Hebben we genoeg aan empathie?

Op 6 april verscheen in De Groene Amsterdammer een essay van Joost de Vries waarin deze vraagtekens plaatst bij de vanzelfsprekendheid waarmee empathie als een middel tegen alle kwalen wordt voorgesteld. Empathie heeft grenzen en heeft zelfs iets ambivalents. Kort daarvoor schreef ik voor De Bezieling het onderstaande relativerende stuk over een vergelijkbaar onderwerp. EC

Wat gaat er verloren als we de religie of het geloof verliezen? Een gelovige hoeft niet lang na te denken over het antwoord. “Het geloof verloren. Rampspoed geboren.” Maar ook voor ongelovigen staat veel op het spel. Je hoeft geen aanhanger van een religie te zijn om te erkennen dat de religie de mensheid en de civilisatie heeft verrijkt. Ze leverde grote denkers en kunstenaars op. En wat het belangrijkste is: ze hield altijd de ethiek in de lucht. Niet dat gelovige of religieuze mensen betere mensen zijn: ze hebben wel sneller een knagend geweten. Religie houdt het besef levend dat we deel zijn van een groter geheel en verbindt ons met andere mensen, andere levende wezens en met de generaties voor ons en na ons.

Vanuit het oogpunt van de menselijkheid en de beschaving lijkt het geloof dus een onmisbare schat. Daarom breken zelfs fijnbesnaarde agnosten en atheïsten een lans voor de religie als hoedster van ons erfgoed en met name van de ethiek. Niettemin zijn er ook altijd opinieleiders geweest die, met het oog op de niet te stuiten secularisatie, het zekere voor het onzekere namen. Ze gingen op zoek naar opvolgers of plaatsbekleders voor de religie als hoedster en kweekster van het geweten. Was er een ethiek mogelijk zonder religie, een moraal die bestand was tegen de secularisatie? Talrijke kandidaten hebben zich inmiddels met minder of meer succes gekwalificeerd als garant voor de ethiek: het zuivere denken, de evolutie, de geest van de geschiedenis, het instinct van de revolutionaire massa, het welbegrepen eigenbelang enz.

Met name sinds de romantiek wordt echter steevast de kunst – en daarbinnen met name de literatuur – naar voren geschoven als de kweekplaats van het menselijk geweten. De literatuur wakkert immers de verbeeldingskracht aan, die op haar beurt de motor is van het goede handelen. Door de verbeelding verplaatst de mens zich in de ander en vereenzelvigt hij of zij zich met die ander – en dat leidt onweerstaanbaar tot compassie en liefde.

“Het grote geheim van de moraal is liefde, ofwel het verlaten van onszelf en ons vereenzelvigen met datgene wat niet van ons is. Het grote instrument van het goede is de verbeelding en de poëzie dient ons dit middel toe,” (aldus P.B. Shelley in 1821).

De literatuur is dus, minstens in potentie, de nieuwe transcendentie, de waardige opvolger van de religie als geestverruimend middel, als datgene wat ons bevrijdt uit de beknellende band met ons zelf. Ze wekt en onderhoudt ons inlevingsvermogen en onze empathie, door ons in close-up en slow-motion een inkijk te geven in de belevingswereld van de personages. Voor die fictie hoeven we overigens niet meer alleen te rade te gaan bij de grote literatuur. Er is inmiddels een ruim en laagdrempelig aanbod aan fictie, van de vuistdikke roman en de art-house-film tot de soapserie, de musical en de Hollywood-kaskrakers. Al deze genres hebben gemeen dat ze authentieke gevoelens van compassie kunnen aanwakkeren en vormen.

Natuurlijk loopt de compassie altijd het risico dat ze ontaardt in sentimentaliteit, een emotioneel geraakt worden dat aan de oppervlakte blijft en niet tot commitment leidt. Het is verleidelijk om te denken dat deze sentimentaliteit alleen voorkomt bij de meer commerciële vormen van fictie. We weten echter inmiddels dat het risico van oppervlakkigheid bestaat bij de lezers en kijkers van alle graden en niveaus, van alle rangen en standen. De lezers van Tolstoi en Mann zijn niet per definitie serieuzere mensen in moreel opzicht. De kijkers naar Goede Tijden hebben niet per se een oppervlakkig geweten.

En dit alles doet toch weer de vraag rijzen: Heeft de ethiek dan echt wel genoeg aan de literaire verbeelding? Is er echt niet nog iets anders nodig, dat de vrijblijvendheid van de fictie overstijgt?

Ik ben niet iemand anders.

Tot een activistische voorhoede heb ik nooit gehoord. Ik behoorde echter wel altijd tot het soort mensen, dat dacht dat de wereld wel wat beter kon. Beter, dat wilde zeggen: vrijer, rechtvaardiger, vreedzamer. Enerzijds werd me dit ingegeven via de paplepel van een katholiek milieu, dat me leerde om de naaste lief te hebben. Anderzijds werd ik beïnvloed door het maatschappelijke klimaat van de jaren zeventig. Door dit laatste kreeg de naastenliefde, die in mijn milieu een mild en verteerbaar karakter had, een scherp politiek smaakje en een soms wat bittere afdronk. Vanaf de dag dat ik mondig was en mijn eigen geld begon te verdienen – dat was vanaf 1982 – werd ik lid van diverse actiegroepen en solidariteitsbewegingen.

