel lag destijds een behoorlijke dosis altruïsme. Niet dat ik daardoor een beter mens ben geworden. Het heeft wel mijn geweten gevormd. “Denk altijd eerst aan anderen, pas daarna aan jezelf,” – zo leerde ik van mijn ouders: “Kom nooit voor je zelf op, maar altijd eerst voor de ander. De ander zal dan wel voor jou opkomen.” Sociologisch gezien kwam deze ethiek ten dele voort uit de bescheiden positie van mijn milieu  (al wil ik haar niet restloos herleiden tot conditionering). Maatschappelijk hadden we weinig in te brengen. Iets voor jezelf vragen was al op het randje. Iets opeisen of afdwingen was een regelrechte grensoverschrijding. Nederigheid en afwachten loonden daarentegen. Binnen ons gezin en milieu werkte het in elk geval. Ik heb daar mensen leren vertrouwen. Ze kwamen altijd wel over de brug als je iets nodig had.

Deze ethiek kleurde ook mijn maatschappelijke inzet als (jong-)volwassene in de jaren tachtig en negentig. Dit engagement was, achteraf gezien, in ideologisch opzicht niet altijd even evenwichtig, laat staan dat ik het zo heldhaftig in praktijk bracht. De basishouding echter mocht er zijn: verplaats je altijd eerst in anderen, in groepen en enkelingen die het minder hebben en die anders zijn – en die het misschien juist daardoor minder hebben. Dit ‘jezelf op de achtergrond plaatsen’ gold voor jezelf als enkeling, maar ook voor de groepen of categorieën waartoe je hoorde. Daarom voelde ik me ook nooit op mijn gemak bij zelfemancipatiebewegingen en speelde ik nooit de kaart van de (vermeende) achterstandspositie waarop ik stond (als telg uit een arbeidersmilieu, als sneue Limburger, als homo etc.). Ik leerde vooral mijn zegeningen tellen en mijn privileges waarderen. En ik nam het op voor die groepen die verschillend waren van mijn bevoorrechte milieu: zwarten in Zuid-Afrika, minderheden in Nederland, Palestijnen, vluchtelingen, AIDS-patiënten enzovoorts.

Als iedereen consequent rechts rijdt, is het verkeer veilig. Als je erop vertrouwt en wacht, dat anderen je voorrang geven eveneens. Zo is het ook in de maatschappij. Als iedereen zich laat leiden door altruïsme, is de samenleving rechtvaardig en vreedzaam. Want wie goed doet, goed ontmoet. Dat werkte in mijn leven vrijwel altijd. Natuurlijk kwam ik natuurlijk ook de nodige spookrijders tegen. Maar dit soort hyper-assertieven waren uitzonderingen. Totdat ik uit mijn bubble kwam …

…. en ontdekte, dat het voor bepaalde groepen de norm werd om links te rijden en om voorrang te némen; dat er steeds meer bewegingen kwamen waarbij de solidariteit vooral was gericht op mensen van de eigen soort. En dan doel ik niet op mensen die aan de grond zitten, moeten vechten voor hun leven en daarom de handen ineenslaan. Ik heb het over hen die het goed hebben, zich ogenschijnlijk inzetten voor anderen, maar zich feitelijk exclusief richten op mensen van (wat zij zien als) hun eigen etnische, religieuze of culturele categorie. Alsof het horen bij een cultuur of religie, die toevallig ook de mijne zijn, het achtergesteld-zijn van de ander bitterder en ernstiger maakt. Goed: solidariteit moet ergens beginnen en je kunt niet alles en iedereen helpen. En als herkenning en geestverwantschap iemand extra motiveert om in actie te komen: soit. Als het hierbij blijft is er echter sprake van als altruïsme verpakt groepsegoïsme.

In elk geval is dit identiteitsactivisme niet invoelbaar, als je zelf hebt geleerd dat ‘voor de ander als ander opkomen’ loont. Wat ik nog verwarrender vind, is dat sommige groepsdenkers het helemaal niet (meer) op prijs lijken te stellen als ik me met hen solidariseer. Dat wordt zelfs verdacht gevonden. Als je als wit mens het antiracisme ondersteunt, wordt dat bijvoorbeeld gezien als  bemoeizucht, als het misbruiken van je privileges en als het stelen van de show. Je moet vooral een toontje lager zingen en kritisch naar je motieven kijken.