Wat de katholieke naastenliefde en het solidaire activisme met elkaar verbond, was de gerichtheid op de ander. Het was niet netjes, maar ook helemaal niet nodig om voor jezelf op te komen. Je zette je in voor de ander. Dat deed je vanuit het besef dat je het zelf goed had en een schuld had in te lossen, maar tevens vanuit het vertrouwen dat anderen wel voor jou zouden opkomen als je zelf ooit in moeilijkheden zou komen.

Dit ethos om je zelf op de tweede plaats te stellen gold ook voor het collectief. Solidariteit richtte zich op de ander áls ander – en niet op soortgenoten en geestverwanten. Naar je eigen groep was je eerder kritisch – te meer daar deze groep bevoorrecht was of zelfs historische boter op zijn hoofd had. Concreet betekende dit, dat je je vooral inzette voor mensen op andere continenten en met andere huidskleur, mensen in andere leefomstandigheden en met andere religies etc. Hoe vreemder hoe liever.

Op deze gefixeerde focus op de ander en de vreemde is natuurlijk het één en ander aan te merken. Het eenzijdige altruïsme heeft iets hautains en neerbuigends, voor zover de ander wel erg als zwakkeling wordt neergezet. Aan de andere kant kan het verworden tot ongezonde en (paradoxaal gesproken) zelfs narcistische vorm van zelfverwaarlozing, zelfverwijt en zelfhaat. Niettemin lijkt me de gerichtheid op de ander áls ander per saldo een grote morele verworvenheid van onze tradities. Ze is geen overbodige luxe, gezien de voortdurende neiging van groepen en individuen in onze cultuur, om vooral met zichzelf bezig te zijn en voortdurend de eigen schaafwondjes te likken.

Bij mij is dit altruïsme in elk geval diep geworteld – als ideaal en norm dan, niet als dagelijkse praktijk. Daarom kan het er bij mij ook moeilijk in, als activisten zich voornamelijk met hun eigen groep bezighouden en hun solidariteit vooral investeren in mensen die het meest op hen lijken. Of als onderdrukking en geweld bijvoorbeeld steevast worden geplaatst in het vooraf gegeven kader van ‘wij’ tegenover ‘hun’. Ik denk hier aan christenen die vooral in het geweer komen als medegelovigen het slachtoffer zijn van een aanslag – en dan zelfs van christenvervolging spreken, alsof zij als groep het slachtoffer zijn – of aan moslims van de categorie Abou Jahjah of Tunahan Kuzu, die zich obsessief en exclusief solidariseren met andere moslims – en vanuit dat frame bijvoorbeeld de hele Midden-oostenproblematiek zien, tot en met het demoniseren van Israël.

Als een mens slachtoffer is van geweld en onrecht, is dit een voldoende en noodzakelijke voorwaarde om mijn solidariteit te mobiliseren – ongeacht of hij of zij mij vreemd is of vertrouwd. Nog sterker gezegd: het slachtofferschap máákt hem tot de vreemde en ander, die als zodanig (en niet als soortgenoot) aanspraak maakt op mijn solidariteit. Het brengt een niveauverschil aan en geeft de ander gezag. Ik kom op dit moment bijvoorbeeld op voor de Koptische christenen omdat ze mikpunt zijn van nihilistisch geweld. Het feit dat zij getroffen zijn, brengt hen in de positie een dwingend appel op mij te doen. Ze worden voor mij niet tot een slachtoffer – laat staan tot een geprivilegieerd slachtoffer – doordat ze toevallig een zelfde geloof aanhangen.

Je suis niet iemand anders. Ik ben de geschonden ander niet. Het slachtofferschap trekt een grens tussen die ander en mij en brengt niveauverschil aan. Het breekt door het kader van vertrouwdheid heen. En juist vanuit de zo ontstane, onoverbrugbare vreemdheid klinkt het beroep op mijn solidariteit pijnlijk scherp in mijn oren.

Stofwisseling

weerzien met mijn moederstad

Maastricht, 4 april 2017

***

Ouder dan Socrates
tjokt door haar bedding
de maas.
Bedrieglijk lijkt ze
op eerdere gedaanten.
Toch parasiteert slechts
haar huidige zelf
op vroegere huiden.

Eeuwig jonge,
kindse moeder,
met wie ik herinneringen
niet kan delen.
We zijn elkaar vreemd.

De brug overstekend
vernieuw ik mezelf
met huid, hart en haar.

 

Je suis Menno ter Braak

De tegenstelling tussen volk en elite is zo oud als de wereld. We leven echter in een tijd, waarin deze tweedeling (weer) een gevaarlijke politieke lading krijgt. Het is een suggestief frame dat ons ontslaat van serieus onderzoek en discussie. Op het moment dat wordt vastgesteld, dat we een apocalyptische strijd meemaken tussen de boosaardige elite enerzijds en de massa, die zo onschuldig is als een lam anderzijds (of andersom) zijn de kaarten al geschud. Het is dan zaak om zo snel mogelijk kleur te bekennen en de goede kant te kiezen. Verlammend en funest is deze ‘Zugzwang’, die we momenteel weer beleven.

Op het gevaar af in paradoxen te belanden, ben ik van mening dat er op dit moment eigenlijk vooral één urgente tweedeling bestaat: de tweedeling tussen enerzijds hen die de kwesties waarvoor we staan voorstellen als simpele keuzesituaties en anderzijds hen die durven leven met de onoplosbaarheid van vragen en de voorlopigheid van de antwoorden, hen die, om met Jacques de Kadt (1897-1988) te spreken, durven leven in het raadsel. En als dat ‘durven’ te aanmatigend en te heroïsch klinkt, laten we het dan zo formuleren: hen die niet anders kunnen dan berusten in deze raadselachtigheid, die haar gelaten maar beslist het hoofd bieden.

Als er al een ‘elite’ bestaat, dan is het die laatst genoemde ‘soort’: de categorie mensen, die moedig capituleert, die berustend in beweging komt en blijft, die stoutmoedig gematigd handelt, die vermetel realistisch de wereld inkijkt. Het is de ‘democratische aristocratie’, zoals De Kadt haar muntte. Het is de ‘schipperende’ elite van Menno ter Braak, die noch à la Rob Riemen terugverlangt naar de gouden, ‘humanistische’ tijden van weleer, noch zich, uit een soort romantische verheerlijking van het brute, masochistisch uitlevert aan de modieuze ‘ploertigheid’ en ‘poenigheid’. Zij ziet niet neer op de begriploze massa vanuit de pretentie zelf wel de toekomst in hoge woorden te kunnen ‘bannen’, maar maakt zich evenmin tot tolk van de oprispingen van onvrede van die massa – een onvrede die overigens veelal een romantische projectie is van de snob, die de ‘gewone mensen’ als nobele wilden op het voetstuk plaatst en hen zodoende tegelijk temt. De ‘schipperende elite’ kent juist de ‘werkelijke ontevredenheid die inherent is aan het leven in het raadsel, de ontevredenheid met elk antwoord op de open vraag’ (De Kadt), de ontevredenheid met alles wat pretendeert een einde te maken aan voorlopigheid.

De elite in deze zin wil ik echter niet zien als een sociologische, statische groep. Het is geheel in de geest van Ter Braak om haar eerder te zien als een ideaaltype, een model dat ons een dynamiek, een streven en een ‘onrust’ voorhoudt, die we ons allemaal eigen zouden moeten en kunnen maken. Een ideaaltype dat ons een slecht geweten bezorgt als we de oorzaken eenduidig lokaliseren en de oplossingen met overmoedig gemak aandragen – als we bijvoorbeeld spreken over de ‘falende overheid’ als bron van alle kwalen en als we onszelf voorspiegelen dat een overheid die iets ‘anders’ of die ‘meer’ doet, garandeert dat het beter wordt – met als gevaar dat we met onze mond vol standen staan als dat ‘andere’ en ‘betere’ straks op zijn beurt faalt, als bijvoorbeeld ondanks potdichte grenzen toch een aanslag plaatsvindt en we ons moeten aanvragen wat er dan ‘nóg beter en anders’ moet. (We kunnen daar maar beter aan denken.)

In een tweet vroeg onlangs een bekend liberaal historicus, die ooit een zeer korte parlementaire carrière had, wie de Menno ter Braak van deze tijd zou zijn. Ik denk dat het antwoord kort kan zijn. Er was maar één Menno ter Braak. Zelf waarschuwde de schrijver er overigens voor, om al te makkelijke vergelijkingen te trekken tussen verleden en heden. Wel kunnen we, schreef hij, onze denkbeelden aan de geschiedenis toetsen. Alvorens straks te gaan stemmen kunnen we dus misschien gewoon het beste de tijddiagnoses van Ter Braak (en De Kadt natuurlijk) lezen of herlezen. Het is niemand onder ons verboden om te zeggen: Je suis Ter Braak.

Bronnen:
Menno ter Braak, De nieuwe elite. 1939.
Jacques de Kadt, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. 1939.

Deze column verscheen eerder op De Leunstoel.

Van traptreden naar hellend vlak? Over zogenaamde hoge en lage cultuur

In de cultuurgeschiedenis is de tweedeling tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur een rode draad. Aan de ene kant stond bijvoorbeeld altijd de complexe en doorwrochte letterkunde of de muziek, bedoeld voor de geletterde fijnproevers en rijk bedeelden in hun salons of zalen. Aan de andere kant was er de parallelle wereld van de orale, geïmproviseerde vertelkunst en muziek, met als podium de straat of andere ontmoetingsplaatsen van het volk. In de 20e eeuw is deze tegenstelling op de spits gedreven. Dit had een specifieke oorzaak, namelijk het feit dat door de moderne techniek en media kunstuitingen oneindig reproduceerbaar werden – zoals Walter Benjamin (1892-1940) heeft beschreven.