Jammer is dit. Natuurlijk: introspectie en reflectie kunnen nooit kwaad. En het is goed om af en toe bij je zelf te rade te gaan en om uit te sluiten dat je lijdt aan een Messiascomplex. Maar als we elkaar gaan verlammen en frustreren in onze betrokkenheid; als we activisme gaan verzuilen en verkokeren; als we elkaar en onszelf gaan wantrouwen en dwingen tot een narcistisch herkauwen van onze eigen drijfveren; als ‘witte mensen’ bij demonstraties uit beeld moeten blijven omdat ze wit zijn: dan wordt de samenleving cynisch en vreugdeloos. En dan lijkt het er niet meer om te gaan dat we de wereld beter maken. Dan lijkt activisme vooral een wedstrijd in aandacht, uitverkorenheid en morele superioriteit.

Politiek en engagement die worden gedreven door identiteit, leiden tot verbittering, verbetenheid en verharding. Laten we in vredesnaam de vrijheid en vreugde van de alteriteit weer ontdekken.

In kunst kun je niet wonen.

Veel vormen van kunst zijn moeilijk toegankelijk en raadselachtig. De schoonheid is dan als een sfinx, die uit de hoogte op ons neerkijkt – tergend geheimzinnig glimlachend – en ons het gevoel geeft dat we heel klein zijn. Soms doen kunstenaars daarbij nogal neerbuigend en belerend: ze willen ons via de kunst verheffen of – zoals het tegenwoordig heet – uitdagen. Al met al lijkt kunst daarmee iets elitairs, slechts voor weinigen weggelegd, iets waarin je je slechts met veel moeite kunt laten inwijden. Dit verwijt wordt uiteraard graag breed uitgemeten door hen die zich opwerpen als woordvoerders van de ‘gewone mensen’.

Zelf heb ik er geen moeite mee als kunst een beetje ambitieus en pretentieus is. Ik wil me graag laten optillen tot een hoger niveau en moeite doen om de schoonheid te puren uit datgene wat ik daar aantref. De moeite wordt immers vrijwel altijd beloond. Als we zijn doorgedrongen in een werk dat zijn geheimen slechts langzaam prijsgeeft valt ons een groot geluk ten deel. Dankbaarheid jegens de kunstenaar is dan op zijn plaats, geen verwijt van arrogantie. Genieten van ‘moeilijke’ kunst is geen snobisme – zoals helaas vaak hoor – maar een kwestie van discipline en nederigheid.

Ik vind het ook om een andere reden geen probleem als schoonheid ‘hard to get’ is. Kunst is immers slechts een beperkt onderdeel van het leven. Ik ben niet verplicht om de hele dag op mijn tenen te lopen om haar te gerieven. Naast kunst en schoonheid zijn er tal van andere zaken, die mijn aandacht opeisen, toeleg vragen en ontspanning en genot bieden – zonder dat ik me daarvoor moet forceren. Kunst is voor speciale tijden en plaatsen, net zoals bezinning en eredienst.

Het wordt uiteraard anders als kunstenaars met hun zendings- en verheffingsdrang heel mijn leven willen bepalen. Dan wordt hun werk regelrecht totalitair. Dit betreft dan met name ontwerpers van landschappen en steden, gebouwen en woningen, interieurs en voorwerpen. Hun werk is immers bepalend voor ons leven van a tot z, van vroeg tot laat, van de wieg tot het graf. Het kan dan ook worden ervaren als zeer opdringerig, als een bouwmeester of designer zijn levensfilosofie aan ons oplegt, als zijn ‘statement’ elk moment van de dag uit de muren tot ons spreekt en als zijn geest rondwaart onder ons dak.

Bij een representatief publiek gebouw, een theater of een kerk is dit nog aanvaardbaar. Dit zijn immers juist de plekken waar we slechts zeer bepaalde tijden doorbrengen. Ze mogen daarom best een pregnant karakter hebben  – al houd ik persoonlijk meer van sobere, dienstbare gebouwen, dan gebouwen die voortdurend iets willen ‘zeggen’. Het wordt echter regelrecht benauwend bij kantoren, woonwijken en huizen. Ik was er ooit getuige van hoe de bezoeker van een abdij, waar de uiterst gestileerde en abstracte vormgeving van elk detail was voorgeschreven, zijn ontzetting uitte. De monniken waren in zijn ogen gereduceerd tot museumstukken. Een vergelijkbaar lot was en is ook de bewoners van veel naoorlogse nieuwbouwwijken beschoren, die het object waren en zijn van ‘social engineering’. Dit drong weer eens tot me door toen ik in de vakantie de door Auguste Perret (1874-1954)  volmaakt vormgegeven binnenstad van Le Havre bezocht – inclusief het bouwkundige ‘commentaar’ erop van Oscar Niemeyer (1907-2012): zijn opdringerige en elk uitzicht belemmerende ‘vulkaan’, een staaltje van de tegenwoordig helaas zo geliefde, infantiliserende ‘organische’ architectuur.

Gelukkig zijn er kleine vormen van passief en schouderophalend verzet. Mensen kunnen het niet laten om op onderdelen hun omgeving op smaak te brengen. Tot ergernis van ontwerpers plaatsen ze ‘truttige’ of ‘burgerlijke’ deuren in de kozijnen van modelwoningen, hangen ze ‘kitschige’ gordijnen voor de ramen of bezaaien ze de voortuin met volkskunst uit het tuincentrum. De monniken in de abdij, waarop ik eerder doelde, creëerden in hun betonnen woestijn letterlijk en figuurlijk ‘niches’ met aansprekende afbeeldingen. Als een straatbloem zoekt de behoefte aan toegankelijkheid en herbergzaamheid overal zijn weg. Ik vind het resultaat vaak foeilelijk. Ik gun het echter iedereen om zijn omgeving op de gewenste gevoelstemperatuur te brengen.

En men gunne mij mij om – als voorbijganger! –  te genieten van utopische nieuwbouwsteden als Le Havre en te dromen van een huis van Dudok.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Alles moet anders! Maar dan ook echt…. – Recensie

Janneke Stegeman voert een terecht pleidooi voor een agenda die al lang bestaat en blijft halverwege steken. Dit is mijn bevinding na lezing van haar meest recente essay.

Toen theoloog Janneke Stegeman naar aanleiding van de Nacht voor de Theologie (23 september jl.) een pleidooi hield voor een ‘bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders’ werd nogal wat vuil over haar uitgestort door vertegenwoordigers van de volks-rechtse opiniebranche. Inmiddels worden dit soort reacties wat voorspelbaar en ik hoef ze hier ook niet samen te vatten, behalve dan door te zeggen dat de kritiek neerkwam op de gebruikelijke inzijnwiekgeschotenheid, op melig sarcasme en op gemakzuchtige jij-bakken (‘omgekeerd racisme’). Al eerder lag Stegeman onder vuur vanwege haar pleidooi voor meer introspectie en zelfkritiek bij het witte christendom, als een broodnodige correctie op een voortdurende neerbuigende ‘islamkritiek’.

In haar pittig geschreven essay Alles moet anders!, nu uitgegeven in boekvorm, onderbouwt ze haar pleidooi en werkt ze dit uit. Ze wijst erop dat geloof, Bijbellezing en theologie altijd in ontwikkeling en contextueel van aard zijn. Dat laatste wil zeggen: geloven en de theologische reflectie erop vinden nooit plaats op een neutrale plaats, maar altijd op een tijd- en plaatsgebonden standpunt en vanuit een bepaald perspectief. In dat standpunt en in dat perspectief spelen machtsposities onvermijdelijk een rol. Een universele theologie bestaat dan ook niet, laat staan een tijdloze. Het is dan ook vreemd, aldus Stegeman, dat vanuit onderdrukkingssituaties wel al veel is gedaan aan een contextuele theologie, die zich bewust is van haar perspectief (met als klassiek voorbeeld de bevrijdingstheologie), maar dat vanuit de dominante posities van witte, westerse christenen nog weinig tot niets is bereikt op dit punt. Witte gelovigen en theologen doen nog steeds alsof ze vanuit een zekere neutraliteit kunnen spreken over God en de wereld. Dat moet anders, zegt Stegeman, zich vooral richtend tot de protestantse traditie waaruit ze zelf voortkomt. Laten we onze vooringenomenheid en partijdigheid onder ogen zien, zelfkritisch zijn – en vooral bescheiden, zwijgzaam en bereid tot leren van en luisteren naar de ander.