Dit was voor de ‘hoge cultuur’ uiteraard een zegen. Via de radio en de platenindustrie verliet de klassieke muziek de concertzaal. Door goedkope druktechnieken vond de wereldliteratuur de weg naar de massa. Door diezelfde techniek was het genot van beroemde schilderijen niet meer voorbehouden aan degenen die zich konden veroorloven om te reizen of kunst aan te schaffen. Tegelijk echter moest de zogenaamde ‘hoge cultuur’ nu direct de concurrentie aangaan met de massacultuur, waarvoor de nieuwe media evenzeer een ideaal voertuig waren. De muur viel weg tussen de parallelle werelden. Dat zette kunstminnaars er toe aan, via de massamedia een verheffingsoffensief in te zetten. De ‘hoge’ kunst moest onder de mensen worden gebracht. Het was echter een ongelijke strijd. Met de concurrentie kwam de commercialisering. Wat de klant vroeg werd gedraaid.

Daar kwam nog iets bij. De vermenigvuldigingstechniek maakte nieuwe vormen van kunst mogelijk – zoals het beeldverhaal, de in de studio gemixte en opgenomen muziek, de film, het bewegend beeld en mengvormen van één en ander, zoals de videoclip. Deze ontwikkeling gaat nog steeds door en komt door de digitalisering weer in een nieuwe fase. De genoemde kunstvormen zijn geboren in en dankzij de massamediacultuur – en zijn daardoor uit hun aard eendimensionaal en commercieel. Ze zijn beter aangepast aan de moderne cultuur en daardoor vitaler. Het ingeblikte beeld en geluid lijken het einde van het geschreven boek in te luiden en de concertzalen worden nog slechter bezocht dan kerken.

De Platonische tegenstelling blijkt echter niet vol te houden. De verhouding tussen ‘hoog’ en ‘laag’ is bij nader inzien complexer. Zo wordt binnen de officiële kunst menige strijd geleverd tussen een moeilijk toegankelijke avant-garde enerzijds en kunstenaars die benaderbaar zijn anderzijds, tussen abstract en figuratief, tussen atonaal en tonaal, tussen raadselachtig en begrijpelijk, tussen conceptueel en beeldend etc. En om het nog ingewikkelder te maken zijn er popmusici en -liefhebbers die vanuit de ivoren toren van meer artistieke rockmuziek neerkijken op de commerciële allemansmuziek.

Het is misschien aan die verwarring te danken, dat velen de strijd opgeven tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Dat begon al in de jaren zestig. Het zet nu meer dan ooit door. Uitvoerders van klassieke muziek zoeken contact met popmusici en maken zogenaamde ‘crossovers’. Cultuurprogramma’s op TV stimuleren museumbezoek en het lezen van boeken. Fado- en jazzliefhebbers ontdekken de Schlager en het Jordaanlied als de blues van de gewone man. De grenzen vervagen of worden in elk geval gretig overschreden. De traptreden worden een hellend vlak…

Is het toeval dat ik de laatste jaren iets vergelijkbaars zie gebeuren op de markt van zingeving en religie? Theologische en pastorale vernieuwers hebben het Volk Gods vanaf het midden van de 20e eeuw proberen te verheffen en te verfijnen. De volksreligiositeit werd afgedaan als primitief. Toch is ze als onderstroom springlevend gebleven. Zij wordt sinds kort weer volop serieus genomen door godgeleerden en zielzorgers. Vooral onder de nieuwe gedaante van de esoterie wordt zij meer en meer salonfähig. Dat de religie niet meer onderhevig is aan het alleenvertoningsrecht van instituten met hun ‘elites’ draagt hier zeker aan bij. Net als de cultuur is religie, dankzij het onbegrensde netwerk van de media, het eigendom geworden van iedereen. Zij is democratisch geworden of liever ‘demo-praktisch’: mensen brengen religie op hun manier en ongehinderd in praktijk. Daardoor vervallen grensindelingen en indelingen in hoog en laag. Of je dat nu leuk vindt, of niet.

Ik bijvoorbeeld vind dat niet leuk. Maar gelukkig ga ik er ook niet over.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Rationele emoties

Sinds de tweede wereldoorlog zijn er in de politieke bewegingen globaal drie tijdperken te onderscheiden: het tijdperk van het visioen en de utopie (1945-1989), het tijdperk van het nuchtere pragmatisme en realisme (1989-2008) en het tijdperk van de emotie. In dat laatste tijdperk leven we nu. Zowel de grote blauwdrukken hebben afgedaan, als het liberale geloof dat het vanzelf wel goed komt als we de maatschappelijke en economische krachten hun gang laten gaan. Aan het eerste is een eind gekomen door het debacle van het communisme, aan het tweede door de financiële crisis. Teleurstelling en argwaan zijn sindsdien de boventoon gaan voeren.  Kortom: het gevoel is leidend geworden.

Degenen die dit het best begrijpen zijn de zogenaamd populistische stromingen ter linker- en rechterzijde. Onbelast door een verleden in de idealistisch-linkse beweging en/of onbezoedeld door vuile kapitalistische handen, kunnen zij zich onbekommerd tot woordvoerder maken van de ‘verliezers’ van de geschiedenis en dier verontwaardiging – daarmee een westerse (en vooralsnog goddank geweldloze en democratische) versie introducerend van de retoriek van de ‘globaliseringsverliezers’, die ons vanuit de ivoren toren van hun morele gelijk sinds 9/11 teisteren met terreur.