Zoals gezegd vond ik de pavlovreactie van volks-rechts op Stegeman onder de maat en beneden peil. Ik vond de ‘kritiek’ ook aandoenlijk voorspelbaar. Ik moet mij echter ook van het hart, dat ik niet echt opkijk van de inhoudelijke bijdrage van Stegeman aan de theologische discussie. Ik loop al sinds 1982 rond in de wereld van de theologie en ik heb wel degelijk van meet af aan geleerd om de ‘contextuele theologie’ in haar vele varianten (Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie, zwarte theologie, feministische theologie, arbeiderstheologie, flikkertheologie etc.) te gebruiken als een spiegel om na te denken over mijn eigen ‘perspectivisme’. Ook toen ik al werkzaam was met mijn theologendiploma op zak, werd ik in intervisie, overleg en voortgezette vorming steevast uitgedaagd, om over mijn eigen ‘contextualiteit’ te reflecteren. Het gaat me dus te ver als Stegeman suggereert dat ‘witte’ contextuele theologie nog een volstrekt onontgonnen terrein is. Het moge waar zijn dat we nog meer hebben gezaaid dan geoogst. Misschien moet er ‘eindelijk’ een leerstoel witte theologie komen en moet er iemand node beginnen aan een handboek, dat vanuit dit zelfkritische perspectief alle grote thema’s (openbaring, schepping, God, Drievuldigheid, Christus, Geest, verlossing, kerk, eindtijd) grondig langs loopt. Maar nogmaals: de agenda is al lang en breed gezet. Dus schrijf dan gewoon dat boek.

Ten overvloede: ik ben het met de zelfkritische insteek van Stegeman fundamenteel eens. Theologie had een heeft altijd ook een cultuur(zelf)kritische rol. In elk geval is er een belangrijke stroom in de theologiegeschiedenis die deze rol altijd oppakte. Stegeman staat in die traditie. Dankzij deze stroom was het vaak mogelijk dat er verzet kwam tegen onderdrukking, terreur en tirannie  – en wel van binnenuit! Ik denk hier aan het theologische verzet vanuit het hart van het ‘witte’ protestantisme in het Derde Rijk en onder de Apartheid.

Merkwaardig genoeg zet Stegeman echter een stapje terug qua radicaliteit, als ik haar afzet tegen deze traditie. Deze kritiek van binnen uit (waarvan Karl Barth het iconische voorbeeld is) leefde van een compromisloze herbronning naar Gods eerste woord. Deze zelfkritiek had daardoor ook en vooral een verticale dimensie: het was de deemoed van de mens versus Gods oordeel. Van deze verticale dimensie was de horizontale zelfkritiek de onontkoombare implicatie. Stegeman begint daarentegen bij een sociologisch geïnformeerde, horizontale zelfkritiek, bij onze ‘eigen blinde vlekken’ . Ze blijft daarbij voor mijn smaak ook te lang staan, waardoor deze zelfkritiek dreigt te verzanden in een levenskunst van beleefdheid en correctheid, in een fletse ethiek van ‘luisteren’ en ‘op gelijke voet met elkaar omgaan’. Dit ethos blijkt overigens opmerkelijk genoeg niet van toepassing te zijn op onze omgang met ‘de geseculariseerde samenleving’, die van de protestantse Stegeman wel degelijk een oorvijg krijgt, evenals als de staat Israël en christenen die daaraan loyaal zijn – al wordt die oorvijg verpakt in doorzichtige zelfkritiek. We stuiten hier op een zelf-tegenspraak die misschien het gevolg is van de halfslachtigheid van haar project *).

Het ‘halverwege steken blijven’ van Stegemans project is, los van deze ongerijmdheid, hoe dan ook onbevredigend. Door het ontbreken of niet uitwerken van de verticale dimensie van zelfkritiek zal het nooit mogelijk worden om met ‘anderen’ te komen tot een gezamenlijke  grondslag: tot de gedeelde basis van een universele of (zo men wil) existentiële menselijke zelfkritiek. Die zou overigens wel eens hard nodig kunnen blijken in de komende decennia. Maar goed, in zo’n universele stellingname gelooft Stegeman nu eenmaal niet. Tenzij, wat ik vermoed en hoop, als einddoel na de omweg van eenzijdige zelfkritiek.

Dat een dergelijke omweg zinvol is, staat voor mij buiten kijf, maar wat mij betreft dan als tussenfase en ingebed in een radicaler project. Het is onvoldoende om ons te laten leiden door het inmiddels gemeengoed geworden inzicht, dat alles een kwestie is van context en perspectief. Het gaat uiteindelijk om het doorbreken van de menselijke, eindige inkapseling, die ons maakt tot saboteurs van de Oneindige en diens plan van bevrijding. Horizontale zelfkritiek is een eerste stapje op deze uittocht – meer niet.

*)  In het geval van haar Midden-Oosten-standpunt lijkt er bovendien sprake van een preoccupatie, die er hier even niet toe doet, maar die wel vragen oproept. Zo rijst de vraag waarom een bepaalde soort van politieke partijdigheid wel ontheven is van zelfkritiek en mij wel machtigt om de staf te breken over anderen. Of de vraag waarom solidariteit en vereenzelviging met anderen niet zover mag, ja: moet gaan, dat ik ook plaatsvervangend zelfkritiek voor haar of hem beoefen.