Soms slaan de volksen een waarschuwende toon aan: als we de gevoelens van de verliezers niet serieus nemen, riskeren we wanorde, verzet en burgeroorlog. Uiteraard is dat geen directe bedreiging – haasten ze zich te zeggen – doch eerder een voorspelling van wat er zal gebeuren ‘als’. Niettemin is het indirect wel degelijk intimiderend en chanterend – al is het maar omdat de volkstribunen ook niets doen om hun eigen achterban te kalmeren. Het lijkt erop dat ze het vuur onder de pan aanzetten, de keuken verlaten en de soep laten overkoken – waarbij ze natuurlijk niet verantwoordelijk zijn voor wat die rare soep doet.

De populisten hebben een goede neus voor de emoties. En in zekere zin hebben ze gelijk als ze het daarvoor opnemen. Emoties zijn immers meer dan ‘buikgevoelens’, meer dan graadmeters van de temperatuur van de ingewanden. Het zijn ook – en denkers als Martha Nussbaum wijzen hierop – uitingen van waarden, visies, denkbeelden, waarnemingen. Boosheid is een uiting van rechtvaardigheidsgevoel, om maar een voorbeeld te noemen. Angst duidt op een rechtvaardige behoefte aan veiligheid. Gekrenktheid is een uiting van gevoel van eigenwaarde en waardigheid. In die zin hebben emoties een eigen redelijkheid. Ze verdienen het, dat er naar wordt geluisterd. Maar dan wel uiteraard met de inzet om die diepere laag aan te spreken. De inzet om – hoe ingewikkeld en paradoxaal ook – rationeel met emoties om te gaan. En om zo op het spoor te komen van waarden en inzichten die we delen en die ons verbinden – of die in elk geval het gesprek gaande houden.

Dit betekent echter ook dat emoties in toom moeten worden houden. Om het met Aristoteles te zeggen: ze moeten het juiste midden houden. Te weinig of te vlakke emotie betekent apathie en desinteresse. Te veel of te heftige emotie schiet aan het doel voorbij. En dat dreigt momenteel te gebeuren, zowel ter ‘linkerzijde’ (bijv. de gekrenktheidscultus die bij het minste of geringste de racismekaart trekt) als ter ‘rechterzijde’ (bijv. de rancune die niet weet hoe snel het establishment moet worden afgebrand, te beginnen bij de media en de cultuursector).

Laten we van ons hart geen moordkuil maken. Laten we onze emoties het woord geven. En laten we daarover vervolgens redelijk in gesprek gaan.

***

Deze column, gebaseerd op een uitgebreider artikel in het remonstrants maandblad Ad Rem, verscheen ook op #ikbenverbonden.

De nederlaag van de wreedheid

Voor bepaalde beroepen is een zekere hardheid vereist. Soms wordt er al in de opleiding bewust een pantser van gevoelloosheid opgebouwd – bijvoorbeeld bij chirurgen, sporters en beroepsmilitairen. Soms ook ontstaat in de loop der tijd een eeltlaag. Verpleegkundigen, leraren en politiemensen bijvoorbeeld verleggen geleidelijk hun pijngrenzen of dempen bij wijze van overlevingsstrategie hun emoties. Het opbouwen van een pantser of het vormen van een eeltlaag is nuttig. Het maakt iemand weerbaar en houdt haar of hem overeind. Indringende gebeurtenissen kunnen niet uitgroeien tot psychotraumata. De beschermingsstrategie komt ten goede aan de nachtrust – zolang de trauma’s tenminste niet via nachtmerries en spookbeelden alsnog binnensluipen en de psychische stabiliteit ondermijnen. Vroeg of laat is deze inwendige tactiek van de verschroeide aarde echter uitgewerkt. Dat blijkt dan uit een burn-out of compensatiegedrag – zoals misbruik van drugs en alcohol, roekeloos rijgedrag en geweld tegen familieleden.

Het wordt ronduit problematisch als de onverschilligheid voor de eigen gevoelens gepaard gaat met gebrek aan invoelingsvermogen; als hardheid jegens zichzelf de keerzijde is van hartvochtigheid jegens anderen. Om maar geen water bij de wijn van doelen en denkbeelden te hoeven doen, onderdrukt een functionaris de empathie met de eventuele slachtoffers van haar of zijn rechtlijnigheid – zelfs als dat betekent dat naasten moeten worden opgeofferd. De geschiedenis, de literatuur en de filmgeschiedenis staan vol met voorbeelden hiervan: de rechter Jefta die zijn dochter offert, de orthodoxe dominee die zijn homoseksuele zoon verstoot, de generaal die zijn kinderen de dood in jaagt, de bewindspersoon die via bezuinigingen de zorg voor zijn eigen bejaarde ouders op het spel zet enzovoorts. Extreme voorbeelden zijn natuurlijk de oorlogszuchtige dictatoren die bereid zijn alles, maar dan ook alles op het spel te zetten. Deze mensen houden met een stalen gezicht vast aan hun denkbeelden en besluiten, hun koers of bevelen – ook en juist als het hun allernaasten raakt.  Ze maken zichzelf immuun voor datgene wat hen nog aan het twijfelen zou kunnen brengen: liefde. Het feit dat ze bereid zijn hun naasten op te offeren, zien ze zelfs als een legitimatie van hun visie of doel. Ze betalen de rekening immers zelf.