Janneke Stegeman, Alles moet anders! Bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders. Boekencentrum 2017. ISBN 9789023952091.

Begrijpen is niet alleen gebaat bij opvallende overeenkomsten met de geschiedenis – Boekbespreking

Eén van de motto’s van de campagne #ikbenverbonden is, dat we elkaar willen proberen te begrijpen. Ook mensen met wie we het volstrekt niet eens zijn – of wiens denkbeelden of gedragingen we zelfs verwerpelijk vinden – willen we verstaan en doorgronden. Soms leidt dat tot begrip. Soms kunnen we dat begrip alsnog niet opbrengen – zoals bij fundamentalisten, neonazi’s en terroristen – maar kunnen we wel een manier van denken en doen verklaren. En als je dat kunt, iemands gedachten en handelingen verklaren, kun je ook in gesprek gaan, oorzaken van wangedrag trachten weg te nemen en desnoods proberen iemand ervan te overtuigen om van gedachten te veranderen.

Het is een benadering tussen twee uitersten. Als je vanuit begrijpen komt tot begrip, ben je volgens sommige hardliners te soft en te meegaand. En als je komt tot verklaren en overtuigen tot verandering, ben je volgens weer anderen een arrogante betweter. Toch lijkt de weg van het begrijpen de meest vruchtbare.

Soms helpt een boek. Daarom begon ik gretig aan Pankaj Mishra’s Tijd van Woede, waarin de auteur historisch en wijsgerig op zoek gaat naar de wortels van polariserende en destructieve opstellingen van nu. Op een onthullende laat hij zien, hoe diep de haat en geweld geworteld zijn die wij nu zien bij extremisten ter linker- en rechterzijde, bij terroristen, bij populisten etc. De opstand en de rancune van de verliezers tegen de winnaars van de moderniteit – want zo kan veel worden geduid, aldus Mishra – gaat al terug tot het begin van die moderniteit, tot de Verlichting. Was Voltaire het boegbeeld van de zelfverzekerdheid van de Verlichting: zijn tijdgenoot Rousseau gaf al vroeg een stem aan de achterblijvers.

Dit gegeven wordt een rode draad door de geschiedenis van de afgelopen eeuwen. Mishra betrekt er met verbluffende belezenheid heel veel bij: de opstanden in het midden en oosten van Europa, de sociale en nationale revoluties, politieke en religieuze messianistische bewegingen, de grote Russische romanciers uit de 19e eeuw, Mazzini, Bakoenin, de eenzame wolven van weleer etc.  Steeds weer weet hij historische parallellen aan te wijzen met de hedendaagse ‘woede’ en nihilistische haat.  Dit levert soms frappante ontdekkingen op. Tegelijk wordt de oplettende lezer ook wat voorzichtig. Mischra leest de geschiedenis natuurlijk ook sterk vanuit de hedendaagse bril en dat zou wel eens tot een selectieve lezing hebben kunnen leiden. Maar de indruk dat er ‘niets nieuws onder de zon’ is, is overtuigend. En tevens beklemmend. Want het roept ook de vraag op, of we er ooit uitkomen.

Een andere reden tot voorzichtigheid is, dat Mishra zich bedient van een wat eenvoudig en versleten geraakt wijsgerig verklaringsmodel, dat hij ontleent aan René Girard (1923-2015), de denker die vanaf de jaren zeventig furore maakte met zijn analyse van het zondebokmechanisme: veel rancune gaat terug op ‘mimetische begeerte’, het ‘willen wat de ander ook wil’.  Verliezers willen lijken op de winnaars. Ze willen niet alleen hebben wat de ander heeft, maar nemen ook kritiekloos diens verlangens over.  Dit model, in combinatie met de klassieke ressentimenttheorieën van Nietzsche en anderen, heeft een grote verklaringskracht. Tegelijk is het wat onbevredigend om het bij deze grote penseelstreken te laten. Mijns inziens komt er ook de nodige nuchter en minutieus empirisch onderzoek bij kijken, om nu precies te weten wat er gebeurt in banlieues in Parijs en in de hoofden van de FN-kiezers. Met een ‘theorie over alles’ komen we er niet – en blijven we radeloos achter. Wie wil begrijpen, wil ook iets kunnen doen.

Mishra, Pankaj: Tijd van woede – een geschiedenis van het heden (vertaling van: Age of Anger). Atlas Contact 2017.

***

Het Bovenstaande verscheen eerder op de website van #ikbenverbonden.