De Bijbelse icoon van deze houding is de Farao, wiens spreekwoordelijke hardheid de uittocht van Gods volk tegenhoudt en die zodoende een escalerende krachtmeting met de bevrijdende God aangaat. Zelfs als zijn eigen volk murw is gemaakt door negen plagen, blijft de Farao onverbiddelijk. Zijn hart versteent en hij is blijkbaar bereid om tot het uiterste te gaan. Het dieptepunt van de strijd wordt bereikt als de eerstgeborenen worden getroffen, het oudste kind van de Farao voorop (Ex. 12, 29). Dan geeft hij Mozes en zijn volk een vrije aftocht – om zich overigens alsnog te bedenken en (weliswaar te laat) de achtervolging in te zetten. Blijkbaar heeft hij zelfs van de dood van zijn kind nog niets geleerd – niet onverwacht, natuurlijk, want hij heeft het er zelf op aan laten komen.

Op zijn schilderij ‘De dood van Farao’s eerstgeborene’ legt Lourens (Lawrence) Alma Tadema (1836-1912) het moment vast, dat de Farao de rekening gepresenteerd krijgt. Alma Tadema gunt de koning nog een schijn van gevoel. Hij vecht met zijn tranen. Zijn misplaatste fierheid en de overtuigdheid van zijn eigen gelijk houden zich echter staande. Wij weten dat die laatste het zullen winnen van het verdriet. En dat Farao in alle opzichten de verliezer is.

***

De tentoonstelling “Alma Tadema, Klassieke verleiding” is te zien in het Fries Museum tot en met 7 februari 2017.

Het bovenstaande verscheen eerder als Column op De Bezieling.

Het elite-frame

Je zou verwachten dat ze in een overwinningsroes zouden verkeren na 8 november, al die Nederlandse populisten en hun schapen. In plaats daarvan uiten ze zich vooral ‘strijdbaar’. Het is een strijdbaarheid van de verbitterde en verbeten soort. Sterker dan voorheen slaan ze hun wraakzuchtige toon aan en beloven ze af te rekenen met establishment en elite.

Ook ik – als lid van de groep waarmee blijkbaar een appeltje moet worden geschild (PvdA-lid, actief in ontwikkelingssamenwerking en cultuurconsument) – voel me in toenemende mate geïntimideerd, maar vooral geïrriteerd. Ja: ik wordt ronduit chagrijnig te worden over de gemakzucht waarmee mensen en groepen als elite worden gelabeld – en vervolgens vogelvrij worden verklaard. De emotionele lading van mijn irritatie heeft een heel persoonlijke achtergrond.

Ik kom uit een hard werkend lager-middenklasse milieu – in die zin ben ik een atypische remonstrant. Dat betekende concreet het volgende. De weinige, maar wel reële kansen die we hadden om ons te ontplooien, moesten we goed benutten. We mochten niet klagen, maar moesten problemen oplossen en eraan werken. Voor de kansen moesten we niet slaafs dankbaar zijn, maar wel erkentelijk, ze niet als een vanzelfsprekend recht beschouwen. Mensen die het slechter hadden – en die waren er altijd – die moest je helpen. Je moest niet passief voor de TV hangen, maar je blik en geest verruimen, naar concerten gaan en als het even kon een boek lezen. Kortom: leven en samenleven was iets waar je moeite voor deed.

Dit was allemaal te vinden op mijn paplepel. Het heeft me gemaakt tot wat en wie ik nu ben. Het heeft mijn ‘levensvorm’ bepaald. Bij deze ‘levensvorm’ horen ook bepaalde opvattingen en keuzes, ook politieke. Ik ben er overigens niet arm door geworden, maar zeker ook niet rijk. Ik ben een gewone ‘hard werkende’ Nederlander. En hier komt mijn toorn: ik laat mijn levensvorm en opvattingen nu niet meer wegzetten als elitair, omdat ze voor anderen ongemakkelijk zijn. Het is gewoon burgerfatsoen, de ethiek van gewone mensen. Niks elite.

Beste ‘volksmensen’: monopoliseer niet je ‘gewoon zijn’. En houd alsjeblieft op met het dreigen met bijltjesdagen en afrekeningen. Met alle respect: je wekt en bevestigt alleen maar het vermoeden, dat je verwend en rancuneus bent. Zo verwend dat je alleen maar kunt afpakken en afbreken in plaats van opbouwen. Ik wil je zorgen delen en je serieus nemen. Maar help me daarbij dan ook. Diva-gedrag helpt in elk geval niet.

***

 

De bovenstaande column verscheen eerder op de website van de remonstranten.

De hemel op aarde

In de week van 10 oktober werd op NPO Radio 4 weer eens de onverwoestbaarheid van de klassieke muziek aangetoond. Onder de naam Hart & Ziel wordt jaarlijks een klassieke ‘Top 300’ uitgezonden. Hoewel de formule gemakkelijk (en zelfs wat gemakzuchtig) lijkt, wordt het programma door velen ervaren als een feestje – ook door mij.

Dat laatste ligt ongetwijfeld aan de interactieve opzet en aan het feit dat mensen bij de toelichting van hun keuze hun enthousiasme kunnen uiten. Ze kunnen muziek laten horen waarvan ze blij worden – of exacter: die hen hoe dan ook ontroert, verstilt, raakt. Muziek die – zoals de metaforen ‘hart’ en ‘ziel’ suggereren – de weg naar binnen vrijmaakt of die je juist uit je koker bevrijdt en je boven jezelf uittilt. Je vraagt je al luisterende af, waarom luisteraars niet elke week de baas mogen zijn over de programmering. De radio is er immers toch voor de mensen?

Om op die laatste retorische vraag te antwoorden, leg ik maar meteen mijn ouderwetse kaarten op tafel. Ik vind dat de publieke media ook de taak hebben onze smaak en kennis te verheffen, te verdiepen en te verbreden. En daarmee heb ik juist niet mijn medemensen op het oog – voor u me voor snobist gaat verslijten – maar in de eerste plaats mijzelf. Die ‘verheffende’ functie is juist de reden dat ik naar Radio Vier luister als ik bezig ben en op reis ben. (In mijn vrije tijd ga ik heus wel zitten voor een liveconcert of een cd.) De zender brengt me op ideeën, legt onvermoede lagen in het repertoire bloot, daagt me uit om het onbekende te leren kennen en leert me het weerbarstige waarderen. Mijn smaak heeft zich ontwikkeld door de zender die – met alle schaduwkanten die hij ook heeft – enerzijds een warm bad van welluidendheid en herkenbaarheid is en anderzijds een verfrissende wandeling door een zonovergoten gletsjerlandschap.

De klassieke radiozender verrast en verbaast me dus. Bij verbazing hoort echter soms ook teleurstelling en een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Juist tijdens de ‘Hart-en-ziel-week’ werd dit jaar mijn ruimdenkendheid op de proef gesteld. Waarom, bijvoorbeeld, kwamen Haydn, Beethoven en Brahms er zo bekaaid af? Ze stonden er wel in, maar haalden niet de top tien. Waarom wel de populist Simeon ten Holt? Waarom wel de knuffelcomponisten Fauré en Pärt – en dan uitgerekend vertegenwoordigd door de meest zoetige stukken uit hun oeuvre?

Dit hangt weer samen met een ander soort verbazing. Het werd ook al door de presentatoren opgemerkt: de voorkeur van de luisteraars voor religieuze muziek (vijf van de eerste tien) of muziek met een spirituele pretentie (twee van de eerste tien) is opvallend. Ongeseculariseerder kan de publieke omroep niet voor de dag komen. Op zich is dat geen slecht nieuws.

En toch knaagt er iets bij ’s lands voorkeur voor religieuze pathetiek, voor muziek die zichzelf tot spiritueel uitroept of muziek waar het spirituele er duimendik bovenop ligt. Deze roept een zekere achterdocht bij me op. Is hierbij geen sprake van een eigenmachtige bezwering van het transcendente, een bezwering die het Heilige eerder verjaagt dan oproept, die eerder zichzelf op de voorgrond plaatst, dan deemoedig een stap terug te doen ten gunste van de Ander?

Ach, ik ben te Barthiaans… In elk geval zou ik in de top tien van Hart & Ziel plaats willen maken voor componisten met minder pretenties: voor het humanisme van Beethoven (op zich al pretentieus genoeg natuurlijk), voor het melancholieke agnosticisme van Brahms – en vooral voor de aardse humor van Haydn. Uitgerekend diens twee bekende oratoria (De Schepping en De Jaargetijden) zijn door en door aards.

Ja, Haydn op één. Haydn die de muziek niet geforceerd naar iets ‘hogers’ laat verwijzen, maar die door, met en in zijn muziek zegt: “Het is maar muziek. Meer niet. Maar wat wil een mens meer? Muziek is toch al de hemel op aarde?”

Luisteren… en dan?

We moeten meer en beter  luisteren naar de achterban van populistische politici, zo wordt ons de laatste tijd steeds vaker onder de neus gewreven. De verkiezingsoverwinning van Trump heeft dit geluid versterkt. Het klinkt zowel uit de mond van de aanhangers van populisten als uit de mond van boetvaardige voormalige critici. Als vertegenwoordiger van datgene wat blijkbaar de ‘elite’ is, weet ik eerlijk gezegd geen raad met dit advies.

Om te beginnen – zo vraag ik me af – doen we toch niet anders dan ruimte geven aan de stem van bezorgd rechts? Godzijdank is in ons land de ‘achterban’ voldoende vertegenwoordigd, onder andere door een jaloersmakend grote fractie in ons parlement. Deze volksvertegenwoordigers nemen toch gewoon deel aan de politieke processen – en daarbuiten aan het maatschappelijk debat?  Zelfs in de programma’s van de vermaledijde ‘linkse’ publieke omroep schuiven ze geregeld aan in talkshows – tenzij ze natuurlijk zelf weigeren te komen, zoals kennelijk het geval is. Wat is er dan nog meer nodig? 

Natuurlijk moeten we de achterban van politici serieus nemen – maar wat betekent dit anders, dan dat er vrije verkiezingen plaatsvinden en dat de verkozenen mogen meedoen aan het politieke spel en het maatschappelijke debat? Of geldt dit alleen voor de andere partijen en hebben de populisten recht op iets extra’s? En wat is dat dan?

O, misschien worden ze geboycot?! Daarvan zie ik echter geen tekenen. Politici van de PVV of verwante partijen zijn, als gezegd, niet van het televisiescherm weg te branden. Vervolgens zijn er nog de commentatoren in talkshows en de columnisten van kwaliteitsbladen, die het opnemen voor de PVV. Uiteraard beweren en bezweren zij, dat ze slechts opkomen voor het goed recht van de PVV om zich te uiten. Begrijpelijkerwijs willen ze zich niet inhoudelijk branden aan partijstandpunten. Niettemin blijkt vaak bij het doorvragen of doorlezen (of als je hen volgt in de social media) dat ze gewoon standpunten van de PVV en haar zusterpartijen delen. Dat mag natuurlijk, maar zeg dan niet dat je club wordt genegeerd.

Maar wacht. Ik maak me er waarschijnlijk te makkelijk van af. Het gaat er natuurlijk niet om, dat we standpunten voor kennisgeving aannemen, maar dat we de laag daaronder aanboren en de motieven opdiepen. Dit wordt me echter wel erg moeilijk gemaakt door de dubbele boodschap van de klagers. Enerzijds wordt geroepen, dat je moet luisteren naar de emoties en ‘zorgen’ die er schuilen ‘achter’ het stemgedrag van mensen. Zeg dan echter niet van PVV-stemmers, dat het bange en boze mensen zijn uit bepaalde achtergestelde milieus, wier grieven je best wel serieus wilt nemen. Dan klinkt namelijk als weerwoord, dat je geen recht doet aan de rationaliteit van deze kiezers – waarbij wordt verwezen naar de evenwichtige demografische samenstelling van de groep, waarvan ook hoogopgeleiden deel uitmaken.

Los van het merkwaardige feit, dat de hoogopgeleiden erbij moeten worden gehaald om het denkniveau van de PVV-achterban te onderbouwen – hetgeen niet van veel respect getuigt voor de bewoners van achterstandswijken in deze achterban – roept dit verweer de vraag op, wat ‘meer en beter luisteren’ dan precies betekent. Als mensen rationeel kiezen voor de PVV, kiezen ze toch gewoon bewust voor het programma en de erin vervatte standpunten van die partij? En dat programma en die standpunten zijn toch gewoon bekend, duidelijk en ondubbelzinnig? Daarvan nemen we toch kennis en daarmee gaan we toch in discussie? Is dat dan geen luisteren? Wat is er dan meer nodig?

Ik vermoed eerlijk gezegd dat men met luisteren in dit verband gewoon bedoelt ‘gelijk geven’. Blijkbaar is kritiek niet gewenst. Blijkbaar kan men niet ermee leven dat onze samenleving is gebaseerd op een veelvoud aan opinies – en dus ook op de bereidheid je verlies te incasseren als je in de minderheid bent. Je mag van mij heus wel begrip en erkenning vragen, maar dat is iets anders dan gelijk eisen. (Je mag van mij  – om concreet te zijn – vergen dat ik de problemen in bepaalde wijken onderken – dat doe ik – maar dat betekent nog niet dat jouw ‘oplossingen’ de juiste zijn.) Er zijn overigens wel meer mensen en groeperingen, voor wie ik begrip heb, zonder dat ik het recht opgeef een (eventueel fel) oordeel te hebben over hun opvattingen en gedragingen – zoals DENK, het spiegelbeeld van de PVV, of andere slachtoffer-  en complotdenkers.

Wat het luisteren tenslotte bemoeilijkt is, dat er vaak zo weinig te beluisteren valt. Als woordvoerders of beschermers van de PVV optreden in de media bestaat hun boodschap vooral in de autoreferentiële klacht dat er zo weinig wordt geluisterd. Verder dan het herhalen van deze meta-boodschap komen ze vaak niet. Als je wilt dat er naar je wordt geluisterd, help me dan en kom met de inhoudelijke uitspraken waarnaar ik moet luisteren – en blijf niet steken in het herhalen van de klacht dat er niet wordt geluisterd.

Kortom: ik wil luisteren en ik doe niet anders. Ik wil het gesprek voeren. Ik ben ook de laatste om processen te voeren. (In die zin was en ben ik ook tegen het strafproces tegen Wilders.) Als er echter meer nodig is, dan hoor ik graag een overtuigend antwoord op de vraag, waarin dat ‘meer’ bestaat.